Oui, je voudrais, dans un élan sublime,
Vous presser tous sur mon coeur palpitant:
Enfants de Dieu qu'un meme zéle anime,
Courrez au but, la palme vous attends.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Si le trépas, Fréres venus de France,
A parmi vous fait des vides nombreux;
Serrez vos rangs, espoir et confiance!
Suivez les pas de vos morts glorieux.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,
Fils d'Albion, vous qu'entourent les mers,
Unissez vous, pour les arts plus d'entraves,
Par vos travaux étonnez l'univers!
Et vous enfants de la rive bénie,
Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,
Puissent vos maux fimir, l'Italie
Produire encor un nouveau Raphaël. [7]
Et toi, sois fier, o mon pays que j'aime!
Qui donc encor t'ose appeler petit?
N'es-tu pas grand par eet éclat suprême,
Qui de tes fils jusqu'à toi rejaillit?
Ce jour t'acquiert une gloire nouvelle,
Pays des arts et de la liberté,
Tu vas fonder la paix universelle,
Sur le talent et la fraternité.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:
Retentissez, chants de victoire,
Éveille-toi, noble cité,
Fêtons les élus de la gloire,
Les fils de l'immortalité....
dan--dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is,
dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,--straks ook
dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en
wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe
ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en
vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een
huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft
de Kunst hier getooverd!
Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem,
en ziet: Een reine vuurstraal ZUCHT krachtig naar boven, en schoone
duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt
zachtkens vanbinnen:
Bloemen en gaven zij dalen van Boven:
Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!
En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens
kathedrale.
Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum
ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan
in stilte:
Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,
U, eeuwig Vader, U verheft al 't schepsel saam.
Zingt Serafs, Eng'len zingt; heft Machten aan en Tronen;
Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,
Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,
Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren. [8]
En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden,
dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg
meer te duchten, dan is het:
La paix universelle
Par la foi, le travail, le génie et l'amour.
Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!
En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van
uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte,
den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte
als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting
als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed
samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken
met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de
opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar
waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid. Kunst! dochter der
WIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!
En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving
der gedachten in 't leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler
profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn
levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn
er geslagen, en koude harten--ze hebben gegloeid! Stad van den reus,
dank, dank voor uwe zegepraal.
En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd
en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten
het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen,
toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij,
wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen--den omgang der reuzen
en wagens.
En ziet, de walvisch--de reus der zeeën--opent den trein. Uit zijne
neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het
jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:
Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën
en Schelde zijn één!
Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus,
de ranke dolfijnen.
En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met
kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:
Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met
het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt
aan de oevers der Schelde.
Ziet gij 't wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden
bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook
de VROUWE mag GROOT zijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet:
rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als
het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van
den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der
heiligste Liefde.
Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de
forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, 't is zijn afbeeldsel
wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar
door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in 't ronde omdat
hij nog kleinheid bespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik:
kleinheid, die snel voor hem heengaat. "Weest groot zooals ik!" klonk
eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ook rondwaart,
hij kan er niet achter zich zien en aanschouwen wat hem volgt op den
voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch--werd
grooter dan hij.
Brabo's triumf:
Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving,
door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen
zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met
u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan
den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te
luider een driewerf: Houzee!
Houzee!
En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden;
en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de
nakomelingschap, en wijst op de schatten van 't genie, die zijne
wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne
plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf,
klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling
met zich voert.
En--wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht
heeft?
Ziet, daar nadert Flora's zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke
maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel,
omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt
haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en
tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.
Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en
der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten
wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.
En--als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste
blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in 't klokkengelui
van den toren alweder den nagalm van 't lied, het lied dat ook dié
omdracht u zong:
Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U,
door U zij er vrede op aarde!
En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de
voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige
schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.
Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige
vertooning zocht te schetsen--de naklank, de naklank er van is zuiver.
Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden
van het verheffende psalmlied zong:
"I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria."
Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter
beheerscht, die er te zamen herhaalden: