TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Prins Hendrik en Lords komen op.

KONING HENDRIK. Verlaat ons, Lords; de prins van Wales en ik

Wij hebben een vertrouw'lijk onderhoud;

Doch blijft nabij, straks zullen we u behoeven.

(De Lords af.)

Ik weet niet, of het God zoo heeft beschikt

Voor ongevall'ge diensten, die ik deed,

Dat hij, naar zijn verborgen raad, een geesel

En straf mij uit mijn eigen bloed verwekt;

Doch gij doet mij, door heel uw levenswandel,

Gelooven, dat gij uitgelezen zijt

Tot heete wraak, als strenge roê, des hemels,

Om mijne schuld te straffen. Zeg mij anders,

Hoe zulke bandelooze, lage driften,

Een zoo armzalig, voos, onwaardig streven,

Een zoo onvruchtb're lust en woest verkeer,

Als waar gij aan verknocht zijt, mee vergroeid,

De hoogheid van uw bloed verzellen konden,

Ooit konden reiken tot uw vorstenhart?

PRINS HENDRIK. Veroorloof, uwe hoogheid! 'k Wenschte, dat ik

Van iedre smet mij zoo bevrijden kon,

Als ik mij buiten twijfel rein kan wasschen

Van meen'ge zonde, mij te last gelegd;

Doch laat mij toch om die verschooning smeeken,

Dat ik, eerst tal van sprookjes logenstraffend,--

Zooals het oor van grootheid vaak moet hooren

Van plasdankzoekers en van nieuwtjesventers,--

Voor enkle ware zaken, die mijn jeugd

Loszinnig, buiten 't spoor geraakt, beging,

Vergiff'nis vind om mijn oprechte erkenning.

KONING HENDRIK. Vergeve u God!--doch ik verbaas mij, Hendrik,

Dat uw begeerten zoo de wieken uitslaan,

Ver van de vlucht van heel uw voorgeslacht.

Door ruwheid hebt ge uw zetel in den staatsraad

Verbeurd; uw jong're broeder nam dien in;

Een vreemdling zijt gij schier voor alle harten

Van 't hof en van de prinsen van mijn bloed.

De hoop en de verwachting van uw tijd,

Vervlogen zijn ze, en iedre menschenziel

Voorspelt zichzelf profetisch uwen val.

Was ik met mijn aanwezigheid zoo gul,

Zoo uitgestald voor ieders oog, zoo glansloos

En voor gemeen verkeer te koop geweest,--

Die meening, die de kroon mij heeft verschaft,

Ware aan het troonbezit getrouw gebleven,

Had mij een roemloos balling laten blijven,

Als een, die niets was, niets verwachten liet.

Ik kwam zeer zelden voor den dag, maar dan

Werd ik ook aangegaapt als een komeet;

Dan riep de vader tot zijn kroost: "Dat is hij!"

Een ander vroeg: "Waar, wie is Bolingbroke?"

Dan was de hoflijkheid des hemels mijn,

En kleedde ik mij in zulk een need'righeid,

Dat ik verknochtheid afdwong van hun hart,

En groet en jubelkreten aan hun mond,

Zelfs aan de zijde des gekroonden konings.

Zoo hield ik mijn persoon steeds frisch en nieuw;

Zij werd, gelijk een hoogepriesterskleed,

Bewond'rend slechts aanschouwd; en heel mijn praal,

Zeldzaam, doch kostbaar, was gelijk een feest,

En zoo, door ongewoonte, een plechtigheid.

De koning was een spring-in-'t-veld, verzelschapt

Van dwaze fratsenmakers, strooien geesten,

Snel vlammend, snel verbrand; zijn waardigheid

Versneed hij, mengde 't hooge koningschap

Met luchtsprongnarren, liet zijn grooten naam

Ontheil'gen door hun spot, en gaf zijn aanzien,

Zijn naam ten trots, den lach van knapen prijs,

Den moedwil van elk ijdel, baardloos gekje;

Hij werd een klant der openbare straat,

En maakte zich tot leenman van de volksgunst,

Totdat, wijl de oogen daag'lijks hem verslonden,

Het volk van honing was verzaad, de smaak

Hun tegenstond van 't zoet, waarvan een weinig

Meer dan een weinig veel te veel reeds is.

Kwam nu een dag, dat hij zich moest vertoonen,

Dan werd hij, als de koekoek is in Juni,

Gehoord, niet opgemerkt; gezien, met oogen,

Die, door gewoonte stomp en moe, niet meer

Voor 't staren vatbaar zijn, dat met bewondring

Den zonneschijn der majesteit begroet,

Haar zelden zichtbren glans eerbiedig huldigt;

Zij knikkebolden met geloken oogleên,

Recht voor zijn oog, en gunden hem een blik,

Als wreev'le mannen aan hun vijand doen,

Van overdaad, die walgde van zijn bijzijn.

En, Hendrik, op diezelfde lijn staat gij,

Want gij ook hebt uw vorstlijkheid versmeten,

Door laakbaar, laag verkeer. Geen enkel oog,

Dat niet, te vaak u ziend, u moede werd;

Alleen het mijne wenschte u meer te zien,

En doet nu iets, wat ik mijzelf verwijt,

Het maakt zich blind door dwaze teederheid.

