't Is waar, dat ijs altijd verraderlijk is, en dat je er niet op
vertrouwen kunt. Midden in den nacht dreef het losse stuk ijs op het
Vombmeer weg, zoodat het ergens tegen het land stootte. En nu gebeurde
het, dat Smirre, de vos, die toen aan den oostkant van het meer in
't Övedkloosterpark woonde, die plaats ontdekte, toen hij op zijn
nachtjacht uit was. Smirre had de wilde ganzen al 's avonds gezien,
maar hij had niet durven hopen er een van te kunnen pakken. Hij ging
nu dadelijk op het ijs.
Toen Smirre heel dicht bij de wilde ganzen was, gleed hij uit,
zoodat zijn klauwen over 't ijs schraapten. De ganzen werden wakker,
en klapten met de vleugels om op te vliegen. Maar Smirre was hun te
vlug af. Hij stoof vooruit, als een bal, die gegooid wordt, pakte
een gans bij de vlerk, en holde naar land terug.
Maar dien nacht waren de wilde ganzen niet alleen op 't ijs; ze hadden
een mensch bij zich, hoe klein die ook was. De jongen was wakker
geworden, doordat de ganzerik met de vleugels geslagen had. Hij was op
't ijs gevallen, en was klaar wakker blijven zitten. Hij begreep niets
van al die onrust, vóór hij een kleinen hond met korte pooten over
't ijs had zien wegspringen met een gans in den bek.
De jongen liep hem dadelijk achterna, om dien hond daar de gans af
te nemen. Hij hoorde wel, dat de ganzerik riep: "Pas op, Duimelot,
pas toch op!"
Maar de jongen dacht, dat hij voor zoo'n hondje toch niet bang hoefde
te wezen, en hij stormde voort.
De wilde gans, die Smirre, de vos, meesleepte, hoorde het geklapper
van de klompen van den jongen over 't ijs, en ze kon haar ooren
nauwelijks gelooven.
"Stel je voor, dat dat ventje mij van den vos zal afnemen," dacht
ze. En hoe ellendig ze 't ook had, diep uit haar hals kwam een vroolijk
gekakel, bijna alsof ze lachte.
"'t Eerste wat er gebeurt is natuurlijk, dat hij in een spleet in
het ijs valt," dacht ze.
Maar hoe donker de nacht ook was--de jongen zag duidelijk alle spleten
en gaten, die er in het ijs waren, en sprong er flink over heen. Dat
kwam, doordat hij nu de goede nachtoogen van de kabouters had, en
in 't donker zien kon. Hij zag 't land en het meer even duidelijk,
alsof het dag was geweest.
Smirre, de vos, ging van 't ijs af, daar, waar het tegen 't land aan
lag en juist, toen hij zich tegen den kant opwerkte, riep de jongen
hem toe: "Wil je die gans wel eens neerleggen, jou lummel!" Smirre
wist niet, wie het was, die dat riep, hij nam den tijd niet om om te
kijken, maar liep nog harder.
Hij liep nu een bosch in met groote, prachtige beuken, en de jongen
volgde hem zonder er aan te denken, dat hij gevaar kon loopen. Hij
dacht er aldoor aan, hoe verachtelijk de wilde ganzen hem den vorigen
avond hadden ontvangen, en hij wilde hun heel graag toonen, dat een
mensch toch wat meer is dan eenig ander schepsel.
Hij riep den hond telkens toe, dat hij zijn buit zou neerleggen.
"Wat ben jij toch voor een hond, dat je je niet schaamt een heele
gans te stelen?" zei hij. "Leg haar nu dadelijk neer, of je zult
eens zien, wat je voor een pak slaag krijgt! Leg haar dadelijk neer,
of ik zal aan je baas vertellen, wat jij hebt uitgevoerd!"
Toen Smirre, de vos, merkte, dat hij voor een hond werd aangezien,
die bang voor slaag was, vond hij dat zoo grappig, dat hij bijna de
gans had laten vallen van 't lachen. Smirre was een echte roover,
die niet tevreden was met op ratten en waterratten buiten op 't veld
te jagen; hij waagde zich ook in de hoeven, om kippen en ganzen te
stelen. Hij wist, dat hij in de heele streek gevreesd was. Zooiets
mals als dit had hij niet gehoord, sinds hij jong was.
Maar de jongen liep zoo hard, dat het hem toeleek, of de dikke boomen
hem achteruit voorbij gleden, en hij haalde Smirre langzamerhand
in. Eindelijk was hij zóó dicht bij hem, dat hij zijn staart te
pakken kreeg.
