Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om
te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel
verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun
verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze
waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor
de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden
verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans,
die even oud en wijs scheen als Akka zelf:
"Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land
vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u
tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar
't noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland,
zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war
te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland
blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof
niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt."
Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien
te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar
Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans
had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.
Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten
vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle
vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg
waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen
gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen
zouden aan gidsen geen gebrek hebben.
Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste
weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een
beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel
was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa's,
die tot aan den horizon neerhingen, en 't uitzicht verhinderden.
Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich
zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden
keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder
hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal
duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan
hij den eersten keer had gedaan. 't Was, alsof hij zich onmogelijk
vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.
't Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen,
waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht
na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. 't Was, als
volgden ze een gebaanden weg. 't Waren eenden en grijze ganzen,
zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten,
duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar
toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij
den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig,
dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met
den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over,
want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.
De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van
hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles
er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.
"Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!" zei hij in
zichzelf. "Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!"
Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het
waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd
blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De
duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken,
dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.
Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige
witte rookzuiltjes opstijgen.
Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.
"Schutters! Schutters! Schutters in booten!" riepen ze. "Vlieg
hoog! Vlieg weg!"
Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen,
en dat ze in 't geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in
een lange rij, en ze waren vol schutters, die schot op schot losten. De
eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden
te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee,
en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.
't Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde,
met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot
omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst
mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg,
maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor,
dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik
en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!
Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was
doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan:
"Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?"
En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: "We vliegen recht op
Öland aan, recht op Öland!"
De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.
"Haast je zoo niet!" riepen de eenden toen. "Jelui eet alles op,
voor wij er aan toe zijn!"
"Er is genoeg voor jelui en voor ons," antwoordden de duikeleenden.
Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw
windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa's
witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.
Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze
bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al
dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen
scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De
jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.
Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien,
begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die
tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te
spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. "Pas
op!" riepen zij. "Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in
's hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland."
Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar
het spoor bijster te maken. "Kijk nu die pijlstaarten eens!" klonk
het in den nevel. "Jullie gaan naar de Noordzee terug!"
"Past op, grijze ganzen!" riep iemand van een anderen kant, "als
jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!"
Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon
waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden
laten lokken. Maar zij, die 't moeilijk hadden--dàt waren de wilde
ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren,
en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.
"Waar moet jelui heen, vrienden?" riep een zwaan. Hij kwam recht op
Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.
"Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest," zei
Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.
"Dat is toch te erg," zei de zwaan. "Dan hebben ze jelui in de war
gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in
de goede richting brengen."
En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten
trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij
in den mist.
Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt
de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.
"'t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist
is opgetrokken," zei de eend. "Men kan wel zien, dat jelui niet aan
't reizen gewend zijn."
't Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor
zoover de jongen 't begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een
kring rond.
"Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt," riep
een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep
onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang
voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen,
als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.
Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort
in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd,
dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland,
omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren
op den nevel te schieten.
Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer
van afbrengen.