OOSTENRIJKS HOUDING TEGENOVER SERVIË.

Het zou ons buiten het bestek dezer uitsluitend op schriftelijk bewijs

rustende procedure voeren, zoo wij hier in een onderzoek traden naar

de rechtmatigheid van Oostenrijks grieven ten opzichte van Servië.

Wij wenschen ons niet te begeven op het gebied van feiten, die niet

vaststaan en . . . wij willen niet te wijdloopig worden.

Laat ons, ter bevordering van een doelmatig betoog, onderstellen,

dat ons denkbeeldig hof zijne onderzoekingen aanvangt met voorop te

stellen, dat Oostenrijk eene _rechtmatige_ grieve tegen Servië had en

dat de moord op den Aartshertog op 28 Juni 1914 gepleegd—inderdaad

door _Oostenrijksche_ onderdanen in sympathie met Servië op

_Oostenrijksch_ grondgebied begaan—beraamd en aangemoedigd werd

in kringen, zwanger van politieke beroering, waarvoor het Servisch

Gouvernement of althans politieke organisaties in Servië konden geacht

worden verantwoordelijk te zijn.

De quaestie zoo gesteld, zou dan niet op het al of niet hebben van

een rechtmatige grief jegens Servië neerkomen, maar op dit: handelde

Oostenrijk, in hare pogingen om zich genoegdoening voor het haar

door Servië aangedaan onrecht te verschaffen, in overeenkomst met de

verplichtingen die zij zoo goed als elke andere natie jegens de groote

maatschappij der menschheid heeft? Kwam zij deze verplichtingen na of

bekommerde zij er zich niet om?

Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente (het wereldconflict als een rechtsgeding behandeld) · 第 10 / 17 题