DE AVOND.

De groote, tamme ganzerik, die meê gevlogen was, was er heel trotsch

op, dat hij heen en weer vloog over Söderslätt met de wilde ganzen,

en de tamme vogels kon plagen. Maar hoe heerlijk hij 't ook vond--hij

kon er toch niets aan doen, dat hij tegen den middag moe begon te

worden. Hij probeerde dieper adem te halen en de vleugels sneller op en

neer te slaan, maar hij bleef toch een heel stuk bij de anderen achter.

Toen de wilde ganzen, die achteraan vlogen, merkten, dat de tamme niet

meê kon komen, begonnen ze de gans, die aan de punt van den driehoek

vloog, en den tocht leidde, toe te roepen: "Akka van Kebnekaise! Akka

van Kebnekaise!"

"Wat wil jelui van me?" vroeg de leidster-gans.

"De witte blijft achter! de witte blijft achter!"

"Zeg hem, dat het gemakkelijker is gauw te vliegen dan langzaam!" riep

de leidster, en vloog voort als gewoonlijk.

De ganzerik probeerde wel dien raad te volgen en meer vaart te zetten;

maar daardoor werd hij zóó uitgeput, dat hij zelfs tot de geschoren

wilgen neerzonk, die langs de akkers en weiden stonden.

"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise!" riepen toen zij, die achteraan

vlogen, en zagen hoe moeilijk hij 't had.

"Wat wil jelui nu weer?" vroeg de aanvoerster, en scheen geweldig

knorrig.

"De witte zinkt naar den grond, de witte zinkt naar den grond!"

"Zeg hem, dat het gemakkelijker is hoog te vliegen dan laag!" riep

de leidster. En ze vloog geen ziertje langzamer, maar even snel als

te voren.

De ganzerik probeerde ook dien raad te volgen, maar als hij omhoog

vliegen wou, werd hij zóó kortademig, dat het was, alsof zijn borst

zou springen.

"Akka, Akka!" riepen zij, die achteraan vlogen.

"Kun jelui me niet met rust laten?" vroeg de leidster, en scheen nog

ongeduldiger dan de vorige keer.

"De witte is op 't punt van te vallen! De witte is op 't punt van

te vallen!"

"Zeg hem, dat wie niet meêkomen kan, maar naar huis moet gaan!" riep

de leidster-gans. En ze dacht er niet aan om langzamer te vliegen,

maar ging door met dezelfde vaart.

"O zoo! staat het zoo?" dacht de ganzerik. En nu begreep hij op eens,

dat de wilde ganzen nooit van plan waren geweest hem meê te nemen

naar Lapland. Zij hadden hem maar voor de grap van huis weggelokt.

Het ergerde hem geducht, dat zijn krachten hem nu gingen begeven,

zoodat hij die schooiers daar niet kon toonen, dat een tamme gans

ook wel wat waard was. En 't allerakeligste was, dat hij juist Akka

van Kebnekaise ontmoet had. Want, al was hij maar een tamme gans,

hij had toch wel van een leidstergans gehoord, die Akka heette, en

die meer dan honderd jaar oud was. Zij was zeer gezien, en de beste

wilde ganzen, die er waren, sloten zich gewoonlijk bij haar aan. Maar

niemand had zoo'n verachting voor tamme ganzen als Akka en haar troep,

en hij had hun gaarne willen toonen, dat hij voor hen niet onderdeed.

Hij vloog langzaam achter de anderen aan, terwijl hij in zich zelf

overlegde, of hij zou omkeeren of doorgaan. Toen zei op eens 't ventje,

dat op zijn rug zat: "Lieve Maarten Ganzerik, je begrijpt toch wel,

dat het voor jou, die nog nooit gevlogen hebt, onmogelijk is met de

wilde ganzen heel meê naar Lapland te vliegen. Zou je niet liever

weer naar huis gaan, vóór je je heelemaal ziek maakt?"

Maar die boerenjongen was het akeligste wezen, dat de gans kende,

en zoodra hij begreep, dat die stumper meende, dat hij den tocht niet

meê kon maken, besloot hij vol te houden.

"Als je daar nog één woord over spreekt, gooi ik je in de eerste

mergelgroeve, waar we over heen komen," zei hij, en kreeg op 't zelfde

oogenblik uit ergernis zoo veel kracht, dat hij bijna even goed begon

te vliegen, als een van de anderen.

