EERSTE TOONEEL.

Bangor. Een vertrek in het huis van den Aartsdeken.

Heetspoor, Worcester, Mortimer en Glendower komen op.

MORTIMER. 't Verbond is zeker, de beloften schoon,

En heel ons voorspel vol van blijde hoop.

HEETSPOOR. Lord Mortimer en neef Glendower, ik bid u,

Neemt plaats!--

Ook gij, oom Worcester!--Wat! de duivel haal' mij!

Ik heb de kaart vergeten.

GLENDOWER. Neen, hier is zij.

Neem plaats, neef Percy; zet u, beste Heetspoor;

Wel best! want telkenmaal, dat Lancaster

Met dezen naam u noemt,

Verbleekt zijn wang, en met een diepen zucht

Wenscht hij u in den hemel.

HEETSPOOR. U in de hel, zoo dikwijls Owen Glendower

Genoemd wordt in zijn bijzijn.

GLENDOWER. En wel te recht. Des hemels aanschijn was

In mijn geboortenacht vol vuurgestalten

En laaie toortsen; mijn verschijnen deed

Der aarde bouw en zwaren grondslag rillen

Gelijk een lafaard.

HEETSPOOR. Wel, dat zou op dien zelfden tijd ook gebeurd zijn, als

uw moeders kat jongen geworpen had, al waart gijzelf nooit geboren.

GLENDOWER. Ik zeg, dat de aard bij mijn geboorte rilde.

HEETSPOOR. En ik zeg, de aard had niets van mijn natuur,

Als gij gelooft, dat zij, u vreezend, trilde.

GLENDOWER. De hemel stond in vlammen, de aarde beefde.

HEETSPOOR. Dan rilde de aarde, wijl zij heel den hemel

In vuur zag, niet uit vrees om uw geboorte.

Niet zelden breekt een ziekte der natuur

In dolle krampen uit; de zwangere aard

Wordt vaak, als door koliek gekweld, genepen;

Lucht, damp, die woelt en werkt, is in haar schoot

Alsdan bekneld, en schokt, bevrijding zoekend,

Oudmoeder aarde, en stort aloude burgen

En torens neêr in puin. Bij uw geboorte

Werd onze bestemoêr door zulk een aanval

Van pijn geschokt.

GLENDOWER. Van vele mannen, neef,

Zou ik dien spot niet dulden. Sta mij toe,

Nog eens te zeggen, dat bij mijn geboorte

Het hemelwelf vol vuurgestalten was;

De geiten holden van 't gebergt', de kudden

Verschrikten door haar vreemde kreten 't veld.

Die teekens stemp'len mij als ongemeen,

En heel de loop mijns levens toont, dat ik

Niet op de rol sta der gewone menschen.

Waar leeft de man,--omsloten door de zee,

Die Englands, Wales' en Schotlands kusten beukt,--

Die iets mij leerde, mij zijn kweek'ling noemt?

Stel hèm voor mij, die, slechts een vrouwe-zoon,

Mij op de zware baan der kunst kan volgen,

Zich met mij meet in diepe wetenschap.

HEETSPOOR. Dat niemand beter Welsch spreekt, neem ik aan.

Ik ga aan tafel.

MORTIMER. Stil toch, neef Percy, zóó maakt gij hem dol.

GLENDOWER. Ik roep uit woeste diepten geesten op.

HEETSPOOR. Welnu, dat kan ik ook, dat kan een ieder;

Maar komen ze inderdaad, als gij hen roept?

GLENDOWER. Nu, 'k leer u, neef, den duivel te bezweren.

HEETSPOOR. En ik u, neef, den duivel weg te bannen

Door waarheid; roep hem waarheid toe, hij vlucht.--

Vermoogt gij hem te roepen, breng hem hier,

Ik zweer, ik overmag hem, spot hem weg.

't Gaat door; zeg hem de waarheid, en hij vlucht!

MORTIMER. Kom, kom;

Staakt dit gepraat, dat ons niet verder brengt.

GLENDOWER. Driemaal heeft Hendrik Bolingbroke den strijd

Met mijne macht gewaagd, en driemaal zond ik

Hem van de Wye en 't zandig bed des Severns,

Bij storm, de kousen op den kop, naar huis.

