DE ANARCHISTISCHE KARIKATUUR.

Gelijk wij zagen konden de engelsche arbeiders, georganiseerd als zij

waren in groote, dikwijls zeer machtige vakvereenigingen, den bijstand

van de politiek nooit geheel ontberen. De periode van 1875/1885 was

wel typisch voor de gevolgen waartoe men komt, als men een gansche

beweging verburgerlijkt en poogt te doen opgaan in conservatieve

verstarring; maar zij was een abnormaliteit. Het is altijd het

pech onzer anarchistische tactici, het abnormale voor het normale te

houden. De engelsche vakbeweging heeft in hare bewogen tijden, ondanks

het burgerlijk karakter waarmede hare leiders in vroeger tijd haar

zoozeer besmet hebben, veel méér begrip voor de klasse-eischen van

het proletariaat aan den dag gelegd, dan anarchistische onwetendheid

vermoedt of zegt te weten. Wij zagen reeds, dat bij haar het systeem

van pressie-politiek was uitgewerkt. En al was deze methode van

politiek drijven een slechte in den grond, zij leverde tenminste het

bewijs, dat de engelsche arbeiders, gegeven de eigenaardige politieke

verhoudingen van de beide groote, machtige, elkander dikwijls aan de

regeering afwisselende politieke partijen der bourgeoisie, geenszins

van politiek afkeerig waren. Evenmin als zij ooit afkeerig waren van

het te baat nemen der wetgeving in het belang van hunne economische

verhouding tegenover het veel sterkere kapitalisme.

Direkt en indirekt hebben zij zich, wellicht op een enkele korte

periode na, steeds bezig gehouden met de politieke aktie, en de

politiek van het uitoefenen van pressie op de politieke partijen en de

overheid, ten einde de hervormingspolitiek in een voor hun belangen

voordeelige richting te leiden, was daarbij de eenig drijvende

kracht. Men kan deze politiek een ware belangenpolitiek noemen, die

zelfzuchtig uit het oog verliest dat de geheele klasse er nimmer door

gebaat kan worden en enkel maar een bepaald gedeelte, maar men vergete

dan toch niet, dat zij ganschelijk voortvloeide uit de z.g.n. theorie

van het "self-help", die door de burgerlijke staathuishoudkunde den

arbeiders als het non plus ultra van arbeidersbemoeiing aanbevolen

werd.

Pressie-politiek te drijven evenwel is ook slechts mogelijk onder een

voorwaarde, zonder welke zij onbestaanbaar is, namelijk het hebben van

macht. Een arbeidersklasse die grootendeels van de uitoefening van het

kiesrecht buitengesloten is, kan ook geen duurzame pressie-politiek

voeren, omdat geen enkele politieke partij rekening houdt met elementen

die geen politieken invloed hebben. Politiek is de uitdrukking van

concrete, werkelijk bestaande verhoudingen in de maatschappij, en

een groep belanghebbenden die daarin gekend wenscht te worden, heeft

allereerst er voor te zorgen in die verhoudingen te kunnen ingrijpen.

Vandaar dat de engelsche arbeiders dan ook steeds geijverd hebben

voor het bekomen van die machtsmiddelen welke hun de uitoefening

hunner pressie-taktiek mogelijk zouden maken. Dit werpt al aanstonds

het geloof omver, dat de anarchistische anti-politiekers zoo gaarne

wenschen te verbreiden, als zouden de engelsche arbeiders hunne

doeleinden hebben bereikt "buiten den staat om" of buiten de politieke

aktie om. De engelsche arbeidersklasse is integendeel een politieke

machtsfactor van voorname grootte. Alleen heeft hare staartpolitiek

er toe geleid, dat nog pas onlangs, in een groote meeting van de

gaswerkers-union, een conservatief politicus als Sir John Gorst de

arbeiders er nadrukkelijk op heeft moeten wijzen, dat slechts een

zelfstandige arbeidersvertegenwoordiging in het Parlement het succes

kan hebben dat tot nog toe was uitgebleven.