Lang had hij het toch zoo niet kunnen uithouden; maar dat hoefde ook

niet; want nu daalde de zon snel, en juist bij zonsondergang vlogen de

ganzen recht naar beneden. En eer de jongen en de ganzerik het wisten,

stonden ze aan den kant van het Vombmeer.

"Hier zullen we wel den nacht overblijven," dacht de jongen, en sprong

van den rug van den ganzerik op den grond.

Hij stond op een smalle strook zand aan den oever, en vóór hem lag

een tamelijk groot meer. Dat was akelig om te zien, want het was

bijna heelemaal bedekt met een ijskorst, die zwart en oneffen was,

en vol spleten en gaten, zooals voorjaarsijs gewoonlijk is. Maar 't

ijs zou zeker niet lang meer blijven. 't Was al losgeraakt, en er om

heen lag een breede gordel zwart, blinkend water. Maar toch lag nog

hier en daar de kou en de barschheid van den winter over het landschap.

Aan den anderen kant van het meer scheen open en licht bebouwd land

te liggen, maar waar de ganzen neergekomen waren, lag een groot

dennenplantsoen. En 't was, alsof de naaldboomen de macht hadden den

winter vast te houden. Overal verder was 't veld leeg, maar onder de

reusachtige takken lag sneeuw, die gesmolten en weer bevroren was,

keer op keer, zoodat ze zoo hard was als ijs.

De jongen meende, dat hij in een woest en eenzaam winterland was

gekomen, en hij was zoo angstig, dat hij wel hardop had willen huilen.

Hij had honger. Hij had den heelen dag niets gegeten. Maar waar zou

hij eten vandaan halen? Er groeit niets eetbaars op velden of aan

boomen in Maart.

Ja, waar zou hij eten vandaan halen, en wie zou hem huisvesten,

en wie zou zijn bed opmaken, en wie zou hem warmen bij zijn vuur,

en wie zou hem beschermen tegen de wilde dieren?

Want nu was de zon weg, en nu kwam er kou van over 't meer, en de

duisternis viel, en de angst kwam in 't spoor van de schemering,

en in 't bosch begon het te kraken en te ritselen.

Nu was het uit met den vroolijken moed, dien de jongen had gevoeld,

terwijl hij boven in de lucht was, en in zijn angst keek hij om naar

zijn reiskameraad: hij had immers niemand anders om zich bij aan

te sluiten.

Toen zag hij, dat de ganzerik het nog erger had dan hij. Het dier

lag nog op dezelfde plaats, waar hij was neergekomen, en het scheen,

alsof hij stervende was. Zijn hals lag rechtuit op 't veld, zijn oogen

waren gesloten, en zijn ademhaling was nog maar een flauw zuchten.

"Lieve Maarten Ganzerik," zei de jongen, "probeer een slok water te

nemen. Van hier naar het meer is 't maar twee stapjes."

Maar de ganzerik bewoog zich niet.

De jongen was vroeger wel hard tegen alle dieren geweest, en ook tegen

den ganzerik; maar nu meende hij, dat de ganzerik de eenige steun

was, dien hij had, en hij werd vreeselijk bang dien te verliezen. Hij

begon hem dadelijk te schuiven en te stooten, om hem bij het water

te krijgen. De ganzerik was groot en zwaar, zoodat het een heel werk

voor den jongen was, maar eindelijk lukte het hem. De ganzerik kwam

in 't meer terecht met den kop vooruit. Een oogenblik lag hij stil

in de modder, maar al gauw stak hij den kop op, schudde het water

uit de oogen en proestte. Daarop zwom hij trotsch tusschen riet en

waterplanten door.

De wilde ganzen lagen vóór hem in 't meer. Zij hadden noch naar den

ganzerik, noch naar zijn ruiter omgezien, maar waren dadelijk het

water ingeloopen. Zij hadden zich gebaad en gepoetst, en nu lagen

zij te plassen tusschen half vergaan riet en waterkolven.

De witte ganzerik had het geluk een klein baarsje te zien. Dat greep

hij gauw, zwom er mee naar den kant, en legde het voor den jongen neer.

"Dat mag jij hebben, omdat je mij naar het water geholpen hebt,"

zei hij.

