1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden
zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.
2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt,
in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind,
op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong
volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar
niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.
3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden,
aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden,
de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar
een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind
zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.
Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den
dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden,
hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in
zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld,
ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden,
waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden
bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven,
terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan
de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.