HEETSPOOR. Wat! ongeschoeid! en dat bij storm en onweer!

Hoe blijft hij vrij van koorts, in 's duivels naam?

GLENDOWER. Komt, neemt de kaart nu. Willen we ons gebied

Alsnu naar ons verdrag in drieën deelen?

MORTIMER. De aartsdeken heeft voor ons het land alreeds

Gedeeld in drie geheel gelijke stukken.

England, van Trent en Severn tot hiertoe,

Naar 't zuiden en naar 't oosten, is voor mij;

Het westen, Wales, aan gene zij der Severns,

En al het vruchtbre land, aldus begrensd,

Aan Owen Glendower;--aan u, mijn waarde neef,

Al 't oov'rige, ten noorden van de Trent.

Drievoudig zijn de stukken opgemaakt;

En hebben wij die wederzijds bezegeld,--

Wat heden avond nog gebeuren kan,--

Dan trekken wij, neef Percy, gij en ik

Alsook mylord van Worcester, morgen op,

Om uwen vader en het Schotsche leger

Te Shrewsbury, naar afspraak, aan te treffen.

Mijn vader hier is nog wel niet gereed,

Doch veertien dagen is zijn hulp te missen.--

En in dien tijd hebt gij toch uw vazallen,

Uw vrienden en uw magen wel bijeen?

GLENDOWER. Een korter tijd brengt mij, mylords, tot u;

En onder mijn geleide ook uwe vrouwen.

Nu sluipt gij weg en zegt haar geen vaarwel;

Want anders zou een vloed van tranen stroomen,

Bij 't afscheid, dat gij van uw vrouwen neemt.

HEETSPOOR. Mij dunkt, dat mijn deel, noord'lijk hier van Burton,

Niet een der uwe in omvang evenaart.

Ziet, hoe de stroom, hier in mijn land zich kronk'lend,

Een groote halve maan, een reuzenbrok,

En dat van de' allerbesten grond, er uit snijdt.

Ik wil, dat hier de stroom worde afgedamd;

En in een nieuwe bedding vloeie hier

Dan vrij en recht de heldre, zilv'ren Trent;

Met zulk een bocht zal die zich hier niet krommen,

Dat zij mij zulk een rijken grond ontkaapt.

GLENDOWER. Niet krommen? 't Moet en zal; gij ziet, zij doet het.

MORTIMER. Ja, maar ziet,

Hoe hier de stroom zijn richting neemt, bij mij

In 't land dringt en geheel ten uwen bate

Van 't overland zoo veel aan mij ontfutselt,

Als hij aan de' andren kant aan u ontneemt.

WORCESTER. Men graaft hem hier met weinig kosten door

En wint in 't noorden lichtlijk deze landtong;

Dan zijn de scherpe bochten weg.

HEETSPOOR. Ik wil 't; met weinig kosten is 't gedaan.

GLENDOWER. 'k Wil niets veranderd hebben.

HEETSPOOR. Wilt gij 't niet?

GLENDOWER. Neen, en gij doet het niet.

HEETSPOOR. Wie zal 't verbieden?

GLENDOWER. Nu, dat zal ik.

HEETSPOOR. Laat mij u niet verstaan,

En zeg het in het Welsch.

GLENDOWER. Ik spreek, heer, Engelsch, even goed als gij,

En werd zelfs opgevoed aan 't Engelsch hof,

Waar ik, nog jong, voor menig Engelsch lied

Een lieflijk tokk'len van de harp ontwierp,

En aan de tong een hulprijk siersel schonk;

Nooit heeft men zulk een gave in u herkend.

HEETSPOOR. Daarover, neef, verheug ik mij van harte,

'k Waar' liever nog een katje en riep miaauw,

Dan een van die kling-klang-balladekramers;

'k Wil liever koop'ren luchters hooren draaien,

Of ongesmeerde wagenraadren knarsen;

Daar klemde ik zoo mijn tanden niet van saâm,

Als van die lisp'lend zoete poëzie;

Die is me, als 't draven van een stijven knol.

GLENDOWER. Nu goed, verleg de Trent dan maar.

