het aloude kasteel „Bartram-Haugh”. Prachtige ligging, zeldzaam
schoon bezit. Uitstekend geschikt voor edellieden die rust
verlangen. Te bevragen bij Mac Lahyn te Derbyshire.
Mac Lahyn had zich in de handen gewreven, toen de heer was afgestegen,
de deur had geopend en gevraagd:
—„Bartram-Haugh”, het kasteel, is dat nog te koop?
—Zeker, edele heer—had Mac geantwoord.—Komt u binnen!
—Dank u. Weinig tijd. Kan ik het gebouw zien?
Alles kortaf, op schier bevelenden toon, had de vreemde heer gesproken
en Mac kon niets beters bedenken dan àl maar buigend te zeggen:
—Zoo uwe edelheid het wenscht, kan hij ’t gebouw onmiddellijk zien.
—Gaarne. Wijs mij den weg.
Beiden waren toen op weg gegaan en hadden „Bartram-Haugh” na een half
uur wandelen bereikt.
De vreemde heer had niet lang geaarzeld. Hij vroeg niet veel, deed naar
Mac’s zin veel te geheimzinnig en eindigde met het doen van een heel
hoog bod.
Mac, anders niet gauw verlegen, had niet de kracht gehad nòg meer te
vragen, doch stamelde:
—Goed. ’t Is aan u.
En met denzelfden spoed als waarmee hij—de vreemde heer—den koop
gesloten had, liet hij de noodige acten in orde maken.
Mac, blij dat hij nu den naam zou te weten komen van den nieuwen
eigenaar, voelde zich zeer teleurgesteld toen hij bij den notaris
hoorde:
—De eigenaar heeft mij verzocht het gebouw op mijn naam te doen
plaatsen. Ik heet Dr. Byely.
Zoo was het dan ook geschied dat een uur later in Derbyshire verteld
werd: „Bartram-Haugh” wordt weer bewoonbaar gemaakt voor een vreemden
mijnheer.
Gissingen waren er geopperd, berekeningen gemaakt, wandelingen
ondernomen naar „Bartram-Haugh”, doch men kwam niets te weten.
Een maand lang werd er door arbeiders uit Londen aan gewerkt, om alles
weer in orde te brengen op het kasteel, doch niemand vermocht ook maar
iets te weten te komen van alles wat met den eigenaar in verband stond.
Eindelijk was de dag gekomen dat „Bartram-Haugh” bewoond was geworden,
doch toen enkele nieuwsgierigen bij den burgerlijken stand eens
informeerden hoe de naam was van den nieuwen bewoner, hoorde men
slechts:
—Monsieur La Rougière.
Meer. niet.
Een Franschman dus!
Dagen, weken, maanden lang werd er over gesproken.
Niemand kwam iets naders te weten.
Wel wist men dat er een heer woonde met een huishoudster die nooit
buiten het slot kwam, en een huisknecht die... stom was.
Als deze laatste naar Derbyshire kwam om boodschappen te doen, dan had
hij een briefje bij zich, waarop met flinke, mooie letters geschreven
stond datgene wat hij voor zijn zonderlingen meester halen moest.
Geen postbode kwam ooit verder dan de brug, geen boodschapper mocht
ooit door de poort.
Niemand wist wat daarbinnen gebeurde, niemand vermocht den sluier van
geheimzinnigheid op te heffen.
Pogingen om ’s nachts binnen den muur te komen waren jammerlijk
mislukt, want een tweetal bloedhonden waren met vervaarlijk gehuil
losgestormd op de nieuwsgierigen, die in allerijl een sprong hadden
gemaakt van den muur in de gracht, en zóó zwemmende zich konden redden.
Na dien tijd heette het kasteel „’t Spookhol”.
Dit was vele jaren geleden.
Wel een goede twintig jaar.
Langzamerhand was men er aan gewoon geraakt en probeerde men nooit meer
om in de geheimen van La Rougière te geraken.
Op zekeren dag evenwel was een groote gesloten auto aangekomen en een
paar dagen later zag men in de omstreken van „Bartram-Haugh” twee
dames, een oude en een jonge, wandelen.
Meestal waren zij zeer zwaar gesluierd en vergezeld van een
reusachtigen Ulmer-dog, die bij de minste nadering van al te
nieuwsgierigen onmiddellijk een gebrom liet hooren en zijn tanden
toonde.
Opnieuw belangstelling, die toch spoedig daalde tot onverschilligheid,
omdat men met den besten wil der wereld absoluut niets te weten kwam
en, als voorheen, de huishoudster en haar meester onzichtbaar waren, en
de stomme huisknecht regelmatig zijn boodschappen bleef doen.
Toen zag men weer eens op een dag een auto aankomen, weer teruggaan en
dagen achtereen zag men de dames niet.
Na maanden kwam er verandering.
Want nadat thans een rijtuig het „genoegen” smaken mocht de slotpoort
binnen te rijden, had men het vermoeden dat de dames weer teruggekeerd
waren.