't Was voor 't eerst, dien heelen dag, dat de jongen een vriendelijk

woord hoorde. Hij was zoo blij, dat hij zijn armen wel om den hals

van den ganzerik had willen slaan, maar daar kwam hij niet toe. En

met het geschenk was hij ook blij. Eerst dacht hij wel, dat het hem

onmogelijk zou zijn rauwe visch te eten, maar toen kreeg hij toch

lust het te probeeren.

Hij voelde, of hij zijn mes wel bij zich had, en jawel! het hing

in de schede achter aan een knoop van zijn broek, maar het was zoo

klein geworden, dat het niet eens zoo lang als een lucifer was. Nu,

't was in ieder geval goed om den visch mee te schrappen en schoon

te maken, en het duurde niet lang, of de baars was opgegeten.

Toen de jongen goed verzadigd was, schaamde hij er zich wel over,

dat hij rauwe visch had kunnen eten.

"'t Lijkt wel of ik geen mensch meer ben, maar een echte kabouter,"

dacht hij.

Al dien tijd, dat de jongen at, stond de ganzerik zwijgend naast hem,

maar toen hij zijn laatste hapje op had, zei hij zacht: "'t Is maar

zoo, dat we bij onvriendelijke, trotsche ganzen gekomen zijn, die

alle tamme vogels verachten."

"Ja, dat heb ik wel gemerkt," zei de jongen.

"'t Zou wel een heele eer voor mij zijn, als ik toch met hen meê kon

komen naar Lapland, en hun toonen, dat een tamme gans ook wel tot

iets deugt."

"Ja--a," zei de jongen wat langzaam, want hij geloofde niet, dat de

ganzerik dat zou kunnen doen, maar hij wilde hem niet tegenspreken.

"Maar ik geloof niet, dat ik me alleen op zulk een reis zal kunnen

redden," zei de ganzerik, "en nu wou ik je vragen, of je meê zou

kunnen gaan en me helpen."

De jongen had natuurlijk geen ander plan, dan zoo gauw mogelijk

naar huis terug te gaan, en hij was zóó verbaasd, dat hij niet wist,

wat hij antwoorden zou.

"Ik dacht, dat we geen goede vrienden waren, jij en ik," zei hij. Maar

dat scheen de ganzerik heelemaal vergeten te hebben. Hij dacht er

alleen aan, dat de jongen hem zoo pas het leven had gered.

"Ik moest eigenlijk naar huis, naar Vader en Moeder," zei de jongen.

"Ja, ik zal je tegen den herfst wel terugbrengen," zei de ganzerik. "Ik

zal niet van je weggaan, voor ik je bij je thuis op den drempel

kan neerzetten."

De jongen dacht, dat het eigenlijk wel prettig zou zijn, als hij zich

niet dadelijk aan zijn ouders hoefde te vertoonen. Hij had niets tegen

dat voorstel, en hij wou juist zeggen, dat hij het aannam, toen zij

een sterk gedruisch achter zich hoorden. Dat waren de wilde ganzen,

die allen te gelijk uit het meer waren gekomen, en 't water van zich

af stonden te schudden. Toen schikten zij zich in een lange rij,

met de leidster-gans vooraan, en kwamen op hen af.

Toen nu de witte ganzerik de wilde ganzen bekeek, voelde hij zich niet

recht op zijn gemak. Hij had verwacht, dat ze meer op tamme ganzen

zouden lijken, en dat hij zich aan hen verwant zou voelen. Ze waren

veel kleiner dan hij, en geen van hen was wit, maar allen waren grijs

en bruin gemarmerd. En voor hun oogen werd hij bijna bang. Ze waren

geel en schitterden, alsof er vuur achter brandde. De ganzerik had

altijd geleerd, dat het netjes stond langzaam en waggelend te loopen;

maar zij liepen niet, ze sprongen voort. En 't meeste griezelde

hij, als hij naar hun pooten keek. Ze waren groot, met versleten en

gescheurde zolen. Men kon wel merken, dat wilde ganzen nooit vroegen,

waar ze op trapten. Ze namen geen omwegen. Ze waren heel netjes en

verder goed gepoetst, maar aan hun voeten kon men zien, dat ze uit

de wildernis kwamen.

De ganzerik kon nog juist den jongen toefluisteren: "Antwoord nu flink,

maar zeg niet, wie je bent," en toen waren ze bij hen.

