IV-In De Celgevangenis

Het was niet voorbeschikt dat ik lang onder de actieve wapens zou

blijven. Na een week werd ik door de militaire overheid aangezocht

om als duitsch vertaler bij den krijgsraad dienst te nemen. Het was

eentonig werk dat ik, dag aan dag verrichtte in de celgevangenis,

waar een substituut van den krijgsauditeur zetelde.

Ik bedenk nu weer den eersten dag mijner bezigheden daar. Het

was te doen in een klein kamertje. Achter een tafel zaten de

substituut, een commandant der jagers, een luitenant der

gendarmerie, een griffier en ik. Door de open tralievensters zagen

wij de gewone gevangenen, in hun wit pak en op klompen, over en

weer wandelen, elk in zijn afgezonderd hofje. Over de stad klonken

de zwaar-bonzende doodsklokken der cathedraal voor de dood van

Paus Pius X. Wat had die heilige zachte man wel gedacht en gezeid

in zijn laatste uren over dezen oorlog? Ignis ardens had de profeet

van hem voorspeld, Religio depopulata was de roep voor zijn

opvolger. Wie dacht hieraan en hoe gingen de grootste gebeurtenissen

verloren in de algemeene ontreddering van de wereld!

Alle duitschers die moesten worden uitgedreven, werden eerst in 't

gevang opgesloten om een verhoor te ondergaan. Waren zij

dienstplichtig, dan werden zij gevangen gehouden. Waren zij het

niet, lijk oude menschen vrouwen en kinderen, dan werden zij, na

verhoor, twee maal per dag, naar het station gebracht en per

speciale trein naar Holland gevoerd.

Er deden zich natuurlijk vele ongelukkige gevallen voor: menschen

die nooit van een oorlog iets hadden vermoed en hun keizer

verwenschten; vrouwen met een sleep van kinderen die uit haar

huis en broodgewin werden weggetrokken en dikwijls, zonder een

cent, over de grenzen gezet. Wegens den overvloed der arrestaties

zaten zij soms dagen achtereen op een verhoor te wachten met

den doodschrik op het lijf. Een heel ongewettigde schrik, want nooit

werd er bij mijn weten een Duitscher veroordeeld. Maar hunne

houding deed mij gissen hoe brutaal en ongenadig de overheden

moesten toegaan in hun eigen land. Er waren van die arme

stakkers die, als zij binnen werden gebracht, voor ons al snikkende

op hunne knieën vielen en met biddende handen om genade

riepen, meenende dat zij hun doodvonnis gingen hooren. Ik heb

den angst voor den dood toen op vele aangezichten gelezen. Er

waren er die niet konden spreken en hun wee opkropten tot dat

hunne kaken begonnen te beven en de tranen in blinkende

druppels traag uit hun oogen rolden. God waarom moesten zoo

menschen tegenover elkander staan! Ik zie nog altijd dat klein,

bleek, phtisiek oostenrijker-joodje, dat werd aangehouden omdat

men in zijn valies suspecte papieren banden had gevonden met

vreemde teekens beschreven. De onwetende gendarmen dachten

aan telegramberichten. Maar het bleek een godsdienstig voorwerp

te zijn: hebreeuwsche verzen uit den Talmud, op parkamenten

reepels geschreven, die de Israëlieten, tweemaal 's daags, in een

doosje, op het hoofd dragen. De sukkelaar kende enkel poolsch en

kon zich amper in het duitsch doen verstaan, maar snikkende en op

zijn knieën, voerde hij den joodschen ritus uit, om te bewijzen

waartoe die vreemde dingen dienden. Toen ik hem duidelijk maakte

dat hij niets te vreezen had en enkel zou worden over de grenzen

gezet--wat konden wij met dat menschen-wrak nog doen?--kuste

hij mijne handen en ik voelde zijne koude lippen en het nat van zijne

tranen op mijne vingers.

Ik herinner mij ook nog twee slanke jonge vrouwtjes, die als

danseressen met een kunstemakers-wagen reisden. Zij waren uit

de omstreken van Hannover. Ik dacht aan de figuur, die in het

tweede deel van De Kleine Johannes voorkomt, en waar Johannes

op verliefd geraakte. Een van de twee droeg een kindje van enkele

maanden, een mager borelingske, dat zij liet zuigen aan haar klein

borstje, dat uitstak tusschen de plooien van haar kleurig rood-en-

groene kleed. De andere had, in een vuil beddelaken, al bijeen

gebonden wat zij kon redden en ging er letterlijk onder gebogen.

Zoo had ik ze zien binnen brengen in het gevang. Ik had er

medelijden mee en kon zorgen dat ze seffens in verhoor werden

genomen en nog dienzelfden dag, van allen angst verlost, op reis

mochten naar Holland. Ik zie nog altijd hare oogen die mij stil-

lachend dankten.

