Vriendschap.
Jim Carvel strekte zijn hand uit en de grauw, die in Baree's strot was,
stierf weg. De man stond op. Hij bleef staan kijken in de richting
waarin Mc Taggart verdwenen was en grinnikte op een eigenaardige,
voldane wijze. Er klonk vriendelijkheid uit dat gegrinnik. Er was ook
vriendelijkheid in zijn oogen en in de glinstering van zijn tanden
toen hij weer naar Baree keek. Hij had iets opwekkends over zich, dat
den grijzen dag scheen te verhelderen, dat de koude lucht scheen te
verwarmen—een vreemde gloed ging er van hem uit, vroolijkheid en hoop
en kameraadschap uitstralend, zooals een kachel warmte uitstraalt.
Baree voelde dit. Voor de eerste maal sedert de twee mannen bij hem
gekomen waren, verloor zijn door de klemmen gemarteld lijf iets van
zijn gespannenheid; zijn rug boog door; zijn tanden klapperden toen hij
rilde in zijn pijn. Aan dezen man verried hij zijn zwakheid. In zijn
met bloed beloopen oogen was een hongerende blik toen hij Jim Carvel
gadesloeg—die evenals hij vogelvrij verklaard was—naar hij bekend had.
En Jim Carvel hield opnieuw zijn hand uit—ditmaal veel dichterbij.
„Arme bliksem,” zeide hij, terwijl de glimlach van zijn gelaat week.
„Arme bliksem!”
Deze woorden waren als een liefkoozing voor Baree—de eerste, die hij
ondervond sedert het verlies van Nepeese en Pierrot. Hij liet zijn kop
vallen tot hij plat in de sneeuw lag. Carvel kon langzaam het bloed uit
zijn bek zien droppelen.
„Arme bliksem!” herhaalde hij.
Er was geen vrees in de manier waarop hij zijn hand uitstrekte. Het
gebeurde in het vertrouwen van groote oprechtheid en diep medelijden.
Zij raakte Baree's kop aan en beklopte dien broederlijk en daarna ging
zij—langzaam en wat behoedzamer—naar de klem, waarin Baree's voorpoot
gevangen zat. In zijn halve verdoofdheid deed Baree zijn uiterste best,
dit alles te begrijpen en de waarheid drong tot hem door toen hij de
stalen kaken van de klem open voelde gaan en zijn verminkten poot er
uit trok. Toen deed hij iets, wat hij nooit bij eenig schepsel buiten
Nepeese gedaan had. Heel even schoot zijn heete tong uit en likte
Carvel's hand. De man lachte. Met zijn krachtige handen opende hij de
overige klemmen en Baree was vrij.
Eenige oogenblikken bleef hij liggen zonder zich te bewegen en met zijn
oogen op den man gevestigd. Carvel was gaan zitten op een met sneeuw
bedekten berkestam en stopte zijn pijp. Baree keek er naar, hoe hij deze
aanstak; hij keek met een nieuwe belangstelling naar de eerste purperen
rookwolk, die Carvel's mond verliet. De man was niet meer dan twee
vallenkettingen-lengten van hem verwijderd—en hij grinnikte tegen Baree.
„Kom, flink wat, ouwe jongen,” moedigde hij hem aan. „Geen beenderen
stuk. Alleen een beetje stijf. Misschien doen we maar beter—weg te
gaan.”
Jim wendde zijn gelaat in de richting van Lac Bain. Hij argwaande, dat
Mc Taggart terug zou keeren. Misschien vermoedde Baree hetzelfde, want
toen Carvel weer naar hem keek, was hij opgestaan, wat wankelend op zijn
pooten om zijn evenwicht te bewaren. Het volgende oogenblik zwaaide
Carvel zijn ransel van de schouders af en opende hem. Hij trok er een
stuk rood, rauw vleesch uit.
„Vanmorgen geschoten,” legde hij aan Baree uit. „Een éénjarige stier,
zoo malsch als een patrijs—en dit is een zwezerik, zoo lekker als
zoo'n dier hem maar kan hebben. Proef maar eens!”
