De lokstem van het Zuiden.
Baree stond, stokstijf, alsof hij uit steen gehouwen was, toen Carvel
de tent weer uitkwam en eenige oogenblikken bleef Carvel zwijgend naast
hem staan en sloeg hem nauwlettend gade. Zou de hond antwoorden op de
stem van den troep? Hoorde hij er bij? Zou hij weggaan—nu? De wolven
kwamen nader. Zij trokken niet in kringen voort, zooals een kariboe
of hert dat gedaan zou hebben, maar recht vooruit—zij kwamen in een
rechte lijn op hun kamp af. De beteekenis van dit feit was voor Carvel
duidelijk genoeg. Dien heelen middag door hadden Baree's pooten een
reuk van bloed in zijn spoor nagelaten en de wolven hadden dit spoor
ontdekt in het diepst van het bosch, waar de sneeuw het niet bedekt had.
Carvel ontstelde niet. Meer dan eens had hij in die vijf jaren zwervens
tusschen de Noordpool en den Kop van het Land, dit spelletje met de
wolven te spelen gekregen. Eens had hij bijna verloren, maar dat was op
de vlakte geweest, in het Onvruchtbare Land. Vannacht had hij een vuur
en voor het geval hij geen hout genoeg had om het brandende te houden,
waren er nog altijd boomen, waarin hij klimmen kon. Zijn bezorgdheid
gold op het oogenblik voornamelijk: Baree. Als de hond wegliep, zou
hij weer alleen achterblijven. Daarom zeide hij, zijn stem zoo gewoon
mogelijk houdend:
„Je gaat toch niet weg, zeg, ouwe jongen?”
Baree gaf geen blijken, hem verstaan te hebben. Maar Carvel, die hem
nog steeds nauwkeurig bekeek, zag, dat het haar op zijn rug borstelig
opstond en toen hoorde hij—langzaam zwellend in Baree's strot—een
grommen, waaruit woeste haat sprak. Het was een dergelijk gegrom als
datgene, dat den agent van Lac Bain achteruit had doen gaan en Carvel,
den grendel van zijn geweer openend, om te zien of alles in orde was,
grinnikte blij. Misschien hoorde Baree dit. Het kan zijn, dat hij er een
beteekenis aan gaf, want hij draaide plotseling zijn kop om en keek zijn
metgezel aan; zijn ooren lagen plat op zijn kop.
De wolven waren stil geworden. Carvel wist, wat dit beduidde en was
op zijn hoede. In de stilte klikte de veiligheidsdop op zijn geweer
met metaalachtige scherpte. Minutenlang hoorde hij niets dan het
knapperen van het vuur. Plotseling schenen Baree's spieren te kraken.
Hij sprong achteruit en bleef staan, gewend in de richting waarheen
Carvel's rug gedraaid was; zijn kop ter hoogte van zijn schouders,
zijn centimeterslange slagtanden glinsterden toen hij grauwde tegen de
donkere spelonken van het bosch, juist achter den rand van het vuur.
Carvel had zich omgedraaid met de snelheid van een schot. Het was wel
schrikaanjagend, wat hij te zien kreeg. Een paar oogen, brandend van
groenachtig vuur, en toen nog een paar en daarna zooveel paren, dat
hij ze niet had kunnen tellen. Hij hijgde naar adem. Zij geleken op
kattenoogen, maar waren veel grooter. Sommige, door het licht van het
vuur ten volle beschenen, waren rood als vurige kolen, andere vlamden
blauw en groen op—levende voorwerpen, zonder bijbehoorend lichaam. Met
een snellen blik keek hij den zwarten boschrand langs. Zij waren daar
ook, maar op de plek waar hij ze het eerst gezien had, was hun aantal
het grootst. In deze eerste oogenblikken was hij Baree vergeten en onder
den indruk, aan verstomming grenzend, van deze monster-linie van oogen,
den dood voorspellend, die hen omringde.
Er waren zeker vijftig, misschien wel honderd wolven daarginds, nergens
bang voor, behalve voor vuur. Zij waren genaderd zonder het geringste
geluid van zachtgezoolde pooten of knappende twijgen. Als zij later
gekomen waren en zij in slaap geweest waren en het vuur gedoofd—
Hij huiverde en een oogenblik werkte dit denkbeeld op zijn zenuwen.
