Triest brak de dag aan.
Mr. Fournier woelde rusteloos heen en weer op zijn legerstede. Hij was
na een rumoerigen nacht eerst weinig uren geleden thuis gekomen, doch
de gewenschte rust kon hij niet vinden.
Dit was dus de morgen van zijn bruiloftsdag.
Waarom zou hij feitelijk trouwen?
Het hoofddoel was nu immers bereikt.
Hij was in het bezit van 20,000 pond bruidsschat en had nu ook de
30,000 pond gekregen, die hem nog toekwamen van vroegere „zaken”, die
hij met Van Brixen had gedreven.
Antje was inderdaad een alleraardigst meisje.
Maar wat moest hij met een vrouw beginnen?
De donkerlokkige Loulou was toch even lief als zijn blonde bruid.
Enfin, hij zou het dan wel zien te schipperen!—
De gedachtengang van den kleinen Franschman werd plotseling afgeleid,
want naast hem ging de telephoon over met schril geluid.
„Wat is dat nu?” dacht Fournier, „nu al een telefoontje. Dat is een
flauwe grap van een vriend!”
Hij draaide zich om, ten einde te gaan slapen, den vriend verwenschend,
die hem zoo beet wilde nemen.
Rrrrrrrrrrrrrrrt!
Weer ging de telefoon.
Rrrrrrrrrrrrrrrt!
Nu was Fournier wel gedwongen op te staan.
Slaapdronken greep hij het toestel.
„Hallo!”
„Hallo!”
„Wie daar?”
„Markies d’Armand!”
De kleine Franschman maakte onwillekeurig een buiging.
„Wel, markies, wat verschaft mij de eer?”
„Ik wil u feliciteeren, als ge ten minste nog altijd van plan zijt
vandaag te trouwen.”
Fournier grinnikte.
„Hahaha! hihihi!”
Hij dacht, dat de markies ook al een beetje zwaar geboemeld had.
„Ik wilde alleen maar weten,” vervolgde de markies op ernstigen toon,
„of ge Antje van Brixen zoo lief hebt, dat ge haar ook zonder
bruidsschat wilt nemen. Ik ben namelijk in het bezit van de
huwelijksgift en heb bovendien op uw naam nog 40,000 pond gehaald. Ik
had u gisteravond beloofd direct naar de Bank te rijden en kreeg daar
op uw handteekening terstond het verlangde.”
Nog altijd dacht Fournier aan een grapje.
„Ge hebt volstrekt geen reden tot vroolijkheid”, zei de markies.
„Misschien zult gij mij eerder gelooven, als ik u verzeker, dat de
vermeende markies d’Armand niemand anders is dan John Raffles!”
Fournier was lijkbleek geworden.
De microfoon gleed uit zijn hand en bevend greep hij naar de leuning
van den stoel.
Maar dat was toch waanzin!
Neen, neen!
De markies wilde slechts een grapje maken.
Op deze manier trachtte Fournier zich zelf gerust te stellen, maar dit
wilde hem niet al te best lukken, want de angst snoerde hem de keel
dicht.
Hij moest zich echter zoo spoedig mogelijk zekerheid verschaffen.
Maar wat te doen?
Naar de Bank telefoneeren? Dat ging niet, want die was nog gesloten.
Naar de politie? Dat wilde hij niet, daar hij nog steeds de hoop
koesterde, dat alles maar een flauwe grap was.
Maar wat dan! Wat dan!
Hij moest er toch met iemand over spreken en hij dacht aan Van Brixen.
In allerijl had hij zich gekleed, het huis verlaten en was per auto
naar zijn aanstaanden schoonvader getuft.
Daar lag alles nog in diepe rust.
Toen eindelijk een dienstmeisje de deur had geopend, stormde Fournier
haar voorbij en rende terstond naar de slaapkamer van den heer des
huizes.
Deze was eerst laat in den nacht van zijn reis teruggekeerd en sliep
nog vast, toen hij plotseling onzacht op zijn schouder werd getikt.
Toen hij de oogen opsloeg zag hij Fournier voor zich staan, die in
hoogelijk opgewonden toestand verkeerde.
Hij begon het verhaal te doen van wat hem was overkomen, toen
plotseling het dienstmeisje aan de slaapkamerdeur klopte en vol schrik
vertelde, dat een touwladder uit het venster van de kamer der juffrouw
in het park hing.
Dit bericht bracht groote ontsteltenis teweeg.
Van Brixen kleedde zich in allerijl en haastte zich met zijn vriend
naar de kamer van zijn dochter.
Deze was leeg.......
Midden op de tafel lag een brief van den volgenden inhoud:
„Geachte Heer!
Nauwkeurig onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat ge uw geld
op schandelijke wijze hebt verdiend.
Uw vriend Fournier is geen haar beter dan gij; ik heb derhalve
besloten om het geld, door u op zoo minderwaardige wijze verworven,
aan de lijdende menschheid te besteden.
Ge zijt gewetenloos genoeg om uwe dochter te willen koppelen aan
Fournier. Dit moest ik verhinderen en daarom heb ik juffrouw Antje
geholpen om te vluchten met den jongen koopman Herbes, die haar
lief heeft. De huwelijksgift van 20,000 pond heb ik het jonge paar
naar hun nieuwe woonplaats meegegeven.
De andere 30,000 pond, die ik Fournier heb afgenomen en ook de
40,000 pond, die ik mij van zijn vermogen liet uitbetalen, zal ik
aan de Londensche armen geven.
Fournier is dus gestraft.
En ook gij zult uw straf niet ontgaan.
JOHN RAFFLES.
bijgenaamd Markies d’Armand.
P.S. Daar juist vind ik een kostbaar halssnoer in uw schrijftafel.
Uit den bijgaanden brief lees ik, dat ge die hadt bestemd als
geschenk voor uwe minnares Tatjana Miroff. Dat lijkt mij een groot
onrecht. Ik zal het snoer aan uwe dochter geven als geschenk van
haar kieschen vader. Ik heb nu geen tijd om uw boel verder door te
snuffelen, maar dat komt later wel in orde.
Ge hoort nog wel van mij.