Nu volgt een nieuwe

Achttiende trap: Zoogdier-reptielen of Theriosauriërs. Van deze groep

zijn verschillende fossiele leden bekend.

De Stamzuigers of Promammaliën (boven de zestiende trap) worden thans

de negentiende trap, zoodat er in het geheel vijf-en-twintig trappen

(in plaats van twee-en-twintig) worden genoemd.

[388] Lang dacht men, dat zij tegenwoordig geheel tot Nieuw-Holland

beperkt waren, wat voor Ornithorhynchus ook het geval schijnt te zijn.

Van Echidna is echter tegenwoordig ook een op Nieuw-Guinea levende

soort ontdekt.

[389] In de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” 1889,

worden de Half-Apen of Prosimiën slechts als de voorouders der

Lemuriden, der ware Apen en van den Mensch beschouwd.

[390] Merkwaardig is het, dat zij daarbij (ibid., blz. 148) de zelfde

opmerking maakt, die ook Darwin is ingevallen, omtrent het zoogen der

jongen door het mannetje: „Cependant il prend grand soin de sa

progéniture: si la mère lui donne la naissance, le mâle contribue avec

elle á la nourrir, car ses mammelles sont encore lactifères.”

Dr. E. Krause te Berlijn (Carus Sterne) komt in Humboldt, Juni 1888,

blz. 236, met heftigheid op tegen de onderstelling dat bij de

zoogdieren ooit de mannetjes de jongen zouden hebben gezoogd. „Met het

zelfde recht”, zegt hij, „als men uit de tepels van den man besluit,

dat zijn stamvorm de jongen mede heeft gezoogd, zou men uit zijn

rudimentaire baarmoeder (de recula prostatica) kunnen besluiten, dat

vroeger niet de vrouwen, maar de mannen de kinderen ter wereld hebben

gebracht; want dit orgaan behoort geheel en al tot de zelfde categorie

van organen die door overerving van de eene sekse op de andere zijn

overgebracht, als de borstklieren.”

[391] Ik geloof de Nederlandsche lezers van Darwin’s „Afstamming van

den Mensch” geen ondienst te doen door aan dit Hoofdstuk als bijlage

toe te voegen de stellingen, door den toenmaligen nestor van Nederlands

dierkundigen in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Nat. Afd.,

zitting van 25 Februari 1871, bij gelegenheid, dat hij de eerste

uitgaaf van mijn bewerking van Ch. Darwin’s „Afstamming van den Mensch”

aan die Akademie aanbood, voorgedragen, en waarin de toenmalige stand

van het vraagstuk in korte, duidelijke, algemeene trekken wordt

weêrgegeven. Zijn Hoog Geleerde was zoo welwillend mij te veroorloven,

die stellingen in mijne bewerking van Darwin’s boek over te drukken.

Dr. H. H. H. v. Z.

[392] Dit moet niet zoo worden verstaan dat de door de

levensomstandigheden rechtstreeks ontstane veranderingen erfelijk zijn,

maar dat door de natuur steeds die variaties in den levensstrijd worden

begunstigd, welke het geschiktst zijn voor de levensomstandigheden.

Dr. H. H. H. v. Z.

[393] Deze volzin bevat een denkbeeld, dat geheel in strijd is met

latere theorieën hieromtrent. Zie mijn opstel over het oorspronkelijk

vaderland van den mensch, achter Hoofdstuk VII geplaatst.

Dr. H. H. H. v. Z.

[394] Wij verwijzen naar aant. 15, blz. 297, waar de verwantschap

tusschen den mensch en de Ascidiën, in verband met latere denkbeelden,

uitvoerig wordt besproken. De Ascidiën zijn een gedegenereerde zijtak

der Chordadieren, maar behooren niet tot de hoofdafstammingslijn der

Gewervelde Dieren.

Dr. H. H. H. v. Z.

[395] Dit is ongetwijfeld waar, wanneer men de geestvermogens in

rekening brengt. Laat men deze echter buiten rekening, stelt men zich

op zuiver anatomisch en zoölogisch standpunt, dan schijnt het mij niet

twijfelachtig, dat b.v. de kloven tusschen de Catarrhinen, de

eigenlijke Platyrrhinen of Hesperopitheci en de Hapaliden, en vooral

tusschen de Ware Apen en de Lemuriden of Prosimiae (welke groepen allen

door geen levende tusschenvormen zijn verbonden) grooter zijn, dan die

tusschen de hoogste vormen der Catarrhinen en den mensch.

Dr. H. H. H. v. Z.

[396] „History of India”, 1841, vol. I, blz. 323. Pater Ripa maakt

volkomen de zelfde opmerking ten opzichte van de Chineezen.

[397] Een zeer groot aantal metingen van blanken, zwarten en Indianen

worden medegedeeld in de „Investigations in the Military and

Anthropolog. Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1859,

blz. 228–358; over de grootte der longen, blz. 471. Zie ook de talrijke

en belangrijke tabellen, door Dr. Weisbach, van de waarnemingen van Dr.

Scherzer en Dr. Schwarz in de „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”,

1867.

[398] Zie, bij voorbeeld, de mededeeling van den heer Marshall over de

hersenen van een vrouwelijke Bosjesman, in „Phil. Transact.” 1864, blz

519.

[399] Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 178.

[400] Ten opzichte der beelden in de beroemde Egyptische grotten van

Aboe Simbel, zegt de heer Pouchet („The Plurality of the Human Races”,

Eng. vert. 1864, blz. 50), dat hij ver was van herkenbare afbeeldingen

te vinden van de twaalf of meer volken welke sommige schrijvers beweren

te kunnen herkennen. Zelfs sommigen van de meest sterk geteekende

rassen kunnen niet tot thans levende worden teruggebracht met die mate

van eenstemmigheid, die men zou mogen verwachten na hetgeen over dit

onderwerp is geschreven. Zoo getuigen de heeren Nott en Gliddon („Types

of Mankind”, blz. 148), dat Rhamses II, of de Groote, prachtige

Europeesche gelaatstrekken heeft, terwijl Knox, een ander krachtig

voorstander van het soortelijk verschil der menschenrassen, („Races of

Man”, 1850, blz. 201), van den jongen Memnon sprekende (de zelfde

persoon als Rhamses II, naar de heer Birch mij verzekert), er zeer

sterk op drukt, dat hij in uiterlijk voorkomen gelijkt op de

Antwerpsche Joden. Toen wij in het Britsch Museum met twee bevoegde

rechters, die aan die inrichting waren geplaatst, het standbeeld van

Amenophis III beschouwden, waren wij het allen daarover eens, dat de

vorm van zijn gelaat zeer met dien van een neger overeenkwam. De heeren

Nott en Gliddon (ibid., blz. 146, fig. 53) beschrijven hem echter als:

„een bastaard, doch zonder inmenging van negerbloed.” (4)

[401] Aangehaald door Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz.

439, Zij bekrachtigen dit ook met bewijzen; maar C. Vogt meent, dat dit

punt nog nader onderzoek vereischt.

[402] „Diversity of Origin of the Human Races”, in de „Christian

Examiner”, Juli 1850.

[403] „Transact. R. Soc. of Edinburg”, vol. XXII, 1861, blz. 567.

[404] „On the Phenomena of Hybridity in the Genus Homo”, Eng. vert.

1864.

[405] Zie den belangwekkenden brief van den heer T. A. Murray in de

„Anthropolog. Review”, April, 1868, blz. LIII. In dezen brief wordt de

juistheid der bewering van Graaf Strzelecki, dat Nieuw-Hollandsche

vrouwen die kinderen hebben voortgebracht bij blanke mannen, daarna

onvruchtbaar zijn met haar eigen ras, ontkend. De heer A. de

Quatrefages heeft („Revue des Cours Scientifiques”, Maart 1869, blz.