"Nu pak ik je toch de gans af!" riep hij, en hield hem met alle macht
tegen. Maar hij had geen kracht genoeg om Smirre in zijn vaart te
stuiten. De vos sleepte hem meê, zoodat het dorre beukenloof om hem
heen opstoof.
Maar nu scheen Smirre er achter te komen, hoe weinig gevaarlijk
hij was, die hem achterna zat. Hij bleef staan, legde de gans op
den grond, en ging met zijn voorpooten op haar staan, om te maken,
dat ze niet wegvliegen kon. Hij wilde haar den hals afbijten, maar
eerst kon hij niet laten, dat ventje wat te plagen.
"Ga 't nu gauw aan den baas vertellen, want nu bijt ik de gans dood,"
zei hij.
Maar wie er verbaasd was, toen hij zag, wat een spitsen snoet die
hond had, dien hij achterna gezeten had, en wat een nijdige heesche
stem hij opzette--dat was de jongen! Maar hij werd zoo boos, omdat
de vos hem voor den gek hield, dat hij er niet aan dacht om bang te
worden. Hij pakte den staart nog steviger vast, steunde tegen den
wortel van een beukeboom, en rukte met alle macht. Smirre werd er zoo
door verrast, dat hij zich een paar stappen achteruit liet trekken,
en de wilde gans kwam vrij. Ze fladderde met moeite omhoog. Haar
eene vleugel was gewond, zoodat ze dien nauwelijks kon gebruiken,
en daar kwam bij, dat ze niets kon zien in den donkeren nacht in 't
bosch, maar zoo hulpeloos was als een blinde. Ze kon dus den jongen
heelemaal niet helpen; ze zocht een gat in het groene bladerdak,
en vloog weer terug naar het meer.
Maar Smirre vloog op den jongen af. "Als ik de eene niet krijg, dan
wil ik den ander hebben," zei hij, en aan zijn stem kon je hooren,
hoe woedend hij was.
"Neen, dat moet je niet denken, dat je dien krijgt," zei de jongen,
die erg in zijn schik was, omdat hij de gans had gered. Hij hield
maar aldoor den vossestaart stijf vast, en zwaaide daarmeê naar den
anderen kant, als de vos hem probeerde te vangen.
Dat werd een dans in 't bosch, dat het beukenloof opdwarrelde. Smirre
draaide al maar rond, maar de staart draaide ook rond, en de jongen
hield zich daaraan vast, zoodat de vos hem niet pakken kon.
De jongen was zoo vroolijk na den goeden afloop van zijn werk, dat hij
in 't begin niets deed dan lachen, en den vos voor den gek houden,
maar Smirre hield vol, zooals oude jagers gewoon zijn, en de jongen
begon bang te worden, dat hij toch nog zou vastraken. Toen kreeg hij
een jongen beuk in 't oog, die omhoog geschoten was als een stok,
om gauw boven in de vrije lucht te zijn, boven het dak van takken,
dat de oude beuken over hem uitbreidden. Hij liet heel gauw den
vossestaart los, en klauterde in den boom. Smirre, de vos, was zóó
in vuur, dat hij nog lang om zijn staart bleef ronddraaien.
"Schei nu maar uit met dansen," zei de jongen. Maar Smirre kon de
schande niet verdragen, dat hij zoo'n klein ventje niet aankon. En
hij ging aan den voet van den boom liggen om hem te bewaken. De
jongen had het niet zoo heel best, zooals hij daar boven te paard
zat op dien dunnen tak. De jonge beuk was nog niet boven bij het
hooge takkengewelf gekomen. Hij kon niet in een anderen boom komen,
en hij durfde niet naar beneden op 't veld te springen.
Hij had het zoo koud, dat hij bijna verstijfd was, en bang was den tak
niet te kunnen vasthouden, en hij had zoo'n vreeselijken slaap, maar
hij durfde niet te gaan slapen, uit vrees van naar beneden te rollen.
't Was niet te gelooven, hoe griezelig het was daar 's nachts in
't bosch te zitten. Hij had vroeger nooit geweten, wat het eigenlijk
beteekende, dat het nacht was. 't Was, alsof de heele wereld versteend
was en nooit meer levend zou worden.
Toen begon het licht te worden, en de jongen was blij, omdat alles
er weer als gewoonlijk uit ging zien, hoewel hij de kou nog scherper
voelde, dan in den nacht.
Toen de zon eindelijk opkwam, was ze niet geel, maar rood. De jongen
vond, dat ze er uitzag, alsof ze boos was, en hij vroeg zich verwonderd
af, waarom ze boos zou zijn. Misschien wel omdat de nacht het zoo
koud en donker op de aarde had gemaakt, terwijl ze weg was.