Toen de wilde ganzen voor hen stonden, bogen ze dikwijls met de

halzen, en dat deed de ganzerik ook,--nog vaker. Toen ze genoeg

gegroet hadden, zei de leidster-gans: "Nu moeten we eens hooren,

wie jij eigenlijk bent."

"Er is niet veel van mij te vertellen," zei de ganzerik. "Ik ben

verleden voorjaar in Skaane geboren. Dezen herfst werd ik aan Holger

Nielsson in West Vemmenhög verkocht, en daar ben ik aldoor geweest."

"'t Schijnt dat je geen familie hebt, waar je je op beroemen kunt,"

zei de leidster-gans. "Hoe kom je dan zoo overmoedig, dat je met

wilde ganzen meêdoen wilt?"

"Dat kan immers wel zijn, omdat ik jelui, wilde ganzen, toonen wil,

dat ook een tamme gans ergens goed voor is," zei de ganzerik.

"Ja, dan was het goed... als je dat ons toonen kunt," zei de

leidster-gans. "We hebben nu gezien, hoeveel je van 't vliegen

kon. Maar misschien ben je ergens anders knapper in. 't Kan wel zijn,

dat je sterk in 't snelzwemmen bent."

"Neen, daar kan ik me niet op beroemen," zei de ganzerik. Hij meende

te merken, dat de leidster-gans al besloten was hem terug te zenden,

en nu lette hij niet meer op zijn antwoorden: "Ik heb nooit verder

gezwommen dan dwars over een mergelgroeve," ging hij voort.

"Dan denk ik, dat je een baas bent in 't springen," zei de gans.

"Ik heb nog nooit een tamme gans zien springen, en ik zelf heb het

ook nooit gedaan," zei de ganzerik, en maakte de zaak erger dan ze was.

De groote witte was er nu zeker van, dat de leidster-gans zeggen zou,

dat ze hem heelemaal niet meê wou hebben. Hij was dus heel verbaasd,

toen ze zei: "Je antwoordt moedig op mijn vragen, en hij, die moed

heeft, kan een goede reiskameraad worden, al is hij ook in het begin

onwetend. Wat zou je er van zeggen een paar dagen bij ons te blijven,

tot we zien wat je waard bent."

"Dat wil ik heel graag," zei de ganzerik, en was blij.

Toen wees de leidster-gans met den snavel naar den jongen en zei:

"Maar wien heb je daar bij je? Zoo een heb ik nog nooit gezien."

"Dat is mijn kameraad," zei de ganzerik. "Hij is zijn heele leven

ganzenhoeder geweest. Hij kan ons op reis wel te pas komen."

"Ja, dat kan wel goed zijn voor een tamme gans," antwoordde de

wilde. "Hoe noem je hem?"

"Hij heeft verscheiden namen," zei de ganzerik aarzelend; hij wist

niet, wat hij zoo gauw zou bedenken, want hij wou niet verraden,

dat de jongen een menschennaam had.

"Ja, hij heet Duimelot," zei hij eindelijk.

"Is hij van het kaboutergeslacht?" vroeg de leidster-gans.

"Wanneer gaan jelui, wilde ganzen, gewoonlijk slapen?" vroeg de

ganzerik gauw, om niet op die laatste vraag te hoeven antwoorden. "Mijn

oogen vallen van zelf toe om dezen tijd."

't Was gemakkelijk te zien, dat de gans, die met den ganzerik praatte,

héél oud was. Haar heele veeren kleed was grijs, zonder donkere

strepen. Haar hoofd was grooter, haar beenen waren grover en haar

voeten meer versleten, dan bij een van de anderen. De veeren waren

stijf, de schouders beenig, en haar hals was dun. Dat alles was het

werk van den ouderdom.

Alleen over de oogen had de tijd geen macht gehad. Zij schitterden

helderder, en schenen jonger dan die van de anderen.

Ze keerde zich nu heel trotsch naar den ganzerik: "Weet nu wel, dat

ik Akka van Kebnekaise ben, en dat de gans, die rechts 't dichtst

achter me vliegt, Yksi van Vassijaure is, en die links vliegt,

Kaksi van Nuolja. En de tweede rechter- is Kolme van Sarjekljakko,

en de tweede linkergans Nelja van Svappavaara, en achter hen vliegen

Viisi van de Oviksrots en Kuusi van Sjangeli. En allen, ook de zes

jonge ganzen, die achteraan vliegen--drie links en drie rechts--zijn

hooge rotsganzen van de meest voorname families. Je moet ons niet voor

landloopers houden, die maar met iedereen meegaan, en denk maar niet,

dat wij iemand op onze slaapplaats toelaten, die niet wil zeggen van

welke familie hij is."

