EEN DIPLOMATEN-OORLOG.

De beide andere vragen, door ons gesteld, laten zich minder vlug

beantwoorden. Hier hebben wij de beantwoording allereerst, zoo

niet uitsluitend, te zoeken in de gedachtenwisseling tusschen de

verschillende kanselarijen van Europa in de laatste week van Juli

gevoerd; uit de diplomatieke stukken met andere woorden, want het is

teekenachtig voor het losbreken van dezen grootsten aller oorlogen,

dat hij door diplomaten werd verhaast; eens aangenomen, dat al deze

snuggere bollen van een prijzenswaardig verlangen om voor de quaesties

door het Oostenrijksch Ultimatum gerezen, eene vredelievende oplossing

te vinden, werden bezield—een staat van zaken, waaraan men moeilijk

gelooven kan—zou men zelfs kunnen zeggen: _door onhandige en onbekwame

diplomaten verhaast_.

Ik erken ten volle dat men onderscheid behoort te maken tusschen de

onmiddellijke en de meer verwijderde en diepere aanleiding tot een

oorlog; dit doet echter weinig af aan het verwijt, dat, terwijl de

wereld om zoo te zeggen haar vreedzame zomervacantie genoot, op 23 Juli

1914, een “casus belli,” waarbij het ging om de onafhankelijkheid van

meer dan één staat en, in het algemeen, om het evenwicht van Europa,

plotseling in het aanzijn wordt geroepen door de Oostenrijksche eischen

aan Servië gesteld en dat vervolgens, een week lang, een reeks van

diplomatieke stukken tusschen de verschillende kanselarijen worden

gewisseld, die _op het oog_ moeten dienen om een explosie te voorkomen,

maar _inderdaad_ zóó ondoeltreffend zijn, dat het tot oorlog komt en de

teerling geworpen is, vóór de wereld recht weet, wat er gaande is of

zich althans rekenschap heeft kunnen geven van de geschilpunten die de

wederzijdsche regeeringen in de algemeene uitbarsting betrekken.

De juiste beoordeeling van het schuldig of niet-schuldig in dit

ontzaglijk vergrijp jegens de beschaving hangt mitsdien grootelijks af

van wat deze officieele gedachtenwisseling ons te zien en te denken

geeft; wij kunnen deze stukken dus gevoegelijk behandelen als het

schriftelijk bewijs in eene willekeurige rechtszaak overgelegd.

Een belangrijk deel van het dossier wordt gevuld door de Engelsche

en Duitsche Wit-boeken en door het Russische Oranje-boek; doel van

dit geschrift is geen ander dan na te gaan, tot welke beslissing

een onpartijdig en bezadigd hof zou komen, in eene zaak als hier

aangegeven, op grond van de bewijsmiddelen hier beschikbaar.

HET ACHTERHOUDEN DOOR DUITSCHLAND EN OOSTENRIJK VAN VOOR DE

BEOORDEELING DER ZAAK ZEER BELANGRIJKE, ZOO NIET ONMISBARE STUKKEN.

Een dusdanig hof zou zich in zijn oordeel niet alleen laten leiden

door wat uit de overgelegde schrifturen blijkt, maar evenzeer door het

opmerkelijk achterhouden van stukken, waarvan het bestaan bewezen en de

overlegging technisch mogelijk is.

Het officieel bewijsmateriaal door Engeland en Rusland ter tafel

gebracht, geeft geen aanleiding te betwijfelen, of _alle_ stukken,

ter zake dienende en in heur bezit, inderdaad door deze twee werden

overgelegd; het Duitsche Wit-boek daarentegen bewijst indirectelijk het

bestaan van bescheiden van het grootste gewicht voor de beoordeeling

der zaak, zonder dat deze bescheiden door haar in het geding werden

gebracht, terwijl Oostenrijk tot dusver in verzuim is gebleven, éénig

document in haar bezit voor de vervollediging van het bewijsmateriaal

bij te brengen.