De zonnestralen joegen voort in groote bundels, om te zien wat de
nacht had uitgevoerd, en het scheen, dat alle dingen rood werden,
omdat ze een slecht geweten hadden. De wolken aan den hemel, de gladde
zij-achtige beukenstammen, de zamengevlochten takjes in het boschdak,
de rijp, die 't beukenloof op den grond bedekte, alles vlamde op en
werd rood.
Maar steeds meer bundels stralen joegen door de ruimte, en al gauw
was al het akelige van den nacht weg. De versteening was weg, en er
kwam zoo wonderlijk veel levends voor den dag. De zwarte specht met
den rooden nek begon met den snavel tegen een stam te hameren. De
eekhoorn sprong uit zijn nest met een noot, ging op een tak zitten,
en begon de noot te pellen. De spreeuw kwam met een wortelvezeltje,
en de bergvink zong in de boomtoppen.
Toen begreep de jongen, dat de zon tegen al dat kleine goed gezegd
had: "Word nu wakker, en kom uit je huisjes! Nu ben ik er. Nu hoef
je nergens bang voor te wezen." Van het meer hoorde hij de wilde
ganzen roepen, terwijl ze zich voor de vlucht rangschikten. Kort
daarop kwamen alle veertien ganzen over het bosch vliegen. De jongen
probeerde hen te roepen, maar ze vlogen zoo hoog, dat zijn stem hen
niet kon bereiken. Ze namen niet eens de moeite naar hem te zoeken.
De jongen was op het punt van te schreien van angst, maar de zon
stond nu goudgeel en blij aan den hemel, en gaf de heele wereld moed.
"Je hoeft nergens bang voor of ongerust over te zijn, zoolang ik er
ben, Niels Holgersson," zei de zon.
'T GANZENSPEL.
Alles bleef, zooals het was in 't bosch, ongeveer zoo lang als
een gans noodig heeft om te ontbijten, maar juist toen de morgen
voormiddag zou worden, kwam een eenzame gans aanvliegen onder het
dichte takkendak. Ze zocht aarzelend haar weg tusschen de stammen
en takken, en vloog heel zacht. Zoodra Smirre, de vos, haar zag,
liep hij weg van zijn plaats onder den jongen beuk, en sloop haar
tegemoet. De wilde gans ontweek den vos niet, maar vloog tot heel dicht
bij hem. Smirre deed een hoogen sprong naar haar, maar hij sprong mis,
en de gans vloog verder, naar het meer toe.
Het duurde niet lang, of er kwam weer een nieuwe wilde gans
aanvliegen. Ze nam denzelfden weg als de eerste, en vloog nog lager
en langzamer. Ook zij vloog dicht voorbij Smirre, en hij deed zoo'n
hoogen sprong, dat zijn ooren haar pooten raakten, maar ze ontkwam
ongedeerd, en zette stil als een schaduw haar weg naar het meer voort.
Een poosje ging voorbij, en weer kwam er een wilde gans. Nog lager en
langzamer vloog zij, en nog moeilijker scheen zij haar weg tusschen
de beukenstammen te vinden. Smirre nam een geweldigen sprong, en het
scheelde maar een haar, of hij had haar gegrepen, maar ook deze gans
redde zich.
Onmiddellijk nadat zij verdwenen was, kwam een vierde wilde
gans. Hoewel zij bijna zoo langzaam en slecht vloog, dat Smirre
meende haar zonder veel moeite te kunnen vangen, was hij nu bang,
dat het hem mislukken zou, en hij was van plan haar ongedeerd voorbij
te laten gaan. Maar zij nam denzelfden weg als de andere, en juist
toen ze boven Smirre kwam, daalde ze zoo ver, dat hij verleid werd
naar haar op te springen. Hij kwam zoo hoog, dat hij haar met zijn
pooten aanraakte, maar ze wierp zich vlug op zij, en redde haar leven.
Vóór Smirre weer op adem gekomen was, kwamen drie ganzen op een rij
in 't gezicht. Ze vlogen op dezelfde manier voort als de andere,
en Smirre nam hooge sprongen naar alle drie, maar het lukte hem niet
één van hen te vangen.
Daarop kwamen vijf ganzen; maar die vlogen beter dan de vorige, en
hoewel zij Smirre schenen te willen lokken tot een sprong, weerstond
hij de verzoeking.
Na een lange poos kwam een eenzame gans. Dat was de dertiende. 't Was
een, die zóó oud was, dat ze heelemaal grijs was, en geen donkere
plek meer op het lichaam had. Zij scheen den eenen vleugel niet
recht te kunnen gebruiken, en vloog jammerlijk slecht en scheef,
zoodat zij den grond bijna raakte. Smirre deed niet alleen een hoogen
sprong naar haar, maar hij vervolgde haar springend tot aan het meer,
maar ook dezen keer werd zijn moeite niet beloond.
