Zooals de lezer ongetwijfeld begrepen zal hebben, waren de beide dames
die Raffles ontmoet had, Mademoiselle Rochefort en Charlotte.
Zoodra zij de slotpoort binnen waren getreden, en zij de vestibule
inkwamen hoorden zij de krakende stem van La Rougière, die zeer
vertoornd vroeg:
—Wat is de reden van het overtreden van mijn gebod?
—Charlotte was zoo ongelukkig te struikelen, loog Mademoiselle.
—Zoo! Dat zal dan een reden wezen om u en Charlotte te verbieden
voortaan een stap buiten „Bartram-Haugh” te doen. Trouwens, ’t is ook
nonsens. Er is frissche lucht genoeg op de binnenplaats.
—Uw dochter kunt u beletten de hoognoodige wandeling te maken, mij
niet—snibbigde Mademoiselle terug.
—U vergeet dat u in mijn dienst is.
—Dat vergeet ik nooit. Trouwens, dat ervaar ik aan den lijve door deze
ellendige gevangenschap. Ik heb mij laten dreigen dat ik, wanneer ik
hier wegging, vermoord zou worden. Dat houdt mij terug.
—Ah juist!—lachte La Rougière zeer valsch. Ik bemerk met vreugde dat u
een goed geheugen hebt.
—Wat niet wegneemt dat ik mezelf liever vermoord dan deze gevangenschap
nog langer te dulden.
—Ga uw gang. Mijn laboratorium staat te uwer beschikking. Ik weet
enkele zeer goede vergiften.
—Dank u. Ik wil zelf handelen.
Dit gesprek duurde zeer lang en Mademoiselle Rochefort streed met
wanhopige wilskracht tegen den man, die haar nu reeds geheel in zijn
macht had.
Gedurende de enkele maanden had hij voortdurend gelet op iedere
handeling van Mademoiselle. Hij had steeds weer geprobeerd om de jonge
vrouw te bewerken tot een machine die Charlotte zou dwingen tot
meerdere medeleving met haar vader. Doch ook steeds was hij afgestooten
door Mademoiselle’s onwrikbare houding.
Toen had hij geprobeerd door een schijnvertrouwelijkheid Mademoiselle
voor zich te winnen en het was hem gelukt. Mademoiselle had hiermede
evenwel bedoelingen.
Zij probeerde achter de geheimen te komen van La Rougière, en op
zekeren dag deed zij hem een te resolute vraag, die hem zoodanig in
drift deed ontvlammen, dat hij dreigde haar dood te zullen maken.
Sinds dien dag was de toestand meer dan ooit gespannen en leefde men op
voet van geheimen oorlog, waarin La Rougière betoonde een uitmuntend
generaal te zijn.
Eenmaal, nog maar zeer kort geleden, had Mademoiselle geprobeerd te
ontvluchten, doch de door La Rougière gedresseerde honden hadden haar
zoo toegetakeld, dat zij dagen lang, van zenuwkoorts bevangen, het bed
moest houden.
En nu verbood hij haar en ook die arme Charlotte, ooit weer naar buiten
te gaan.
Als een lichtstraal zag zij evenwel de figuur van sir Pfanstehl. Wie
weet—zoo redeneerde zij bij zichzelf—is deze ontmoeting een reden dat
wij eindelijk eens verlost worden.
Zij schreef nog dienzelfden avond een langen brief, dien zij diep
verborg, vast van plan deze ’s avonds te laten zakken in Pfanstehl’s
boot.
Toen Raffles ’s middags den zakdoek zag wapperen, waardoor hij begreep
dat de hem onbekende dame niet komen kon, keerde hij snel terug en
gelastte Charly om met den meesten spoed naar Londen te gaan en daar in
de „magazijnen”—zoo noemde Charly altijd de plaats waar Raffles tal van
vermommingen en ander materiaal borg—de opvouwbare boot te halen.
Er werd uitgerekend hoe lang men er over deed, den weg van Derbyshire
naar Londen per auto af te leggen, en indien Charly geen oponthoud
kreeg kon hij in negen uur tijds heen en terug zijn.
’t Was nu ruim twee uur, dus om elf uur ’s avonds kon hij terug wezen.
Nogmaals spoorde Raffles Charly aan tot spoed, en bleef daarna alleen
achter.
Hij liet zijn gedachten den vrijen loop en schrok uit zijn overpeinzing
pas wakker toen de hotelier hem kwam waarschuwen, dat de nieuwe
dagbladen waren aangekomen.
Raffles glimlachte.
Derbyshire lag nog niet aan den spoorweg, en het districts-postkantoor
was slechts één maal per dag gedurende twee uren geopend.
Dagbladen van één, soms twee dagen oud, golden hier derhalve voor
nieuw.
Raffles vouwde de „Times” open en al dadelijk viel zijn oog op een
groot vet gedrukt hoofd.