Langs het vijvervlak door een koeltje gerimpeld, glanst vroolijk
de lentemorgenzon. Blij schallend vieren de vogels hun hoogtij in
't woud. De fijne bolsters hebben den drang van 't jonge leven niet
langer weerstaan. Tusschen de zware stammen zijn de heesters reeds
geheel met lichtgroen omhuifd, en ook de iepen en beuken tooiden zich
reeds met een zachtgroen waas. De rosse knopjes der eiken glimmen
hooger, bottende in 't zonlicht. Frisch groen breekt het bruin van den
sierlijk golvenden bodem, die bedekt is met een glanzige bloemensneeuw
van duizenden bosch-anemonen.
Verrukkelijk bosch! Trotsch in den zomer, als ge uw rijkdom van
lommer aan den frisschen vijverzoom huwt; prachtig in 't najaar, als
de schuine zonnestralen tinten tooveren in uw dieper groen en bruin;
liefelijk, betooverend schoon in 't voorjaar, als het koeltje suist,
en de zonnestraal spreekt van lieven en leven.
En gewis, alles stroomt er naar buiten; oud en jong, rijk en arm,
nu de zon, na malschen regen de lustwarande der hofstad zoo prachtig
tooit voor het groote jaarfeest der Natuur....? Zacht wat! Nu ik
aan 't eind van den breeden vijver,--als zoo dikwijls reeds op dit
vriendelijk plekje--de zoete stemmen van een eersten lentemorgen
beluister, nu bespeur ik, noch langs die vijverzoomen, noch op de
paden tusschen 't hout, eenig spoor van menschelijk leven. Doch zie,
een woudduif schrikt op. 't Geklinklang van een bungelend wapen doet
zich hooren. Achter den heuvel, waar 't zwartaarden rijpad slingert,
worden twee ruiters ten deele zichtbaar. In galop schieten ze langs
't malsche heestergroen voorbij. Ginds, bij 't klimmen van den heuvel,
verrijzen ze even, maar duiken ook aanstonds weer weg achter den zoom
der bosch-anemonen.
Hoe! is er in dit vriendelijk morgenuur--en immers nog vóór
bureautijd--geen enkele wandelaar in 't prachtige Haagsche Bosch?
Ja toch, ginds in de verte daar gaat "de grijze mijnheer," en daar, op
't groote pad, keert de altijd lezende bakkersjongen met zijn leege
broodmand als naar gewoonte dood-langzaam naar de stad terug. Of hij
wijsheid of dwaasheid zoekt....? Natuurschoon en 's meesters voordeel
zeker niet. Ei zie, 't is waarlijk druk dezen morgen; daar komen nog
twee personen de kleine brug af, en gaan mijn zitplaats voorbij.
"Nein! Traviata nicht gesehn, nein!"
--'t Is egoïstisch misschien maar bij 't vernemen van iets dergelijks,
krijgt men er vrede mee, dat het 's morgens vóór den pantoffeltijd,
zoo kalm blijft in het heerlijke bosch.
En bij 't stil genieten van 't jonge leven in 't ronde, is 't zeker
niet vreemd dat de geest terugdwaalt naar de lente van 't leven,
die reeds zoolang voorbij is. Wat was 't een heerlijke tijd, die
blonde jeugd! ... vroolijk, vrij, zonder zorg, in dartele onschuld
genietende....
Straks bij 't opstaan zal ik 't eerst begrijpen hoe David Bot mij
plotseling zoo klaar voor den geest is gekomen.
't Was in den knikkertijd. David had me al mijn knikkers afgenomen,
en bovendien was ik er hem nog twintig schuldig gebleven--twintig
met inbegrip van twee albasters.
"Willen we quite ou double?" zei David.--"Wat is dat kiet oe
doebel?"--David was drie jaar ouder en veel sterker en ook knapper dan
ik.--"Wel we doen even of oneven; als je 't raadt ben je me niemendal
schuldig, en anders dubbel zooveel."--Goed! Ik raadde even. 't Was
oneven. "Da's veertig!" zei David: "Nog eens!"--"Oneven"--"'t Is
even" zei David: "da's tachtig." Ik kreeg het vreeselijk warm.--"Nog
eens?" vroeg. David. "Neen, neen!"--"Niet? Ben je mal; als je 't
raadt heb je alles weerom!"--"Nou! oneven."--"Mis!" zei David:
"da's honderd zestig."--nou win je 't!"--"Even!"--"Alweer mis,
driehonderd-twintig." De tranen sprongen mij in de oogen.
