Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.
Prins Hendrik en Falstaff komen op.
FALSTAFF. Wel, Hein, wat tijd van den dag is het, jongen?
PRINS HENDRIK. Gij zijt zoo vet van brein geworden van het
oude-sekdrinken, het kamizool-losknoopen na het avondeten, en het
slapen op banken na den middag, dat gij verleerd hebt, werkelijk te
vragen naar wat gij werkelijk weten wilt. Wat duivel hebt gij met
den tijd van den dag te maken? Als niet uren glazen sek zijn' en
minuten kapuinen, en klokken koppelaarsterstongen, en wijzerplaten
uithangschilden voor liederlijke huizen, en de lieve zon zelve een
mooie, hitsige deerne in vuurkleurige zijde, zie ik geen reden,
waarom gij zoo buitensporig zoudt zijn van naar den tijd van den dag
te vragen.
FALSTAFF. Ja, waarlijk, Hein, daar hebt gij mij een teêr punt
aangeroerd; want wij, die beurzen snijden, wij gaan uit bij de maan
en het zevengesternte, en niet bij Phoebus, "den dolenden ridder
fijn". En, ik bid u, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt,--wat
God uwe genade,--majesteit wilde ik zeggen, want op genade hebt gij
niet te hopen,--
PRINS HENDRIK. Wat! in het geheel niet?
FALSTAFF. Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde.
PRINS HENDRIK. Nu, wat verder? ga voort, vrijuit, vrijuit!
FALSTAFF. Nu dan, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt, laat
dan niet toe, dat men ons, die schildknapen zijn van de nacht,
ooit dagdieven noemt; laat ons heeten: Diana's houtvesters, ridders
van de schemering, lievelingen van de maan; en laat men zeggen, dat
wij mannen zijn van een besten levenswandel, want wij regelen ons,
evenals de zee, naar onze edele en kuische meesteres, de maan, en
het is onder haar mantel, dat wij stelen.
PRINS HENDRIK. Zeer goed gezegd, en zeer juist bovendien; want het
geluk van ons, die dienaars zijn der maan, heeft zijn eb en vloed
als de zee, en wordt, evenals de zee, door de maan bestuurd. Bij
voorbeeld aldus: een goudbeurs wordt Maandagnacht zeer vastberaden
gekaapt, en Dinsdagmorgen zeer onberaden doorgebracht; veroverd met
een vloek: "draai bij, afgeven!" en verdaan met het geschreeuw: "kom
hier, aannemen!" nu eens, ebbe zoo laag als de voet van de ladder,
dan weer, vloed, zoo hoog als het dwarshout van de galg.
FALSTAFF. Bij God, gij hebt gelijk, jongen. En is mijn waardin van
het wijnhuis niet een allerzoetst bekje?
PRINS HENDRIK. Als de honing van Hybla, mijn oude schermersbaas. En
is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleêren wambuis?
FALSTAFF. Hoe zoo, hoe zoo, dolle guit? hebt gij alweer uw invallen
en uitvallen? wat voor den duivel heb ik met boeiende mannen te doen?
PRINS HENDRIK. En wat weêrgâ heb ik met de waardin van het wijnhuis
te doen?
FALSTAFF. Nu, gij hebt toch aardig dikwijls met haar afgerekend.
PRINS HENDRIK. Heb ik er u ooit bijgeroepen, om uw deel te betalen?
FALSTAFF. Neen, dat moet ik u tot uw eer nageven, gij hebt altijd
alles betaald.
PRINS HENDRIK. Ja hier, en elders ook, zoover mijn geld reikte;
en waar dit niet toereikte, heb ik mijn krediet gebruikt.
FALSTAFF. Ja, en opgebruikt ook, zoodat, als gij niet de vermoedelijke
troonopvolger waart, vermoedelijk,--maar ik bid u, zeg mij, mijn
lieve guit, zullen er in Engeland nog galgen overeind blijven staan,
als gij koning zijt, en zullen zij, die wat durven, evenals nu,
beetgenomen worden met den roestigen breidel van den ouden zotskap,
de wet? Neen, hang geen dief meer op, als gij koning zijt.
PRINS HENDRIK. Neen, gij zult het doen.
FALSTAFF. Ik? o voortreffelijk! Bij God, ik zal een kostelijk
rechter zijn.
PRINS HENDRIK. Er is rechten en rechten, en uw oordeel is nu al
verkeerd; ik bedoel, dat gij de dieven zult hangen, en dus een man
van gewicht, een scherprechter zult worden.
FALSTAFF. Mooi, Hein, mooi; ik zeg u, het is al evenveel naar mijn
smaak, als aan het hof te verschijnen.
PRINS HENDRIK. Als mijn getrouw aanhanger?
