10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
nabestaanden ook naar die eer dingen.
11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan
het vierde lid.
12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.