Het was niet voorbeschikt dat ik lang onder de actieve wapens zou
blijven. Na een week werd ik door de militaire overheid aangezocht
om als duitsch vertaler bij den krijgsraad dienst te nemen. Het was
eentonig werk dat ik, dag aan dag verrichtte in de celgevangenis,
waar een substituut van den krijgsauditeur zetelde.
Ik bedenk nu weer den eersten dag mijner bezigheden daar. Het
was te doen in een klein kamertje. Achter een tafel zaten de
substituut, een commandant der jagers, een luitenant der
gendarmerie, een griffier en ik. Door de open tralievensters zagen
wij de gewone gevangenen, in hun wit pak en op klompen, over en
weer wandelen, elk in zijn afgezonderd hofje. Over de stad klonken
de zwaar-bonzende doodsklokken der cathedraal voor de dood van
Paus Pius X. Wat had die heilige zachte man wel gedacht en gezeid
in zijn laatste uren over dezen oorlog? Ignis ardens had de profeet
van hem voorspeld, Religio depopulata was de roep voor zijn
opvolger. Wie dacht hieraan en hoe gingen de grootste gebeurtenissen
verloren in de algemeene ontreddering van de wereld!
Alle duitschers die moesten worden uitgedreven, werden eerst in 't
gevang opgesloten om een verhoor te ondergaan. Waren zij
dienstplichtig, dan werden zij gevangen gehouden. Waren zij het
niet, lijk oude menschen vrouwen en kinderen, dan werden zij, na
verhoor, twee maal per dag, naar het station gebracht en per
speciale trein naar Holland gevoerd.
Er deden zich natuurlijk vele ongelukkige gevallen voor: menschen
die nooit van een oorlog iets hadden vermoed en hun keizer
verwenschten; vrouwen met een sleep van kinderen die uit haar
huis en broodgewin werden weggetrokken en dikwijls, zonder een
cent, over de grenzen gezet. Wegens den overvloed der arrestaties
zaten zij soms dagen achtereen op een verhoor te wachten met
den doodschrik op het lijf. Een heel ongewettigde schrik, want nooit
werd er bij mijn weten een Duitscher veroordeeld. Maar hunne
houding deed mij gissen hoe brutaal en ongenadig de overheden
moesten toegaan in hun eigen land. Er waren van die arme
stakkers die, als zij binnen werden gebracht, voor ons al snikkende
op hunne knieën vielen en met biddende handen om genade
riepen, meenende dat zij hun doodvonnis gingen hooren. Ik heb
den angst voor den dood toen op vele aangezichten gelezen. Er
waren er die niet konden spreken en hun wee opkropten tot dat
hunne kaken begonnen te beven en de tranen in blinkende
druppels traag uit hun oogen rolden. God waarom moesten zoo
menschen tegenover elkander staan! Ik zie nog altijd dat klein,
bleek, phtisiek oostenrijker-joodje, dat werd aangehouden omdat
men in zijn valies suspecte papieren banden had gevonden met
vreemde teekens beschreven. De onwetende gendarmen dachten
aan telegramberichten. Maar het bleek een godsdienstig voorwerp
te zijn: hebreeuwsche verzen uit den Talmud, op parkamenten
reepels geschreven, die de Israëlieten, tweemaal 's daags, in een
doosje, op het hoofd dragen. De sukkelaar kende enkel poolsch en
kon zich amper in het duitsch doen verstaan, maar snikkende en op
zijn knieën, voerde hij den joodschen ritus uit, om te bewijzen
waartoe die vreemde dingen dienden. Toen ik hem duidelijk maakte
dat hij niets te vreezen had en enkel zou worden over de grenzen
gezet--wat konden wij met dat menschen-wrak nog doen?--kuste
hij mijne handen en ik voelde zijne koude lippen en het nat van zijne
tranen op mijne vingers.
Ik herinner mij ook nog twee slanke jonge vrouwtjes, die als
danseressen met een kunstemakers-wagen reisden. Zij waren uit
de omstreken van Hannover. Ik dacht aan de figuur, die in het
tweede deel van De Kleine Johannes voorkomt, en waar Johannes
op verliefd geraakte. Een van de twee droeg een kindje van enkele
maanden, een mager borelingske, dat zij liet zuigen aan haar klein
borstje, dat uitstak tusschen de plooien van haar kleurig rood-en-
groene kleed. De andere had, in een vuil beddelaken, al bijeen
gebonden wat zij kon redden en ging er letterlijk onder gebogen.
Zoo had ik ze zien binnen brengen in het gevang. Ik had er
medelijden mee en kon zorgen dat ze seffens in verhoor werden
genomen en nog dienzelfden dag, van allen angst verlost, op reis
mochten naar Holland. Ik zie nog altijd hare oogen die mij stil-
lachend dankten.