FALSTAFF. Dat zou wel zoo wezen, want de scherprechter heeft,
helaas! maar al te veel aan te hangen. Verduiveld, ik ben zoo
melancholiek als een oude kater of een geneusringde beer.
PRINS HENDRIK. Of als een oude leeuw of een minnaarsluit.
FALSTAFF. Of als een baspijp van een Lincolner doedelzak.
PRINS HENDRIK. Zoudt gij niet zeggen, als een naargeestige haas,
of een stilstaande stadsgracht?
FALSTAFF. Gij hebt de onsmakelijkste vergelijkingen ter wereld, en
zijt inderdaad de vergelijkendste, spitsboefachtigste,--aardigste
jonge prins.--Maar ik bid u, Hein, val mij niet meer met ijdelheden
lastig. Ik wenschte van God, dat gij en ik eene gelegenheid wisten,
om een voorraad goeden naam te koopen. Een oude lord van den geheimen
raad haalde mij onlangs op de openbare straat om uwentwille door,
man; maar ik lette niet op hem, en toch, hij sprak zeer wijs, maar ik
sloeg geen acht op hem; en toch sprak hij wijs, en bovendien op straat.
PRINS HENDRIK. Gij deedt wel; want de wijsheid verheft hare stem op
de straten, en niemand slaat acht op haar.
FALSTAFF. O! gij hebt vloekwaardige aanhalingen en zoudt waarlijk
in staat zijn, een' heilige te verleiden. Gij hebt veel schuld over
mij gebracht, Hein;--God moge het u vergeven. Vóor ik u kende, Hein,
wist ik van niets, en nu ben ik, als ik naar waarheid moet getuigen,
weinig beter dan een van de goddeloozen. Ik moet van dit leven afstand
doen, en ik wil er afstand van doen. Bij God, als ik het niet doe,
ben ik een schurk; ik wil niet ter helle varen, voor geen enkelen
koningszoon in de christenheid.
PRINS HENDRIK. Waar willen wij morgen een geldbuidel rooven, Hans?
FALSTAFF. Alle weêrgâ, waar gij wilt, jongen; ik ben er bij. Als ik
het niet doe, noem mij dan een schurk en een lafaard en wat ge wilt.
PRINS HENDRIK. Ik zie daar een fraaie bekeering in u, van bidden
tot beurzensnijden.
(Poins verschijnt op den achtergrond.)
FALSTAFF. Wel, Hein, 't is mijn beroep, Hein; en in zijn beroep
werkzaam zijn is geen zonde.--Poins!--Nu zullen wij hooren, of Gadshill
wat op touw heeft gezet.--O, als de menschen door verdiensten zalig
worden, welk gat in de hel zou dan heet genoeg zijn voor hem? Hij
is de meest doortrapte spitsboef, die ooit een eerlijken drommel
"sta!" heeft toegeroepen.
PRINS HENDRIK. Goeden morgen, Edu.
POINS. Goeden morgen, beste Heintje!--Wat zegt Sinjeur
Gewetensknaging? Wat zegt Sir John Sek-met-suiker? Hans, hoe staat het
met den duivel en u, omtrent uw ziel, die gij hem den laatsten Goeden
Vrijdag voor een roemer Madera en een koud kapoeneboutje verkocht hebt?
PRINS HENDRIK. Sir John houdt zijn woord; den duivel zal zijn recht
geworden, want hij heeft nog nooit een spreekwoord gebroken; hij
geeft zelfs den duivel het zijne.
POINS. Dan zijt gij vervloekt, omdat gij den duivel uw woord houdt.
PRINS HENDRIK. Anders was hij vervloekt geweest, omdat hij den duivel
bedrogen had.
POINS. Maar jongens, jongens, morgen ochtend vroeg tegen vier uren,
naar Gadshill! Er gaan pelgrims naar Canterbury met rijke offergaven,
en er rijden kooplieden naar Londen met goedgespekte buidels; ik heb
maskers voor u allen, paarden voor u hebt gijzelf. Gadshill blijft van
nacht te Rochester; ik heb voor morgen avond eten besteld in Eastcheap;
wij kunnen het even veilig doen als slapen. Wilt gij meegaan, dan
stop ik u de zakken vol kronen; wilt gij niet, zoo blijf thuis en
laat u hangen.
FALSTAFF. Hoor eens, Eduardus; als ik thuis blijf en niet ga, dan
hang ik u voor het meêgaan.
POINS. Zoo, vleeschklomp?
FALSTAFF. Hein, doet gij mede?
PRINS HENDRIK. Wie? Ik stelen? Ik een dief? Neen, waarachtig niet.
FALSTAFF. Er is in u geen eerlijkheid, geen manhaftigheid, noch
goede kameraadschap, en gij zijt ook niet van koninklijken bloede,
als gij het hart niet hebt, een paar kronen in den zak te steken.