Hij was niet van plan geweest te schieten, tenzij uit noodzaak, maar
ineens was zijn geweer bij zijn schouder en zond hij een stroom van vuur
op de plek waar de oogen het dichtst waren. Baree wist wat schieten
beteekende en, bezeten door het razend verlangen, een van zijn vijanden
naar de keel te springen, rende hij hun richting uit. Carvel gaf een
schreeuw van schrik toen hij hem zag gaan. Hij zag Baree's lichaam
vooruitschieten, zag het verdwijnen in de duisternis en hoorde op
hetzelfde oogenblik het doodaanbrengend geklik van slagtanden en den
schok van lijven op elkaar. Een wilde opwinding maakte zich van hem
meester.
De hond had den aanval in zijn eentje gewaagd en de wolven hadden hem
afgewacht. Er was slechts één afloop mogelijk. Zijn viervoetige kameraad
was regelrecht in de kaken van den dood geloopen!
Hij kon het woedende dichtklappen van kaken hooren, daarginds in de
duisternis. Het was griezelig. Zijn hand greep fluks de automatische
revolver, die aan zijn gordel hing en wierp zijn afgeschoten geweer op
de sneeuw. Met de groote revolver van 38 m.M. kaliber voor zijn oogen
wierp hij zich de duisternis in en uit zijn mond kwam een geschreeuw,
dat op een mijl afstands gehoord kon worden. Tegelijk met dit geschreeuw
spatte een gestadige stroom van vuur te midden der vechtende dieren. Er
zaten elf schoten op de revolver en niet voordat hij deze alle gebruikt
had, hield Carvel met zijn geschreeuw op en trok zich weer terug in de
bescherming van het vuur. Hij luisterde, diep ademend. Hij zag geen
oogen meer in de duisternis en hoorde ook geen geluid meer van bewegende
lijven. De onverwachtheid en woede van dezen aanval had de wolvenhorde
op de vlucht gedreven. Maar de hond! Hij hield zijn adem in en keek zoo
scherp mogelijk uit. Een schaduw sleepte zich in den lichtcirkel. Het
was Baree. Carvel rende op hem toe, sloeg zijn armen onder de schouders
om hem heen en bracht hem bij het vuur.
Een tijdlang was er een vragend licht in Carvel's oogen. Hij herlaadde
geweer en revolver, deed nieuwe brandstof op het vuur en haalde uit zijn
bagagepak een stuk linnen voor den dag, waarmee hij drie of vier van de
ergste kwetsuren in Baree's pooten verbond. En telkens vroeg hij op een
peinzende manier:
„Maar wat drommel, waarom deed je dat toch, ouwe jongen? Wat heb _jij_
nu tegen de wolven?”
En dien nacht sliep hij in 't geheel niet, maar hield de wacht.
* * * * *
Hun ondervinding met de wolven verbrak het laatste restje onzekerheid,
dat er tusschen man en hond bestaan kon hebben. Dagen er na, terwijl
zij langzaam naar het noordwesten trokken, verpleegde Carvel Baree,
zooals hij het een ziek kind gedaan zou hebben. Ter wille van de
kwetsuren van den hond, legden zij niet meer dan een paar mijlen per
dag af. Baree begreep het en er groeide sterker en sterker een groote
liefde in hem voor den man, wiens handen even zacht waren als die van
de Wilg en wiens stem hem verwarmde met een onmetelijke vriendschap.
Hij voelde geen vrees of achterdocht meer voor hem. En Carvel, van
zijn kant, deed waarnemingen. De uitgestrekte ledigheid van de wereld
rondom hem gaf hem de gelegenheid, over onbelangrijke kleinigheden na
te denken en iederen dag sloeg hij Baree nauwkeuriger gade. Hij deed
ten slotte een ontdekking, die hem veel belang inboezemde. Altijd,
wanneer zij stilstonden, bleef Baree naar het zuiden kijken; wanneer
zij hun kamp opgeslagen hadden, snoof hij het veelvuldigst de lucht op
uit het zuiden. Dit was heel natuurlijk, dacht Carvel, want zijn oude
jachtterrein lag in die richting. Maar terwijl de dagen verstreken,
begon hij nog andere dingen op te merken. Nu en dan jankte Baree
zachtjes, kijkend in de richting vanwaar zij gekomen waren en zoo'n dag
was hij vervuld met een groote onrust. Hij gaf er geen blijk van, dat
hij Carvel wilde verlaten, maar meer en meer begon Carvel te begrijpen,
dat de een of andere geheimzinnige aantrekkingskracht voor hem bestond,
in het zuiden.