239) ook vele bewijzen verzameld, dat Nieuw-Hollanders en Europeanen

niet onvruchtbaar zijn, als zij zich met elkander kruisen.

[406] „An Examination of Prof. Agassiz’s Sketch of the Nat. Provinces

of the Animal World”, Charleston, 1855, blz. 44.

[407] „Military and Anthopolog. Statistics of American Soldiers” door

B. A. Gould, 1869, blz. 319.

[408] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz.

371, 224, Deel II, blz. 97. Ik moet hier den lezer herinneren, dat de

onvruchtbaarheid van soorten bij kruising geen afzonderlijk verkregen

hoedanigheid is; maar evenals de onvatbaarheid van sommige boomen om op

elkander te worden geënt, van andere verkregen verschillen afhangt. De

aard van deze verschillen is onbekend, maar zij hebben meer in het

bijzonder op het voortplantingsstelsel en veel minder op het uitwendig

maaksel of gewone verschillen in gestel betrekking. Eén belangrijk

element voor de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten ligt blijkbaar

daarin, dat een of beide lang zijn gewend aan vaste levensvoorwaarden;

want wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden een bijzonderen

invloed hebben op het voortplantingsgestel, en wij hebben goede gronden

om aan te nemen (zooals vroeger is opgemerkt), dat de afwisselende

levensvoorwaarden bij de temming een neiging doen geboren worden tot

opheffing van die onvruchtbaarheid, welke zoo algemeen is bij de

kruising van soorten in den natuurstaat. Elders (ibid. Deel II, blz.

185–191, en „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 425) is door

mij aangetoond, dat de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten niet is

verkregen door natuurlijke teeltkeus (9); wij kunnen inzien, dat het,

wanneer twee vormen reeds zeer onvruchtbaar zijn gemaakt, nauwelijks

mogelijk is, dat hun onvruchtbaarheid zou toenemen door het behouden

blijven of het overleven der meer en meer onvruchtbare individu’s; want

als de onvruchtbaarheid vermeerdert, zullen er hoe langer hoe minder

nakomelingen worden geboren, die zich kunnen voortplanten, en ten

laatste zullen er slechts enkele individu’s met groote tusschenruimten

worden geboren. Er bestaat echter nog een grooter graad van

onvruchtbaarheid. Zoowel Gärtner als Kölreuter hebben bewezen, dat bij

geslachten van planten, die talrijke soorten bevatten, een reeks kan

worden gevormd van soorten die bij kruising hoe langer hoe minder zaden

voortbrengen, tot soorten die nimmer een enkel zaad voortbrengen, maar

op welke toch het stuifmeel van de andere soorten nog invloed

uitoefent; want de kiem zwelt op. Hier is het klaarblijkelijk

onmogelijk om de onvruchtbaarste individu’s, die reeds hebben

opgehouden zaden te geven, voor de voortplanting uit te kiezen; zoodat

het toppunt van onvruchtbaarheid, waarbij alleen de kiem wordt

aangedaan, niet door teeltkeus kan worden verkregen. Dit toppunt, en

ongetwijfeld ook de andere graden van onvruchtbaarheid, zijn toevallige

gevolgen van zekere onbekende verschillen in den aard van het

voortplantingsstelsel der soorten die worden gekruist.

[409] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.

75–78.

[410] De heer Quatrefages heeft („Anthropological Review”, Jan. 1869,

blz. 22) een belangwekkende mededeeling gedaan over het succes en de

energie van de Paulista’s in Brazilië, die een gekruist ras van

Indianen en Portugeezen zijn met inmenging van het bloed van andere

rassen.

[411] Bij voorbeeld bij de inboorlingen van Amerika en Nieuw-Holland.

Prof Huxley zegt („Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.”,

1868, blz. 105), dat „de schedels van vele Zuid-Duitschers en Zwitsers

even kort en breed zijn als die der Tartaren” enz.

[412] Zie een goede beschouwing hierover bij Waitz, „Introduct. to

Anthropology”, Eng. translat. 1863, blz. 198–208, 227. Ik heb eenige

der bovenvermelde mededeelingen ontleend aan H. Tuttle’s „Origin and

Antiquity of Physical Man”, Boston, 1866, blz. 35.

[413] Prof. Nägeli heeft verschillende treffende gevallen zorgvuldig

beschreven in zijn „Botanische Mittheilungen”, Bd. II, 1866, blz.

291–369. Prof. Asa Gray heeft overeenkomstige opmerkingen gemaakt

omtrent sommige tusschenvormen bij de Saâmgesteldbloemige Planten

(Compositae) van Noord-Amerika.

[414] „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 101.

[415] Zie hierover Prof. Huxley in de „Fortnightly Review”, 1865, blz.

275.

[416] „Lectures on Man”, Eng. vert. 1863, blz. 468.

[417] „Die Racen des Schweines”, 1860, blz. 46. „Vorstudiën für

Geschichte, enz. Schweineschädel”, 1864, blz. 104. Ten opzichte van het

vee, de Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 119.

[418] Tylor’s „Early History of Mankind”, 1865; omtrent het bewijs ten

opzichte van gebarentaal, zie blz. 54, Lubbock’s „Prehistoric Times”,

2nd edit. 1869.

[419] „The Primitive Inhabitants of Scandinavia”, Eng. vert.,

uitgegeven door Sir J. Lubbock, 1868, blz. 104.

[420] Hodder W. Westropp, „On Cromlechs”, enz., „Journal of

Ethnological Soc.”, aangehaald in „Scientific Opinion”, 2 Juni 1862,

blz. 3.

[421] „Journal of Researches: Voyage of the „Beagle””, blz. 46.

[422] „Prehistoric Times”, 1869, blz. 574.

[423] Vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1866, blz. 431.

[424] „Transact. Internat. Congress of Prehistoric Arch.”, 1866, blz.

172–175. Zie ook Broca (vertaling) in „Anthropological Review”, Oct.

1886, blz. 410.

[425] Dr. Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz.

82.

[426] Gerland (ibid. blz. 12) geeft feiten tot ondersteuning van deze

bewering.

[427] Zie opmerkingen hierover in Sir H. Holland’s „Medical Notes and

Reflections”, 1839, blz. 390.

[428] Ik heb („Journal of Researches, Voyage of the „Beagle””, blz.

435) een aanmerkelijk aantal gevallen verzameld, die op dit onderwerp

betrekking hebben. Zie ook Gerland, ibid. blz. 8. Poeppig spreekt van

den „voor wilden vergiftigen adem der beschaving”.

[429] Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 284.

[430] Bagehot, „Physics and Politics”, „Fortnightly Review”, 1 April,

1868, blz. 455.

[431] Alle hier gegeven bijzonderheden zijn ontleend aan „The last of

the Tasmanians” door J. Bonwick, 1870.

[432] Volgens een mededeeling van den gouverneur van Tasmania, Sir W.

Denison, „Varieties of Vice Regal Life”, 1870, vol. I, blz. 67.

[433] Voor deze gevallen, zie Bonwick’s „Daily Life of the Tasmanians”,

1870, blz. 90; en de „Last of the Tasmanians”, 1870, blz. 386.

[434] „Observations on the Aboriginal Inhabitants of New-Zealand”

uitgegeven door de Regeering, 1859.

[435] „New-Zealand”, door Alex. Kennedy, 1873, blz. 47.

[436] „Life of J. C. Patterson”, door C. M. Younge, 1874; zie meer in

het bijzonder vol. I, blz. 530.

[437] De bovenstaande opgaven zijn hoofdzakelijk ontleend aan de

werken: Jarves, „History of the Hawaiian Islands”, 1843, blz. 400–407.

Cheever, „Life in the Sandwich Islands”, 1851, blz. 277. Ruschenberger

wordt aangehaald door Bonwick, „Last of the Tasmanians”, 1870, blz.