HEETSPOOR. 't Is me onverschillig; driemaal zooveel land

Geef ik den eersten, besten, trouwen vriend;

Maar geldt het een verdrag of koop, let wel,

Dan twist ik om het tiende van een haar.

Zijn onze stukken klaar? en gaan we op weg?

GLENDOWER. 't Is held're maan, gij kunt van nacht nog gaan;

Ik zal den schrijver haasten en ga tevens

De vrouwen op uw afreis voorbereiden.

Want, o, ik ducht, mijn dochter wordt waanzinnig

Zoozeer is ze aan haar Mortimer gehecht.

(Glendower af.)

MORTIMER. Neef Percy, foei, wat dwarsboomt gij mijn vader!

HEETSPOOR. Ik kan 't niet laten; soms maakt hij mij toornig

Door wat hij mij vertelt, van mier en mol,

Van droomer Merlin en zijn profetieën,

Van draken, van een vinnenloozen visch,

Een raaf, die ruit, een grijp, geknot van wieken,

Een leeuw, die rust, een kat, die sluipt en springt,

En zooveel wirrelwarrig tuig, dat ik

Geheel verheidend word. Denk,--gistren avond

Hield hij mij vast, ten minste negen uren,

Met al de duivels op te noemen, die

Hem dienstbaar zijn; 'k riep: "Hum!" en "goed, ga voort",

Doch lette op niet één woord. Men wordt hem moede,

Meer dan een struik'lig paard, een kijvend wijf,

Een rook'rig huis. O veel, veel liever zou ik

Op kaas en knoflook zitten, in een molen,

Dan lekker smullen en zijn praatjes hooren

In eenig lustslot van de christenheid.

MORTIMER. Hij is, geloof me, een waardig edelman,

Van veel belezenheid en door-ervaren

In diepe kunsten, dapper als een leeuw,

Gezellig en in mildheid onuitputt'lijk

Als Indiës mijnen. Moet ik 't zeggen, neef?

Hij koestert eerbied voor uw fieren geest,

En doet zijn eigen aard, als gij zijn wenschen

Zoo dwarsboomt, veel geweld aan, ja, dat doet hij.

'k Verzeker u, op aarde leeft geen mensch,

Die zoo hem tarten mocht, als gij het deedt,

En niet gevaarlijk wierd te recht gewezen;

Doch waag het niet te vaak, dit smeek ik u.

WORCESTER. Voorwaar, mylord, uw hoofdigheid is laakbaar;

Gij hebt sinds uwe komst genoeg gedaan,

Om zijn geduld volkomen uit te putten.

Die fout, heer, moet gij leeren overmeest'ren;

Zij geev' soms blijk van fierheid, adel, moed,--

In zoo ver kan zij u tot sieraad zijn,--

Doch al te vaak verraadt zij felle woede,

Ruwheid van doen, gebrek aan zelfbeheersching,

Trots, nederzien op and'ren, eigenwijsheid;

En zij zelfs met het kleinst gebrek uit deze

Een edelman behept, dit rooft hem steeds

Der menschen hart, en werpt ook op den glans

Van al zijn verd're deugd een booze vlek,

Die haar van welverdienden lof versteekt.

HEETSPOOR. Nu, 'k heb mijn les; geluk met hofmanieren!

Ziet, onze vrouwen; laat ons afscheid nemen.

(Glendower komt terug, met de Vrouwen.)

MORTIMER. Dit is voor mij een dood'lijk grievend leed:

Mijn vrouw verstaat geen Engelsch, ik geen Welsch.

GLENDOWER. Mijn dochter weent; zij wil van u niet scheiden;

Zij wil soldaat zijn, wil met u in 't veld.

MORTIMER. Mijn vader, zeg haar, dat zij met nicht Percy

Ons onder uw geleide weldra volgt.

(Glendower spreekt met zijn dochter in het Welsch, en zij antwoordt

in dezelfde taal.)

GLENDOWER. Zij is als dol, een lastig, koppig schepsel,

Dat voor geen overreding vatbaar is.

(Zij spreekt tot Mortimer in het Welsch.)

MORTIMER. O, ik versta uw blik, dat lieflijk Welsch,

Dat uit uw zwaar bewolkte heem'len stroomt,

Ken ik te goed; en als ik mij niet schaamde,

Gaf ik u antwoord in dezelfde taal.

