III-Bij De Burgerwacht

Ik ging mij aanbieden hij de burgerwacht waarvan ik tot dan toe was

ontslagen geweest. Zij was belast met het bewaken der omheining

van Antwerpen. Ik aanzag het als een ernstige taak. Wij stonden

onder algemeen legerbevel.

Het militarisme bestond niet in België. Maar de militaire geest was er

levend, die geest die van elk burger een soldaat maakt die zijn

leven veil heeft voor het land. Hoe onbeholpen en nutteloos de

inrichting later ook mocht blijken, het was die militaire geest die de

burgerwachten van Antwerpen en elders gewetensvol hun plicht

deed doen. Het was die geest die in de eerste dagen van den

oorlog meer dan 30000 vrijwilligers deed opkomen uit alle streken.

Ik zag heele scharen van jonge mannen stoetsgewijs naar de

kazernen trekken onder de toejuichingen der bevolking. Iedereen

was blij het uniform en de wapens te dragen en zich zoo een lid van

de landsverdediging te weten in dezen grooten nood.

Op donderdag, 6 Augustus, betrok ik voor 't eerst de wacht op de

vesten aan de Berchemsche poort en dienzelfden nacht sliep ik

voor 't eerst ook in een soldatenbed in de Sint Joris Kazerne. Ik

herinner mij nog die lange witgekalkte slaapzalen met ijzeren

bedden. De geweerkolven bonsden telkens op de houten vloeren.

De ransels werden losgegespt. Een tijd werd er nog gegekt en

geroepen maar weldra lagen al de lijven onder de dekens. In den

schijn van een enkel verouderd olielampje ging er soms een arm

omhoog of een jongen die luidop droomde verbrak de ronkende

stilte.

Dienzelfden nacht werd ik, met een patroelje, naar het militaire

gasthuis gezonden, in de Maria-lei. Er was een trein van gekwetsten

verwacht, de eersten die daar aankwamen, en wij zouden voor de

poort de orde handhaven.

Er stond een almoezenier in het portaal, een majoor-dokter deed de

berrie's gereed zetten en gaf vermaningen om kalm te blijven. Wij

gingen dan de eerste bloedige wrakken zien uit dezen geweldigen

oorlog, misschien van dat skadron lanciers, van het 2de regiment,

die te Plainevaux, ten zuiden van Luik, een heel regiment duitsche

ruiters hadden gechargeerd en aldus de drie-vierden hunner

manschappen in een ongelijken strijd verloren. Wij waren ontroerd.

Maar het bericht kwam dat de aangekondigde trein in een andere

richting was gezonden. Wij stonden daar doelloos, in eene

eenzame straat, waar het regende...

Wij kregen verlof om in een wachtzaal van het gasthuis den morgen

af te wachten. Een dokter, die mij kende, nam mij mee in een der

groote slaapzalen, waar ik mij in volle uitrusting op een bed

neerstrekte. Ik sliep niet. Het was zoo vreemd in dat gasthuis te

liggen naast die ontelbare rijen lege beddekens en in den reuk van

iodoform die alles doortrok. Ik wist toen nog niet hoe ik later in mijn

ballingschap, zoovele lange lijdensweken zou doorgebracht hebben

in de droeve hospitalen van vreemde steden. Maar een geheim

voorgevoel beklemde mij. Ik kreeg een voorsmaak van de lichamelijke

misères die mij te wachten stonden. Geluidloos kwam er nu en dan

door het halfduister een kloosterzuster voorbij.

Wij hadden 24 uren dienst in de kazerne of op wacht en 12 uren

rust, dat wij naar huis mochten. Ik zou onder de wapens echter niet

veel uitrichten. Het was op wacht staan of op een bank aan de

stadspoorten zitten,--voor wie niet mee deed aan de gelagen in de

herbergen,--en 's avonds van den tweeden dag, in regiment, van

Berchem naar de kazerne stappen.

Luid en blij zongen toen de wachten op marsch. Het scheen wel

een parade in 't begin, als zij hunne hooge zwarte vilten hoeden

droegen met de waaiende zwart-blauwe haneveren en hunne lange

blauwe mantels die links en rechts, hoeksgewijs, moesten worden

opgeknoopt om den gang niet te hinderen. Er hing als een

feestlucht over de stad: door alle straten het kleurgewemel der

waaiende vlaggen, de menschen alle dagen van de week in hun

zondagsche pak, kuierend of verteer makend in de volgepropte

koffiehuizen en terrassen alsof het kermis ware geweest. Engeland

was nu ook in den oorlog gekomen. Duitschland stond alleen tegen

half Europa. De overwinning aan onze zijde scheen onvermijdelijk

en in een nabije toekomst. De Franschen zegevierden reeds te

Altkirch en Mulhouse was ingenomen. De vlaggen onzer bondgenooten

werden geestdriftig begroet aan de gevels op onzen weg. Gehuil en

gefluit en geroep van "er aus" klonk voor de deuren der gekende

duitsche huizen.

Wij aten op de groote koer der Sint Joris kazerne, ieder in zijn

hoekje, uit eene gamelle, gingen daarna slapen in de zwart-ijzeren

bedden, om dan weer 's nachts in de stad te patroeljeeren of hier of

daar een post te bezetten.

