DE ZUIDPUNT VAN ÖLAND.

Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve,

die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het

eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al

daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht

gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar

Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een

groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij,

waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele

honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby

geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er

groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten

worden gebruikt.

In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt

is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang

is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en

spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is

het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw

voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En

dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van 't

eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland

afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve

loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen,

waar ze niet zoo veilig zijn.

Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna

denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden

rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in

zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden

stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er

graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor

vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder

de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.

Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren

aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de

schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over

de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij

onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand,

dat hij kon overzien.

't Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een

massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogen kiezen, zou hij er

nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden

het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen

te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en

andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen,

maar 't meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken

aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten

zich aan larven, die daar in eindelooze massa's wezen moesten, want

nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.

Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken

om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn

kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: "Zijn jelui nu

klaar? dan gaan we verder."

"Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,"

zei zijn reisgezelschap.

"Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je

zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?" zei de leider,

klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens,

dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om

meê te gaan.

Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen

zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op

't water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en

haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers

gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet

klonken.

Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen,

ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde

zwanen van dichtbij gezien.

Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.

De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde

en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken,

vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen

zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken

de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans

of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de

aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.

Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet,

die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel

weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde

een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen

hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort

daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.

Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar

verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij

was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een

peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid

achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder,

en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was,

dat ze hun waardigheid niet op konden houden.

Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels

in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als

't ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht

genoeg onder de vleugels, en vlogen op.

Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die

eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje,

berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.

De jongen ging weer naar 't land. Daar bleef hij toezien hoe de

snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat

kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende

bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in

een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een

golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed,

volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.

De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker

verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar,

gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél

sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een

breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart;

de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een

weerschijn als zijde.

Zoodra een paar van hen zich aan 't strand vertoonden, zeiden de andere

vogels: "Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!" "Als ze

niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te

maken, maar konden boven in 't daglicht wonen, zooals alle anderen,"

zeide een bruine wijfjesgraseend.

"Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch

nooit behoorlijk uitzien met zoo'n neus als zij hebben," zei een

grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een

groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.

Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over

het water, en vischten.

"Wat is dat voor visch, die je ophaalt?" vroeg een wilde gans.

"Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de beste

visch in de wereld," zei een meeuw. "Wil je niet eens proeven?" En

hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes,

en wilde er haar van geven.

"O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!" zei de wilde gans.

Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen

gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand

om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht,

dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar

hij in 't geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een

zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud

rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te

vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er

ook heel blij mee, toen die af was.

Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem

of hij den witten ganzerik ook gezien had. "Neen, hij is niet bij

mij geweest," zei de jongen.

"Hij was een oogenblik geleden nog bij ons," zei Akka, "maar nu weten

we niet, waar hij is."

De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich

ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt

gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik

was zeker alleen maar in den mist verdwaald.

Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier

de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om

hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal

rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard

naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het

mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde

vogelgewemel--maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van

Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een,

maar hij vond geen spoor van den ganzerik.

Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het

strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen,

en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als

hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder

kon missen.

Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot

wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij

was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de

anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in 't hoofd

gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De

jongen sloeg in zijn blijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem

voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde

hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden

morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen

de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.

Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij

was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.

De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond

een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij

er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan 't strand,

dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er

plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op

het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere

gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem

zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.

Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond

liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders

denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos,

dat hij niet wist wat te beginnen.

Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde

vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was,

meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die

vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten

ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene

lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen

niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst

te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.

Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag

een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen

de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren,

wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen

vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar

troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op

het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen

dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds

dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt,

dat ze beter zou worden, voor hij van 't eiland weg zou gaan, maar

ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om,

maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.

Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden

dag zou terugkomen.

De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop

hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen

was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem

was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake

van, dat hij hier kon blijven om haar!--Maar toen hij het jonge gansje

van dichtbij zag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang

eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken,

dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren

zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.

Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel

was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde

bij al haar bewegingen.

"Je hoeft niet bang voor me te wezen," zei de jongen, en keek lang

zoo boos niet, als hij van plan was te doen. "Ik ben Duimelot, de

reiskameraad van Maarten, den ganzerik," ging hij voort, en hij wist

niet, wat hij zeggen zou.

Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen,

wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het

betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra

Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem,

en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat

het een gans was, die sprak: "Ik ben heel blij, dat je hier gekomen

bent om me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand

zoo goed en zoo verstandig is als jij."

Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen

werd. "Dat kan geen gans wezen," dacht hij. "Dat is zeker een

betooverde prinses."

Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes

onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. 't Been was niet

gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte

in 't gelid.

"Pas nu op," zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en

zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug

en goed, in aanmerking genomen, dat het voor 't eerst was, dat hij

zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben,

want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze

neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De

jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was

ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard

weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.

Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka

zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten. Allen waren bereid om op

weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep,

dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet

naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik,

en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De

jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had

berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen,

hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. 't Was maar

't beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht

hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van

de grijze gans weg te gaan.

Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans

werd hem te machtig. 't Moest met de reis naar Lapland maar gaan,

zooals 't kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist,

dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.

Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag

geen jonge gans tusschen de steenen.

"Donsje, Donsje, waar ben je?" riep de ganzerik.

"De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen," dacht

de jongen. Maar op 't zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem

antwoorden: "Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even

een bad genomen." En uit het water dook de kleine grijze gans op,

frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in

't lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê

te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige

veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr,

dat ze een echt prinsesje was.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 38 / 140 题