Eenige jaren geleden bevatte het duitsche orgaan van de anarchisten,
De Socialist, nopens de opvatting van den maatschappelijken strijd
bij de anarchisten een karakteristieke bekentenis. Het schreef naar
aanleiding van een bespreking van het begrip van den klassenstrijd dit:
[65]
"Gelijk eenmaal de joden geloofden het uitverkoren volk te zijn,
heeft men ons geleerd aan een uitverkorenen klasse te gelooven, aan
het proletariaat, dat de eenig-geroepene drager van de gedachte
der vrijheid zou zijn.... Dit is valsch. Aan de ontwikkeling
van socialistische denkbeelden hebben mannen uit alle standen
meêgewerkt...
"Onze beweging is méér dan een bloote arbeidersbeweging. Dus, weg
met het slagwoord: "klassenstrijd!" Niet met klassen hebben wij te
doen, maar met de menschen. En dezen willen wij als individuen niet
tegen elkander ophitsen of ze terroriseeren, maar ontwikkelen."
Deze taktiek ligt dan ook geheel in de lijn van het anarchisme. Waartoe
zou de klassenstrijd het anarchisme ook dienen? Immers die strijd
eischt, stelt op den voorgrond, twee hoofdbegrippen: 1e. dat er is
maatschappelijke ontwikkeling naar een hoogeren produktievorm, die
door het energiek strijden van den klassenstrijd bespoedigd wordt;
2e. dat er een sociale faktor is, die genoegzaam één geheel is,
om dien strijd zelf te voeren.
Het anarchisme evenwel kàn aan geen van deze beide voorwaarden voldoen,
zijn meening omtrent de maatschappelijke ontwikkeling kijkt naar
achteren en zijn verwerping eener gedisciplineerde arbeidersbeweging
is bekend.
Er schiet dus niets anders over, dan dien klassenstrijd openlijk te
ontkennen; of bedektelijk er maar van te zwijgen, gelijk Kropotkine
doet; of ook de arbeidersklasse zooveel mogelijk te hinderen in
het strijden van dien strijd en zich aan de zijde van de reaktie te
scharen, gelijk ook wel onder anarchisten geschiedt.
Ten opzichte van het wezenlijk nut van sociale hervormingen en hunne
uitwerking heerschen onder de "theoretische" anarchisten inderdaad nog
begrippen zóó primitief liberaal en zoo klein-burgerlijk bekrompen,
dat men zich afvraagt of deze diepzinnige theoretici hun leven soms
verslapen hebben.
De minachtende toon waarmede Jean Grave over de werking van den
achturigen arbeidsdag spreekt is minder op rekening van de bij
anarchisten zoo in overvloed aanwezige pedante betweterij te stellen,
dan wel op grove onkunde. Wij doen enkele grepen uit zijn kritiek:
"Maar de ongemakkelijkheden van gezegde verbetering bepalen zich
niet enkel tot hun gevolgloosheid, er zijn er nog andere, van
ernstiger aard: vooreerst, dat de verkorting van den arbeidsdag
tot gevolg heeft de vervolmaking van het mechanisch bedrijf en
het vervangen van den werkman van vleesch door dien van ijzer;
hetgeen in een wel-ingerichte samenleving een vooruitgang zou zijn,
maar in de huidige maatschappij een verscherping van misère voor
den arbeider.
"Meer nog, de arbeider, verplicht zijnde veel sneller te
produceeren, zal bijgevolg ook zijn bewegingen moeten versnellen,
meer de aandacht op zijn werk concentreeren; alle springveeren
van zijn wezen zullen zich zoodoende in een staat van voortdurende
spanning bevinden, veel schadelijker voor zijn gezondheid dan de
verlenging van den arbeid.
"De duur is minder lang, maar door de noodzakelijkheid meer
krachten in minder uren in te spannen, zal hij zich veel sneller
vermoeien." [66]
Men moet werkelijk communistisch anarchist zijn, om met zulke
spiksplinternieuwe economische wijsheden voor den dag te komen, waar
het de verkorting van den arbeidsdag in de industrie aangaat. Arbeiders
worden door machines vervangen; de arbeiders moeten zich meer inspannen
door de verbetering van het machinewezen; bijgevolg moet de arbeidsdag
maar lang blijven.
Wij zien dat Jean Grave zich voor deze economische slaapmutswijsheid
ook nog op Marx beroept en uit rapporten van fabrieksinspecteurs
in "Das Kapital" z.g.n. bewijzen voor zijne stellingen schept. De
geleerde Grave kent nopens de economische, zedelijke en hygiënische
beteekenis van de verkorting van den arbeidsdag Marx al evenmin als
de geleerde Kropotkine iets van de beteekenis van de "meerwaarde."
Marx, die den ganschen strijd om den normalen arbeidsdag schildert,
zegt ten slotte: "En toch heeft het princiep gezegevierd met een
overwinning in de groote industrietakken, die de schepping zelve van
de moderne produktiewijze zijn. Hare wondervolle ontwikkeling van
1853-1860, hand in hand met een physieke en moreele wedergeboorte der
fabrieksarbeiders, trof zelfs het blindste oog." [67] Dat klinkt wel
eenigszins anders.