PRINS HENDRIK. Nu goed, ik wil eens in mijn leven een dollemansstreek
begaan.
FALSTAFF. Zie, dat is verstandig gesproken.
PRINS HENDRIK. Neen, er gebeure wat er wil, ik blijf thuis.
FALSTAFF. Bij God, dan pleeg ik hoogverraad aan u, als gij koning zijt.
PRINS HENDRIK. Ga uw gang.
POINS. Sir John, ik bid u, laat den prins en mij alleen; ik zal hem
zulke gronden voor deze onderneming geven, dat hij meêgaan moet.
FALSTAFF. Nu, God geve u den geest der overreding en hem de ooren
der leergierigheid, opdat, wat gij spreekt, moge treffen en, wat
hij hoort, geloof vinden, zoodat de echte prins, voor tijdverdrijf,
een valsche dief wordt, want de arme misbruiken der wereld behoeven
bescherming! Vaarwel; gij vindt mij in Eastcheap.
PRINS HENDRIK. Vaarwel, herfstlente! vaarwel, allerheiligenzomer!
(Falstaff af.)
POINS. Hoor, mijn beste suikerprins, rijd morgen met ons mede; ik heb
een grap voor, die ik niet alleen ten uitvoer kan leggen. Falstaff,
Bardolf, Peto en Gadshill moeten die lieden berooven, waar de strik
reeds voor gespannen is; gij en ik zullen er niet bij zijn; en, hebben
zij den buit, mijn kop af, als wij tweeën hun dien niet afzetten!
PRINS HENDRIK. Maar hoe komen wij bij het rijden van hen af?
POINS. Nu, wij rijden voor of na hen af en wijzen hun een plaats van
bijeenkomst aan, waar wij desverkiezende van daan blijven. Dan zullen
zij het schelmstuk zonder ons wagen, en nauwelijks zijn zij er mee
klaar, of wij overvallen hen.
PRINS HENDRIK. Goed, maar waarschijnlijk kennen zij ons aan onze
paarden, aan onze kleederen, aan honderd andere dingen meer, dat wij
het zijn.
POINS. O, onze paarden zullen zij in het geheel niet zien, die bind
ik in het bosch vast; wij doen andere maskers voor, zoodra wij hen
verlaten hebben, en dan heb ik hanssoppen van stijf linnen bij de hand,
om onze kenbare kleeding geheel te vermommen.
PRINS HENDRIK. Goed, maar ik vrees, dat zij ons te sterk zullen wezen.
POINS. 't Mocht wat; twee van hen ken ik als zoo volbloed-lafaards, als
er ooit de hielen gelicht hebben; en de derde,--als hij langer vecht
dan hij raadzaam acht, wil ik nooit meer een zwaard ter hand nemen. Het
vermakelijkste van de grap zullen de ontzettende leugens wezen,
die deze vette schelm ons op zal disschen, als wij bij het avondeten
elkaâr ontmoeten; hoe hij met ten minste dertig man gevochten heeft,
wat parades, wat stooten, wat levensgevaren hij heeft doorgestaan;
en hem dan in eens te logenstraffen is de grap.
PRINS HENDRIK. Nu, ik ga mede; breng al het noodige voor ons in orde;
en kom morgen avond bij mij in Eastcheap; daar wil ik dien avond
eten. Vaarwel.
POINS. Vaarwel, prins.
(Poins af.)
PRINS HENDRIK. Ik ken u allen en ik steun een poos
Den teugelloozen moedwil van uw nietsdoen,
Ik volg hierin het voorbeeld van de zon,
Die aan oneed'le, kwade wolken toelaat,
Haar schoonheid voor de wereld te verduist'ren,
Opdat men na 't gemis haar meer bewonder',
Wanneer het haar behaagt zichzelf te zijn,
En zij door al de booze neev'len breekt
Van dampen, die haar dreigen te verstikken.
Ware ieder dag van 't jaar een feest- en speeldag,
Langwijlig wierd het spelen, als het werken;
Doch 't zelden komen maakt een feest gewenscht,
En niets behaagt, dan wat zeer enkel komt.
Zoo, als ik dezen lossen wandel afzweer,
De schuld betaal, waarvan ik niets beloofde,
Beschaam ik eens, wat elk verwacht, te meer,
Naarmate ik beter dan mijn woorden blijk;
En als een blank metaal op donkren grond,
Zal mijn bekeering, op mijn feilen blinkend,
Veel schooner stralen, meer elks oogen trekken,
Dan wat door de' achtergrond niet wordt verhoogd.
Mijn zondig doen zij eens als kunst geacht;
Den tijd herwin ik, als dit niemand wacht.
(Prins Hendrik af.)