Want dit is wel de beste illustratie van het feit dat een

arbeidersklasse, die politiek zich niet zelfstandig kan of wil maken,

ten slotte, ondanks alles, als het eenmaal spannen gaat tusschen

de partijen, op sleeptouw genomen wordt, dat nòch de achturendag,

waarnaar de engelsche arbeiders reeds een menschenleeftijd verlangen,

nòch de in de laatste jaren zoo urgent geworden kwestie van de

al-of-niet-aansprakelijkheid der vakvereenigingen, in casu van hunne

kassen, bij proclamatie eener werkstaking, zonder dat daarvan zekeren

tijd te voren den patroons kennis is gegeven, tot een voor de arbeiders

gewenscht resultaat hebben kunnen komen.

Doch hoe dit ook moge zijn, een feit blijft het, dat het politieke

verstand den engelschen arbeider nimmer in die mate begeven heeft,

als de anarchistische propaganda voor de onverschilligheid ten

opzichte van de politieke aktie het zelf schijnt te gelooven. En

dat is het nu juist wat de gansche anarchistische taktiek van dat

de vakvereenigingen zich buiten de politiek moeten houden, maar

druk moeten uitoefenen op het parlement of de politieke partijen,

tot een karikatuur maakt. Zij willen misschien het doel wel, maar

zij minachten de middelen die naar het doel leiden.

Van anarchistischen kant wordt er vaak mede geschermd, dat de arbeiders

in de vakvereenigingen op hun eigen terrein zijn en dat zij aldaar

hun zaken "zelf doen," onafhankelijk dus van welke andere aktie ook,

onafhankelijk ook van de parlementaire aktie.

Dat de vakbeweging inderdaad als georganiseerde beweging, die nooit

de gansche klasse maar wel belangrijke deelen daarvan kan omvatten,

het terrein is waar de arbeiders kunnen leeren hun eigen zaken en

belangen te behartigen, spreekt evenzoo van zelf, als het tegen

de anarchistische opvatting van de vakbeweging, gelijk zij in den

regel gehuldigd wordt, pleit. Zeker kan niemand ontkennen dat waar het

onmiddellijke belang ter sprake komt, de kwesties van loon, arbeidsduur

etc., de arbeiders zelven de meest geroepenen zijn om te kunnen be-

en veroordeelen.

Maar wie daaruit nu verder met de anarchistische

zelfstandigheidsfanatici zou willen opmaken, dat juist de

vakvereenigingsactie niet die kwaliteiten vereischt om te gedijen,

als welke andere massale en duurzame aktie van het proletariaat

ook, dat daar discipline en een bekwame leiding geen hoofdfaktoren

zouden wezen voor een oogenblikkelijk en blijvend succes, die wordt

schromelijk op een dwaalspoor geleid.

Het is een zotte verminking van het begrip, dat de arbeiders hunnen

strijd tegen het kapitalisme en hunne ontvoogding van het juk der

loonslavernij zelven moeten bewerken, wanneer men dat zoo uitlegt dat

dit moet gebeuren langs den weg van een aantal sekten en sektetjes

van arbeiders, die, geïsoleerd werkend in aparte vakjes, van geen

andere inmenging dan die van eigen vakgenooten iets zouden mogen

willen weten. Dat is de slaapmutsen-traditie van de aloude gilden,

gekleed in het harlekijnspak van den pseudo-revolutionair, die alleen

"den werkman met de vereelte vuist" toegang wil verleenen tot het

terrein van de arbeidersbeweging. In het algemeen is het juist de

karaktertrek van de moderne arbeidersbeweging die haar zelfs van de

engelsche vakbeweging onderscheidt, dat zij de arbeidersklasse leert

hoe zij haar zaken zelf heeft te doen. En enkel de sociaal-demokratie

heeft de arbeiders in staat gesteld een eigen principe, geheel

afgescheiden van de burgerlijke wetenschap, een eigen theorie, eigen

inzichten, een eigen maatschappelijk standpunt en een eigen politiek

te hebben. Zooals zij den arbeiders de metaphysieke vereering van

de wetenschap, als wetenschap, heeft pogen af te leeren, zoo heeft

zij hen ook pogen te leeren breken met de phrase dat de arbeid in het

bizonder, d.w.z. de zuivere, ruwe handenarbeid een heilige is. Hoofd-

en handenarbeid te vereenigen en te doen samengaan, dat juist heeft

de sociaal-demokratie de arbeidersklasse geleerd.