Ik moet wel geen vechtersbloed in mijn aderen hebben, want

wanneer ik op wacht stond, op de vesten, droomden mijne oogen

over de pracht der velden en door de heilige rust der nachten of ik

keek naar de groote stad. Van af de hooge groene wallen gezien,

was zij zoo schoon met al hare torens en de groezeling der daken.

Ik keek er naar als naar iets dat misschien zou vergaan...

Ik herinnner mij nog dit enkel incident uit mijn diensttijd. Men had

ons verwittigd dat er kans bestond dat dien nacht duitsche auto's

probeeren zouden de stad binnen te dringen, zooals er gedaan

geweest was te Luik door vijandelijke officieren die een aanslag

hadden beraamd op het leven van generaal Leman. Wij moesten

dus oppassen. Ik was dien avond van het corps de garde, in de

kazerne aan de Oude-Baan. Ik had wat gegeten en lag uitgestrekt,

in mijn kleeren, op de brits, tusschen mijn luidop ronkende

kameraden. Rond elf uur moest ik, voor twee uren, de wacht

betrekken. Ik kreeg mijn post buiten de poorten, op den berg der

genie-werken, waarover een aarde-weg loopt om langs het spoor

naar Mortsel te gaan. De nacht was schoon, zoo maanhelder dat de

sterren verbleekten. Het was zomer en zoel en zoo rustig alom. Het

deed wee aan het hart niet te kunnen genieten van de pracht der

dagen en te bedenken dat de kanonnen van Luik aan 't bulderen

waren en zoovele belgische jongens ginder in de maanlichte velden

roerloos neerlagen voor eeuwig. Achter mij strekte de donkere lijn

der verouderde wallen met, van afstand tot afstand de hooger

uitstekende mamelons tegen den rossen gloed der nachtelijke stad.

Voor mij en van op mijn hoogte zag ik de velden tot aan Luithagen,

tot aan Deurne. Het graan stond nog in maandels op de akkers. Het

waren lijk donkere tenten van een kamp die scherpe schaduwen

afteekenden in het maanlicht. De geur van het dorrend stroo en van

de warme aarde kwam met vlagen tot mij. Van tijd tot tijd reed door

de velden, in de richting van Brussel of Antwerpen, een lange

reizigerstrein en de lichtende ramen slingerden als een vuurlijn

voorbij. Ik stapte over en weer met mijn geweer op den schouder.

Traag gaan de uren voorbij in de nachtelijke eenzaamheid. Ik telde

de slagen der klok op den nabijgelegen toren van Berchem.

Eindelijk zag ik uit de donkere grot der stadspoort een patroelje,

klein in het maanlicht, verschijnen en toekomen om mij af te lossen.

Ik trok terug naar mijn corps-de-garde en strekte mij uit op de brits.

Ik lag maar nauwelijks neer toen ik, buiten, den korten knal van een

geweerschot vernam. Mijn maten hoorden het ook. Zouden dat die

duitsche auto 's zijn? Wij sprongen allen op, grepen naar onze

geweren, gespten onze bajonetten aan en liepen, onder geleide van

een serjant, naar de bres die in de wallen was aangebracht op den

mechelschen steenweg. Ik hoorde naast mij de geweren openen,

laden en met een knak weer toesluiten. Ik stak ook een kogel op het

mijne. Zou er waarlijk te schieten vallen? Wie zou er getroffen

worden van ons? Wij tuurden uit over de baan: niets te zien in het

licht der maan, de rust van den nacht. Dan plots komt over

den steenweg een man aangeloopen, zijn geweer omhoog. Wij

verkennen een burgerwacht. Buiten adem vertelt hij dat hij, op

wacht staande, twee mannen zag voorbij sluipen. Hij vroeg hun het

wachtwoord. Zij antwoordden niet. Hij vuurde, maar zij waren

verdwenen. Wij bleven nog een tijd op onze hoede, maar niets

kwam opdagen. De wacht trok weer terug. Het was mijn eenig

vechtincident, als ik het zoo mag noemen. Ik bleef talmen bij de

open bres en stapte over en weer tusschen Berchem-kerk en de

hooge groene wallen. De morgen zat reeds in het oosten. Vuurrood

begon de hemel te schemeren. Ik zag toen dat de mogelijke aanval

der duitsche auto's toch als ernstig was opgenomen, want in een

loopgraaf, door de bres, en achter een uitgestrektheid van

prikkeldraadversperringen, zaten soldaten van de linie-troepen

gereed achter een paar mitrailleuzen, de reesem blinkende kogels

op het kanon geschoven. Zij stonden nu ook op en wandelden met

hoog-toegeknoopte mantels in de kille klammigheid van den

wordenden dag. Wij begonnen te praten om den tijd door te krijgen.

Ik voelde mijn voeten verkillen in het nat van het gras der vesten.

Traag klonken de uren van den Berchemschen toren. Eindelijk

sloeg het klokke zes. Ik ging terug naar de kazerne. De gelederen

werden reeds gevormd om terug naar de stad te trekken voor den

rusttijd. Wij gingen weer 12 uur vrij af krijgen. Het was telkens een

genot terug thuis te zijn en mijn burgerpak te kunnen aantrekken. Ik

voelde mij niets geen soldaat. Ik verlangde een onmiddellijk-nuttiger

en daadrijker leven. De burgerwacht gaf dat niet. Het was eene

ontgoocheling. Hoe zou ik 't best naar mijn vermogens het

vaderland dienen?

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 4 / 26 题