Zoo—dacht Raffles,—zijn de moordenaars weer eens bezig geweest? Waar nu
weer?
Hedenmorgen werd bij een bommen-aanval de Koning en Koningin van
Serbina doodelijk getroffen.
Een later telegram meldt, dat beide vorstelijke personen gedood
zijn.
Omtrent het tragische gebeuren verneemt het Internationaal
Persbureau het volgende:
Toen hedenmorgen het vorstelijk echtpaar uitreed, ten einde den
dienst bij te wonen in de Hoofdkerk, werd bij het Dragaplein een
groote volksmenigte aangetroffen die de Koninklijke personen luide
toejuichte.
Op eenmaal, juist bij de kerk, liep een man snel door de
menschenmenigte op het Koninklijk rijtuig toe, met het kennelijke
doel iets zwaars, dat hij in de handen droeg, te werpen naar de
vorstelijke personen. Door snel en buitengewoon tactisch optreden
konden de militairen, versterkt met een groote politiemacht, den
man grijpen waardoor de bom—dit was het zware voorwerp—op de straat
viel en met donderend geweld uiteen spatte.
De paarden voor het koninklijk rijtuig steigerden en een aantal
politieagenten liepen toe, grepen de teugels en kalmeerden de
zenuwachtige dieren.
Onmiddellijk waren de dames en heeren uit het gevolg toegesneld
naar het rijtuig waarin de Koning en Koningin hadden plaats
genomen.
Gelukkig bleken zij nog ongedeerd te zijn.
Wel was de Koning zeer onder den indruk, wel was de Koningin
zenuwachtig, doch beiden waren zonder letsel.
Toch was alles nog niet afgeloopen. Een nog jonge vrouw trad,
ondanks het verbod der politieambtenaren, snel naar het nu
stilstaande koninklijke rijtuig en wierp een nieuwe bom, die
oogenblikkelijk uiteenspatte.
Er ontstond een geweldige paniek.
Honderden menschen geraakten onder den voet, en de eerste minuten
wist niemand wat te doen om de rust en kalmte te doen wederkeeren.
Toen deze dan toch kwam, waren de Koning en Koningin reeds dood en
met hen velen uit hun gevolg.
De toestand is onbeschrijfelijk en nadere berichten zijn nog te
vaag om een algeheel en goed overzicht van deze gebeurtenis te
verkrijgen.
Wel staat reeds vast dat de aanslag gepleegd door leden van den
zoogenaamden geheimen bond tot vernietiging van alle gekroonde
hoofden.
Zoo men weet heeft deze bond vertakkingen over de gansche wereld.
Waar het hoofd dezer gruwzame bende zetelt is nog steeds, ondanks
de ijverige nasporingen der politie, een raadsel.
Men had gehoopt dat de twee bommenwerpers meerdere inlichtingen
zouden kunnen geven, doch de man is zelf slachtoffer geworden van
zijn aanslag en de vrouw sneed de polsader door op het moment dat
zij gevangen werd genomen. Zij riep nog luide „Mijn plicht
volbracht. Rou...”
Bij het sluiten van onze kolommen kwamen nog geen nieuwere
berichten in.
Raffles liet de courant zakken en dacht na. Onwillekeurig zag hij voor
zich een massa menschen, allen hevig bewogen door één feit... „de
Koningsmoord”.
Wie was toch ’t hoofd dier bende?
Lang dacht Raffles er over na....
„Och wat!”—prevelde hij ten slotte, „’t lijkt waarachtig wel of ik
politieambtenaar ben.”
Toch liet het denkbeeld hem niet los, zoo’n bende uiteen te kunnen
rukken en den meesten eens te toonen dat er nog andere machten dan de
hunnen bestaan.
„Wie weet op een verloren oogenblik, als ik zoo’n vervloekten nihilist
eens tegen z’n body loop of ik dat spoor nog eens niet op zoek”, meende
Raffles bij zich zelf.
De uren verstreken en binnen een kwartier moest Charly, als alles was
goedgegaan, aankomen.
En werkelijk reed tien minuten later Charly voor het hotel aan, sprong
er uit en riep:
—Edward, er is weer een koningsmoord gebeurd!
—Weet jij er iets meer van dan de oude „Times”?
—Ik heb ’t avondblad. Laatste editie.
—Nieuws?
—De hoofdmoordenaars moeten òf in Frankrijk òf in Engeland schuilen.
—Ah! Enfin, dat gaat ons niet aan. We gaan eerst het briefje halen van
onze onbekende schoone.