Zoodra de vakorganisatie evenwel iets meer wil zijn dan een sekte van

tot machteloosheid gedoemden, moet zij reeds beginnen met het zelf-doen

in den betrekkelijken zin van het woord op te vatten. De ontwikkeling

van de kapitalistische produktiewijze maakt haar dat werk allesbehalve

gemakkelijk. De bedrijven worden hoe langer hoe samengestelder en,

hoezeer de concentratie in de nijverheid voortschrijdt--wat nota bene

door de anarchistische theoretici bovendien wordt ontkend--zoo snel

gaat deze werkelijk niet dat de verspreiding van het bedrijf over het

land bijv. niet reeds moeielijkheden van bizonderen aard oplevert voor

de organisatie en de totstandkoming van de eischen die de organisatie

bloot op vakgebied durft stellen.

Het is recht gemakkelijk voor den buitenstaander, die ten opzichte van

werkelijk beteekenende vakorganisatie nimmer de handen uitgestoken

heeft, om den arbeiders den raad van het "zelfdoen" te geven, in

dien zin opgevat, dat van nu af niets meer aan "anderen" overgelaten

mag worden. De zoogenaamde "action directe", die tegenwoordig in

het anarchistisch-getinte deel van de fransche vakbeweging nog al

eenigen opgang schijnt te maken, is niets dan een individualistische

reaktie, waarin dan niet meer een persoon de baas zal spelen over

zijn medearbeiders, maar een klein groepje een bepaald terrorisme

zich aanmatigt, iets dat natuurlijk nog veel erger is. [19] Op een

andere plaats zullen wij enkele meer concrete staaltjes geven van

deze anarchistische groepstyrannie.

Er is onlangs zelfs een nieuwe strooming opgekomen onder een groep

van duitsche arbeiders, die nog verder gaan en de vakorganisatie

beschouwen als het terrein voor:

"de intellectueele en moreele ontwikkeling van den individu;

"de onafhankelijke organisatie van de consumptie en zoo mogelijk

van de produktie;

"de aktie van de massa met de volle verantwoordelijkheid op ieder

individu--werkstakingen, meifeest, boycott." [20]

Alle deze overschattingen van het wezen der vakvereeniging en hare

aktie, van de grenzen die door de kapitalistische produktiewijze zelve

daaraan worden gesteld, moeten tot de anarchistische karikatuur

leiden, omdat deze, in theorie althans, een algemeenen strijd

wil voeren tegen het kapitalistisch stelsel en tegen den staat,

op een terrein dat daarvoor veel te klein is en dat, nog sterker,

juist aan deze eigenaardige beperktheid zijn waarde ontleent. Immers

niet de algemeenheid van het klassebelang der arbeiders, maar hare

bizonderheid, het uiteenvallen in groepen en lagen is het, die het

juist mogelijk maakt telkenmale, apart, een stukje te veroveren

van het terrein der onmiddellijke kapitalistische uitbuiting. Dat

afgebakend-zijn van de grenzen, deze zorgvuldige afzondering door

de organisatie der bedrijven in het leven geroepen, verkleint in de

vak-aktie het arbeidsveld en maakt het overzichtelijk; de arbeiders

leeren daardoor eerst de groote belangen zien door het verkleinglas

van de onmiddellijk voor de hand liggende kleine belangen.

Het is dan ook opmerkelijk dat waar de vakbeweging in handen van

anarchisten is, dezen terstond hare aktie pogen te veralgemeenen,

door er allerhande dingen bij te sleepen, die uitsluitend op het

terrein van de algemeene, de zuiver-politieke arbeidersbeweging

thuis behooren. Bijvoorbeeld: de aktie tegen het militairisme en die

vóór de algemeene werkstaking. Het maakt door deze beide middelen de

vakbeweging tot de karikatuur eener algemeene arbeidersbeweging met een

zuiver-politieke basis, die 1e ten doel heeft op een der funkties van

het kapitalistisch staatswezen, het moderne leger en zijn middelen,

invloed uit te oefenen en 2e in nog meer uitgebreiden zin de idee

in zich bevat, dat de arbeiders door een avontuurlijke poging de

staatsmacht voor zich moeten zien te veroveren.