PRINS HENDRIK. Ik wil voortaan, genadig heer en vader,

Mijzelf meer zijn.

KONING HENDRIK. In ieder opzicht zijt gij,

Voorwaar, te dezer stond, wat Richard was,

Toen ik te Ravenspurg uit Frankrijk landde;

En juist wat ik toen was, is Percy nu.

Ja, bij mijn scepter en mijn zieleheil,

Hij heeft veel hooger aanspraak op den troon,

Dan gij hebt door de schaduw van uw erfrecht;

Want zonder recht, ja zonder zweem van recht,

Vult hij 's rijks velden met zijn wapenmacht,

Houdt stand voor de' open muil des leeuws, en brengt,

Niet meer dan gij zijn jaren dankend, achtb're

Bisschoppen en vergrijsde lords in 't veld,

Tot schilden-splijten en tot bloedig strijden.

En wat onsterfelijken roem verwierf hij

Zich tegen Douglas, dien geprezen held,

Wiens stoute tochten, grootsche wapenfeiten

Bij elken krijger hem den eersten rang,

Den hoogsten oorlogsroem verworven hadden,

In alle rijken, waar men Christus eert!

Driemaal heeft deze Heetspoor, Mars in winds'len,

Die zuig'lingheld, in 't veld den grooten Douglas

Verslagen, ééns gevangen hem gemaakt,

Hem weer geslaakt en toen als vriend gewonnen,

Om diepe vijandschap den mond te stoppen,

En onzen troon te schokken, dat hij vall'.

En hoor nu toe: "Percy, Northumberland,

Yorks hooge kerkvoogd, Douglas, Mortimer,

Zijn tegen ons verbonden, staan in 't veld."

Doch wat heb ik die tijding u te melden,

U, Hendrik, u mijn vijanden te noemen,

U, die mijn naaste en ergste vijand zijt?

U, die wellicht uit onderdaan'ge vrees,

Uit lagen lust, of als een luim u drijft,

Mij zult bevechten in soldij van Percy,

Den voet hem likken, voor zijn fronsblik kruipen,

Om recht te toonen, hoe ontaard gij zijt.

PRINS HENDRIK. Neen, denk dit niet, gij zult het zoo niet vinden;

Vergeev' God hun, die bij uw majesteit

Mij zoo van uwen goeden dunk beroofden!

Ik maak dit alles goed op Percy's hoofd,

En zal aan 't einde van een dag vol roems

Met fierheid tot u zeggen: "'k ben uw zoon";

Als ik in een gewaad van bloed u nader,

Mijn trekken met een masker kleur van bloed,

Dat, weggewasschen, ook mijn schande wegspoelt.

Dat zal de dag zijn,--koom' hij als hij wil!--

Waarop eenmaal dat kind van eer en roem,

De dapp're Heetspoor, de geprezen ridder,

En uw vergeten Hendrik samentreffen.

O waar' elke eer, die op zijn helmet troont,

Een menigt', en op mijn hoofd elke schimp

Verdubbeld! want de dag genaakt, hij komt,

Dat ik dien noordschen jong'ling dwing, zijn schat

Van roem te ruilen voor mijn oogst van schande.

Percy, mijn vorst, is slechts mijn zaakwaarnemer;

Zijn heldendaden stapelt hij voor mij;

En dra roep ik hem op tot rekenschap;

Uitleev'ren zal hij mij zijn ganschen roem,

Ja, ook het nietigst eerbetoon der wereld,

Of ik rijt hem de reek'ning uit zijn hart.

Dit zweer ik plechtig, bij den naam van God;

En als het Hem behaagt, dat ik 't volbreng,

Dan heele dit, zoo smeek ik uwe hoogheid,

Elke oude wond van mijn losbandigheid;

Zoo niet, dan delgt de dood toch alle schuld;

En ik wil honderdduizend dooden sterven,

Eer ik een adem van deze' eed verbreek.

KONING HENDRIK. Dit doodt een honderdduizendtal verraders;

Nu zij bevel en alles u vertrouwd.

(Blunt komt op.)

Spreek, wakkre Blunt! uw blikken zijn vol haast.

BLUNT. Dien heeft de zaak, die ik u melden kom.

Lord Mortimer van Schotland zond bericht,

Dat Douglas zich met de Engelsche oproerlingen

Den elfden heeft vereend te Shrewsbury.

Het wordt een zoo verschrikk'lijk machtig heer,

Indien elk hunner zijn beloften houdt,

Als ooit een staat met onheil heeft gedreigd.

KONING HENDRIK. De graaf van Westmoreland trok heden op,

Met hem mijn zoon, lord John van Lancaster;

"Want dit bericht, vijf dagen is het oud.--

Aanstaanden Woensdag, Hendrik, breekt gij op;

Wijzelf op Donderdag; verzamelplaats

Zal Bridg'north zijn; gij, Hendrik, neemt uw weg

Door Glostershire; naar deze reek'ning zal,

Is alles goed geordend, in twaalf dagen

Te Bridg'north onze macht vereenigd zijn.

Van hier! veel is te doen en haast is goed;

't Geluk wordt loom, als zich de mensch niet spoedt.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 23 / 79 题