Charly met Raffles togen op weg naar „Bartram-Haugh” en gezamenlijk
droegen zij het typische opvouwbare bootje, dat Raffles noodig had om
te geraken tot den toren van het slot.
De duisternis was volkomen en geen menschelijk wezen was zichtbaar bij
of om het oude slot, dat daar lag als een geheimzinnig raadsel.
Raffles naderde met Charly zeer voorzichtig de slotgracht.
Handig en vlug zetten zij het bootje in elkaar en Raffles liet het
lichte ding in het water zakken.
—Heb jij ’t touw goed vast, Charly?—vroeg Raffles.
—Ja. Ga je gang maar. Pas op!—antwoordde Charly.
Raffles stapte in het bootje, dat schommelend van den walkant ging, en
werd zacht voortbewogen door een kleine roeispaan, die als roer en
schroef achteraan bevestigd was.
Charly hield een touw in de hand, dat, vastgemaakt aan het bootje,
dienen moest om straks het vaartuigje terug te trekken.
Ademloos wachtte Charly af.
Alleen het zachte geplas der roeispaan werd vernomen en overigens
heerschte er een geruischlooze stilte.
Raffles was thans bij den rechtertoren en tastte langs de steenen of
hij ook een brief voelde.
Niets vond hij.
Wel zag hij daar boven een schemerig licht, maar dat was ook al.
Zat daar soms de onbekende dame?
Raffles moest het weten.
Hij had toch al deze moeite niet voor niets gedaan?
Hoe er te komen?
Even flitste het licht van een electrische lantaarn langs den muur van
den toren en zie er waren uitstekende steenen, die als het ware een
trap vormden, waarlangs Raffles naar boven klimmen kon.
Maar ’t was ontegenzeggelijk een waagstuk.
Met een eind touw bevestigde Raffles de boot aan den muur vast. Er zat
een ring in den muur, die als het ware voor eenzelfde doel was
aangebracht.
Toen dit gebeurd was, klom Raffles langzaam naar boven.
Zijn fijne handen deden hem wel pijn, maar dat gaf niet. Met wilskracht
ging het „immer hooger”.
Binnen enkele minuten had hij het raam bereikt dat verlicht was.
Raffles boog zich voorover om te luisteren.
Niets vernam hij.
Alles was doodstil.
Zacht tikte Raffles op het raam... Geduldig bleef hij wachten....
Voorzichtig, aarzelend bijna, werd het gordijn opgetild en onmiddellijk
weer neergelaten.
Doch dit was Raffles’ bedoeling niet.
Andermaal klopte hij aan en thans hoorde hij het raam voorzichtig op
een kier schuiven.
—Wie daar?—fluisterde een stem van binnen.
—De brief!—gebood Raffles kortaf.
—Zijt ge toch gekomen?—klonk het weer van binnen uit.
—Gauw den brief!
Het raam werd iets hooger opgeschoven en een blanke hand gaf een
couvert aan Raffles.
—Dank u!
Raffles had den brief in zijn jaszak geborgen en daalde nu snel naar
beneden.
Zich met de handen vasthoudende, zocht hij met de voeten het bootje en
na eenige tevergeefsche pogingen slaagde hij er in het kleine
vaartuigje naar zich toe te halen.
Zoodra hij er in zat, trok hij aan het touw dat Charly nog steeds
vasthield en dit was voor dezen een teeken om het touw naar zich toe te
trekken.
Charly scheen hard te trekken, want slechts enkele minuten later lag
het bootje aan den wal gemeerd.
—Ik dacht dat je niet meer terug kwam!—zoo begon Charly.
—Ik moest naar boven klimmen.
—Was de brief er niet?
—Neen. Ik heb het epistel zelf gehaald.
Raffles zette zich nu neder in ’t gras dat op den wal groeide en na een
beschermkap over zijn lantaarn geslagen te hebben, las hij vlug bij het
electrisch licht:
Mijnheer Pfanstehl.
Het is misschien zeer vreemd dat ik, hoewel u niet kennende, toch
deze schrijf naar aanleiding van het vreemde, korte onderhoud dat
wij gistermorgen met elkander hadden.
De zekerheid evenwel dat ik inderdaad te doen heb met iemand die
door zijn vele ervaringen ons misschien helpen wil en kan, deed mij
besluiten om, zonder dat ik u vertrouwen mag noch kan, deze te
schrijven.
Eerbiedig mijn woorden, zooals ik de uwe deed, toen ik u zoo hoorde
spreken op het oogenblik dat wij elkander voor ’t eerst spraken.
Want, mijnheer, deze ontmoeting heeft een beteekenis voor mij en
mijn leerling.