In beide gevallen dus: politieke aktie,--ziedaar waartoe de verwringing

van de taak en het doel van de moderne vakbeweging in anarchistische

handen, gesteld dat zij eenig succes had en in deze handen duurzaam

bevestigd bleef, zou kunnen leiden.

"Den Teufel spürt das Völkchen nie,

Und wenn er sie beim Kragen hätte!" [21]

Zoo spotte Mephisto. De anarchist verbeeldt zich niet aan politiek

te doen als hij er tot over zijn ooren inzit! Dat is de ironie van

het noodlot, die de onmogelijkheid van de anarchistische taktiek in

de arbeidersbeweging haast bij iederen voetstap achterhaalt en haar

beter illustreert dan welke afgetrokken stelling ook.

De afkeer van den werkelijken kleinarbeid, gelijk die juist bij

de vakvereenigingsaktie absoluut onontbeerlijk is, de neiging tot

het sektaire, die beide zijn daarvan hoofdzakelijk de oorzaak. Het

anarchisme is een stemming; een gevolg van niet-kùnnen, dikwijls

niet-durven; van de slapheid die nog in zoovele arbeiderskringen

gevonden wordt en die het gevolg is van de achterlijkheid der

ontwikkeling in bedrijfs-technischen en groot-kapitalistischen zin;

van de traditie, die nog altoos in de hoofden van deze groepen

arbeiders rondspookt en als "een nachtmerrie uit het verleden" over

de handelingen in het tegenwoordige heerscht.

Daarom, of ook het anarchisme al vakvereenigingen zou willen--het

kan de middelen om ze in het leven te roepen en om ze practisch te

doen werken, krachtens den meest karakteristieken trek van zijn

wezen--weerzin tegen iederen praktischen arbeid--niet willen. De

afschuw voor de praktijk belet het overal verder te komen dan

het voeren van een ruwe kritiek op de toestanden, aansporing tot

organisatie wellicht, maar het vermogen om dien zeer kleinen, maar

hoogst noodzakelijken arbeid aan te vangen en te volbrengen, tot den

opbouw eener vakvereeniging vereischt, kan uit het anarchisme niet

worden geput.

De idee van het anarchisme laat zich dan ook in de vakvereeniging

allerminst verwezenlijken: geen plaats is er op het gansche terrein

onzer moderne arbeidersbeweging, waar juist zoo weinig utopisme, waar

zoo weinig ideologie te pas komt als in de vakvereenigingswereld. Daar

is de strijd van iederen dag te voeren; daar komt het sterkst

het standsegoïsme en het kleine eigenbelang van de verschillende

categorieën van arbeiders aan den dag; daar is de plaats van het loven

en bieden met de werkgevers; daar beperken zich denken en beweging

maar al te dikwerf tot de kwesties van een halve of heele cent per

uur loon meer en een half uur werkens per dag minder.

De anarchist die de vakvereeniging niet wil om haar eigen doel,

maar om een aanknoopingspunt te hebben met de massa, ter propageering

van zijn anarchistische ideeën, smaalt zoo vaak op die aktie, die hij

"armoedige aktie" noemt; dat pleit, kan men zeggen, des te meer voor de

feitelijke armoede van zijn anarchistische idee, die de menschen niet

begrijpt en niet begrijpen kan. Een stelsel dat de persoon aanziet voor

een abstraktie; dat de werkelijkheid als de verkeerdheid beschouwt;

dat niet in de ontwikkeling van de beweging, maar in een reaktie van

de maatschappij de toekomst ziet,--leent geen enkele zijner begrippen

voor den moeizamen arbeid in de vakvereenigingen, die van precies de

tegenovergestelde gedachten dient uit te gaan.