Toen Akka, de leidster-gans zoo sprak, deed de jongen snel een stap

naar voren. Hij had het heel naar gevonden, dat de ganzerik, die zoo

flink voor zichzelf sprak, zulke ontwijkende antwoorden had gegeven,

toen het hem betrof.

"Ik wil niet geheim houden, wie ik ben," zei hij. "Ik heet Niels

Holgersson, en ben de zoon van een keuterboer. Tot vandaag toe ben

ik een mensch geweest, maar vanmorgen..."

Verder kwam de jongen niet. Zoodra hij zei, dat hij een mensch was,

stoof de leidster-gans drie stappen achteruit en de anderen nog

verder. En allen strekten de halzen uit, en bliezen boos tegen hem.

"Daar heb ik je al van verdacht, van af 't oogenblik, dat ik je voor

't eerst hier aan den oever zag," zei Akka. "En nu moet je gauw maken,

dat je wegkomt. Wij dulden geen menschen bij ons."

"'t Is toch onmogelijk," zei de ganzerik bemiddelend, "dat jelui,

wilde ganzen, bang kunt zijn voor iemand, die zóó klein is. Morgen

zal hij stellig naar huis gaan, maar van nacht moet jelui hem toch

hier bij ons laten blijven. Dat kunnen wij toch geen van allen op

onze verantwoording nemen, zoo'n stakker aan zichzelf over te laten,

met wezels en vossen in den nacht."

De wilde gans kwam nu wat dichter bij, maar het was toch duidelijk,

dat ze moeite had haar angst te bedwingen.

"Ik heb geleerd bang te wezen voor al wat "mensch" heet, onverschillig

of ze groot of klein zijn," zei ze. "Maar als jij, ganzerik, voor deze

hier wilt instaan, dat hij ons geen kwaad doet, dan mag hij van nacht

bij ons blijven. Maar ik denk niet, dat ons nachtkwartier geschikt

is voor jou of voor hem, want wij zijn van plan op het losgeraakte

ijs daar vóór je te gaan slapen."

Ze dacht wel, dat de ganzerik een bedenkelijk gezicht zou zetten,

als hij dat hoorde, maar hij hield zich goed, en trok zich er niets

van aan.

"Jelui zijn heel verstandig, dat je zoo'n veilige slaapplaats weet

te kiezen," zei hij.

"Maar jij staat er voor in, dat hij morgen weggaat, naar huis."

"Dan moet ik ook heengaan, want ik heb beloofd hem niet alleen te

laten," zei de ganzerik.

"Je bent vrij om te vliegen, waarheen je wilt," zei de leidster-gans.

En ze sloeg haar vleugels uit, en vloog naar het ijs; de eene wilde

gans na de andere volgde haar.

De jongen was er bedroefd om, dat er niets van zijn reis naar Lapland

komen zou, en bovendien was hij bang voor het koude nachtkwartier. "'t

Wordt al erger en erger, ganzerik," zei hij. "Ten eerste vriezen we

dood, daar op dat ijs."

Maar de ganzerik had goeden moed. "Dat heeft geen nood," zei hij. "Ik

wou je alleen vragen, zoo gauw mogelijk, zooveel stroo en gras bij

elkaar te halen, als je maar dragen kunt."

Toen de jongen de armen vol droog gras had, nam de ganzerik hem bij

zijn hemd en vloog met hem naar het ijs, waar de wilde ganzen al

stonden te slapen, met den snavel onder de vleugels.

"Leg nu 't gras op het ijs, zoodat ik ergens op staan kan en niet

vast vries! Als jij mij helpt, zal ik jou helpen," zei de ganzerik.

De jongen deed het, en toen hij klaar was, pakte de ganzerik hem

weer bij zijn hemd, en stopte hem onder zijn vleugel. "Ik denk, dat

je daar lekker warm liggen zult," zei hij en drukte den vleugel aan.

De jongen zat zóó in dons gepakt, dat hij niet antwoorden kon, maar

heerlijk zacht en warm lag hij daar; moe was hij, en in een oogenblik

sliep hij.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 18 / 140 题