Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar
wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek
wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet,
hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat
hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt
en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha
bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en
granen baart, waarmede mensen en dier zich voeden. Doch zij zoude
geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten
gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden
voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden
de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening
Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster
geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene
wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader)
zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.
Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
van onze vijanden (lëtha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen
dat een koning niet over den wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij
in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben
het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam,
huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven
legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en
de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist
en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen,
hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin,
daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de
willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte,
ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het
zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij
heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten
zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die
daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe
voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan,
daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige
uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik
mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden,
die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook
wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen
gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat
Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben
zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven,
met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even
zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe
laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen
van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen,
ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij
zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam
stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal
de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet
van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden;
zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar
ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat,
toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij
zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig
aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit
hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare
maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren,
bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst
gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.
Einde van Rikas brief.
daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door
deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik
der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen
zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen,
toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van
het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar
nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat
zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men
nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de
rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte,
daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd,
was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was,
waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij
alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men
geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde
tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen
hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn
staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te
maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd
het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te
vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had
liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en zeiden,
dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg
er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden
werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn
tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven
genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne
meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen
elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip
moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze
lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen,
ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog
geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen
gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder
uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden
over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al
onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze
verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen,
er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of
een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de
jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten,
en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten
zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend,
en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen
te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De
Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze
velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben
wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede
voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer
van Fryas erf te verdrijven zijn.--Dat is recht, riepen de meesten,
en de rijken durfden hunne monden niet open doen. Deze toespraak had
hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van
dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen;
en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden,
zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen
kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet;
kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de
rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha
uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge
bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas
bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers,
voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met
der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden
kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch
ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen
zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van
flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in
de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige
schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen
nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen geërfd hebben. Om nu
goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk
laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De
heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert
onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en
Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop
van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de
verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de
Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij
daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd,
Rome, dat is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk
zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het
volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor
het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers)
zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed
en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door
de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere
volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen
gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven
die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren,
die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen
niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen,
daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij
de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn
duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar
de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak,
dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was
daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of
Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden
de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder
hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete
en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden
kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden
en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de
Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden,
om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam,
gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
bloed bij de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans
hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den
opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de
soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt
met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets
gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne
schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen
en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam
bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche
bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat
hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven;
doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof,
waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van
allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra
niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop
afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over
zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen
de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere
Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er
ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar
hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude
laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met
drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak
zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij,
had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden
moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas
volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren
Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten
achtereen; zij hadden gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk
en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten
zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas
volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas
erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden
om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne
kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe
graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u
bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door
toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde
alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare
borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen
tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve
langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo
genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De
Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat
in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle
van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht,
en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede
willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging
zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen,
om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren,
kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich
zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije
en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn
gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat
deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het
land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de
Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze
zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen
onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja
vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en
allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van
Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond
boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de
boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een
gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden
moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne
vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren;
bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang
verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te
Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke
beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd
dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor
nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder
opgebouwd.
Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder
te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden,
die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof
hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des
nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde
men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en
Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons
allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in
het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men
alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen
tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en
alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo
ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken,
witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al
deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook
tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar
de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch
meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had,
liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen
en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo
met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle
te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij
brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist
daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het
veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar
dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de
straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens
hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de
Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen
en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk
der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk
werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden
gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden
aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de
boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van
de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden
zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en drinken vergiftigd
waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef
en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn
binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten
voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee;
met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van
Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen,
en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de
buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik
die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat
Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft,
als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken
was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar
wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn
staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen,
gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf
zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich
zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het
zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich
gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen
omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd,
evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere
volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet
omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten,
die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning
over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden
zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen
gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester
erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de
algemeene vergadering. Askar had reeds van Reintja vernomen, dat de
Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete
waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij één hertog van zijn volk zouden
kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander
zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten
met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der
Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na
driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars
neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste
Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven
van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu
toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn
zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen
staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles
goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar
daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij
moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde,
liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen
heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten
zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan
had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de
Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen,
en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen
en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in
de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die