XX.

"Hier is 't rapport, Vader!" zei Eduard, en hij gooide zijn pet op

een stoel en liep naar Vader toe, die voor 't raam stond en naar

buiten keek.

Gisterenavond waren ze eindelijk weer thuisgekomen, in hun eigen,

gezellige huis, dat door Rika netjes schoongemaakt en gelucht was.

Nog ruim een week waren ze bij Tante Lina gebleven, want zoo lang

Eduard toch nog niet naar school mocht had zijn Vader 't niet

prettig gevonden hem den heelen dag alleen te laten. "Oom blijft ook

hier tot Eetje weer beter is!" had Beppie dadelijk gezegd, en Tante

Lina had nog denzelfden avond de bedden laten veranderen. -- 't Was

toch aardig van Tante Lina geweest om de kamer van de groote jongens

dadelijk voor Vader en hem in te richten; Hugo had nu op 't

logeerkamertje moeten slapen, en voor Piet was een bed in de

badkamer gezet, en Vader zelf had Eduard naar Hugo's bed

overgedragen.

En verder was 't beter worden erg gauw gegaan; wel hing zijn arm nog

in een doek, en dat zou ook nog wel een week of wat duren, had de

dokter gezegd, en ook zag hij nog wat bleek en mager, maar toch was

hij vanmorgen weer voor 't eerst naar school geweest.

"Vraag nu of je 't rapport dat je voor de Paasch-vacantie gekregen

hebt nog eens mee mag nemen," had Vader gezegd, toen Eduard om kwart

voor negen klaar stond om naar school te gaan; "toen je 't kreeg was

't te laat om de cijfers nog te schrijven, weet je wel, en ik wou het

toch graag zien."

En Eduard had het rapport meegebracht; 't was wel geen prettige

boodschap geweest het aan mijnheer van Eerde te gaan vragen, want

hij wist vooruit al dat de cijfers Vader wel tegen zouden vallen. --

Vader had natuurlijk wel al lang gevraagd hoe 't op school ging en

Eduard had ook wel verteld dat 't niet zoo heel mooi was, maar al te

veel had hij er maar niet over gezegd.

Aandachtig had Vader de cijfers bekeken, en aldoor was Eduard naast

hem blijven staan om te hooren wat Vader zeggen zou, maar Vader zei

niets; en zonder Eduard aan te zien vouwde hij het rapport weer

dubbel en gaf het terug.

"We zullen gaan koffiedrinken," zei Vader eindelijk.

Eduard ging tegenover Vader aan tafel zitten; hij was daarnet hard

naar huis geloopen om gauw bij Vader te zijn en gezellig van alles

te vertellen, maar nu was 't ineens niks leuk meer; -- zei Vader nou

maar wat, gaf Vader hem nou maar een flink standje over dat rapport,

want daar was Vader nu natuurlijk kwaad om -- maar Vader zei niks.

Zoo was 't bij Oom Tom en Tante Lina nou nooit, die gaven tenminste

dadelijk standjes als ze kwaad waren en dan was 't tien minuten

later weer net of er niks gebeurd was, maar zóó duurde 't zoo

vreeselijk lang. -- Eindelijk kon Eduard 't niet langer uithouden.

"Vader, is u boos?" vroeg hij zacht.

"Boos? Welnee!" antwoordde Vader.

Daar had je 't nou al! Nou was hij nog even ver! Had hij nu maar

niks gezegd!

En Eduard begon zich opeens vreeselijk te haasten met zijn

boterhammen; gauw voortmaken maar, en dan buiten gaan spelen!

En zonder verder naar Vader te kijken liep hij toen hij klaar was de

kamer uit.

Wie zou hij nu eigenlijk eens gaan halen, en waar zouden ze naar toe

gaan? Misschien wou Meertens wel mee. -- O nee, die had van twee tot

drie timmerles. -- Als hij eens naar Tante Lina ging? Ze zouden

zeker wel in den tuin spelen vanmiddag! Toch maar niet doen, 't was

zoo'n eind! Wat deed hij vroeger ook weer altijd 's Woensdagmiddags?