Hij wierp het vleesch naar Baree toe. Er viel niet aan te twijfelen hoe
deze het ontvangen zou. Baree was uitgehongerd—en het vleesch werd hem
toegeworpen door een vriendenhand. Hij zette er zijn tanden in. Zijn
kaken vermaalden het. Er kwam nieuw vuur in zijn bloed, terwijl hij zich
te goed deed, maar geen oogenblik verlieten zijn roodgeworden oogen het
gelaat van den ander. Carvel gespte den ransel weer op zijn rug. Hij
stond op, nam zijn geweer op, gleed in zijn sneeuwschoenen en keek het
noorden in.
„Kom mee, jongen,” zeide hij, „we moeten er vandoor.”
Het was een zakelijke uitnoodiging, alsof zij al langen tijd samen
gereisd hadden. Het was misschien niet alleen een uitnoodiging, maar
half een bevel. Baree begreep er niets van. Een halve minuut bleef hij
onbeweeglijk staan en keek naar Carvel's rug, terwijl deze naar het
noorden toeschreed. Carvel keek niet om. Een plotselinge kramp trok
door Baree heen; hij draaide zijn kop in de richting van Lac Bain,
daarna keek hij weer naar Carvel en een gejank, nauwelijks boven zijn
ademhaling uitkomend, rees uit zijn strot. De man was juist op het punt
om in het dichte sparrenbosch te verdwijnen. Hij stond stil en keek om.
„Kom je, jongen?”
Zelfs op dezen afstand kon Baree hem vriendelijk zien grinniken; hij zag
de uitgestrekte hand en de stem wekte nieuwe gewaarwordingen bij hem op.
Zij was niet als Pierrot's stem. Hij had nooit van Pierrot gehouden.
Ook was zij niet zacht en vriendelijk, zooals die van Nepeese. Hij had
in zijn leven maar een paar menschen leeren kennen en hen allen met
wantrouwen beschouwd. Maar deze stem ontwapende hem. Zij was verlokkend
in haar vraag. Hij verlangde er op te antwoorden. Hij kreeg een groot
verlangen, geheel onverwachts, om den vreemdeling op de hielen te
volgen. Voor het eerst in zijn leven verlangde hij naar de vriendschap
van een man. Hij zette zich niet in beweging voor Jim Carvel het
sparrenbosch binnenging. Toen begon hij te volgen.
* * * * *
Dien nacht kampeerden zij in het dichte gewas van ceders en
balsemstruiken, tien mijlen ten noorden van Mc Taggart's vallenlijn. Het
had een paar uren gesneeuwd en hun voetspoor was bedolven. Het sneeuwde
nog voortdurend, maar geen witte vlok drong het dichte baldakijn van
takken door. Carvel had zijn kleine zijden tent opgezet en een houtvuur
gebouwd; hun avondmaal was afgeloopen en Baree lag op zijn buik, den
vogelvrij verklaarde aan te kijken, bijna binnen het bereik van diens
hand. Met zijn rug tegen een boom zat Carvel heerlijk te rooken. Hij
had zijn muts en jas afgeworpen en in den warmen vuurgloed zag hij er
bijna jongensachtig jeugdig uit. Maar zelfs in dezen gloed verloor zijn
gelaat niets van zijn scherpe lijnen, noch zijn oogen van hun heldere
levendigheid.
„'t Lijkt wel eens prettig om met iemand te kunnen praten,” zeide hij
tegen Baree. „Tegen iemand, die je begrijpt en toch zijn mond houdt. Heb
jij wel eens verlangd om te huilen, terwijl je niet durfde? Nu, zoo is
't bij mij 't geval. Soms heb ik op het punt gestaan te barsten, omdat
ik met iemand praten wou en niet durfde.”
Hij wreef zijn handen en hield die toen bij het vuur. Baree keek naar
elke beweging, die hij maakte en luisterde aandachtig naar ieder geluid,
dat hij voortbracht. Zijn oogen verrieden nu een soort vereering, zijn
blik verwarmde Carvel's hart en deed hem de uitgestrekte eenzaamheid en
ledigheid van den nacht vergeten. Baree had zich dichter naar de voeten
van den man toegesleept en eensklaps boog Carvel over en klopte hem op
den kop.
