Een ongeluk.— — — —

Nauwelijks kon hij zijn woede bedwingen en in ruwe woorden schold hij

op den chauffeur.

Daar deze verklaarde, dat de schade spoedig hersteld zou zijn, besloot

men weer in de auto plaats te nemen, daar de neerstroomende regen het

verblijf in de open lucht bijna onmogelijk maakte.

Ondanks den ijver van den chauffeur scheen de reparatie veel tijd in

beslag te nemen, want er was reeds meer dan een kwartier verloopen en

nog steeds stond de auto op dezelfde plaats.

Eindelijk, na nog een vijftal minuten, die den Franschman zeer lang

vielen, zette de auto zich puffend in beweging.

De markies was verontwaardigd over de vertraging en verzocht Fournier,

geheel en al over hem te willen beschikken.

„Dan zou ik u vriendelijk willen verzoeken, mij onmiddellijk naar de

woning van de kleine Loulou te laten rijden. Ik mag om geen enkele

reden langer wegblijven en kan het geld vandaag niet meer op de Bank

deponeeren.”

De markies had door de kleine spreekbuis den chauffeur het adres

opgegeven en de auto snorde verder.

„Maar mijn beste Fournier, wilt gij die groote som den geheelen avond

bij u houden?”

„Het is mij zelf zeer onaangenaam, maar ik kan niet meer naar de Bank

gaan. Gij weet, hoe lang men daar soms moet wachten en ik heb geen

minuut meer over.”

„Bedenk, mijn waarde, dat gij daar in vroolijk gezelschap zijt en dat

gij niet weet hoe laat het kan worden en of er niet ten slotte nog

verschillende café’s bezocht zullen worden. Het is zeer gevaarlijk! Een

van mijn vrienden heeft op die manier zeer onaangename ervaringen

opgedaan....”

De markies vertelde zulk een griezelige geschiedenis, dat zijn gast de

haren te berge rezen.

Fournier was bleek geworden en sprak aarzelend:

„Als ik maar wist, wat ik moet doen!”

„Kan ik u soms helpen, dan zal ik het doen, want door mijn schuld—of

tenminste door die van mijn chauffeur, hebt gij den tijd verzuimd. Als

gij mij het geld wilt toevertrouwen, zou ik dadelijk naar de Bank

rijden....”

„Maar, markies, dat kan ik niet aannemen.”

„Gij wilt mij natuurlijk die groote som niet toevertrouwen. Ik vind dat

begrijpelijk en neem u die voorzichtigheid in het geheel niet kwalijk.”

„Maar ik bid u, markies! U zou ik elk oogenblik mijn geheele vermogen

toevertrouwen.”

„Goed, ik houd u aan uw woord. Geef mij uw geld en ik beloof u, zoodra

ik u bij de woning van de bekoorlijke Loulou zal hebben afgezet,

onmiddellijk naar de Engelsche Bank te rijden.”

Fournier wist eerst niet, hoe hij zich moest houden.

Aan den eenen kant was hij blij, als het geld nog heden op de Bank

kwam, daartegenover stond echter zijn wantrouwen om den markies zulk

een aanzienlijk bedrag zonder bewijs in handen te geven.

Deze liet hem echter niet veel tijd om na te denken; hij had een

notitieboekje uit den zak gehaald en nam de gouden vulpen van zijn

horlogeketting.

„Dus, mijnheer Fournier, ik zal u hier dadelijk een kwitantie ter hand

stellen voor 50,000 pond.”

„Maar, mijn waarde markies, dat is immers overbodig.”

„Neen, neen,” sprak deze afwerend, „orde moet er zijn!”

Nog voordat de Franschman wist wat er gebeurde, had zijn voorname

vriend de 50,000 pond in den zak en hij keek eenigszins beteuterd naar

de kwitantie, die hij in zijn handen hield en die was geteekend:

„Markies Fereel d’Armand.”

Met een schok hield de auto stil; men was voor het bedoelde huis

aangekomen.

De markies verzocht zijn gast om uit te stappen en verzekerde nogmaals

met groote beminnelijkheid, dat hij dadelijk naar de Bank zou rijden.

Toen de Franschman in de deur van het huis was verdwenen, sprak markies

d’Armand lachend en op halfluiden toon tot zijn chauffeur:

„Zijn woord moet men als gentleman houden. Dus, Charly, spoedig naar de

Bank van Engeland!”......

Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell · 第 9 / 27 题