O ja, dan had hij vioolles, en meestal maakte hij dan daarna zijn

werk. Maar in dat vervelende huiswerk had hij nu heelemaal niks geen

zin, en de vioolles was nog altijd op Vrijdag. -- Kom, hij kon Theo

wel eens gaan halen, die had hij in een heelen tijd niet gezien, en

wacht, hij kon eigenlijk best op de fiets gaan, hij was immers al

weer beter, en die arm hing nog wel in een verband maar je kon ook

best met één hand fietsen. Eduard haalde de fiets uit de kast. 't

Ding was na den val wel een week in de reparatie geweest, maar nu

zag alles er dan ook weer prachtig uit en de remmen werkten weer

uitstekend. Natuurlijk waren de banden weer slap; hoe kreeg hij die

nou weer opgepompt met zijn eene arm! Gezanik ook! Aan Vader vragen?

-- Eduard bedacht dat hij toch eigenlijk ook niet goed durfde gaan

fietsen zonder 't eerst tegen Vader te zeggen. Vooruit dan maar!

En Eduard slenterde weer naar de huiskamer. Maar Vader was er niet

meer. Vader was toch niet uitgegaan, dan zou hij Vader wel gezien

hebben! Eduard liep de gang weer in en: "Rrrika! Waar is Vader?"

schreeuwde hij tegen Rika, die juist de keuken uitkwam.

"'k Geloof dat meneer naar zijn studeerkamer gegaan is," antwoordde

Rika en Eduard holde naar Vaders kamer.

Aan 't groote bureau zat Vader te schrijven, en "Vader, wilt u m'n

fiets even oppompen?" riep Eduard.

"Waarvoor?" vroeg Vader, zijn sigaar uit zijn mond nemend.

"Nou, ik wilde wat gaan fietsen," zei Eduard, "en m'n banden zijn

zoo slap!"

Vader keek hem even zwijgend aan. "Wat dacht je nu eigenlijk?" vroeg

hij toen, "dacht je dat ik nu met je naar beneden zou gaan om je

fiets op te pompen en dat ik dan zou zeggen: 'Dag Pepi, veel

plezier,'?"

"Waarom niet, Vader?"

"Omdat er geen kwestie van is dat je fietsen gaat zoolang je arm in

dat verband hangt," en Vader schreef weer verder.

"Maar ik kan best met één hand fietsen!" mopperde Eduard, maar hij

kreeg geen antwoord, en stil pruttelde hij verder: "Bij Tante Lina

mocht je altijd doen wat je wou."

"Maar bij mij niet."

Met een boos gezicht bleef Eduard op de punt van de schrijftafel

zitten, maar Vader werkte rustig door en Eduard keek er naar hoe

vlug de zwarte lettertjes op 't witte papier kwamen.

Wat moest hij nu gaan doen? Nu mocht hij niet fietsen ook, en dan

dat akelige rapport; hoe moest dat nu gaan met 't toelatingsexamen?

Als 't zoo doorging mocht hij 't zeker niet eens doen en toch bleef

't vast zoo gaan als Vader er zich niet mee bemoeide. En natuurlijk

bemoeide Vader zich er niet mee zoolang hij er zelf niet over begon.

Maar wat moest hij dan zeggen?

Eduard stak zijn beenen vooruit en keek naar de punten van zijn

schoenen, toen nam hij een afgebrande lucifer van de tafel en bleef

daar mee zitten spelen. Maar eindelijk liet hij 't roode houtje op

den grond vallen, en zacht begon hij: "Vader!"

"Wat is er?"

"Denkt u dat ik toelatingsexamen mag doen?" Maar Vader keek niet

eens op en zei: "Dat weet ik niet; 't schijnt jou niet te kunnen

schelen en dan kan 't mij ook niet schelen."

"Maar 't kán mij wel schelen!"

[Illustratie - 24_gesprek.jpg]

Nu hield Vader op met schrijven, en hij vroeg: "Waarom heb je niet

gewerkt in den tijd dat ik weg was?"

Met groote, verschrikte oogen keek Eduard zijn Vader aan.

"Ik heb wel gewerkt!" zei hij toen.

"Maar waarom heb je niet beter je best gedaan?"

Eduard antwoordde niet dadelijk.

"Dat weet ik niet," zei hij eindelijk, en hij zette een heel

ongelukkig gezicht, "alles was zoo vreeselijk moeilijk en u was er

niet!"

"Maar omdat ik er niet was had je toch precies even goed je best

moeten doen!"

"Ik kan niet werken als u er niet bij bent!" zei Eduard, maar zonder

Vader aan te kijken.