378. Bishop wordt aangehaald door Sir E. Belcher, „Voyage Round the

World”, 1843, vol. I, blz. 272. Ik ben de resultaten van de

volkstelling der verschillende jaren verschuldigd aan de

vriendelijkheid van den heer Coan, door tusschenkomst van Dr. Youmans

van New-York; en in de meeste gevallen heb ik de cijfers van Youmans

vergeleken met die, welke in verschillende der bovengenoemde werken

werden medegedeeld. Ik sloeg de volkstelling van 1850 over, daar ik

zag, dat er twee zeer verschillende getallen werden opgegeven.

[438] „The Indian Medical Gazette”, Nov., 1871, blz. 40.

[439] Over de nauwe verwantschap tusschen de Norfolk-eilanders, zie Sir

W. Denison, „Variaties of Vice-Regal Life”, vol. I, 1870, blz. 410.

Voor de Toda’s, zie Kolonel Marshall’s werk, 1873, blz. 110. Voor de

eilanden bewesten Schotland, Dr. Mitchell, „Edinburgh Medical Journal”,

Maart tot Juni, 1865.

[440] Voor bewijzen hiervan, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel

II, blz. 100, 147–166.

[441] „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 162.

[442] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan „The Mutineers of the

„Bounty””, door Lady Belcher, 1870; en aan „Pitcairn Island”, tot het

drukken waarvan het House of Commons den 29sten Mei last gaf. De daarop

volgende opgaven omtrent de Sandwich-eilanden zijn uit de „Honolulu

Gazette” en van den heer Coan.

[443] „On Anthropology”, Eng. vertaling, „Anthropolog. Review”, Jan.

1868, blz. 38.

[444] „The Annals of Rural Bengal”, 1868, blz. 134.

[445] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.

67–73 (18).

[446] Pallas, „Act. Acad. St. Petersburgh”, 1870, part II, blz. 69. Hij

werd gevolgd door Rudolphi in zijn „Beiträge zur Anthropologie”, 1812.

Een uitnemend overzicht der bewijzen wordt gegeven door Godron, „De

l’Espèce”, 1859, vol. II, blz. 146 enz.

[447] Sir Andrew Smith, aangehaald bij Knox, „Races of Man”, 1850, blz.

473.

[448] Zie hierover Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct.

17, 1868, blz. 731.

[449] Livingstone’s „Travels and Researches in S. Africa”, 1857, blz.

338, 329. D’Orbigny, aangehaald bij Godron, „De l’Espèce”, vol II, blz.

266.

[450] Zie een verhandeling, voorgedragen in de Royal Soc. in 1813 en in

zijn „Essays” uitgegeven. Ik heb een overzicht van de beschouwingen van

Dr. Wells gegeven in de „Historische Schets” (blz. XVI) die bij mijn

„Ontstaan der Soorten” behoort (zie „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned.

Uitg., blz. 28). Verschillende voorbeelden van het verband tusschen

kleur en bijzonderheden van gestel zijn gegeven in mijn „Varieeren der

Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 389–391.

[451] Zie b.v. Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, blz. 68.

[452] Majoor Tulloch in een verhandeling, voorgedragen voor de

„Statistical Society”, 20 April 1848, en uitgegeven in het „Athenaeum”,

1840, blz. 353.

[453] „The Plurality of the Human Races”, Eng. vertaling, 1864, blz.

60.

[454] Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 205. Waitz,

„Introduct. to Anthropology”, vertaling vol. I, 1863, blz. 124.

Livingstone geeft overeenkomstige gevallen in zijn „Travels.”

[455] In de lente van het jaar 1862 kreeg ik verlof van den

Directeur-Generaal van het Geneeskundig Departement van het Leger, om

aan de Officieren van Gezondheid van de verschillende regimenten die

voor den dienst in het buitenland waren bestemd, een oningevulde tabel

te zenden met bijvoeging der volgende opmerking, maar ik kreeg er geen

terug: „Daar bij onze huisdieren verschillende sterk sprekende

voorbeelden zijn opgeteekend van een samenhang tusschen de kleur der

huidaanhangsels en het gestel; en daar het bekend is, dat er een

beperkte mate van betrekking bestaat tusschen de kleur der

menschenrassen en het door hen bewoond klimaat, schijnt het volgend

onderzoek der overweging waardig. Of er namelijk bij Europeanen eenige

betrekking bestaat tusschen de kleur van het haar en hun vatbaarheid

voor de ziekten van tropische landen. Indien de Officieren van

Gezondheid van de verschillende regimenten, als zij in ongezonde

tropische streken verblijf houden, zoo goed wilden zijn, eerst, als

maatstaf van vergelijking, te tellen, hoevele manschappen bij de

militaire macht, waarvan de zieken afkomstig zijn, donker en licht

gekleurd haar en haar van tusschenbeide liggende of twijfelachtige

kleur hadden, en indien dan een dergelijke aanteekening werd gehouden

door de zelfde heeren geneeskundigen van al de manschappen die aan

moeraskoortsen en gele koorts of aan dissenterie leden, zou het spoedig

blijken, nadat eenige duizenden gevallen in tabel waren gebracht, of er

eenig verband bestaat tusschen de kleur van het haar en de

constitutioneele vatbaarheid voor tropische ziekten. Wellicht zou geen

dergelijke betrekking worden ontdekt, maar het onderzoek is wel waard

om te worden ingesteld. In geval het eene of andere positieve resultaat

werd verkregen, zou zulks eenig praktisch nut kunnen hebben bij het

uitkiezen van manschappen voor den eenen of anderen bijzonderen dienst.

Theoretisch zou het resultaat van hoog belang zijn, daar het een der

oorzaken zou aanwijzen, waardoor een menschenras dat sinds zeer langen

tijd een ongezond tropisch klimaat bewoonde, donker gekleurd zou kunnen

zijn geworden, doordat de individu’s met donkere haren of donkere huid

gedurende een langer opeenvolging van generaties beter zouden zijn

bewaard gebleven.”

[456] „Anthropological Review”, Jan. 1866, blz. XXI. Dr. Sharpe zegt

ook ten opzichte van Indië („Man a Special Creation”, 1873, blz. 118),

dat door sommige officieren is opgemerkt, „dat Europeanen met licht

haar en blozende aangezichten minder hebben te lijden van ziekten der

tropische gewesten dan personen met donker haar en bleeke gelaatskleur;

en zoover ik weet, schijnen er goede gronden voor deze opmerking te

zijn.” Daarentegen is de heer Heddle, van Sierra Leone, „onder wien

meer klerken zijn gestorven dan onder eenig ander”, door het klimaat

der westkust van Afrika (W. Reade, „African Sketch Book”, vol. II, blz.

522), van een juist tegenovergestelde meening, evenals ook Kapitein

Burton.

[457] „Man a Special Creation”, 1873, blz. 119.

[458] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 242

v.v., 389–391.

[459] Zie, bij voorbeeld, Quatrefages („Revue des Cours Scientifiques”,

10 Oct. 1868, blz. 724) over de gevolgen van een verblijf in Abessinië

en Arabië en andere dergelijke gevallen. Dr. Rolle („Der Mensch, seine

Abstammung”, enz. 1865, blz. 99) deelt op autoriteit van Khanikof mede,

dat het grootste gedeelte der in Georgië gevestigde Duitsche familiën

in den loop van twee generaties donker haar en donkere oogen hebben

verkregen. De heer D. Forbes deelt mij mede, dat de Quichua’s der Andes

zeer in kleur verschillen, al naar de ligging der valleien die zij

bewonen.

[460] Harlan, „Medical Researches”, blz. 532. Quatrefages („Unité de

l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 128) heeft vele bewijzen daarvoor

bijeengezameld.

[461] Zie Prof. Schaaffhausen, Eng. vertaling, in „Anthropological

Review”, Oct. 1868.