Toen de veertiende kwam, stond dat heel mooi, omdat zij wit was,
en het glansde als een lichtschijn door het donkere bosch, als zij
met de groote vleugels sloeg. Toen Smirre haar zag, verzamelde hij
al zijn kracht en sprong tot halverwege het takkendak, maar de witte
vloog volkomen ongedeerd voorbij als alle andere.
Nu werd het een poosje stil onder de beuken; het scheen wel of de
heele troep wilde ganzen voorbij gekomen was.
Op eens dacht Smirre aan zijn gevangene, en keek naar boven
in den jongen beuk. Zooals te verwachten was--de jongen was
weg--verdwenen. Maar Smirre had niet lang tijd om aan hem te denken,
want nu kwam de eerste gans terug van het meer, en vloog als vroeger
langzaam onder het takkendak voort. Niettegenstaande al zijn tegenspoed
was Smirre blij, dat zij terugkwam, en hij vloog haar na met een
hoogen sprong. Maar hij was te haastig geweest, en had zich geen tijd
gegeven zijn sprong te berekenen, en hij kwam naast haar terecht.
Na deze gans kwam er nog een, en toen een derde, een vierde, een
vijfde, tot het geheel werd afgesloten met de oude grijze en de groote
witte. Ze vlogen allen langzaam en laag. Juist als ze boven Smirre,
den vos zweefden, daalden ze, precies alsof ze hem wilden uitnoodigen
hen te vangen. En Smirre liep ze na en sprong een paar voet hoog,
zonder dat hij in staat was één van hen te pakken.
Dat was de vreeselijkste dag, dien Smirre nog ooit beleefd had. De
wilde ganzen vlogen onophoudelijk over hem heen, kwamen en gingen,
kwamen en gingen. Groote, heerlijke ganzen, die vet geworden waren op
de Duitsche akkers, en heiden, zweefden den heelen dag door het bosch,
zóó dicht bij hem, dat hij ze dikwijls aanraakte, en hij kon met geen
enkele zijn honger stillen.
De winter was nog nauwlijks voorbij, en Smirre herinnerde zich dagen
en nachten, waarin hij werkeloos rond had moeten loopen, zonder een
stuk wild om op te jagen, als de trekvogels weg waren, als de ratten
zich onder de bevroren aardkost verborgen, en de kippen opgesloten
waren. Maar alle honger in den winter was niet zóó moeilijk te
verdragen geweest, als de teleurstellingen van dezen dag.
Smirre was geen jonge vos. Hij had menigmaal de honden achter zich
aan gehad en de kogels om zijn ooren hooren fluiten. Hij had diep in
zijn hol gezeten, terwijl de taxhonden in de gangen kropen en hem
bijna gevonden hadden. Maar alle angst, die Smirre had uitgestaan
onder de scherpste jacht, was niet te vergelijken met den angst,
dien hij nu voelde, telkens als het hem mislukte een van de wilde
ganzen te grijpen.
In den morgen, toen 't spel begon, was Smirre zoo sierlijk geweest,
dat de ganzen verbaasd waren, toen ze hem zagen. Smirre hield van
pracht en zijn pels was schitterend rood, zijn borst wit, zijn neus
zwart en de staart donzig als een pluim, maar toen de avond dien dag
kwam, hing Smirre's pels in pruiken neer, hij baadde in 't zweet,
zijn oogen waren glansloos, de tong hing lang uit zijn hijgenden bek,
en er liep schuim uit zijn mond.
Tegen den namiddag was Smirre zóó moe, dat hij aan 't ijlen ging. Hij
zag niets dan vliegende ganzen voor zijn oogen. Hij sprong naar
zonneplekken, die hij op het veld zag en naar een armen vlinder,
die te vroeg uit zijn pop gekomen was.
De wilde ganzen gingen onvermoeid door met vliegen, vliegen! Ze bleven
Smirre den heelen dag kwellen. Het wekte hun medelijden niet op, dat
Smirre, in den war, verhit, waanzinnig was. Ze gingen onbewogen door,
hoewel ze begrepen, dat hij hen nauwelijks meer zag, en dat hij naar
hun schaduwen sprong.
Eerst toen Smirre op een hoop dorre bladen neerzonk, volkomen
krachteloos en mat, bijna op 't punt den laatsten adem uit te blazen,
hielden ze op hem te foppen.
"Nu weet je, vos, hoe 't hem gaat, die het waagt Akka van Kebnekaise
aan te raken," riepen ze in zijn ooren, en toen lieten ze hem met rust.