Er waren in die dagen menschen die met politie of burgerwacht te

doen hadden omdat zij een zoogezegd duitsche hoed droegen, de

groene tint was zeer gevaarlijk. Op aanklacht van buren drongen

burgerwachten, met de bajonet op het geweer, huizen en kamers

binnen. Zij hielden huiszoeking of namen den vermoedelijken

verspieder in arrestatie. Er werd verteld van moffen in nonnekleeren

of met valsche baarden. Antwerpen voelde een echte haat tegen al

wat duitsch was, een haat sterker dan elders in het land, omdat de

vijand hier zoo hartelijk was onthaald geweest en zoo vrij zijn

gangen had mogen gaan.

Er waren ook Belgen die onschuldig verdacht en gevangen zaten.

In die dagen heb ik begrepen wat de "terreur" moet geweest zijn

tijdens de fransche revolutie. De aanklacht van 't is gelijk wie, het

minste onschuldig teeken of een verkeerd uitgelegd woord waren

voldoende om iemand te doen aanhouden. Ik zou van mijn eigen

vrienden in 't gevang ontmoeten en helpen verlossen. Ik ken er een

die, uit zijn droefheid en zijn wrok, een stuk literatuur schreef in zijn

cel en het mij in dankbare herinnering bij zijn vrijstelling

overhandigde met nog vochtige oogen.

Wij hadden soms oprecht beklagenswaardige gevallen te

onderzoeken: De forten van Luik vielen alle van 12 tot 17 Augustus

1914 maar om krijgsredenen, die ik hier onbesproken laat, bleef het

heeten dat zij nog altijd stand hielden en dat duurde zoo tot 24

Augustus. Welnu de enkele soldaten, die nog uit die forten konden

ontsnappen, en in burgerkleeren, op lijfsgevaar, door de duitsche

linies geraakten, werden allen aangehouden, zoodra zij zich te

Antwerpen aanboden om terug in dienst te treden. Een heele tijd

hield men ze in 't gevang afgezonderd om hen te beletten het

gerucht van den val der forten te verspreiden.

Wij namen ze een voor een in verhoor. Zoo wisten wij, uit

den eigen mond der verdedigers zelf, hoe eerst de forten van

Chaudfontaine, Evegnée, Barchon en Pontisse door de duitsche

kanonnen werden onder vuur genomen en hoe de aanvallers overal

met verschrikkelijke verliezen werden achteruit geslagen. Hoe daarna

het fort Boncelles het te verduren had en het belgisch leger daar

wijken moest voor de overmacht. Wij rilden op onze stoelen als wij

ze, in hunne eenvoudige boeren-of werkmanstaai, hoorden

verhalen van die 42 cm. bommen, die zij, uren aan elkaar, op en

rond de pantsertorens hunner forten hadden hooren donderen, hoe

zij geen adem meer konden halen in den stikkenden rook der

salpeterstoffen. Van de vluchtelingen uit het fort Loncin hoorden wij

hoe generaal Leman zich daar had teruggetrokken en het er nog

dagen uithield zonder eenige betrekking met de wereld; hoe

eindelijk het kruitmagazijn ontplofte en de stukken beton der

koepels en de bergen van aarde in de lucht sprongen lijk fonteinen,

met de wegvliegende stukken van menschenlichamen; hoe zij die

nog ontsnapten slechts, door duisternissen rook en vuur, en onder

het geklaag en geroep van onzichtbare gekwetsten en stervenden,

nog uit de puinen geraakten en den dag weer zagen. Het waren

helden, hunne oogleden waren nog zwart van kruit, er waren er met

verbrande handen en wij moesten ze afgezonderd houden in een

gevang, als zij smeekten om voort te mogen vechten. De aarzeling

der krijgsoverheid duurde gelukkiglijk niet langer en weldra kwam

het verlof om ze in vrijheid te stellen en ik zelf werd gelast hun

eenige vaderlandsche woorden toe te spreken om hun duidelijk te

maken dat zij niet voor een vergrijp maar wel uit voorzichtigheid in 't

gevang weerhouden waren geweest. Ik was toen reeds dienstdoende

griffier geworden bij den substituut van den krijgsauditeur. Ik zie

nog altijd, in mijne herinnering, die kloeke jongens: ze werden allen

bijeen gebracht in een groote zaal van 't gevang en na enkele

aanmoedigende woorden gingen zij blij en zonder morren hun post

vervoegen.

Toen wij het gevang verlieten, dien avond, zei mij de jonge luitenant

der gendarmerie:

--"Indien er inderdaad 42 cm. bommen gebruikt werden tegen Luik,

dan weerstaat geen enkel fort van Antwerpen." Wij dachten aan

het onvermijdelijke dat zou gebeuren.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 5 / 26 题