[462] De heer Catlin getuigt („N. American Indians”, 3de edit. 1842,

vol. I, blz. 49) dat bij den geheelen stam der Mandanen ongeveer één

van elke tien of twaalf leden van alle leeftijden en beide seksen

glanzig zilverachtig grijs haar had, hetgeen erfelijk was. Dit haar nu

was even grof en hard als paardenhaar, terwijl het haar van andere

kleuren fijn en zacht was.

[463] Over den geur der huid, Godron, „Sur l’Espèce”, tom. II, blz.

217. Over de poriën der huid, Dr. Wilckens, „Die Aufgaben der

landwirth. Zootechnik”, 1869, blz. 7.

[464] Deze personen zijn vergezeld van hun kudden, die uit ezels,

antilopen en steenbokken bestaan; 3000 jaren v. Chr. bestonden dus de

kudden grootendeels uit diersoorten die thans niet in getemden toestand

voorkomen of niet meer in kudden worden gehouden, terwijl schapen,

geiten, runderen, paarden en kameelen ontbraken, dat thans de

voornaamste tamme dieren uit Egypte zijn.

[465] Ofschoon dit a priori hoogst waarschijnlijk is, daar de

omstandigheden waaronder het dier leefde, sedert de oudste dynastieën

wel degelijk geheel dezelfde zijn gebleven! Ieder die Egypte, vooral

Opper-Egypte, heeft bezocht, in welke laatste streek het bouwland

slechts een smalle strook vormt tusschen twee woestijnen, die nimmer

bebouwd zijn geweest, en geheel in het klimaat dier woestijnen deelt,

zal zulks toegeven.

[466] Men vergelijke S. B. Sketchley, „On the Occurrence of Stone

Mortars in the ancient river-gravels of Butte-County (California)”, in

„Journ. of the Anthrop. Institute of Great Britain and Ireland”, 1889,

blz. 332. De geheele tertiaire steentijd wordt tegenwoordig door de

Mortillet eolithische periode genoemd, een slecht gekozen naam! Wij

zouden liever spreken van een pliolithische, miolithische en

eolithische periode, al naar de bewerkte vuursteenen in pliocene of

eventueel in miocene of eocene lagen waren gevonden.

Omtrent de in onze aanteekening 22, blz. 43, vermelde indeeling der

voorhistorische tijden in steen-, brons- en ijzertijd (in 1836 in de

wetenschap ingevoerd door den Deenschen oudheidkundige Thomsom, op

grond zijner studiën in het rijke museum van oudheden te Kopenhagen),

wenschen wij hier nog mede te deelen, dat in de laatste jaren van

verschillende zijden in twijfel is getrokken, of zelfs ontkend, dat men

van een bepaalden bronstijd mag spreken, en beweerd, dat de kennis van

het ijzer ouder was dan die van het brons. Men vergelijke: R. Andree,

„Die Metalle bei den Naturvölkern”, Leipzig, 1884; Dr. L. Beck, „Die

Geschichte des Eisens”, Braunschweig, Vieweg, 1885; Dr. M. Alsberg,

„Die Anfänge der Bronzecultur”, Berlin, 1885; Dr. A. J. C. Snijders,

„De oorsprong der menschelijke nijverheid” (Slot), in den „Tijdspiegel”

van Maart, 1891. Men zie omtrent den bronstijd en den tusschen dezen en

den steentijd te plaatsen kopertijd echter ook Prof. R. S. Tjaden

Modderman in „Album der Natuur”, 1891, blz. 81.

[467] „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 75.

[468] „Archiv für Anthropologie”, 1889, blz. 375.

[469] Omstreeks 1000 n. Chr. vonden de Noormannen aan den Atlantischen

Oceaan in het tegenwoordige Canada en de noordelijke Vereenigde Staten

de zoogenaamde „Skraelinger”, naar de beschrijving stellig Eskimo’s. Na

het terugvinden van Amerika door Columbus vonden de Franschen en

Engelschen in die zelfde streken Roodhuiden, die dus tusschen 1000 en

1500 de Eskimo’s daar moeten hebben verdrongen.

Soren Hanssen onderstelt, dat de Eskimo’s over den Stillen Oceaan, de

stamouders der Roodhuiden over de Behringstraat Amerika zijn

binnengedrongen. Met deze stellingen kan ik mij, om later te vermelden

redenen, volstrekt niet vereenigen, vooral met de eerste niet.

[470] „Les Hottentots au Jardin d’Acclimatation”, en „La Stéatopygie

des Hottentots”, beide in de „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 15 en

194.

[471] Deze wordt wegens den aard van zijn haar door Haeckel als nauwer

met de Dravida’s, Nubiërs en zelfs Middellanders verwant beschouwd dan

met de wolharige Papoea’s, Hottentotten, Kaffers en Negers. Wij zouden

eer geneigd zijn hem als nauw verwant met deze laatsten, vooral met de

Papoea’s te beschouwen en achten de geaardheid van het haar alleen niet

zulk een belangrijk kenmerk als de kleur, schedelvorm, schedelgrootte

enz te zamen.

[472] In het laatste geval zijn zij wellicht te verklaren als terugslag

(atavisme) tot het type van een voorvader van het blanke ras, en zijn

gelijk te stellen met de in Hoofdstuk II van dit werk vermelde

aapachtige afwijkingen van het spierstelsel. Op het merkwaardige feit

van de algemeene dolichocephalie der oorspronkelijke Afrikanen en der

Afrikaansche anthropomorphen, in tegenoverstelling van de

brachycephalie der Maleiers en Mongolen en der Aziatische

anthropomorphen is reeds vroeger, aant. 10, blz. 294, gewezen.

[473] Zij komen in grooten getale voor in landen waar nimmer Kelten

hebben gewoond, en de Fransche zijn zeker ouder dan de Keltische tijd.

Zie mijn artikel: „Wie waren de stichters der Drenthsche hunebedden?”

in den „Nieuwen Drenthschen Volksalmanak”, jaargang 1886.

[474] Men vergelijke over de wijze, waarop de hunebedden zijn gebouwd,

ook het slot van mijn artikel: „Hunebedden in Noordwest-Duitschland” in

„Nieuwe Drenthsche Volksalmanak”, 1891, blz. 152.

[475] De overste Yole, die in 1844, en de botanist J. Hooker, die in

1866 deze Khasia’s bezocht, vermelden beiden ook hun megalithische

monumenten. Het woord men komt menigmaal in den naam hunner dorpen

voor, evenzeer als dit het geval is in Bretagne, Wales en Cornwallis.

Mensmaï duidt in het Khasiaansch een eed of zweersteen aan; menflong

een begraasden steen; memloe een zoutsteen. De Khasia’s bewonen een

deel der bergstreken die ten oosten van de Brahmapoetra liggen. Zij

zijn nimmer in gemeenschap met de Hindoe’s geweest en behooren tot de

vóór-Arische bewoners van Indië. Zij hebben zeer geringe en verwarde

godsdienstige begrippen en staan op een zeer lagen trap van

ontwikkeling. Hun uit steen en bamboes samengestelde hutten zijn even

armoedig als zij zelven zijn.

Witkamp vermeldt in zijn Geschiedenis der XVII Nederlanden deze

Khasia’s en schat den ouderdom onzer hunebedden op minstens 2500 jaren,

mogelijk zelfs op 30, 35 of meer eeuwen. Naar mijn gevoelen zijn zij

echter waarschijnlijk nog veel ouder, hetgeen daarmede samenhangt, dat

Witkamp het Volk der Dolmen uit Indië naar Europa laat trekken, juist

omgekeerd als ik.

[476] Schedels van Engis, Neanderthal, Eguisheim, Gibraltar enz. (ras

van Chelles, oudste steentijd).

[477] Schedel van Florence (oudste steentijd).