De koetsier, die door alle dorpsbewoners werd aangevallen, wist niet
anders te vertellen dan:
—’t Was een leelijk, oud mirakel, dat ik van het spoor naar ’t
„Spookhol” heb gereden.
—Heb je niets gezien?
—Niets!
—Niemand?
—Ik zeg je toch dat ik niets zag?
De koetsier had ruzie gekregen en schamper herhaalden de omstanders:
—Wij hadden zulk een gelegenheid moeten hebben! Jij waart bang! Je hadt
binnen moeten gaan.
—Jawel, ’k mocht niet van mijn bok.
Doch ook deze storm van nieuwsgierigheid was geluwd en rustig ging
alles voort.
Toen het, volgens den koetsier, „oude, leelijke mirakel” naar binnen
was gegaan, door de door een onzichtbaar iemand geopende deur, trad
Mademoiselle Rochefort een gansch nieuw bestaan tegemoet.
Zij was inderdaad verre van mooi, doch bezat zeldzame oogen, wier glans
aangenaam en innig was voor allen, die met haar in aanraking kwamen.
Opgevoed in de gegoede kringen, dochter van een Fransch officier, die
in den oorlog van 1870 bij Sedan gesneuveld was, zag zij zich
genoodzaakt om voor zich en haar moeder het dagelijksch brood te
verdienen.
Dit was lang niet gemakkelijk, doch daar zij een buitengewone kennis
bezat, die haar in staat stelde lessen te geven, werd zij gouvernante.
Enkele jaren was dit goed gegaan, doch toen kwam de onverbiddelijke
dood en haalde „mama” weg.
Gedurende de ziekte van haar moeder had Mademoiselle als verpleegster
gefungeerd, doch was daardoor meteen haar betrekking kwijt geraakt.
Eindelijk slaagde zij, nadat zij op een eenigszins vreemde annonce in
een der grootste Parijsche bladen voorkomende, geschreven had.
Zij werd gansch en al schriftelijk benoemd en kreeg de uitnoodiging om
op een bepaalden datum in dienst te treden bij La Rougière, op
„Bartram-Haugh” in Derbyshire.
En zij had het aangenomen!
Was gekomen, had met verbazing gehoord van dien praatzieken koetsier
dat „Bartram-Haugh” een „spookhol” was, en nog meer fraaie dingen.
Aanvankelijk wilde zij toen maar kordaat „rechtsomkeert” maken, doch
toen zij bedacht dat zij zelve ’t eerst moest onderzoeken, besloot zij
toch te gaan.
Doch zoodra zij de deur binnen was gekomen en al die beklemming
gevoelde, die iedereen aangrijpt wanneer men voor de eerste maal met
geheimzinnigheden in aanraking komt, toen wilde zij wel terug gaan...
maar, alles was reeds gesloten, en hoorde zij zich toevoegen:
—Welkom, Mademoiselle, op „Bartram-Haugh”.
De spreker—’t was een man—had een onaangenamen klank in zijn stem, doch
het Fransch werd onberispelijk uitgesproken.
Doordat in de gang een bijna volslagen duisternis heerschte, en
Mademoiselle’s oogen daaraan nog niet gewend waren, kon zij de ineen
gedrongen gestalte daar vóór haar niet goed onderscheiden.
Zij hoorde zich uitnoodigen om mede te gaan naar haar kamer.
Langzaam, weifelend, als ging zij een onbekenden dood tegemoet, volgde
zij het kleine mannetje de gang door en een breede marmeren trap op.
Op de eerste verdieping, waar ook al duisternis heerschte, doordat voor
alle ruiten ondoordringbare gordijnen of anders horren waren
aangebracht, bleef de geleider voor een deur staan, opende deze en
zeide:
—Mademoiselle, uw kamer.
De nieuwe gouvernante trad binnen in een karig gemeubileerd vertrek,
dat spaarzaam verlicht werd door twee ramen, doch ook angstig
afgesloten voor het naar binnen dringende licht.
Met een energieke beweging liep zij op de ramen toe en rukte met één
enkelen trek de gordijnen naar boven.
Heerlijk stroomde het licht naar binnen.
—Ik ben gewend, licht en lucht te hebben,—merkte zij op—ik moet weten
hoe mijn omgeving is.
—U gelieve wel op te merken—kraakte nu de stem van La Rougière—dat ik
wensch, dat alles rustig is. Veel licht maakt onrustig. Duisternis
kalmeert.
—Is u monsieur La Rougière?
—Om u te dienen. Wenscht u iets?
—Zeker. Om te beginnen dit: Waarvoor ben ik hier?
—Tot gezelschap en onderwijs van mijn dochter Charlotte.
—Is die op ’t slot?
—Aanstonds zal ik haar hier brengen of halen. Eerst wenschte ik met u
te spreken.
—Aangenaam. Dit is zeer noodig.
—Waarom, Mademoiselle?
—Omdat ik op ’t oogenblik het niet met mezelf eens ben, of ik hier
blijven zal!
