DE GOUVERNANTE.

De gouden avondzon daalde met purperen gloed neer achter de grillige

rotsengroepen, die het aloude kasteel „Bartram-Haugh”, in Derbyshire,

omgaven, als waren zij onwrikbare schildwachten, geroepen tot bewaking

van een dierbaren schat.

En inderdaad!

„Bartram-Haugh” wàs een schat van groote waarde.

Gebouwd op een heuvel, te midden van een buitengewoon groot en

vruchtbaar dal, in de verte—zooals reeds gezegd—omgeven door hooge,

woeste rotsen, geleek het groote, uit grijze, verweerde steenen

bestaande gebouw op een sprookjesslot, waar geheimzinnige prinsen of

prinsessen hun jeugd moesten doorbrengen.

Er was een breede, diepe gracht om het aloude gebouw... nog een

ophaalbrug, die knarsend en piepend iederen avond opgehaald, elken

morgen neergelaten werd.

Deze brug gaf toegang tot een diep ingebouwde poort, die op haar beurt

den weg opende naar de ruime binnenplaats, waar men het kasteel zag

staan, de keukens, de woningen voor het dienstpersoneel en de stallen.

Een vrij hooge, doch kolossaal dikke muur omringde bovendien het

kasteel. Deze muur was evenwel zoo dicht begroeid met klimopranken, met

wilde wingerdplanten, dat het scheen, alsof één groote bovennatuurlijke

haag gegroeid was om Bartram-Haugh.

Vroeger, in de tijden van binnenlandsche onlusten, toen de

verschillende graven of landeigenaars elkander menigmaal bevochten,

toen er nog ridderspelen gehouden werden, had dit slot een buitengewone

vermaardheid gehad, omdat een van Engeland’s graven,—Cedric van

Derbyshire—zijn roem als vechtersbaas gevestigd had allerwege waar

edellieden woonden. Menigmaal had de oude brug, gemaakt van het

allerbeste hout en beslagen met ettelijke kilo’s ijzer, gedreund onder

den machtigen hoefslag van honderden paarden, die tal van edellieden

naar Bartram-Haugh brachten, opgaande naar het feest dat Cedric van

Derbyshire tweemalen per jaar gaf.

Toen ook waren daarbinnen, in de zalen, vele menschen, was er veel,

zeer veel personeel, en waren de stallen stampvol van ’t beste rundvee,

de zwaarste ossen, de edelste paarden.

Tijden waren gekomen... gegaan...

Cedric stierf, werd opgevolgd door zijn zoons..... deze ook weer door

nieuwere, jongere loten van hun stam, en steeds maar weer was de tijd

al maar moderner geworden.

Doch de laatste der nakomelingen van Cedric van Derbyshire was een

conservatief man, die verre stond van den tijd waarin hij leefde, en

die eenzaam, gansch en al verlaten, zijn tijd doorbracht met een ouden

getrouwen dienaar.

Deze laatste „van Derbyshire” was ongetrouwd, en geen enkel familielid

bezat hij op de gansche wereld.

Slechts aan één wezen had hij zich gehecht. Het was de oude dienaar

Ralp.

Tegen het tijdstip, dat van Derbyshire—de man wilde nooit een dokter

hebben—voelde dat hij aan zijn einde kwam, riep hij Ralp, en zeide:

—Ralp, oude jongen, je meester gaat dood. Ik heb er geen spijt van.

Waar vindt men tegenwoordig nog edellieden? Waar arbeiders? Alles is

even gelijk. Onderscheid is er niet meer. Ik heb er genoeg van. Ik laat

jou achter. Je weet, ik bezit geen erfgenaam en ik veracht het land dat

willens en wetens den ouden adel niet meer handhaaft... Ik wil daarmee

zeggen dat ik dit kasteel, je weet, veel méér bezit ik niet, aan jou

vermaak. Maar je weet ook dat ik nooit dulden zou dat de bezitting

mijner vaderen ooit in handen komen zal van iemand die geen ridder is.

Jij bent niet van adel. Jij hebt wel geen blauw bloed in de aderen,

maar je bent een trouwe kerel geweest èn van je geboorte af op dit

slot. Voor ik nu dood ga, wil ik je ridder maken. Haal mij den degen

met gouden gevest, dien Cedric, de eerste van ons geslacht, heeft laten

smeden. Ga!

Ralp was heengesloft en keerde daarna terug met den degen in de hand.

Van Derbyshire was opgestaan... had den degen genomen en had den

inmiddels voor hem neergeknielden Ralp drie zachte slagen gegeven op

het hoofd en beide schouders, ten teeken dat Ralp tot ridder was

gekozen.

Daarna had Ralp’s meester het kasteel Bartram-Haugh gegeven aan hem en

zou het slot toebehooren aan den ouden Ralp, die met zijn vrouw en

eenigen zoon woonde in het lage huisje vlak bij de poort.

De laatste afstammeling der Derbyshire’s was enkele weken later

gestorven, eenzaam, gansch en al vergeten, zooals hij ook geleefd had.

Wars van alles, conservatief in hart en nieren, ging hij heen, en werd

verzameld in het familiegraf onder het oude, oude kasteel.

Ralp was toen bezitter geworden van het kasteel en hoewel de oude,

eenvoudig als altijd, zijn laatste levensdagen sleet, zijn zoon was

niet zoo nederig.

Deze meende schatten te hebben verkregen, toog naar de steden en leefde

daar een leventje van „vroolijken Frans”.

Waar hij kwam, toonde hij de stukken papier, welke bewezen dat zijn

vader eigenaar was van Bartram-Haugh.

Woekeraars gaven geld op het kasteel en Ralp’s zoon werd van dag tot

dag roekeloozer en liep steeds meer en meer den afgrond tegemoet.

Toen waren de oude Ralp en zijn vrouw gestorven en het kasteel werd het

eigendom van den jongen Ralp, die een naam had gekregen als „de

woesteling”.

Duizenden guldens had hij opgeteerd en als een onverzadelijke veelvraat

had hij voortdurend meer noodig.

Daarop was het oogenblik gekomen dat de jonge Ralp het kasteel

„Bartram-Haugh” verkoopen moest.

Enkele duizenden guldens kreeg hij nog, doch toen hij deze verdwijnen

liet in zijn zakken, was hij ook niet meer de eigenaar van het aloude

slot.

Jaren snelden heen.

De woekeraar, die het slot in handen had, had menigmaal koopers

gezocht, doch nooit gevonden.

Op zekeren dag evenwel, nu al vele, vele jaren geleden, had de

woekeraar een kreet van verrassing niet kunnen weerhouden, want een

fier heer, gezeten op een edel rijdier, had stilgehouden voor de woning

van den eigenaar van het kasteel „Bartram-Haugh”.

De heer had een oude, vergeelde courant uit een binnenzak gehaald en

had met zorg nog eens gelezen:

Lord Lister No. 0126: Het politieraadsel · 第 4 / 22 题