[478] Schedels van Eyzies, Cro Magnon, Furfooz enz. (middelste

steentijd); Borreby enz. (jongste steentijd).

[479] „Die Grosshirn-Windungen des Menschen.” „Abhandlungen der K.

Bayerischen Akademie”, Bd. X, 1868.

[480] „Convolutions of The Human Cerebrum Topographically Considered”

1866, blz. 12.

[481] Aanteekeningen meer bijzonder over de overbruggende windingen in

de, hersenen van den chimpanzee, „Proceedings of the Royal Society of

Edinburgh”, 1865–66.

[482] Flower, „On the Anatomy of Pithecia Monachus”, „Proceedings of

the Zoological Society”, 1862.

[483] „Man’s Place in Nature”, blz. 102.

[484] „Transactions of the Zoological Society”, vol. V, 1862.

[485] „Chez tous les singes les plis postérieurs se développent les

premiers; les plis antérieurs se développent plus tard; aussi la

vertébre occipitale et la pariétale sont elles relativement très

grandes chez le foetus. L’Homme présente une exception remarquable

quant à l’époque de l’apparition des plis frontaux, qui sont les

premiers indiqués; mais le développement général du lobe frontal,

envisagé seulement par rapport à son volume, suit les mêmes lois que

dans les singes.” Gratiolet, „Mémoire sur les plis cérébraux de l’Homme

et des Primates”, blz. 39, Tab. IV, fig. 3.

[486] Gratiolet’s woorden zijn (l.c. blz. 39): „Dans le foetus dont il

s’agit les plis cérébraux postérieurs sont bien développés, tandis que

les plis du lobe frontal sont à peine indiqués.” De plaat (Pl. IV, fig.

3) vertoont echter de groef van Rolando en een der voorhoofdsgroeven

duidelijk genoeg. Desniettemin schrijft de heer Alix, in zijn „Notice

sur les travaux anthropologiques de Gratiolet” („Mém. de la Société

d’Antropologie de Paris”, 1868, blz. 32), als volgt: „Gratiolet a eu

entre les mains le cerveau d’un foetus de Gibbon, singe éminemment

supérieur et tellement rapproché de l’orang, que des naturalistes très

compétents l’ont rangé parmi les anthropoïdes. M. Huxley, par exemple,

n’hésite pas sur ce point. Eh bien, c’est sur le cerveau d’un foetus de

Gibbon que Gratiolet a vu les circonvolutions du lobe

temporo-sphenoïdal déjà développées, lorsqu’il n’existe pas encore des

plis sur le lobe frontal. Il était donc bien autorisé à dire, que chez

l’homme les circonvolutions apparaissent d’ α en ω, tandis que chez les

singes elles se développent d’ ω en α.”

[487] „Ueber die typische Anordnung der Furchen und Windungen auf den

Grosshirnhemisphären des Menschen und der Affen.” „Archiv. für

Anthropologie”, III, 1868.

[488] „Zur Entwicklungsgeschichte der Furchen und Windungen der

Grosshirn-Hemisphären im Foetus des Menschen.” „Archiv. für

Anthropologie”, III, 1868.

[489] Later verscheen daarover nog een werk van Ad. Pansch, Berlijn

1879.

Dr. H. H. H. v. Z.

[490] Sulcus centralis. Dr. H. H. H. v. Z.

[491] Fissura temporalis superior. Dr. H. H. H. v. Z.

[492] Bij voorbeeld de abt Lecomte in zijn vreeselijk pamflet „le

Darwinisme et l’Origine de l’Homme,” 1873.

[493] Vrij bewerkt naar een opstel van den markies G. de Saporta, „Un

Essai de Synthèse Paléoethnique”, voorkomende in de „Revue des deux

Mondes” van 1 Mei 1883. Deze belangrijke studie werpt een geheel nieuw

en verrassend licht op het oorspronkelijk vaderland van den mensch en

de verspreiding der menschenrassen, om welke reden wij een vrije

bewerking met menigvuldige uitbreidingen daarvan als aanhangsel aan het

eerste gedeelte van Darwin’s „Afstamming v. d. Mensch” toevoegen.

Dr. H. H. H. v. Z.

[494] In het jaar 450 v. Chr. vertoonde de Egyptische priester aan

Herodotus aan de buitenzijde van den grooten tempel te Thebe de 345

houten beelden der voormalige opperpriesters, welke gedurende even

zoovele menschenleeftijden van vader op zoon te Thebe hadden geheerscht

(Herod. II, 143). Stellen wij een menschenleeftijd op 30 jaar, dan

geeft dit reeds meer dan 10000 jaren.

[495] „La préhistorique antiquité de l’homme”, par M. Gabriel de

Mortillet; „Musée préhistorique” par M.M. Gabriel et Adrien de

Mortillet; Paris 1883 et 1881.

[496] Andere berekeningen klimmen tot 11000 jaar! Er liggen te

Robenhausen drie paaldorpen boven elkander in het veen bedolven!

[497] Deze berekening geeft waarschijnlijk een te hooge uitkomst, daar

nieuwere waarnemingen hebben bewezen, dat druipsteen zich veel sneller

kan vormen dan men vroeger aannam en niets ons waarborgt, dat die

druipsteen zich steeds met eenparige snelheid heeft verdikt (zie „Alb.

d. Nat.”, 1888. Wet. Bijblad, blz. 31). Ging de druipsteenvorming

echter vóór den Romeinschen tijd tienmaal sneller dan daarna, wat

onwaarschijnlijk is, dan komen wij nog tot een minimum van

vijf-en-twintigduizend jaar.

[498] Als men de nieuwere theorie van O. Torell aanneemt, waren die

veranderingen in Noord- en Centraal-Europa echter veel minder groot dan

men vroeger meende, wat natuurlijk ook op den berekenden tijd invloed

moet oefenen. Vergelijk mijn stuk „Het diluvium der

Nederlandsch-Noordduitsche vlakte” in „Isis”, 1881, blz. 97.

[499] Tot veel matiger berekening (ofschoon altijd nog ver over de

vroeger door de theologen op grond van den bijbel aangenomen oudheid

van het menschdom) leidt de theorie van den bekenden sterrekundige R.

Falb, volgens welke geregeld perioden van grootere koude en grootere

warmte, elk van 10500 jaren elkander zouden afwisselen (R. Falb, „Das

Wetter und der Mond”, Wien 1887). In vroegere geologische tijdvakken

dan het diluvium, tijdvakken, waarin èn de zon èn de aarde warmer waren

dan tegenwoordig, behoeven de maxima van koude zich niet gekenmerkt te

hebben door vorst en gletschers, maar toch waren zij kouder dan de

minima. De voorlaatste ijsperiode kenmerkte zich daarentegen door

buitengewoon sterke uitbreiding der gletschers. Zij valt in het

zoogenaamde diluvium.

Deze theorie geeft voor de maxima en minima van koude (alleen de

laatste en eerstvolgende duizendtallen van jaren in aanmerking nemende)

de volgende jaren.

Minimum 19850 jaren v. Chr.

Maximum 14600 jaren v. Chr. (voorlaatste ijstijd, groote ijstijd).

Minimum 9350 jaren v. Chr. (interglaciaire periode).

Maximum 4100 jaren v. Chr. (laatste ijstijd).

Minimum 1150 jaren na Chr. (midden der tegenwoordige

interglaciaire periode).

Maximum 6400 jaren na Chr. (eerstvolgende ijstijd.)