Nu legde Vader zijn pen neer, en achterover in zijn stoel leunend

zei hij: "Kijk eens, je kunt best, als je maar wilt. Je moet niet

denken dat alles nu maar even gemakkelijk is! Als je dat denkt zul

je er heusch nooit komen, dan zul je heusch nooit iets bereiken! Als

jij er aldoor aan gedacht hadt dat je werken wilde, en je daarvan

niet hadt laten afbrengen, dan had je ook gewerkt! Maar er kwam zoo

heel veel afleiding, zoo heel veel dingen waren er die je ook mee

wilde doen, en toen schoot je werk er bij in. En toch moet je leeren

om daar tegen te kunnen, er zullen altijd, je heele leven door,

dingen zijn waar je graag aan mee wilt doen, en waarvoor je je werk

in de steek zou moeten laten, en je Vader zal er niet altijd bij

zijn om je te vertellen wat je doen moet! Begrijp je goed wat ik

zeg, Eddy?"

Eduard knikte van ja.

"En nu vraag je over dat toelatingsexamen voor 't gymnasium -- kijk,

je moet nu zelf maar weten wat je doet; als je zoo door blijft gaan

als je nu de vier laatste maanden gewerkt hebt, nee, dan mag je 't

stellig niet doen. -- En anders, als je maken wilt dat je 't wel mag

doen, dan moet je aanpakken. Je hebt heel veel tijd verknoeid, en ik

weet niet of het mogelijk zal zijn om veel in te halen, maar als je

het ernstig meent en je wilt je inspannen, dan kun je het probeeren.

Je hoeft me niet dadelijk te vertellen wat je doen wilt, denk er

maar eens stil over na."

En Vader nam zijn pen weer op en boog zich weer over zijn werk.

"Blijft u vanmiddag thuis werken, Vader?"

"Ja."

Eduard ging naar 't raam en keek naar buiten. Stil bleef hij staan,

een heele tijd lang, toen draaide hij zich om en haalde zijn

schooltasch uit de gang. En hij ging aan een hoek van de

schrijftafel zitten, legde zijn schriften en boeken voor zich, en

begon aan zijn sommen.

En aldoor werkte hij verder, zonder op te kijken; en wel werd het

niet heel netjes nu hij zijn linkerarm niet kon gebruiken, maar 't

maakte hem vandaag niet ongeduldig, en net zoolang rekende hij, tot

hij alle antwoorden gevonden had.

Toen stond hij op en zwijgend legde hij zijn werk voor Vader neer.

Aandachtig las Vader de sommen door, toen deed hij het schrift dicht

en gaf het terug. "En?" vroeg hij, Eduard aankijkend.

"Ik wou graag probeeren om in te halen," zei Eduard zacht, "als u me

helpen wilt tenminste. Ik weet wel dat ik het later alleen moet doen

en later kan ik het misschien ook wel alleen, als u me eerst dan nog

maar een beetje helpen wilt."

"Goed," antwoordde Vader, "maar dan blijft er niet veel tijd over

voor andere dingen, heb je dat nu wel bedacht?"

"Ja Vader."

"En zijn er nu nog lessen te leeren?"

"Alleen jaartallen, moet ik dat nu eerst doen?"

Vader knikte.

Eduard haalde zijn jaartallenschrift te voorschijn en begon te

leeren. Nu was het half vier, om vier uur was hij dus met alles

klaar; in al dien tijd dat hij bij Tante Lina logeerde was 't nooit

gebeurd dat zijn werk Woensdagmiddags om vier uur af was. En als hij

gewild had was het toch eigenlijk best te doen geweest. --

"Weet u wat ik zoo gek vind, Vader?" vroeg Eduard, toen zijn Vader

de jaartallen overhoord had.

"Nou?"

"Dat je toch zoo aan elkaar went. Ik dacht toen ik bij Tante Lina

was aldoor dat ik niks om ze gaf, om Hugo en Piet en de anderen, de

heele familie bedoel ik, begrijpt u?" en Eduard stopte de boeken en

schriften weer in zijn tasch.

"En geef je nu toch wel om ze?"

"Dat weet ik eigenlijk niet; maar je went toch wel erg aan elkaar,

vind ik. 't Was aldoor zoo'n drukte, en je hadt toch ook wel

dikwijls pret met elkaar, en ze hadden altijd plannen, zooals toen

die kuil in den tuin, en dat comediespelen en zoo."

"En ik speel geen comedie met je," zei Vader.

"Nee natuurlijk niet," lachte Eduard, "maar met je tweeën gaat dat

ook niks leuk. Kijk, ik vind het natuurlijk wel vreeselijk plezierig

om weer thuis te zijn, maar je mist al die drukte toch wel een

beetje, 't was soms toch wel erg gezellig."

Vader zuchtte even. "Je zult weer aan je oude Vader moeten wennen,

Pepi!" antwoordde hij.

Eduard streek met zijn hand door Vaders haar.

"Dat bedoel ik niet," zei hij, "ik houd van u natuurlijk toch veel

meer dan van hen allemaal bij elkaar, maar 't is hier zooveel

stiller, begrijpt u?"

"Ja zeker, ik begrijp 't wel." Vader dacht even na. "Weet je wat we

doen zullen, Pepi? Als je 't nu ernstig meent met werken en je houdt

flink vol, dan gaan we den eersten dag van de groote vacantie dat

het mooi weer is naar buiten, den heelen dag, en dan vragen we ze

allemaal mee, en dan mag jij kiezen waar we naar toe zullen gaan!"

Eduard vond het een prachtig plan. "Mogen ze allemaal mee?" vroeg

hij.

"Ja allemaal; Hugo, en Piet, en Lineke, en de kleine krieltjes, en

dan vragen we of Oom Tom en Tante Lina en de juffrouw ook mee gaan."

"En Theo ook? En Meertens? En van Merlen? Dat is ook een leuke

jongen!"

"Allemaal," zei Vader.

Eduard dacht even na. "We moesten Piet maar thuis laten," stelde hij

voor, "die was er toch eigenlijk de schuld van dat ik viel," maar

toen hij Vader aankeek, haastig: "Of nee, laat hij toch ook

eigenlijk maar meegaan." --

"Edu, daar is die jongen van Meertens en die vraagt of je buiten

komt spelen," zei Rika, haar hoofd om de deur stekend.

"Ja, ik kom," antwoordde Eduard, "'t mag immers Vader?"

Zijn Vader knikte.

En Eduard liep de kamer uit en holde de gang door met een daverend

"Hallo!"

Met een dreunenden slag viel de voordeur dicht.

Augustus 1907.

[ Transcriber's Notes:

Dit boek bevat een aantal zetfouten. Sommige fouten zijn

stilzwijgend hersteld, zoals ontbrekende aanhalingstekens. In

enkele gevallen werden er binnen dubbele aanhalingstekens wederom

dubbele aanhalingstekens gebruikt. Voor de duidelijkheid zijn die

veranderd in enkele aanhalingstekens.

De 'platte tekst'-versie simuleert met [_] italic,

en met [~] gespatieerde tekst-fragmenten.

De "HTML"-versie toont de oorspronkelijke bladzijde-nummers, de

'platte tekst'-versie niet. De bladzijde-nummers kunnen verborgen

worden in de "HTML-versie. Indien gewenst, open dan het

HTML-bestand met een tekstverwerker en kijk naar de aanwijzingen

bij de CSS-klassen [pagenum] en [hyphen]. Als de bladzijde-nummers

zichtbaar zijn, dan hinderen ze niet bij het zoeken naar

tekstfragmenten, omdat ze virtueel worden getoond.

Voor het gemak van de lezer is er aan de "HTML"-versie ook een

inhoudsopgave toegevoegd.

Verder zijn de volgende zetfouten gecorrigeerd (en in de tekst

voorzien van 'hints' die de oorspronkelijke tekst tonen):

[dat bij dan] ->

[dat hij dan]

[op die schilderij!"] ->

[op dat schilderij!"]

[Dat is de concierge] ->

[Dat is de conciërge]

[Sneeuwitje] ->

[Sneeuwwitje]

Deze fout kwam 4x voor.

[mijn viool gekregen "en] ->

[mijn viool gekregen en]

[geen anwoord te] ->

[geen antwoord te]

[het het is jouw beurt!"] ->

[het is jouw beurt!"]

[dit vers was] ->

[Dit vers was]

[naar de bioscope] ->

[naar de bioscoop]

[rozijnen, vermecelli, en] ->

[rozijnen, vermicelli, en]

[aan te merken hebt ruk je] ->

[aan te merken hebt, ruk je]

[over 't pikkeldraad] ->

[over 't prikkeldraad]

[Dat Piet grinnekend] ->

[Dat Piet grinnikend]

Drie maal gecorrigeerd naar de meest voorkomende

schrijfwijze in dit boek: [grinniken]

]

Eduard Kerner · 第 42 / 42 题