Gedurende langen tijd zocht ik een aanknoopingspunt met de
menschenwereld, doch de Ulmer dog zorgde er wel voor dat niemand
mij durfde naderen. Had ik het gewaagd, de hond had mij verscheurd,
want zijn meester heeft hem buitengewoon gedresseerd.
Genoeg. Ik zocht maar vond die middelen niet, welke noodig waren om
tot de vrienden en kennissen die ik bezit te geraken.
Mijn brieven worden gecontroleerd, en meestal niet verzonden,
zoodat ook dàt mij niets gaf.
Eindelijk kwam u.
U greep den hond aan, u dwong ons tot spreken.
Eerst dachten wij aan een berooving en hoe vreemd het ook klinken
moge, wij hoopten al dat u ons gevangen nemen zou.
Dat is als u verder leest, u misschien niet vreemd.
Er heerscht hier op „Bartram-Haugh” een vloek. Een vloek der
geheimzinnigheid en duisternis. La Rougière—zoo heet de
slotheer—woont hier al gedurende ruim twintig jaren en voert dingen
uit die niemand weet. Dagen en nachten heb ik geprobeerd den man te
bespieden, maar zelfs het meest scherpzinnige vrouwenvernuft is
niet in staat den man te ontmaskeren. Eén ding weet ik uit den mond
van zijn eigen dochter. Hij is nihilist en uitgeweken uit het
vasteland van Europa, omdat hij verschillende moorden op zijn
geweten heeft.
Charlotte, zoo heet de dochter, weigerde, en weigert nog om haar
vader, die reeds bij hare geboorte weg was en dien zij dus niet
eens kende, hardnekkig om hem te helpen in zijn plannen.
Ook ik. En nu kunnen wij ook geen stap doen of de heer des huizes
bespied ons of laat ons bewaken.
Reeds meermalen heeft hij ons met den dood bedreigd.
Levend zijn wij hier begraven en geen mensch kan ons verlossen. Het
is ellendig, doch waar.
Onze eenige bedoeling is vrij te mogen uitgaan.... verlost te
worden van dezen moordenaar en tyran.
Hij houdt voeling met de buitenwereld, zoo nauwkeurig, dat hij
gisteren wist dat de koningsmoord in Serbina plaats gevonden had.
Hoe dit mogelijk is weten wij niet, want de enkele brieven die hier
komen per postbode zijn, zoo op ’t oog gezien, te onschuldig.
Gansche nachten is de man op. Wat er dan gebeurt, weet niemand.
Doch wat baat het mij nu, of ik u dit alles schrijf? U kunt mij
misschien evenmin helpen als anderen.
Het kasteel is, voor wie ook, onherroepelijk gesloten. Niemand komt
er in.
Hoe zult u ons kunnen helpen?
U zoudt misschien naar de politie kunnen gaan en dezen brief als
bewijs toonen, doch als de politie dan een inval deed, zou zij
slechts dooden vinden, want La Rougière is zóó, dat wanneer iets
zou bewijzen dat hij gevangen genomen zou worden, hij liever
sterven zou en ons meesleuren dan zich over te geven.
En met geheimzinnigheden komen wij helaas niet verder.
Ik was nu bezig om den Ulmer dog met mij vertrouwd te maken. ’t
Ging nog niet. Doch ik wanhoopte nooit. Nu evenwel door de
ontmoeting met u, waardoor wij te laat thuis kwamen, is alles uit.
Voortaan mogen wij slechts op de binnenplaats.
Vaarwel, mijnheer.
Ter wille van ons leven, doet niets, want hij zal ons stellig
vermoorden.
Mademoiselle Rochefort.
Raffles wreef zich de oogen eens uit. Hij geloofde nog niet dat dit
alles waar was.
Maar ’t stond daar geschreven.
Duidelijk en mooi!
Was er dan aan dit mooie, oude kasteel, het wereldberoemde
„Bartram-Haugh”, zulk een vreemde, middeleeuwsche historie verbonden?
Hij mocht niets doen!
Jawel, nèt iets voor Raffles!
Er moest iets gebeuren.
Charly keek Raffles aan.
—’t Beste zou wezen de zaak te beschouwen als een droom, Edward.
—En dan?
—Weggaan. Denk aan onze rustkuur.
—Ah, loop heen! Moet je dan niet eens even bedenken dat daar een
tragedie afgespeeld wordt en dat hier wereldschokkende gebeurtenissen
en plannen worden gesmeed?
—Wat kan jou dat nu schelen?
—Veel.
