Het was vijf uur in den middag.
Over Londen was de grauwe schemering neergestreken, die nog werd
verdicht door dichte nevels.
In kantoren en winkels waren sinds lang de lichten ontstoken.
Voertuigen van allerlei aard reden puffend, stampend, hobbelend en
knetterend door de groote verkeersstraten van de city en spookachtig
gleden de schaduwen langs de huizen.
Het was een eentonig, grauwe aanblik, want elke schelle toon werd
vergrijsd door den nevelsluier.
Plotseling veranderde de aanblik en uit het straten-gewirwar maakte
zich een rood schijnsel los, dat opsteeg naar den hemel en met elk
oogenblik in kracht toenam.
De voorbijgangers drongen verschrikt opeen en een oogenblik later
weerklonk aan alle kanten het geroep van: „Brand! Brand!” door de
straten.
Nu begon de menigte het op een loopen te zetten en van alle kanten
snelde men naar de plaats, vanwaar de roode lichtgloed opsteeg.
Hoe langer hoe drukker werd het in de straten, hoe langer hoe scheller
weerklonk het roepen en schellen en krijschen.
De aanblik van het brandende perceel was dan ook inderdaad
schrikwekkend.
Een van die groote huurkazernes, die men vindt in elke wereldstad,
stond in brand.
Als machtige armen kronkelden de vlammen omhoog naar den donkeren
nachthemel. Kletterend en sissend vielen de zware waterstralen neer in
de vuurzee en dan was het, of de roode tongen nog hooger lekten.
De brandweerlieden spanden hun uiterste krachten in, doch het gelukte
hun niet, het vuur meester te worden.
Twee heeren, die er zeer opgewonden uitzagen, en die voor dat, wat de
algemeene opmerkzaamheid trok, geen oog schenen te hebben, waren juist
de plek van het onheil genaderd in hun auto.
De chauffeur zag nu, dat de weg was afgezet en hij maakte de heeren
daarop opmerkzaam.
Deze besloten nu de auto te verlaten om te trachten hun hotel te voet
te bereiken.
„Dat ook nog,” sprak de kleinste en hij trachtte zich door den
menschenmuur een weg te banen.
Dit lukte hem slechts moeilijk en het tweetal kwam maar uiterst
langzaam voorwaarts.
„Laat mij voorgaan, Mr. Fournier,” sprak Baxter, de inspecteur van
politie, „ik zal mij legitimeeren, opdat wij gauwer vooruit komen.”
Hij schoof den kleinen Franschman op zij en drong zich met geweld door
de menigte, die slechts onwillig ter zijde week.
De beide heeren waren dien dag al twee keer in het hotel geweest, waar
Raffles had vertoefd onder den naam van markies d’Armand, en voor den
derden keer richtten zij daarheen thans hunne schreden.
Plotseling onder het langzaam voortloopen over het door de politie
afgezette terrein, voelde Baxter een ruk aan zijn jas en hoorde hij den
naam „Raffles” uitroepen. Daarna hoorde hij het geluid van een harden
slag en toen hij omkeek, zag hij den kleinen Franschman languit op den
grond liggen.
Deze had tusschen de menigte aan den overkant der straat „markies
d’Armand” ontdekt. Hij had naar den man willen toesnellen, maar
inderhaast vergeten, dat overal slangen op den grond lagen en nu was
hij daarover gestruikeld en languit op den grond gevallen.
Voordat hij was opgestaan en Baxter had verteld, wien hij gezien had,
waren reeds zooveel seconden verloopen, dat de gezochte makkelijk was
ontvlucht.
Baxter dacht, dat Fournier zich wel vergist zou hebben.
Deze echter beweerde met groote beslistheid, dat er van vergissing geen
sprake was en zoo kwam Baxter ook tot de conclusie, dat nu toch
eindelijk de gentleman-dief gepakt zou worden.
Maar hier, als ’t ware gevangen tusschen de geweldige menschenmassa,
zagen de heeren wel in, dat oogenblikkelijk van een vervolging weinig
resultaat was te wachten en zoo werd besloten om vooreerst dit plan te
laten varen en naar het hotel te gaan.
Intusschen was de brand zoodanig toegenomen, dat van doorkomen geen
sprake was.
Het geheele huis stond nu in lichterlaaie en loeiend sloegen de vlammen
uit naar allen kant.
Met bovenmenschelijke kracht werkte de brandweer, maar nog steeds wilde
het haar niet gelukken het vuur meester te worden.
De ongelukkige bewoners der bovenste verdieping hadden hun leven bijna
allen langs de brandladders in veiligheid gebracht.
Uit de vlammen kwam nu een brandweerman te voorschijn met een rookhelm
over het hoofd. Hij verscheen nu op een der brandladders en droeg een
bewustelooze jonge vrouw op den arm.
Luide kreten van bijval loonden den dappere voor zijn moedige daad.
Men had de vrouw op den grond neergelegd en reeds schoten lieden toe om
haar levensgeesten weer op te wekken.
De brandweerman verklaarde, dat er zich thans in het huis geen levend
wezen meer bevond.
Nauwelijks echter was de bewustelooze weer tot haar positieven
teruggekeerd, of zij kreet vol ontzetting:
„Mijn kind. Waar is mijn kind?—Redt, o, redt mijn kind!”
Bijna waanzinnig van smart trok zij zich de haren uit en omklemde de
knieën van den brandweerman onder den uitroep:
„Redt mijn kind!”
Ieder was tot tranen toe geroerd.
Vrouwen jammerden met de moeder mede en wanhoopskreten weerklonken door
de lucht.
Maar hulp was hier onmogelijk!