Het was het voornemen van den zwerver, af te slaan naar de streek van
den Grooten Slaaf, een goede achthonderd mijlen naar het noordwesten,
vóór de natte sneeuwval kwam. Daar vandaan—het water ontdooide er in de
lente—wilde hij per kano naar het westen trekken, naar de Mackenzie en
ten slotte naar de bergen van Britsch-Columbia. Zijn plannen veranderden
echter in Februari. Zij werden aan de plaats geboeid door een grooten
sneeuwstorm in Wholdaia-Meerland en juist toen de fortuin hun het
ongunstigst toescheen, kwam Carvel aan een hut, midden in het dichte
sparrenbosch en in die hut lag een doode man. Hij was blijkbaar al
verscheidene dagen dood en stijf bevroren. Carvel hakte een gat in de
aarde en begroef hem.
Deze hut werd een schat voor Carvel en Baree, voornamelijk voor den
man. Blijkbaar had zij geen anderen bewoner bezeten dan den man, die
gestorven was; zij was vol gemakken en ruim van voorraad voorzien; en
meer dan dat, haar eigenaar had een prachtigen buit aan pelterijen
gemaakt, voor de vorst zijn longen aangreep en hij stierf. Carvel
onderzocht het bont zorgvuldig en met groote blijdschap.
Het was wel duizend dollar waard op elken handelspost en hij zag niet
in, waarom dit alles nu voortaan niet aan hem zou toebehooren. Binnen
een week had hij de door sneeuw bedolven vallenlijn van den doode weer
duidelijk zichtbaar gemerkt en gebruikte die voor eigen jacht.
Dit was tweehonderd mijlen ten noordwesten van den Grijzen Fuut en
Carvel merkte al spoedig op, dat Baree niet recht naar het zuiden keek,
in de oogenblikken, waarin de zonderlinge lokstem tot hem kwam, maar
naar het zuidoosten. En nu, terwijl de zon iederen dag wat hooger rees,
werd het al warmer in de lucht, de sneeuw werd weeker en de lente was in
aantocht. Toen kwam het oude verlangen weer in Baree, het verlangen naar
de eenzame graven, daarginds bij den Grijzen Fuut, naar het verlaten
hutje in den omtrek van den poel—en naar Nepeese. In zijn slaap zag hij
van dit alles visioenen. Hij hoorde weer haar zachte, lieve stem, voelde
de aanraking van haar hand, was weer met haar aan het spelen tusschen de
donkere schaduwen van het bosch—en Carvel zat naast hem en keek naar
hem, terwijl hij de beteekenis trachtte te begrijpen van hetgeen hij zag
en hoorde.
In April bracht Carvel zijn verzameling pelswerk op zijn schouders
naar den post van de Hudson-Baai Compagnie te Lac la Biche, dat nog
noordelijker lag. Baree ging tot halfweg met hem mee en toen—tegen
zonsondergang—ging hij plotseling terug. Na een week keerde Carvel naar
de hut terug en trof hem daar aan. Hij was zoo overvol van blijdschap,
dat hij den kop van den hond in zijn armen nam en hem liefkoosde. Zij
bleven in de hut wonen tot Mei. De knoppen begonnen toen te zwellen en
de geur van groeiende planten steeg uit de aarde op.
Carvel vond op zekeren dag de eerste vroege blauwe bloemen.
Dien avond begon hij te pakken.
„Het wordt onze tijd om verder te gaan reizen,” kondigde hij Baree aan.
„En ik ben een beetje van plan veranderd. We gaan terug—dien kant uit.”
En hij wees naar het zuiden.