Nemen wij dus aan (gelijk nader zal worden uiteengezet) dat de

poolgewesten de bakermat van het menschdom zijn geweest en het daaruit

door het kouder worden van het klimaat naar het Zuiden is verhuisd, dan

zou, als Falb’s theorie juist was, die verhuizing tusschen 19850 en

14600 jaren v. Chr. begonnen zijn. In 14600 was dan zelfs Scandinavië

voor den mensch onbewoonbaar en begint in Centraal- en Zuid-Europa de

palaeolithische periode. Het rendiertijdperk in Europa kunnen wij dan

omstreeks 9350 j. v. Chr. plaatsen. Omstreeks 4100 v. Chr. begint in

Europa de neolithische periode of het tijdperk van den geslepen steen

(dit komt dus vrij goed uit met den op geheel andere gronden berekenden

ouderdom van het paaldorp te Robenhausen, zie blz. 401). In dien tijd

zullen door de groote atmosferische neêrslagen vele tegenwoordige

woestijnen in Azië en Afrika vruchtbaar zijn geweest; in

Centraal-Europa was toen om de zelfde reden groote uitbreiding der

gletschers en groote waterrijkdom der rivieren. Dat het in Europa in

den Romeinschen tijd niet zoo warm was als in de 12e eeuw, maar dat

daarentegen na de 13de eeuw het klimaat van Europa voortdurend kouder

is geworden, wordt door vele oude berichten aangetoond (vergelijk Prof.

v. Hall, in „Alb. d. Natuur”, 1861, blz. 27), en dat ook in de laatste

tientallen jaren de daling der gemiddelde jaarlijksche temperatuur zeer

merkbaar voortgaat, is een feit, waarop nog onlangs door C. Flammarion

is gewezen, alles geheel in overeenstemming met Falb’s minimum, 1150 na

Chr.

[500] Van Diemens Land moet worden beschouwd als de zuidpunt van

Nieuw-Holland.

[501] Ofschoon de Azteken nog slechts kort beschaafd waren, waren zij

door andere volken voorafgegaan, wier beschaving zij overnamen. Men kan

de oudheid der Mexicaansche beschaving vóór Cortez’ tijd, van haar

eerste begin af, gerust op een paar duizend jaar stellen.

[502] A. H. Sayce, een der hoogste autoriteiten in Europa op dit

gebied, zegt („Nature” en daaruit vertaald in „Isis”, 1876, blz. 84),

dat de Babyloniërs tusschen 4000 en 3000 jaren vóór het begin onzer

jaartelling Mesopotamië binnentrokken en daarna veroverden, maar er

reeds een beschaafd volk (de zoogenaamde Akkadiërs) gevestigd vonden.

De stellig historische tijd van China begint met de dynastie Hia (van

2207–1767 v. Chr.), hun half-mythische tijd met den keizer Fo-hi, die

tusschen 3468–2952 v. Chr. zou hebben geregeerd, of volgens Prof. G.

Schlegel te Leiden 2852 v. Chr. Deze noemt („Uranographie Chinoise”,

Leiden, Brill, 1875, blz. 754) nog vijf oudere keizers op. Volgens

dezen laatste is de Chineesche beschaving echter nog veel ouder, en

zouden de Chineezen vóór ongeveer 19000 jaren de sterrenbeelden hebben

uitgevonden (ib. blz. 704) en toen ongeveer even beschaafd zijn geweest

als de tegenwoordige wilde bewoners der Zuidzee-eilanden, van de

binnenlanden van Afrika, Sumatra en Borneo, en onder keizer Yao (2357

v. Chr.) even beschaafd als de Egyptenaars van dien tijd (ib. blz. 749

en 773).

[503] Ook Voor-Indië in het Noorden waarvan zich reeds zeer vroeg een

zelfstandig middelpunt van beschaving vormde, verdient hier te worden

genoemd. In Amerika vinden wij nabij den Steenbokskeerkring Peru als

een tweede middelpunt van beschaving. Wèl lag dit dichter bij de linie,

maar wegens de grootere hoogte boven den zeespiegel in dergelijk

klimaat als Mexico. Het uitgangspunt der Peruaansche beschaving lag

waarschijnlijk aan het meer Titicaca op 16° Z.B. De Peruaansche

beschaving, die ook op dergelijke wijze onderging als de Mexicaansche,

schijnt van deze laatste geheel onafhankelijk te zijn ontstaan. Beide

volken kenden elkander in de vijftiende eeuw niet. Toch vertoonen hun

oudheden onmiskenbare sporen van gelijkenis. In Zuid-Afrika ontdekte

Karl Mauch in 1871 de grootsche ruïnen van Zimbalye. Er moeten zich in

die streek nog verscheidene andere bouwvallen bevinden. Hun oorsprong

ligt geheel in het duister. Geheel ten onrechte heeft men ze met

Salomo’s Ophir in verband gebracht. Uit Ophir kwamen zoowel apen als

pauwen, en Indië is het eenige land, waar deze beide diervormen naast

elkander voorkomen. (2) De ruïnen van Zimbalye liggen op den 20sten

graad Zuiderbreedte, 32 graden Oosterlengte van Greenwich, ongeveer 50

mijlen ten Westen van Sofala, niet ver van de rivier Sabia, die de

wateren van het Matoppogebergte naar Sofala afvoert. Hier staat op een

400 voet hoogen granietklomp nog een geweldig groot stuk ruïne, dat

deels uit de rotsen gehouwen, deels met muren opgebouwd is. Het is met

zigzagvormige voorwerken omgeven, die het als vesting kenmerken. Dicht

daarbij ziet men op eene gneisplaat nog eene „rondeau”, dat door

voorwerken met de vesting verbonden is. In het midden staat een ronde

toren, die door een dubbelen muur omsloten wordt. In puin gevallen

vertrekken en gangen laten den vroegeren vorm nog raden. Mauch vernam

van een ouden priester, dat de toren „het huis van de koningin” heette.

Iedere drie of vier jaar gaat het volk daar naar toe om te offeren.

Door den Portugees de Barros (zestiende eeuw) wordt medegedeeld, dat

hier een gedeelte van den hofstaat van den koning van Monomotapa heeft

gewoond. De ruïnen van Zimbalye zijn echter ongetwijfeld veel ouder dan

den tijd der Arabieren en Portugeezen, en schijnen te bewijzen, dat

eens ook in Afrika onder den Steenbokskeerkring een zelfstandig, geheel

ondergegaan middelpunt van beschaving lag. Ruïnen in de

Kalahari-woestijn, waarvan wij voor eenige jaren een afbeelding in het

Fransche Tijdschrift „Le Tour du Monde” zagen, bevestigen dit gevoelen.

Zoo ook een soort van schriftteekens (zie de afbeelding bij J. C.

Voigt, „Een belangrijke ontdekking” in „Eigen Haard” 1890, No. 1, blz.

15), die men in een voorhistorische mijnschacht in Transvaal heeft

gevonden. Met Egyptische hiëroglyphen hebben deze niets te maken; wèl

zijn er teekens bij, die aan onze letters X, Y en O en aan de Grieksche

letter π herinneren, maar dit zal wel een louter toeval zijn. Men vindt

in het aangehaalde stuk nog verschillende bijzonderheden omtrent de

ruïnen van Zimbalye en een bezoek daaraan in den zomer van 1889 door

zekeren Posselt uit Transvaal gebracht. Deze middelpunten van

beschaving op het Zuidelijk Halfrond zijn echter zonder invloed op de

ontwikkeling van het menschdom als geheel gebleven.

[504] Markies de Nadaillac bespreekt deze quaestie uitvoerig in zijn

„Amérique préhistorique”, Paris 1883. Hoever echter enkele wilde

stammen zich ook over uitgestrekte zeeën hebben verplaatst, bewijzen de

landverhuizingen der Polynesiërs, die legenden daaromtrent hebben

bewaard, welke men kan vinden in Waitz, „Anthropologie der

Naturvölker.” Zij kwamen uit den Maleischen Archipel (waarheên zij

oorspronkelijk waarschijnlijk uit Achter-Indië verhuisd waren) naar den

Samoa-archipel en verspreidden zich van dezen uit over de

Sandwich-eilanden, Tahiti en Nieuw-Zeeland.