Grave zegt:
"Wij anarchisten, die veeleischender (!) zijn, wij zijn van
oordeel dat het tijdverspillen is hervormingen na te jagen die niet
hervormen.... Wij zoeken den arbeiders duidelijk te maken, dat wij
niets hebben te winnen met deze vermaken en dat de maatschappij
niet te veranderen is, dan langs den weg van de verstoring der
instellingen die haar regeeren." [68]
Opmerkelijk is naast dat manchester-liberalisme, dat ter wille
van de "sociale harmonie" en den "individu" alles wil laten zooals
het is, ook de karikatuur die de anarchistische communisten van de
sociaal-demokratische begrippen leveren. Men weet dat deze theoretici
allen Marx-verbeteraars zijn. Zoo bijv. de communistische anarchist
Cornelissen, die ten opzichte van de waarde van sociale hervormingen
de volgende meening is toegedaan:
"Ziehier: wij zijn overtuigd dat het proletariaat geen duurzame
verbetering kan verwachten op den grondslag van de bestaande
maatschappij en dat wanneer er aan de eene zijde verbetering plaats
heeft, daarbij voortdurend aan den anderen kant verslechtering van
den maatschappelijken toestand zal vallen te constateeren." [69]
Dit is een dubbel overgehaalde fataliteitsleer (noodlotsleer), die
in de plaats van de socialistische verarmingstheorie moet komen. De
heer Cornelissen is zeker wel de geschikte man om Marx te corrigeeren,
naar men ziet.
Inderdaad is nooit door een ernstig socialist beweerd dat iedere
verbetering van den toestand van den arbeider tegelijkertijd een
verslechtering met zich moet mede brengen, men zag het reeds uit het
bovenaangehaalde oordeel van Marx over den 10-urendag in Engeland. Door
dit anarchisme spookt nog altijd de waan dat de op de spits gedreven
ellende van de arbeidende klasse de éénige impuls tot "de" revolutie
moet wezen!
Bij Kropotkine lezen wij:
"Iedere economische phase dekt zich met zijn politieke phase en
het is onmogelijk den eigendom aan te tasten, zonder, terzelfder
tijd, een nieuwen vorm van het politieke leven te vinden." [70]
"De politieke en economische vorm eener maatschappij zijn twee van
elkander afhankelijke en elkander dekkende verschijningen." [71]
Dit is in 't algemeen genomen waar, een waarheid evenwel die niet van
ideologischen aard is, en dus ook geenszins van het anarchisme stamt,
maar aan de sociaal-demokratie ontleend is. Doch deze verklaring van
de maatschappij wordt door de anarchisten klein-burgerlijk-utopisch
misvormd, om er uit af te leiden dat politieke hervormingen niets
baten zoo lang de eigendomsvormen niet zijn veranderd. En dat is
weder een stuk oudbakken ideologie, die in de politiek niets anders
dan een afspiegeling ziet.
Politieke verhoudingen zijn de uitdrukkingen waaronder de
klassetegenstellingen zich aan ons openbaren, en den politieken strijd
strijden heet dus onder zeer concrete vormen klassenstrijd voeren. Dit
is niet naar den zin van de anarchisten, die liefst op den politieken
strijd afgeven, omdat hun het inzicht er in ontbreekt, maar die,
meenende dat het alleen vakvereenigingsstrijd beteekent, gaarne de
vakvereenigingen voor hunne utopisch-politieke doeleinden gebruiken.
Dat de politieke inrichtingen van de maatschappij zich
met de economische verhoudingen dekken, bewijst daarom nog
niet dat de politieke verhoudingen niet van invloed zijn op de
eigendomsverhoudingen. Iedere sociale hervorming van eenig ingrijpend
belang, iedere wet die in de verhoudingen van kapitaal en arbeid
wezenlijk ingrijpt, doet een verschuiving van de economische
verhoudingen in meerdere of mindere mate plaats vinden. En wat
nog meer zegt: iedere ingrijpende sociale hervorming versterkt de
arbeidersklasse, verandert dus, doordien het de macht en den invloed
van die klasse vermeerdert, de economische verhoudingen en oefent
invloed uit op den persoonlijken toestand van de arbeiders.
"Ik ben de eerste om te verklaren," heeft eenmaal Ferdinand Lassalle
terecht gezegd, "dat iedere sociale verbetering niet eens de moeite
waard zou zijn, als ook na dezelve--wat gelukkig objektief geheel
onmogelijk is--de arbeiders persoonlijk dat bleven, wat zij in groote
massa heden zijn!" [72]
Gelukkig ook berust de gansche anarchistische theorie enkel maar op
een verknoeiing van de werkelijkheid. Friedriek Engels heeft eenmaal
nog eens zeer duidelijk de verhouding, waarin de staatsmacht tot
de economische ontwikkeling staat, op het laatst van zijn leven in
eenige brieven uiteengezet, die naderhand gepubliceerd zijn. Daaruit
ziet men klaar hoe het eigenlijk met de wisselwerking van politieke
en economische verhoudingen gesteld is. Hij zegt o.m.:
"De terugwerking van de staatsmacht op de economische ontwikkeling
kan van drieërlei aard zijn: zij kan in dezelfde richting gaan, dan
gaat de ontwikkeling sneller; zij kan daar tegen ingaan, dan gaat zij
(de staatsmacht) in onzen tijd, in ieder groot volk kapot; of, zij
kan de economische ontwikkeling naar bepaalde richtingen afsnijden
en andere voorschrijven; dit geval is ten slotte terug te brengen
tot een der beide voorgaande. Het is echter duidelijk, dat in de
gevallen 2 en 3 de politieke macht aan de economische ontwikkeling
groote schade kan toebrengen en krachts- en stofverspilling bij massa
teweeg kan brengen." [73]
Hiermede is de terugwerkende kracht van de politieke instellingen
op de economische verhoudingen voldoende verklaard en zinkt de
anarchistische theorie ook in dat opzicht terug tot het rijk van
de zoovele duisternissen die het anarchisme over de klasse-bewuste,
strijdende arbeidersbeweging heeft pogen te verspreiden.