Van Brixen vond het niets prettig zijn schoonzoon in gezelschap van den
markies bij zich te zien.
Hij wist, dat heden, op den dag vóór het huwelijk, Fournier zou
verschijnen, om de 50,000 pond in ontvangst te nemen en had gehoopt,
zijn medeplichtige desnoods door dreigementen, met minder te kunnen
afschepen.
Nu zag hij zijn plan verijdeld en wilde daarom de betaling uitstellen.
Fournier echter verklaarde, dat hij den markies had verzocht mede
tegenwoordig te zijn, wat deze met lachend gezicht bevestigde.
Daarom bleef hem niet anders over dan in den zuren appel te bijten en
Fournier de volle som in klinkende munt en papiergeld uit te betalen.
Deze gaf, zooals het behoorde, een kwitantie van het ontvangen bedrag
en verzocht den markies nog, het document als getuige te onderteekenen,
waartoe deze zich dan ook bereid verklaarde.
Daar Fournier de geheele zaak nu had afgehandeld, was het bezoek weldra
afgeloopen, zonder dat de „gelukkige bruidegom” van 54 jaar ook met een
enkel woord naar zijn bruid had geïnformeerd.
Toen zij weer plaats hadden genomen in de auto, fluisterde de laatste
zijn chauffeur toe:
„Alles in orde, nu komt het er op aan!”— —
Intusschen was de lucht, die eerst zoo helder was geweest, bewolkt
geworden, de beruchte Londensche mist kwam op en een fijne regen viel
neer.
Elke minuut werd de lucht dikker en men kon bijna geen hand voor de
oogen zien.
Reeds bijna een half uur vloog de auto voort.
Fournier werd onrustig en sprak tot den markies, die een sigaret
rookend in de kussens achterover leunde:
„Maar, mijn waarde, zijn wij nu nog niet bij de Engelsche Bank?”
Schertsend antwoordde deze:
„Mijn gezelschap schijnt u te vervelen!”
Natuurlijk deed Fournier zijn best, het tegendeel te verzekeren, maar
toch wierp hij van tijd tot tijd een blik door de raampjes naar buiten.
Dit hielp echter niet veel, want men zag alleen onduidelijke schaduwen
voorbijvliegen, waarvan de omtrekken niet te onderscheiden waren.
Toen weer een kwartier was voorbijgegaan, zonder dat men het einddoel
had bereikt, kon de Franschman zijn onrust niet meer verbergen.
„Ik weet niet, markies, maar ik ben bang, dat uw chauffeur zich
vergist.”
„Maar dat is onmogelijk,” antwoordde deze, terwijl hij echter
tegelijkertijd een teeken gaf om halt te houden.
De auto stond stil en markies d’Armand vroeg zijn chauffeur, waar zij
nu eigenlijk waren.
Deze moest bekennen, dat hij dit niet wist.
In de verte was een gebouw zichtbaar en men besloot, daarheen te rijden
om opheldering te krijgen.
Toen zij daar waren aangekomen, klom de chauffeur van den bok en kwam
weldra terug met het bericht, dat dit gebouw—het krankzinnigengesticht
van Hanwell was.
„Daar moest jij noodig in”, beet de markies zijn chauffeur toe, „nu zoo
gauw als je kunt terug!”
De bestuurder moest zich in den mist vergist hebben en was in
westelijke richting gereden, in plaats van in oostelijke, langs het
Hydepark.
De markies verontschuldigde zich over de onoplettendheid van zijn
chauffeur.
Zijn gast antwoordde beleefd, dat de kleine vertraging niets te
beteekenen had, maar zijn zuur gezicht logenstrafte zijn woorden.
Weldra vertelde hij dan ook in vertrouwen, dat de kleine Loulou, zijn
tegenwoordige vlam, hem zeker een geweldige scène zou maken als hij
heden op het afscheidssouper te laat zou komen.
„Geloof mij, waarde markies, ik ben mijn leven niet zeker. Gij kunt u
die kleine duivelin niet voorstellen en dan vooral nu, nu ik toch al
zooveel moeite moet doen om haar in een goed humeur te houden.”
Markies d’Armand verzekerde opnieuw, hoezeer hij het voorgevallene
betreurde en juist wilde hij den chauffeur tot nieuwen spoed aanzetten,
toen men een eigenaardig geluid hoorde, de auto draaide om zijn as rond
en—stond stil.
Nu was goede raad duur.
Nergens was een voertuig te ontdekken en men kon zelfs geen enkel huis
onderscheiden.
De kleine Franschman, wiens ongerustheid tot het uiterste was gestegen,
sprong het eerst uit de auto om te zien wat er was voorgevallen.