"Moesje, waar is zus?" roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt
en zijne roode lippen op haar wangen drukt.
"Dag vent, zus is buiten in den tuin," antwoordt moeder, terwijl
zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg
is hij--de tuindeur door--de plaats over, zoo gauw zijn dikke
beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de
gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in
rond. Lijsje ligt in een hoek,--haar wangen zijn afgeschrabd, een neus
heeft ze al lang niet meer--het paardje van Tony, dat twee wieltjes
mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar
liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift,
zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen
de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op,
zij staat! "Boer! Boer!" De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en
plof--daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en
de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het
hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. "Snoezebol,
dag lekkere schat," en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel
voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje.
"Da! da!" ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen
wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit.
"Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook
trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook
vliegen? Daar ga je!" en hij tilt zus omhoog.
"Voorzichtig, Tony," roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen
keek. "Je zoudt haar laten vallen," en ze vangt zus in hare armen op.
"Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is
paatje al thuis?"
"Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.--Nu
speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken;
maar niet meer optillen, hoor," en moeder zet zus weer in de box.
"Da! da!" roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da!
Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar
lief, klein molletje van vijftien maanden. "Hoe heerlijk," denkt ze,
"dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op
zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet."
Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras
zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. "Hoea!" roept ze in eens
en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box.
"Moes! Moes! kijk u eens!" roept Tony verrukt. "Emy staat alleen!"
Bij de keukendeur kijkt moeder om. "Ja, ja, moeder ziet het; val
maar niet, zus," roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar
lachend op en kust haar.
"Nee, nee," roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet
van kussen. "Hoea!" weer staat ze. Dat is een aardig spelletje.
"Kom dan," zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken
zitten met uitgestrekte armen. "Kom bij broer." Zus waggelt en valt,
maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes.
"Hier, pak vast," zegt hij dan en geeft haar een takje als
ballanceerstok in haar handjes. "Goed vasthouden." De dikke knuistjes
grijpen het takje stevig vast. "Ja, ja," knikt ze.
"Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze," en het gaat heusch. Twee, drie,
vier stapjes--wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret.
Vader is thuis gekomen en roept lachend: "Hallo!" terwijl hij den
tuin in komt. Het kraaiende tweetal kijkt op en Tony roept vader toe:
"Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!" Maar nu wil ze niet, ze gaat op
den grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt
en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het
uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept
vroolijk: "Kom jelui?" Tony slingert zich om vaders been en zingend
gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht
en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen
met Tony of vader.