(Zij spreekt weder.)

'k Versta ook uwen kus, als gij den mijnen,

En dat is een gevoelvol onderhoud;

Doch nimmer wil ik ledigloopen, lieve,

Eer ik uw taal geleerd heb; want uw tong

Maakt Welsch zoo zoet als hooggestemde lied'ren,

Die bij haar luit een schoone koningin

Verrukk'lijk zingt in 't zomer-lustprieel.

GLENDOWER. Als gij ook wegsmelt, wordt zij gansch waanzinnig.

(Zij spreekt weder.)

MORTIMER. Die taal! 'k ben één en al onwetendheid!

GLENDOWER. Zij wenscht, gij vlijt u op het weeld'rig bies;

En legt uw dierbaar hoofd in haren schoot,

Dan wil zij u uw liev'lingsliedjes zingen,

Den god des slaaps bekronen op uw oogleên,

Uw bloed betoov'rend met een zoete loomheid,

Zóó lieflijk slaap en waken bij u scheiden,

Als tusschen dag en nacht de scheiding is,

Het uur, voordat des hemels zonnespan

In 't oosten zijnen gouden tocht begint.

MORTIMER. Van harte gaarne zit ik neer en luister;

In dien tijd, hoop ik, komt ons stuk gereed.

GLENDOWER. Doe dat; de muzikanten,

Die voor u spelen zullen, zweven thans

Op duizend mijlen afstands in de lucht,

Doch zullen daad'lijk hier zijn. Zit en luister.

HEETSPOOR. Kom, Kaatje, gij verstaat de kunst

om u neer te vlijen ook; kom, vlug, vlug! ik

wil mijn hoofd in uw schoot leggen.

LADY PERCY. Loop, gij malle gans!

(Muziek laat zich hooren.)

HEETSPOOR. Nu merk ik, dat de duivel Welsch verstaat;

En 't is geen wonder, dat hij luimen heeft;

Hij is, bij God, een goede muzikant.

LADY PERCY. Dan moet gij door en door muzikaal wezen, want gij wordt

geheel door uw luimen geregeerd. Lig stil, gij schelm, en hoor hoe

de Lady Welsch zingt.

HEETSPOOR. Ik hoorde liever Lady, mijn brak, Iersch huilen.

LADY PERCY. Wilt gij een gat in uw hoofd hebben?

HEETSPOOR. Neen.

LADY PERCY. Wees dan stil.

HEETSPOOR. Ook niet; dit is een vrouwengebrek.

LADY PERCY. Nu, God help' u!

HEETSPOOR. In het bed der Welsche Lady?

LADY PERCY. Wat zegt gij?

HEETSPOOR. Stil! zij zingt.

(Lady Mortimer zingt een Welsch lied.)

Kom, Kaatje, nu moet gij eens voor mij zingen.

LADY PERCY. Ik niet, in vollen ernst niet.

HEETSPOOR. "Ik niet, in vollen ernst niet!" Mijn hartje, gij zweert

als een banketbakkersvrouw: "Gij niet, in vollen ernst niet!" en

"Zoo waar ik leef!" en "Zoo waar mij God helpe!" en "Zoo waar de

lieve zon schijnt!"

En geeft zoo taffen eedwaarborg, als waart gij

Nooit verder weg geweest dan Finsbury.

Zweer als een edelvrouw, zooals gij zijt,

Een vollen eed, die klinkt,--en laat "In ernst"

En zulke peperkoekbetuigingen

Aan fulpgalons en zondagsburgers over.

Kom, zing!

LADY PERCY. Ik wil niet zingen.

HEETSPOOR. 't Is de naaste weg naar het snijderworden of roodborstjes

africhten.--Als de stukken klaar zijn, wil ik binnen twee uren weg;

kom dus binnen, als ge wilt.

(Heetspoor af.)

GLENDOWER. Kom, kom, lord Mortimer, gij gaat zoo traag,

Als deze heethoofd Percy vurig ijlt.

De stukken zijn nu wis gereed; wij zeeg'len

En dan terstond te paard!

MORTIMER. Van ganscher harte.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 22 / 79 题