—Wat bedoelt u?
—Ik weet ’t zelf niet. Alles is zoo vreemd,... zoo...
—Geheimzinnig—viel La Rougière in met valsche stem.
—Ja—prevelde mademoiselle Rochefort.
—Hebben de menschen weer gesproken? ’t Was ook zeer verkeerd van u om
mij pas hedenmorgen te berichten dat u kwam,—voegde hij er spijtig
bij.—Daardoor had ik kunnen voorkomen dat u met iemand gesproken had
over „Bartram-Haugh”.
—Dus ’t is waar wat men zeide?
—Wat vertelde men?—luidde de weervraag.
—Dat ’t hier een „spookhol” is!
—Zoo, zeide men dat! Welnu, ik geloof dat u een verstandige vrouw zijt.
Spoken bestaan niet meer, als men ze zelf niet maakt. Ik heb tenminste
nooit wat kwaads hier gezien. Alleen heb ik hier twintig jaar gewoond
en nu de laatste twee jaren met mijn dochter en een gouvernante. Deze
is heengegaan omdat mijn dochter voortdurend onaangenaamheden met haar
had. Dit kon zoo niet langer gaan. Zij is weg en ik benoemde u. U weet
dat u zich verbonden hebt. Breekt u deze verbintenis, dan spijt het mij
wel, doch ik wil u thans niet dwingen. Wanneer u, als verstandig
mensch, uw oor leent aan praatjes, ontstaan uit onbevredigde
nieuwsgierigheid, dan is dat uw schuld, niet de mijne. Enkel het feit
dat hier alles duister is, doet u schrikken. Ik wil ’t licht niet
hebben. Ik ben door ’t licht onrustig en dat màg, dat wil ik niet! Ik
haat het licht, ik wil het niet hebben en alleen ’s avonds bij mijn
rustige lamp, voel ik mij gelukkig.
Onwillekeurig had Mademoiselle aandachtig geluisterd naar de vreemde
uiteenzetting van La Rougière, die met vuur gesproken had.
—Maar waarom gunt u anderen dan niet ’t genot van licht?
—Dat zou eene te lange geschiedenis worden, indien ik u dit vertellen
moest, doch geloof mij, ge zult begrijpen dat ik gegronde redenen heb
dat ik zoo het licht haat. En daarom heb ik maar één wensch, dien ik
vervuld wil zien. Namelijk deze: dat mijn dienstpersoneel medewerkt tot
het verkrijgen van een volkomen rust. Wilt u niet probeeren?—vroeg La
Rougière enkele minuten later, na een hardnekkig stilzwijgen van
Mademoiselle.
—Ik zal probeeren.
—Mooi.
—Stuurt u Charlotte bij mij?
—Eén oogenblik, Mademoiselle!... één oogenblik, als ’t u blieft. Mijn
dochter heeft eigenaardige ideeën. Ik wensch u vooral op ’t hart te
drukken, dat het uw eerste plicht wezen zal haar op te voeden volgens
een door mij opgemaakt leerplan. Anders niet. De minste afwijking
uwerzijds, die ik natuurlijk bemerken zal bij de controleering, wordt
gestraft met ontslag.
„Wat een vreeselijke man”—dacht Mademoiselle.
Meteen dacht zij: „Ik heb mijn woord gegeven. Voor heden blijf ik, maar
al zal ’t mij moeite kosten, ik ga, ga stellig als ’t morgen mij te
machtig wordt...”
Intusschen kraakte La Rougière’s stem door:
—U moet wel opletten dat mijn dochter geen jonge-meisjeskuren krijgt.
Rust moet hoofdzaak blijven. Het is u niet vergund met haar àl te
vriendschappelijk om te gaan. U moet haar steeds beheerschen en dit kan
nooit ’t geval wezen als u zoogenaamd vriendin met haar is. De rest
bespreek ik hedenavond met u verder. Alles gebeurt hier met die
regelmatigheid, die noodig is voor goede orde. U eet in uw eigen kamer,
dan is Charlotte bij mij. U slaapt naast de kamer van Charlotte, en
hebt zorg te dragen dat geen nieuwsgierigen haar, bij de korte
wandelingen die ik toe zal staan, naderen. De vorige gouvernante was
een uitstekend mensch, doch ik kon haar niet meer houden, want
Charlotte’s wil moet nog meer gebroken worden. Ik zal haar thans
roepen. U vergeet niet den afstand die u van haar scheidt?
Mademoiselle had een gevoel of haar keel was toegeknepen door een
moordenaars hand.
Zij gevoelde een onzegbaar iets, dat, eigenaardig genoeg, haar besluit
om heen te gaan, deed wankelen. Want de manier waarop La Rougière over
alles sprak was zielloos, liefdeloos, ellendig, fataal!
Mademoiselle Rochefort werd in hare overpeinzingen gestoord door de
stem van La Rougière, die tegen een beeldschoon meisje zeide:
—Charlotte! zie daar uw nieuwe gouvernante.