„Ik ben slecht, ouwe jongen,” grinnikte Carvel. „Maar jij neemt het
me niet kwalijk—geen sikkepit. Wil je weten wat er gebeurd is?” Hij
wachtte een oogenblik en Baree staarde hem strak aan. Toen vervolgde
Carvel, alsof hij tegen een mensch sprak: „Laat eens zien—het is
nu vijf jaar geleden, in December, juist tegen Kerstmis. Had een
vader. Een knappe ouwe man, die vader van me. Geen moeder—alleen dien
vader maar, en als je ons bij mekaar optelde, vormden we maar Eén.
Begrepen? En toen kwam er een schoelje, Hardy heette hij, en heeft
hem neergeschoten op een goeien dag, omdat Vader hem tegengewerkt had
in de politiek. Niks meer of minder dan moord was 't. En zij hebben
dien schoelje er niet voor opgehangen! Neen, m'n waarde, ze hebben hem
niet opgehangen. Daarvoor had hij te veel geld en te veel vriendjes
bij zijn politieke partij en ze hebben hem alleen maar twee jaar
hechtenis gegeven. Maar hij is niet in de gevangenis terecht gekomen.
Nee—waarachtig niet!”
Carvel wrong zijn handen zoo hevig, dat de gewrichten kraakten. Een
vroolijke glimlach verhelderde zijn gelaat en zijn oogen gingen weer
naar het vuur. Baree slaakte een diepen zucht, puur toevallig, maar het
oogenblik was er spannend genoeg voor.
„Nee, hij is niet in de gevangenis terecht gekomen,” vervolgde Carvel,
Baree weer strak aankijkend. „Ondergeteekende wist wel, wat dat te
beteekenen had, ouwe jongen. Hij zou binnen het jaar gratie gekregen
hebben. En daar lag mijn vader, de grootste helft van mezelf, in
zijn graf. Daarom ging ik op dien schoelje af, waar alle rechters en
advocaten bij waren en al zijn dierbare familieleden en vrienden—_en
vermoordde hem_! En toen ontsnapte ik. Was al uit 't raam gesprongen
vóór ze bekomen waren van hun verbazing, maakte, dat ik de bosschen in
kwam en heb sinds dien tijd geleefd van het wild, dat ik vangen kon.
En ik denk zoo, dat God me goedgezind was, kerel. Want hij deed een
merkwaardig ding om me te helpen, voorverleden zomer, juist toen de
Beredene me op de hielen zat en 't er kwaad voor me uitzag. Een man
werd verdronken gevonden in het Rendierland, juist op een plek waar ze
dachten mij in 't nauw gedreven te hebben, en nu had de goede God het
zóó beschikt, dat die man zooveel op mij leek, dat ze hem onder mijn
naam begraven hebben. Dus daarom ben ik nu officieel dood, ouwe jongen.
Ik hoef nergens meer bang voor te zijn, zoolang ik me niet te veel
onder de menschen begeef, den eersten tijd, en nu heb ik zoo bij mezelf
uitgemaakt, dat God nogal met me op heeft, omdat hij me op die manier
uit de klem heeft geholpen. Wat denk jij er van, hè?”
Hij boog zich voorover, als om een antwoord te ontvangen. Baree had naar
hem geluisterd. Misschien had hij zelfs gedeeltelijk begrepen. Maar er
was een ander geluid dan Carvel's stem, dat hem nu in de ooren klonk.
Met zijn kop dicht bij den grond hoorde hij het duidelijk. Hij jankte en
het janken eindigde in een grauw, zoo zacht, dat Carvel maar heel even
de waarschuwing er in opmerkte. Hij nam een strakkere houding aan. Toen
stond hij op en keek het zuiden in. Baree stond naast hem, met gespannen
pooten en alle haren op zijn rug overeind.
Na een oogenblik van diepe stilte zeide Carvel:
„Familie van jou, ouwe jongen. Wolven.”
Hij ging de tent binnen om zijn geweer en patronen te halen.