Er waren in die dagen menschen die met politie of burgerwacht te
doen hadden omdat zij een zoogezegd duitsche hoed droegen, de
groene tint was zeer gevaarlijk. Op aanklacht van buren drongen
burgerwachten, met de bajonet op het geweer, huizen en kamers
binnen. Zij hielden huiszoeking of namen den vermoedelijken
verspieder in arrestatie. Er werd verteld van moffen in nonnekleeren
of met valsche baarden. Antwerpen voelde een echte haat tegen al
wat duitsch was, een haat sterker dan elders in het land, omdat de
vijand hier zoo hartelijk was onthaald geweest en zoo vrij zijn
gangen had mogen gaan.
Er waren ook Belgen die onschuldig verdacht en gevangen zaten.
In die dagen heb ik begrepen wat de "terreur" moet geweest zijn
tijdens de fransche revolutie. De aanklacht van 't is gelijk wie, het
minste onschuldig teeken of een verkeerd uitgelegd woord waren
voldoende om iemand te doen aanhouden. Ik zou van mijn eigen
vrienden in 't gevang ontmoeten en helpen verlossen. Ik ken er een
die, uit zijn droefheid en zijn wrok, een stuk literatuur schreef in zijn
cel en het mij in dankbare herinnering bij zijn vrijstelling
overhandigde met nog vochtige oogen.
Wij hadden soms oprecht beklagenswaardige gevallen te
onderzoeken: De forten van Luik vielen alle van 12 tot 17 Augustus
1914 maar om krijgsredenen, die ik hier onbesproken laat, bleef het
heeten dat zij nog altijd stand hielden en dat duurde zoo tot 24
Augustus. Welnu de enkele soldaten, die nog uit die forten konden
ontsnappen, en in burgerkleeren, op lijfsgevaar, door de duitsche
linies geraakten, werden allen aangehouden, zoodra zij zich te
Antwerpen aanboden om terug in dienst te treden. Een heele tijd
hield men ze in 't gevang afgezonderd om hen te beletten het
gerucht van den val der forten te verspreiden.
Wij namen ze een voor een in verhoor. Zoo wisten wij, uit
den eigen mond der verdedigers zelf, hoe eerst de forten van
Chaudfontaine, Evegnée, Barchon en Pontisse door de duitsche
kanonnen werden onder vuur genomen en hoe de aanvallers overal
met verschrikkelijke verliezen werden achteruit geslagen. Hoe daarna
het fort Boncelles het te verduren had en het belgisch leger daar
wijken moest voor de overmacht. Wij rilden op onze stoelen als wij
ze, in hunne eenvoudige boeren-of werkmanstaai, hoorden
verhalen van die 42 cm. bommen, die zij, uren aan elkaar, op en
rond de pantsertorens hunner forten hadden hooren donderen, hoe
zij geen adem meer konden halen in den stikkenden rook der
salpeterstoffen. Van de vluchtelingen uit het fort Loncin hoorden wij
hoe generaal Leman zich daar had teruggetrokken en het er nog
dagen uithield zonder eenige betrekking met de wereld; hoe
eindelijk het kruitmagazijn ontplofte en de stukken beton der
koepels en de bergen van aarde in de lucht sprongen lijk fonteinen,
met de wegvliegende stukken van menschenlichamen; hoe zij die
nog ontsnapten slechts, door duisternissen rook en vuur, en onder
het geklaag en geroep van onzichtbare gekwetsten en stervenden,
nog uit de puinen geraakten en den dag weer zagen. Het waren
helden, hunne oogleden waren nog zwart van kruit, er waren er met
verbrande handen en wij moesten ze afgezonderd houden in een
gevang, als zij smeekten om voort te mogen vechten. De aarzeling
der krijgsoverheid duurde gelukkiglijk niet langer en weldra kwam
het verlof om ze in vrijheid te stellen en ik zelf werd gelast hun
eenige vaderlandsche woorden toe te spreken om hun duidelijk te
maken dat zij niet voor een vergrijp maar wel uit voorzichtigheid in 't
gevang weerhouden waren geweest. Ik was toen reeds dienstdoende
griffier geworden bij den substituut van den krijgsauditeur. Ik zie
nog altijd, in mijne herinnering, die kloeke jongens: ze werden allen
bijeen gebracht in een groote zaal van 't gevang en na enkele
aanmoedigende woorden gingen zij blij en zonder morren hun post
vervoegen.
Toen wij het gevang verlieten, dien avond, zei mij de jonge luitenant
der gendarmerie:
--"Indien er inderdaad 42 cm. bommen gebruikt werden tegen Luik,
dan weerstaat geen enkel fort van Antwerpen." Wij dachten aan
het onvermijdelijke dat zou gebeuren.