Wij vernemen uit het Duitsche Wit-boek—en ook zonder dat zouden

wij het recht hebben voor onszelven de gevolgtrekking te maken—dat

tusschen Duitschland en Oostenrijk ter zake een aantal hoogst

belangrijke depêches werden gewisseld, terwijl het verder evenzeer voor

de hand ligt, dat correspondentie van gelijken aard tusschen deze beide

Staten en Italië plaats vond. Italië is inderdaad, hoe moeilijk het

haar ook onder de omstandigheden moge vallen, aan de wereld verplicht,

alle bewijsmateriaal, waarover zij te beschikken heeft, over te leggen.

Het voordeel van zulk een open kaart spelen komt sterk uit in het

licht van haar wel-overlegde gevolgtrekking, dat de oorlog, door haar

beide bondgenooten begonnen, een _aanvallend_ karakter draagt; zij was

dientengevolge van alle verplichting tegenover het Drievoudig Verbond

ontslagen. Men lette wel: het feit dat belangrijke mededeelingen

tusschen Berlijn en Weenen werden gewisseld, waarvan ons, publiek, de

kennisname opzettelijk werd onthouden, berust niet op een los praatje.

Duitschland beweert en voert als verdediging van haar gedragslijn

aan, dat zij haar best deed, Oostenrijk tot verzoeningsgezindheid

te bewegen, maar, afgescheiden van het feit, dat dusdanige

pogingen blijkbaar niet de minste uitwerking hadden, houdt men de

briefwisseling waaruit van deze vrede-ademende bemoeiingen zou blijken,

_zorgvuldig achter_ in de geheime archieven van Berlijn en Weenen.

Wij lezen in Duitschland's officieel verweer, dat zij, in weerwil

van Oostenrijk's weigering om Sir Edward Grey's voorstel om

Servië's antwoord op het ultimatum als een grondslag voor verdere

onderhandelingen te aanvaarden,

“voortging haar uiterste best te doen om Weenen te bewegen tot

eenige schikking te komen, zoolang deze niet in strijd zoude zijn

met de waardigheid der Monarchie.”[3]

[3] Duitsch Wit-Boek.

Deze mededeeling zou gereeder geloof vinden, zoo het Duitsche

Ministerie van Buitenlandsche Zaken, dat immers niet aarzelde, andere

diplomatieke bescheiden over te leggen, ons den _tekst_ gaf van dezen

raad, door haar aan Weenen gegeven.

Dezelfde “boekdeelen sprekende” achterhouding treft ons, waar hetzelfde

verweer mededeelt, dat de Duitsche Regeering Oostenrijk aanraadt:

“met Mr. Sazonof in onderhandeling te treden.” Maar ook hier zoekt

men tevergeefs naar den _tekst_ dezer aansporing onder de stukken

door het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken geopenbaard.

De correspondentie ter zake tusschen dat departement en de Duitsche

Gezanten te St. Petersburg, Parijs en Londen gewisseld, is _in

extenso_ gegeven, maar onder de zeven-en-twintig documenten, als

bijlagen gevoegd bij het officieel Duitsch verweer, zoekt men,

opmerkelijkerwijze, te vergeefs naar een enkele depêche van de vele in

die dagen van Berlijn naar Weenen gezonden en vindt er slechts één, die

van Weenen aan Berlijn werd gericht.

Kan zulk eene houding toevallig zijn? Duitschland legt het er blijkbaar

op aan, den _tekst_ van hare gedachtenwisseling met Weenen voor zich te

houden, al doet zij het voorkomen, dat zij den inhoud van een depêche

of wat getrouwelijk weergeeft.

Zoolang Duitschland onwillig blijkt, de belangrijkste stukken in

haar bezit wereldkundig te maken, kan het geene verbazing wekken,

indien de wereld, gedachtig aan Bismarck's berucht geknoei met het

Emser-telegram, waardoor de Fransch-Duitsche oorlog onvermijdelijk

werd, zich sceptisch betoont ten aanzien van de beweerde pogingen door

haar in het belang van de handhaving van den wereldvrede aangewend.

Het tweevoudig verbond contra de drievoudige Entente (het wereldconflict als een rechtsgeding behandeld) · 第 9 / 17 题