Een neiging tot détailleeren, tot in de allerkleinste

onderdeelen afdalen, is juist de eigenschap van een praktisch goed

vakvereenigingswezen; het scherpe gezicht op al het kleine, op de

miniemste kleinigheid in de dagelijksche verhouding tusschen arbeider

en ondernemer, tusschen arbeiders onderling, is voor den aktieven

vakvereenigingsman een eerste vereischte. Hoe kan daar een anarchist

voor deugen? Al de kracht zijner "idee" ontleent hij juist aan het

zeer algemeene, aan het vage, aan het vervloeiende; zijn "idee" kent

toch. geen grenzen; zij is onbegrensd. De anarchist wil noch partij,

noch verband, hoogstens komt hij tot een "vrije" groep, waarin hij

zelf de baas wil spelen over anderen, krachtens het recht zijner

"autonome persoonlijkheid."

Gaan wij even verder, dan zien wij dat zijn "idee", voor wat zij

nog aan tastbaars in zich bevat, ontleend is aan datgene wat juist

aan den organischen groei van de beweging in den weg staat, aan den

kapitalistischen, den op zijn privaat-eigendom rustenden, zelfzuchtigen

individu. Niet op den gemeenschapsmensch, maar op den bizonderen,

aparten, zelfzuchtigen mensch, die meent de spil te zijn waarom de

gansche samenleving draait.

Het anarchisme moge in theorie tot vakorganisatie geneigd zijn, in

zooverre altoos als het samenvalt met de onbewustheid van pas in

de beweging getrokken lagen van het proletariaat, wier gedachten

zich nog niet verder uitstrekken dan de grenzen van het bedrijf,

dikwerf zelfs maar een onderdeel van het bedrijf; het moge zich in die

kringen vertoonen, getooid met de veeren van een ruw-socialistische

kritiek op de arbeidsverhoudingen en zich op die manier aanpassen

aan de eischen van het oogenblik;--al te spoedig zal het zich,

als er werkelijk gehandeld moet worden, weder uit deze organisatie

terugtrekken--ten ware de personen van de anarchisten niet al van te

voren, door het zaaien hunner persoonlijke gevoelens van haat etc.,

de splijtzwam daarin geworpen hebben.

Het anarchisme moge vakvereenigingen in theorie willen, het wil de

organisatorische voorwaarden van het vakvereenigingswezen zeker

niet. Het wil noch een centraal bestuur, noch een demokratische

discipline, noch een gezaghebbende leiding. Het keert zich geheel

van de werkelijkheid af, door de voorkeur te geven aan allerlei wilde

en onoverlegde, z.g.n. spontane werkstakingen, die, gelijk van zelf

spreekt, met het wezen van een goede vakorganisatie geheel en al

in strijd zijn. Het kant zich tegen weerstandskassen, daar het de

solidariteit van het proletariaat als een onbegrensde hoegrootheid

opvat, als een zekere stilzwijgende "mutualiteit" van de arbeiders

onderling, zonder een enkelen anderen grond dan de fantastische

berekening van het-zal-wel-lukken.

Het anarchisme heeft dan ook wellicht nergens zoo velen van het

anarchisme bekeerd, als juist in de vakvereenigingsaktie. Doch ook

daarmede heeft het soms nog veel kwaads gebrouwen, door dan van sommige

zijner bekeerlingen geen strijders, maar een soort sceptische egoïsten

te maken, voor elk idealisme van nu af verstompt.

Ook waar het tot schipbreuk leidt is het anarchisme voor hen die

het eenmaal besmet heeft, niet zonder gevaar. Men overwint het

anarchisme in zichzelf, ook wanneer men bekeerd is van de voor de

arbeidersbeweging ten eenenmale verderfelijke stellingen die het

verkondigt, alleen door den praktischen arbeid der beweging in

haar geheel.

Het spreekt van zelf, dat hier niets omtrent de bezwaren die

aan het vakvereenigingswezen verbonden zijn, gezegd is. De

sociaal-demokratische beschouwing die ten grondslag ligt aan deze

gansche kritiek op het anarchisme in de beweging, brengt ook mede

de opvatting dat de vakvereenigingsaktie altoos maar een onderdeel

van het groote geheel der klassebewuste arbeidersbeweging van onzen

tijd uitmaakt.

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 29 / 50 题