—Dat begrijp ik niet, Edward. Jij, die absoluut buiten iedere
samenleving staat, die spot met de orde en regelmaat der maatschappij,
die er lust in heeft de bezittenden te berooven voor de armen, kunt
toch niets gevoelen voor de ingewikkelde handelingen der nihilisten?
—Jij vergeet één ding, Charly.
—En dat is?
—Misschien doe ik, als ik probeer die dame te redden, een egoïstische
daad.
—Onmogelijk. Jij koestert voor niemand der vrouwen liefde.
—Dat bedoel ik ook niet. Luister, jongen. Wanneer ik die dames red uit
hun gevangenschap, kom ik wellicht of zeker met dien La Rougière in
aanraking. En dan zou het wel eens kunnen gebeuren dat ik dat geheele
nihilistisch krot uitroeide.
—Goed. Maar wat heeft dat met jou egoïsme te maken?
—Dit. Wij reizen veel, komen zeer dikwijls in steden waar vorstelijke
personen aanwezig zijn. Het ongeluk moet nu maar eens zóó willen dat er
bommen gegooid worden op ’t oogenblik dat wij in de nabijheid zijn. Ook
is mogelijk dat de een of andere reactionair of heethoofd mij voor een
regeerend persoon aanziet. En nademaal—vervolgde Raffles op grappigen
toon—ik geen neiging heb om mij door een bom te laten treffen,—ik ga
liefst gewoon dood—zal ik besluiten om die dames te redden en dien
kerel eens goed te treffen.
—Onzin. Weet jij of die dames zich zelf, als zij vrij komen, kunnen
behelpen?
—Financieel?
—Ja.
—En als dit niet zoo was?
—Dan zou jij er weer voor zorgen. Natuurlijk....
—Juist, Charly—viel Raffles in.—Juist. Wij zullen dan wel weer aan een
kapitaaltje komen. Bovendien heb ik veel lust om eens te onderzoeken of
de kerel zelf geen middelen heeft.
—Hoe wou je dat doen?
—Even op visite gaan.
—Wanneer?
—Nu!
—En je komt er niet in?
—Dat zullen wij zien. Blijf jij nu maar geduldig wachten en wees
voorzichtig.
—Edward, ga niet...
Doch Raffles stevende weer naar den toren toe en klauterde opnieuw weer
naar boven.
Thans ging hij niet naar het raam—dat nu duister was—doch naar den
zoogenaamden eersten „ommegang” van den toren.
Even wachten.
Hij meende de bloedhonden, waarover in Derbyshire zulke wonderlijke
verhalen verteld werden, te hooren.
Oppassen was hier de boodschap.
Toch, al meende Raffles het nog zoo duidelijk gehoord te hebben,
naderde niemand of niets en sloop hij den muur over tot bij de poort,
waar een steenen trap naar beneden op de binnenplaats leidde.
Nergens één levend wezen.
Alleen ginds op den linkervleugel zag Raffles licht in de benedenste
zalen.
Daar moest hij in.
Langzaam sloop hij voort.
Het werd nu zéér gevaarlijk, want als er werkelijk bloeddorstige,
gedresseerde honden waren, dan...... was zijn einde nabij.
De groote tweeloops revolver in de vuist geklemd, ging Raffles toch
verder.
Hij beheerschte zich volkomen.
Geen zenuwtrilling werd bij hem waargenomen.
Het liet een zacht, zoet gefluit hooren, zooals hij de Indianen wel
eens had hooren doen in de prairieën als zij op wilde-dieren-vangst uit
waren, en die Raffles verschillende malen had meegemaakt.
Meestal verrieden de dieren zich daardoor, want het was een lokkend
geluid.
Thans evenwel kwam niets of niemand te voorschijn en met gerustheid
ging Raffles voorwaarts.
Hij was thans genaderd tot aan de verlichte vensters.
Vlak voor die vensters zag Raffles een gedrocht liggen......
’t Was een bloeddog!
Langzaam hief het woeste dier den kop op en onmiddellijk liet Raffles
zacht het lokkende geluid hooren, terwijl hij zachtjes achteruit ging.
Het dier stond op... en kwam op het geluid af.
Dichterbij gekomen rook het lang in de lucht en Raffles ging
onverdroten voort met het geluid voort te brengen.
Steeds naderbij kwam de buldog, nu brommend.
Raffles zag twee oogen, als vuur gloeiend, dicht bij zich.
Hij was gereed......
Schieten mocht hij niet, want dan was alles verloren spel.
Nogmaals deed hij het geluid hooren...
Het dier was zeer nabij......
Bliksemsnel bukte Raffles zich, greep met ijzeren greep den dog vast en
voordat het dier den muil kon open doen, snoerde Raffles met een touw,
dat hij in de hand had genomen, de keel van den hond dicht.
