II. 4. 420. Uw kostelijke, rijke kroon. In het Engelsch beteekent
crown zoowel kroon als kruin.
II. 4. 425. Op de manier van koning Cambyses. De tragedie van
"Cambyses, koning van Perzië", is van Thomas Preston en was in
gezwollen stijl geschreven; zij werd uitgegeven in 1570 en herdrukt
in 1585. De titel is: A lamentable tragedie mixed full of pleasant
mirth containing the life of Cambyses, king of Persia. In dit stuk
zegt b.v. de koningin: "These words to hear makes stilling tears
issue from christal eyes"; men vindt er ook een tooneelaanwijzing
in: At this tale told let the queen weep. Dat de toespeling voor de
schouwburgbezoekers, die K. Hendrik IV zagen spelen, duidelijk was,
valt niet te betwijfelen.--In zijn toespraak tot den Prins spot
Falstaff, van de kamille gewagende, met den stijl van den gevierden
Lyly, die in zijn boek Euphues zegt: "Though the camomile, the more it
is trodden and pressed down, the more it spreadeth; yet the violet,
the oftener it is touched and handled, the sooner it withereth and
decayeth.--Zoo vindt men lager van pik gesproken en in Lyly's Euphues
staat: He that toucheth pitch shall be defiled therewith.--De naam
Spraakwater is in het Engelsch Ticklebrain, de naam van een likeur.
II. 4. 498. Dien gebraden kermis-os. In 't Engelsch staat: Dien
gebraden Manningtree-ox. Manningtree was een plaats in het weide- en
veerijke graafschap Essex, waar op de jaarmarkt steeds een geheele
os met de ingewanden in 't lijf werd gebraden. Bij die gelegenheid
werden er dan ook volksschouwspelen, zoogenaamde Moraliteiten, gegeven,
waarin doorgaans de allegorische personen Ondeugd, Goddeloosheid of
Verdorvenheid, en IJdelheid, Vice, Iniquity en Vanity, optraden. Van
daar dat de Prins Falstaff eerst met den os en dan met die allegorische
personen vergelijkt.
II. 4. 544. Uw gevolg wijs ik af. In 't Engelsch staat: "Ik ontken
uw major". Major is de hoofdstelling van een syllogisme; het woord
is gebezigd om tusschen major of mayor en het volgende sheriff een
tegenstelling te zoeken.
II. 4. 549. Verberg u achter het wandtapijt. De tapijten werden wel
is waar niet zelden aan haken tegen den muur, maar dikwijls ook op
eenigen afstand er van opgehangen, zoodat men er zich zeer wel achter
kon verbergen.
III. 1. 68. Wat! ongeschoeid! In 't oorspronkelijke zegt Glendower, dat
de koning bootless, "onverrichter zake" moest terugtrekken. Heetspoor
vat bootless op als "zonder laarzen." Glendower was inderdaad een zeer
te duchten vijand van Bolingbroke. Hij had lang aan het hof vertoefd
en was iemand van veel kennis en bekwaamheid. Bij gelegenheid van een
twist met lord Grey van Ruthyn verongelijkt, naar het schijnt, door het
parlement, vatte hij tegen den koning de wapens op, maar ongetwijfeld
lag aan zijn streven de zucht naar de onafhankelijkheid van Wales ten
grondslag. Hij was bijzonder gelukkig in zijn guerilla-oorlog tegen
Bolingbroke, en als hij beweert, dat hij dezen driemaal terug had
geslagen, III. 1. 65., is dit geen onware zelfverheffing. Zijn soms
plotseling verdwijnen, als de koning hem vervolgde, zijn plotselinge
overvallen, als deze hem verre waande, dit alles voedde het geloof aan
zijn toovermacht. Dit, en zijn vurige en dichterlijke aard maakten hem
een des te geduchter tegenstander. Al wat Walliser was stroomde naar
zijn vanen toe. Waarschijnlijk was het hem onmogelijk, zijn macht
tijdig met die van Heetspoor te vereenigen; ware hem dit gelukt,
dan zou de dag van Shrewsbury voor koning Hendriks macht wellicht
zeer noodlottig geweest zijn.
III. 1. 149. Door wat hij mij vertelt Van mier en mol. Dit heeft
alles betrekking op oude Wallische overleveringen, die algemeen, en
waarschijnlijk ook door Glendower, geloofd werden.--Volgens Holinshed
werd het verdrag tusschen Mortimer, Heetspoor en Glendower gesloten in
het geloof aan een profetie, volgens welke zij drieën koning Hendrik
voor den mol hielden, die door Gods mond vervloekt was, en zichzelve
voor den draak, den leeuw en den wolf, die het rijk zouden verdeelen.
III. 1. 214. Het weeld'rig bies. De biezen, waarmee de vloer bedekt
was, die aan Mortimer tot weelderige rustplaats zonden strekken.
III. 1. 256. En geeft zoo taffen eedwaarborg, als waart gij
Nooit verder weg geweest dan Finsbury. Heetspoor kan die makke
betuigingen niet lijden, zooals welgestelde burgervrouwtjes, die,
het gewaad met fluweel omboord, haar zondagswandeling naar Finsbury
richtten, gaarne gebruiken. Zijn vrouw moest ze aan de vrouwen van
zijdehandelaars,--vandaar taffen eedwaarborg,--en peperkoekverkoopers
overlaten.--Finsbury lag toen nog buiten de poorten van Londen en
was een gewoon doel van de op Zondag wandelende burgers.
III. 1. 264. 't Is de naaste weg tot het snijder-worden. Dat de
snijders bij hun stillen arbeid meer dan andere handwerkslieden zingen,
wordt ook bij andere schrijvers uit Sh.'s tijd vermeld.--Heetspoor
let niet op de weigering van zijn vrouw, maar gaat voort: "Wie zingt,
is op weg om snijder te worden of roodborstjes te leeren zingen."
III. 2. 164. Lord Mortimer van Schotland zond bericht. Shakespeare
verwart hier twee familiën: de Schotsche Lords March en de Engelsche
Graven van March. De eersten hadden tot familienaam Dunbar, de
tweeden Mortimer. Er is hier sprake van George Dunbar, lord March,
een aanhanger van den Engelschen koning.
III. 3. 5. Goudpippeling. Falstaff noemt zich, met een zinspeling
op zijn naam, een apple-John, een appel, die lang goed blijft, maar
rimpelig wordt.
III. 3. 82. Hollandsch linnen van acht schellingen de el. Men behoeft
niet te denken, dat vrouw Haastig een ongehoord hoogen prijs noemt. In
dien tijd van handarbeid was linnen duur; men vindt vermeld, dat het
minste hemd een kroon (5 schellingen) kostte, en dat er ook waren
van tien pond sterling.
III. 3. 129. Juffer Marianne van den moorendans. De zoogenaamde
moorendansen of Meidansen waren pantomimische vertooningen, die
op 1 Mei en op Pinksteren op straat plaats hadden, en waarin de
beroemde Engelsche balladenheld, Robin Hood, en zijn metgezellen,
alsook "Juffer Marianne", zijn geliefde, optraden. Al die personen
werden door mannen voorgesteld en "Juffer Marianne" was dus bijzonder
weinig geschikt om de vrouw te worden van een eerbaren stedelijken
beambte.--Gestoofde pruimen, waarvan hier gesproken wordt, waren
een gerecht, waar oude zondaars meermalen hun toevlucht toe namen,
in de hoop van er hunne vroegere kracht door te herkrijgen, een hoop,
die maar al te dikwijls ijdel bleek te zijn.
III. 3. 230. Dit wijnhuis voor mijn trom. Natuurlijk omdat, als daar
de werving, uitmonstering en verzameling plaats had, Falstaff in zijn
wijnhuis of hoofdkwartier des te langer vertoeven kon.
IV. 1. 12. Wien ik niet staan wil. Douglas heeft blijkbaar nog niet
uitgesproken; hij wil nog iets zeggen, dat een compliment is voor
Heetspoor, b.v. "nu ik met u zal strijden" of "nu de lof van een man
als gij mij aanspoort," maar Heetspoor valt hem in de rede.
IV. 2. 6. Engel. Gouden munt, ter waarde van 10 schellingen; vergelijk
De Koopman van Venetië II. 7. 57.
IV. 4. 1. Breng vliegensvlug Aan den lord-maarschalk dit verzegeld
stuk. Dit tooneel bereidt voor op het tweede gedeelte van den
burgeroorlog, dat in het volgende deel van K. Hendrik IV geschilderd
wordt. De lord-maarschalk is Thomas lord Mowbray, de zoon van Hertog
Norfolk, Bolingbroke's ouden vijand, zie K. Richard II. 1. 1.--De
neef Scroop is de zoon van den Graaf van Wiltshire. Beiden dus geboren
vijanden van Hendrik IV.
V. 1. 34. Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken. Zie K. Richard
de Tweede, II. 3. 27.
V. 1. 43. De eer is niets dan een wapenschild. Dat bij de begrafenis
van een edelman mede rondgedragen wordt, zonder dat de doode er iets
aan heeft.--Falstaff noemt, wat hij gezegd heeft, een catechismus,
omdat hij in vragen en antwoorden zijn geloofsbelijdenis heeft
afgelegd.
V. 3. 22. Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat. Waar uwe
ziel ook heenga, naar den hemel of naar de hel, overal blijke zij de
ziel van een nar.
V. 3. 46. De Turk Gregorius. De Turk is de Sultan der Turken, die in
Engelsche spectakelstukken meermalen optrad en dan, zooals men denken
kan, vrij wat hoofden afsloeg. Waarom hij hier Gregorius genoemd wordt,
is niet te zeggen; het kan zijn, dat in een der genoemde stukken
een Turksche keizer van dien naam voorkwam. Het kan ook wezen, dat
Falstaff uit scherts aan den aartsvijand der christelijke kerk een
kanonieken naam, en wel van den geduchten paus Gregorius VII, toekent.
V. 3. 55. Goed om sektenmakers ten onder te brengen. In 't Engelsch;
there's that will sack a city. Een woordspeling met sack, den wijn,
en sack, plunderen.
V. 4. 107. Gij zijt gewis het zwaarste wild van allen. In 't Engelsch
is een woordspeling met deer, wild, en dear, dierbaar: Death hath not
struck so fat a deer to-day, Though many dearer.--Die woedende dolkop
van een Schot, een paar regels verder, is in 't Engelsch aangeduid
door that hot termagant Scot. "Termagant" is de naam van een dolkop
en woesteling in oude Engelsche tooneelspelen, naar men beweert,
ontleend aan een Saraceensche godheid.
V. 5. 40. Om met Glendower en Mortimer te kampen. In 't Engelsch
wordt Mortimer genoemd bij den titel Graaf van March, welke hem,
zooals boven gezegd is, niet toekwam.