9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.

10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne

nabestaanden ook naar die eer dingen.

11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,

dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan

het vierde lid.

12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets

verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te

hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de

liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.

Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw · 第 18 / 118 题