Spartelend, slingerend kronkelde het dier zich heen en weer, doch
Raffles liep snel met den hond naar den muur toe, klom er op, en
slingerde den hond met groote kracht in de gracht, het touw vastbindend
aan een klimoprankhaak, die vastgemetseld was.
Daarna vlug naar de hel verlichte ramen terug.
Raffles bleef in de schaduw, maar boog zich ver voorover.
Hij zag een vijftal mannen bijeen, zittend rondom een ronde tafel en
Raffles zag aan ’t bewegen der lippen dat men vrij heftig disputeerde.
Wat zij zeiden kon hij echter onmogelijk verstaan.
En toch, aangedreven door een geheimzinnige stem, ging hij probeeren
vlak bij ’t raam te komen.
Ongetwijfeld, uit de weinige woorden die hij opving kon Raffles
uitmaken dat men ’t had over nieuwe koningsmoorden en zag hij één
hunner geld geven dat door den president—was dit La Rougière?—in
ontvangst genomen werd.
Wat had dit alles te beduiden?
Hoe kwamen die kerels hier?
Een geheime uitgang?
Dit moest ook nog eens onderzocht worden.
Zij stonden op. Opgelet nu wat er verder gebeurde met de mannen.
Een deur werd geopend en Raffles zag van buiten dat een donkere gang
zich vertoonde.
De mannen verdwenen daarin en het licht ging als vanzelf uit.
Raffles had gezien dat de mannen alles meenamen, zoodat het geen zin
had om te probeeren binnen te komen.
Trouwens, dit had ook niet meer gekund, want plotseling keerde een der
mannen terug.
Dit moest La Rougière zijn.
Hij zette zich neder en kreeg uit een verborgen paneel dat hij door een
enkelen druk opende, een ijzeren kist, waarin hij het zooeven ontvangen
geld zorgvuldig opborg.
—Hum!—mompelde Raffles,—dat is tenminste al iets. Daar kunnen de dames
later wel van leven.
Raffles bleef nog geruimen tijd daar bij het raam, en toen de man
binnen alles weer zorgvuldig sloot, volgde Raffles iedere beweging.
De man liep even peinzend rond en opende toen het raamc.
Snel bukte Raffles en was één met de dikke duisternis die alom
heerschte.
La Rougière opende den mond en floot.
„Hij fluit zijn hond!”—dacht Raffles.—„Dan kan je lang wachten, vriend,
want die is geworgd, opgehangen en verdronken.”
—Drommels—hoorde hij den man mopperen—Waar is die hond nu? Wat schelen
die dieren tegenwoordig? Eén dood, de ander nu weer zoek, en de Ulmer
deed heden ook al zoo vreemd.
Nog eens en nog eens floot hij, telkens luider, telkens langer
aangehouden.
„Ik moét gaan zien”—sprak La Rougière weer hardop tot zichzelf, terwijl
een reeks vloek- en scheldwoorden vernomen werden.
Onmiddellijk was Raffles’ plan gemaakt.
Hij tastte in zijn zakken en vond daar stevige boeien.
Afwachten nu maar.
Het raam werd niet gesloten, wel dichtgetrokken, doch Raffles hoorde
niet dat de sluitingen werden dichtgemaakt.
Met zekerheid ging Raffles nu op zijn doel af en zoodra de man naar
buiten kwam, hield hij zich gereed.
La Rougière liep de binnenplaats over en naderde de plaats waar Raffles
stond.
Diep in de nissen van het gebouw had Raffles zich teruggetrokken en
stond klaar om zich te verdedigen.
—Allez, Nero, kom hier—hoorde hij den man zeggen.
La Rougière was thans in het licht van het raam gekomen.
Hij keerde den rug naar Raffles toe.
Op dit moment had Raffles gewacht.
Hij sprong op den man toe en deze tuimelde vloekend op den grond.
Bliksemsnel had Raffles La Rougière een prop in den mond geduwd en voor
deze bij machte was om zich te verweren, had Raffles hem de handboeien
aangedaan en gekneveld.
Woest wentelde La Rougière zich heen en weer en trachtte aldus zijn
vrijheid te herkrijgen.
Niets mocht evenwel baten en hij voelde zich vastgegrepen door Raffles’
ijzeren greep en deze droeg hem tot bij het raam.
Met een ruk wierp hij dit open, tilde La Rougière op het raamkozijn,
sprong zelf er ook op en rolde als een tol met La Rougière onzacht de
kamer binnen.
Raffles was op „Bartram-Haugh” ingebroken.