[505] Zie Otto Kuntze, „De oudheid van Amerika’s oorspronkelijke

bevolking bewezen door haar cultuurplanten” in „Isis”, 1878, blz. 331.

[506] De Bosjesmannen zijn eenerzijds verwant met de dwergstammen, die

men als overblijfselen van de oudste bevolking van Centraal-Afrika kan

beschouwen, anderzijds met de Hottentotten. De Hottentotten naderen,

vooral door den aard van hun haar (vergelijk aanteekening 2, blz. 370),

tot de Papoea’s, waartoe ook de Tasmaniërs behooren. Dat ook in

Zuid-Amerika eens een met de Papoea’s verwant volk leefde, heeft het

nader onderzoek der schedels van Lagoa-Santa bewezen (vergelijk

aanteekening 5, blz. 374). Deze met de Papoea’s en Hottentotten

verwante menschen zijn in Zuid-Amerika door de Roodhuiden verdrongen,

wier laagst ontwikkelde stammen (de Vuurlanders) thans het uiterste

Zuiden van dat werelddeel bewonen. Alles wijst er dus op dat een zelfde

ras van menschen met wolachtig, in bosjes groeiend kroeshaar, de eerste

bevolking was, die zich van uit de bakermat van het menschdom over de

verschillende vastelanden verspreidde. Wellicht was dit het

uitgestorven ras van Cannstatt, dat ook in Amerika schijnt te zijn

doorgedrongen. De tweede bevolking waren in de Oude Wereld

donkergekleurde menschen, gedeeltelijk met wolachtig, gelijkmatig over

de schedelhuid verspreid kroeshaar (gelijk de Kaffers en Negers),

gedeeltelijk sluikharig gelijk de Nieuw-Hollanders, en ook tot deze kan

het ras van Cannstatt hebben behoord, dat wellicht ook de stam zoowel

van deze rassen als van het eerstgenoemde, met de Papoea’s en

Hottentotten verwante ras was. Daarop volgen in de Oude Wereld de

Dravida’s en Nubiërs (in de beteekenis die Haeckel (zie blz. 379) aan

die woorden geeft; ook den naam Nieuw-Hollanders gebruiken wij hier om

een bepaald ras aan te duiden, en geenszins in den zin van inboorlingen

van Nieuw-Holland, schoon deze tot dat ras behooren), en de Maleiers.

Op deze laatsten volgen weldra de Mongolen, die zich van uit het

Noorden van Azië Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts (ook over een

groot deel van Europa) verspreiden (de Dravida’s worden teruggedrongen

naar Voor-Indië, de Maleiers naar Malakka en den Maleischen archipel en

waarschijnlijk ook over Formosa naar de Philippijnsche eilanden) en in

Amerika de Roodhuiden en Eskimo’s. De Roodhuiden der Vereenigde Staten

bezitten overleveringen die wijzen op een herkomst uit een koud land,

waar veel ijs en sneeuw voorkwamen. (Zie „Historical and Statistical

Information, respecting the history, conditions and prospects of the

Indian Tribes of the United States, collected and prepared under the

direction of the bureau of Indian Affairs, by H. R. Schoolcraft,

published by authority of the Congress”, Philadelphia 1851.) Ook de

Azteken waren volgens hun historische overleveringen uit noordelijker

streken naar Mexico verhuisd, streken waar het sterk sneeuwde en de

zomer slechts zes weken duurde! Eindelijk komt in de Oude Wereld het

blanke ras, dat zich het eerst in het Noorden van Europa vertoonde, en

over geheel Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië uitspreidt, de

Mongolen worden teruggedrongen naar Centraal- en Oost Azië, de

Dravida’s naar het Zuiden van Voor-Indië, de Nubiërs naar Nubië en

Soedan. Elk der achtereenvolgende golven van landverhuizing dringt de

vroegere naar het Zuiden terug of roeit ze geheel of grootendeels uit

of absorbeert ze, en elke opeenvolgende golf bestaat gewoonlijk uit een

lichter gekleurd en meer ontwikkelbaar ras. Al deze golvingen hadden

plaats van het Noorden naar het Zuiden. Vermenging op groote schaal en

wijziging gedurende de verhuizingen zelve, ten gevolge der veranderde

levensvoorwaarden, konden daarbij natuurlijk niet uitblijven.

[507] Zie blz. 40.

[508] Vergelijk „Traité de géologie” par A. de Lapparent, Paris 1883,

blz. 1245–1248; Voorts: Lowthian Green, „Vestiges of the molten Globe”,

London, 1875.

[509] Tegen het midden van het Secundaire Tijdvak zijn waarschijnlijk

de boomen met afvallend loof in de Noordpoolstreken ontstaan (tegen het

einde van dat Tijdvak vindt men hun overblijfselen in de gematigde

luchtstreek). Het afvallen van het loof is voornamelijk een adaptatie

aan den maandenlangen nacht der poolstreken, en niet (of ten minste in

veel mindere mate) aan den winter, daar ook ’s winters het bladgroen in

het zonlicht zijn functies kan uitoefenen.

[510] Evenzoo zagen wij in aant. 15, blz. 385, dat het Volk der Dolmen

zich waarschijnlijk in Europa van het Noorden naar het Zuiden, en van

Europa via Noord-Afrika naar Indië heeft verplaatst. Ook de Ariërs zijn

volgens de jongste onderzoekingen een volk dat oorspronkelijk in

Noord-Europa woonde (zie „Kosmos” 1884, Bd. II, Heft 1, blz. 65 en

Prof. S. A. Naber in de Gids van Juli 1884, „Penka, die Herkunft der

Ariër”, Wien 1887), en dus van daar naar Midden- en Zuid-Europa, en

Perzië en Indië (en niet omgekeerd) is getrokken. De Oude Perzen hadden

overleveringen, dat zij kwamen uit een land, waaruit zij door het

strenger worden van den winter verjaagd waren en waar de winter tien en

de zomer slechts twee maanden duurde. Dat oorspronkelijk vaderland der

Mongoolsche volken in Noord-Azië te zoeken is, is bekend. De oude

Egyptenaars waren volgens Mariette over de landengte van Suez naar

Egypte getrokken en kwamen dus ook uit noordelijker streken. Zeer

merkwaardig is het, dat ook in latere en zelfs in historische tijden

verreweg de meeste veroveringen die blijvende ethnologische

veranderingen hebben ten gevolge gehad, zich van het Noorden naar het

Zuiden bewogen. Zoo hebben de Belgische Kelten, van uit het Noorden

komende, de Kymrische Kelten tot over de Seine, en de Germanen, uit het

Noorden komende, de Belgische Kelten over den Rijn teruggedrongen, de

Kymrische Kelten verdrongen in Spanje de zuidelijker wonende Iberiërs,

de Romeinen overwonnen zuidelijker wonende Carthagers en koloniseerden

Noordwest-Afrika, de Germanen (Gothen, Franken enz.) drongen bij de

volksverhuizing van uit het Noorden het Romeinsche rijk binnen en

verdrongen zuidelijker wonende Romaansche volken, de Turken kwamen uit

Noord-Azië, toen zij hun eerste invallen in Centraal-Azië en later in

het nog zuidelijker Klein-Azië, Balkan-schiereiland, Egypte en

Noord-Afrika deden. Van uit het noordelijker gelegen Malakka drongen de

Maleiers den Indischen Archipel binnen en drongen de oorspronkelijke

zwarte, met de Nieuw-Hollanders verwante bevolking terug. In het

jaarverslag van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia

over 1890, door den voorzitter Dr. Van der Stok uitgebracht, leest men

o.a. omtrent de op regeeringskosten gedane opgravingen van Dr. E.