"Nogeens!" riep David. En nog eens raadde ik mis, en David lachte,
en telkens stak hij mij zijn roode saamgeknepen hand toe; en toen ik
nog vijf malen met bevende stem had misgeraden, toen grinnikte David:
"Nou schei ik er uit! Twaalf duizend vierhonderd tachtig knikkers
ben je me schuldig. Je zult ze me geven hoor of anders ben je een
dief en je komt aan de galg!"
O zalige kindertijd! Acht dagen lang heb ik in doodsangsten
doorgebracht. Ellendiger kan de totaal geruïneerde huisvader zich niet
gevoelen, dan ik mij gevoelde; vooral wanneer die kleine propperig
dikke David, mij, sarrende, telkens papiertjes in handen speelde,
waarop dat schrikkelijke cijfer geschreven stond, o, dan brak mij
het angstzweet uit, en eens, midden onder schooltijd, toen hij de lei
omhoog hield met een poppetje aan de galg er op en alweer dat cijfer
er onder, toen wenschte ik dat ik dood was. Eerst nadat ik alles
aan mijn goede moeder gezegd en zij mij honderd knikkers gekocht
had, ademde ik weer vrijer, want de propperige David vond--evenals
ik--tusschen de getallen 1 2 4 8 O en 100 zoo'n groot onderscheid niet.
Blijde kinderjaren! Mijn nichtje Anna had een bakkesje om te stelen,
en op de kinderbals dansten we meestal samen. Eens had zij tegen
David gezegd, dat zij niet met hem dansen wilde, omdat hij zoo
gniepig met mij gespeeld had. Den volgenden dag zei David tegen mij,
dat Anna scheel zag, en van de pokken geschonden was. Ik ben toen
woedend geworden, want Anna was als een meikers zoo glad, en mooier
oogjes waren er niet in de heele wereld! Hoewel David zooveel ouder en
sterker was dan ik, heb ik hem toch een duchtigen slag gegeven. Maar
David heeft me daarop met zijn stevige knuisten zoo erbarmelijk
toegetakeld, dat mijn linkeroog bont en blauw zag. 't Was om razend te
worden! Meester zei dat ik was begonnen en daarom moest schoolblijven,
en duizendmaal schrijven: Ik mag mijn kameraden niet slaan. Toen
David naar huis ging, stak hij de tong tegen mij uit en fluisterde:
"Weet je, ze is scheel en mottig!"
En ik, die duizendmaal schrijven moest, dat die leelijkerd mijn
kameraad was!! Toen ik thuis kwam zei mijn vader, dat meester mij
stellig niet onrechtvaardig zou gestraft hebben, en moeder, dat het
van David zeker een grapje geweest was.
In den zwaren beukestam ginds, staat met kolossale letters de naam
DAVID gesneden; en David Bot heeft mij aan die donkere dagen herinnerd,
en aan nog zoovele andere uit die vroolijke zorgelooze jeugd, uit
die nooit volprezen lente van 't leven.
In 't midden van een breed uitgesneden hart, staat in dienzelfden
beukestam, ter linkerzij en veel hooger den naam Maria.
Maria! En ik denk aan het schoone jonge vrouwtje dat haar Eduard
aanbad. Hij--hij droeg haar op de handen. Hun liefde was hun
hemel. En--nog was het kindje niet geboren, dat hun echt bekronen zou,
toen zij starend neerzat in 't sombere rouwkleed. Geknakte lelie! En uw
zomer zou zoo schoon zijn! Maar uw kind werd uw liefde en rijkdom. Zoo
had de zomer dan toch zijn bloemen voor u, trouwe moeder.
In dien boomstam staan nog een menigte naamcijfers en
jaartallen. Misschien bezie ik de kloeke beuken, die de herinnering aan
meer dan drie geslachten bewaren, later wel eens wat nauwkeuriger;
nu is 't genoeg. Met de frissche morgenlucht heb ik tevens een
fiksche teug uit den frisschen levenskelk genoten. Neen, als de
lente herleeft, en land en bosch jubelt in den zonnestraal met de
zachtste tinten en kleuren, dan droomen we niet van een zoet weleer,
dat slechts in de herinnering zoo vlekkeloos schoon was; dan leven
we evenmin in een toekomst, hunkerende naar een zorgloozen ouderdom,
die nooit zal komen; maar dan leven we in het heden en roemen in de
heerlijke lente, die nu weer haar schatten ontplooit.... Maar zie,
bij 't genietend voortwandelen langs het lichtste groen van iepen
en eschdoorns, terwijl hooger de vogelkers met zijn sierlijk witte
bloemtrossen, honinggeuren door 't bosch verspreidt, komt toch een
droeve toon, een toon van smart en rouw en vervlogen kracht en geluk
het hart beroeren: Ginds op een bank zit een grijsaard. 't Is een arme;
een houten kruk staat naast hem; om zijn versleten zeer rossen hoed,
zit een breede nog rosser rouwband. Zijn gezicht moet hij missen,
want de drie kinderen, die slechts op zeer korten afstand anemonen
plukken, hij roept ze en waarschuwt hen toch niet te dicht bij het
water te komen--ofschoon de vijver nog op grooten afstand is.
Arme tobber, eens kondt ge zien; eens kondt ge de lente genieten;
eens kondt ge u vrij bewegen, dartel zooals die kleinen ginds, of
rustig zooals hij die uw zitplaats nadert.
En de kinderen keeren met hun bloemen tot grootvader terug; en, als
ze hem hun schat toonen--alsof hij dien zien kon--en het kleinste
meisje hem de anemonen onder den neus drukt, dan lacht hij tevreden
en niest, om zijn verrukking aan 't kind te toonen. En terwijl
grootvader de roode wangen van het lieve bloemplukstertje streelt,
roept haar oudere zusje: "Nou draaien, grootvader! Toe!" En zie,
zij heeft den oude het eind van een lang touw reeds in de hand
gegeven. "Ja kom, nu lustig aan 't springen," zegt grootvader: "Jij
Jan, 't eerst meedraaien." En de grijsaard draait het springtouw. En
met luisterend oor, het hoofd een weinig ter zij, bespiedt hij den
lustigen touwdans der kleinste. Ei, 't oudste zusje, ongeduldig,
springt mee in de bocht. En grootvader glimlacht, want: Ja ja,
hij bemerkt het wel. Maar ze mag het wel doen! En het touw vervat
hij gedurig van de eene in de andere hand. "Neen, ga je gang maar;
grootvader zal wel draaien, als jelui maar pret hebt!"
Hij zou wel draaien, als die kinderen maar pret hadden!--En nog
een poos zag ik naar 't lustig gespring der kleinen, die, eerlijk
om beurten met grootvader het touw draaiden; en ook zag ik naar
dien oude met zijn vergenoegden lach op het kennelijk door smarten
gegroefd gelaat. En weer voortgaande langs het tintelend weefsel van
doorschijnende blaadjes, dacht ik nogmaals aan dat ziekelijk dwalen
in verleden en toekomst; en het bosch met zijn stemmen van vogels en
kleuren en geuren het riep mij nogmaals toe: Prachtig is deze lente! 't
Is niet te denken dat er voor u schoonere zullen komen! Geniet dan,
o mensch, en klaag en zucht niet om 't geen voorbij is, en hunker en
jaag niet naar.... uw graf. Als ge zelf niet meer springen kunt, welnu
draai dan het touw voor de kleinen. Als anderen lachen en vroolijk
zijn dan zult ge nog mee genieten. Leef in het heden! zie--de zon in
die blaadjes, ze lacht zelfs voor den zwaarst beproefden sterveling.
Juist bij 't uitgaan van 't bosch gaat Flanor mij voorbij. "Prachtig in
't bosch!" roep ik hem toe.--"Overheerlik!" is zijn antwoord.
Of het Flanor werkelijk ernst is de ij af te schaffen? Ik weet
het niet; maar, nu zijn overheerlik mij nog in de ooren trilt,
en ik hem in 't groote bosch langzamerhand zoo heel klein zie
worden.... nu geloof ik toch dat hij in zijn "Spectator" bij ongeluk
God zonder hoofdletter heeft geschreven. Ik nam het voor ernst, en vond
het.... kinderachtig. De oorsprong van alle bestaan; de bron van alle
leven door het zonnestofje mensch, onder vele namen ook GOD geheeten;
dat hoogste waarnaar de wijsheid vorschte sinds 's werelds bestaan,
Flanor zal het alvast eenvoudig geen hoofdletter waardig keuren! Maar
neen, de kerel meent het niet, hij heeft er te veel hart en verstand
voor. Straks als hij 't Groote orkest der natuur in 't bosch zal
gehoord hebben, dan lacht hij er zelf om--of, hij lacht er niet om,
en misschien is 't nog beter.