Dubois in Kediri op Java, dat in de grotten van de afdeeling Ngrowo

deelen van menschengeraamten werden gevonden, die, evenals een vroeger

aan genoemde vereeniging toegezonden schedel, de kenmerken vertoonen

van het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras. Blijkbaar hebben dus op

Java de Maleiers de Nieuw-Hollanders verdrongen, evenals deze

waarschijnlijk vroeger zelve de voorouders der Papoea’s Westwaarts van

uit den Maleischen Archipel naar Nieuw-Guinea en omliggende eilanden en

van uit Nieuw-Holland naar Van Diemen’s Land drongen. De

Moorsch-Arabische bewoners van Noord-Afrika breiden zich allengs over

Centraal-Afrika uit, Spaansch-Amerika ligt zuidelijker dan Spanje, de

Vereenigde Staten en de meest bevolkte gedeelten van Canada zuidelijker

dan Engeland of Frankrijk, Nieuw-Holland, Nieuw-Zeeland, de Kaaplanden,

Suriname enz. zuidelijker dan Engeland of Nederland, enz. enz. Van

volks- of landverhuizingen van het Zuiden naar het Noorden met blijvend

gevolg zal men daarentegen in de geheele geschiedenis nauwelijks een

enkel voorbeeld kunnen aanwijzen. De Noorsche kolonisatie van Groenland

ging te gronde en de tegenwoordige bezittingen der Denen aldaar worden

door Eskimo’s, niet door een Deensche bevolking (uitgezonderd de

ambtenaren), bewoond. De Moorsche verovering van Spanje, die hier nog

het best zou kunnen worden aangehaald, eindigde daarmede dat de Mooren

eindelijk toch weêr naar het Zuiden en ten slotte naar Afrika werden

teruggedrongen. De geheele geschiedenis is „im Ganzen und Groszen”

beschouwd, een terugdringen en overstroomen van zuidelijke volken door

oorspronkelijk meer noordelijk wonende.

[511] Van hier af tot aan II is grootendeels niet ontleend aan den

Markies de Saporta, maar (gelijk ook veel van het voorgaande) bijna

geheel door mij geschreven.

[512] A. Gaudry, „Les enchaînements du monde animal”, Paris, 1878.

[513] Lartet maakte uit het in 1856 gevonden onderkaaksfragment op, dat

deze aap minder vooruitspringend aangezicht dan andere apen zou hebben

gehad, dat hij door de afgeronde knobbels der kiezen op de

Nieuw-Hollanders zou hebben geleken, en dat de „kies van verstand” bij

hem evenals bij den mensch na den hoektand zou zijn verschenen, zoodat

hij in al die opzichten nader bij den mensch zou hebben gestaan dan een

der thans levende anthropomorphen. Uit een tweede, later ter zelfder

plaatse gevonden onderkaak van een ander individu van Dryopithecus

leidt Gaudry thans echter af, dat deze den laagsten trap onder de

anthropomorphen bekleedde en dus ongetwijfeld niet de bewerker der

bedoelde steenen is geweest.

[514] De fjorden en nauwe straten, die thans de pooleilanden onderling

en van de vastelanden scheiden, zijn waarschijnlijk allen sedert het

begin van het Quaternaire Tijdvak door ijswerking ontstaan. De

Barendszee tusschen Noorwegen, Spitsbergen, Nova-Zembla en

Frans-Josephsland was ongetwijfeld in een geologisch kort geleden tijd

vast land, dat zich, wie weet hoever, naar het Noorden uitstrekte. Er

bestond dus oudtijds in de Noordpoolstreken nog veel meer land dan

tegenwoordig, en de Oude en de Nieuwe Wereld maakten destijds, over de

Pool heên, een nagenoeg onafgebroken geheel uit. Als men een

wereldkaart beschouwt, zoo geteekend, dat de Noordpool het middelpunt

daarvan vormt, en zich de Poolzee voorstelt als nagenoeg geheel door

land ingenomen, zal men zien, dat Azië, Europa en Noord-Amerika een

nagenoeg samenhangenden driehoek vormen, waarvan Malakka, Arabië en

Mexico de hoeken vormen en dat b.v. de Oostkust van Noord-Amerika (van

Noord naar Zuid) in het verlengde valt van de Westkust van de Roode Zee

(van Zuid naar Noord)! Men vergelijke het wereldkaartje, blz. 294.

[515] Reeds vroeger kunnen ook overbevolking en oorlogen tusschen

stammen tot verhuizingen aanleiding hebben gegeven. In 1886 is door de

Quatrefages in de zitting der Parijsche Académie des Sciences van 6

October en in een zitting van het Parijsche Aardrijkskundig Genootschap

in December 1887 een dergelijk gevoelen uitgesproken. Hij houdt het

uiterste Noord-Oosten van Azië voor de wieg van het menschdom in het

tertiaire tijdvak en laat den mensch door de koude gedwongen naar

lagere breedten trekken. Het laatstgenoemd denkbeeld was door hem ook

reeds in 1877 in zijn boek „l’Espèce humaine” uitgesproken.

[516] Vandaar zouden palaeontologische nasporingen op het Zuidpoolland,

zoo zij mogelijk waren, buitengewoon belangrijke resultaten beloven!

Zoolang de equator te warm was om organisch leven toe te laten, maar de

polen daartoe genoeg waren afgekoeld, waren de dieren en planten van

het Noordelijk en Zuidelijk halfrond elkander even vreemd alsof zij

verschillende planeten bewoonden.

[517] Onder de lava van een der uitgebrande vulkanen van Auvergne.

[518] Quatrefages houdt het er voor dat dit ras tot het Tertiaire

Tijdvak opklimt („Nature”, 1887, blz. 23). Prof. Fraipont („Bull. de

l’Acad. royale de Belgique”), aangehaald door A. H. Keane („Nature”,

1887, blz. 565), brengt het daarentegen tot de zoogenaamde Moustier

periode (zie onder, blz. 426) en voor jonger dan de „période

Chelléenne” (zie onder, blz. 423), en dus ook dan het nog oudere

tertiaire tijdvak. De mensch van „la période Chelléenne” en van het

Tertiaire Tijdvak zou dus nog dierlijker ontwikkeld zijn geweest dan

het ras van Cannstatt.

[519] Zij zouden dit hebben gedaan door hem in het vuur te laten

springen en de voor het doel geschikte splinters uit te zoeken, en niet

door er stukjes af te slaan, gelijk de quaternaire menschen.

[520] Volgens professor J. Kollmann te Bazel (vergelijk: „Het Varieeren

der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 82) zou ook het blonde

menschen-type Europa van uit het Noorden zijn binnengetrokken, wat

geheel in overeenstemming met onze hypothese is. Het moet dus uit het

centrale Noordpoolgebied of uit het uiterste Noordoosten van Azië over

het centrale Noordpoolgebied naar Europa zijn gekomen. Het brunette

type zou daarentegen uit het Zuiden, dus uit Noord-Afrika Europa zijn

binnengedrongen, hetgeen als een soort terugvloeiing naar het Noorden

zou kunnen worden beschouwd door den drang van uit het Noord-Oosten van

uit Azië Afrika binnenstroomende stammen. In dit geval zou men zelfs

kunnen onderstellen, dat het brunette type, na in het Zuiden brunet

geworden te zijn, door nieuwe verhuizingen uit Azië naar zijn vroegere,

meer noordelijke woonplaats in Europa werd teruggedrongen.

[521] Dit is slechts schijnbaar in strijd met de in noot 1, blz. 410,

gegeven schets van de waarschijnlijke wijze van verspreiding der

menschenrassen (die wij daar volgens het systeem van Haeckel noemden).

Al stond ’t ras van Cannstatt beneden de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders

en Tasmaniërs, zoo kunnen deze toch voor de minst veranderde

afstammelingen daarvan gelden. En al staan de hoogere menschenrassen

nog meer boven het ras van Cannstatt, zoo zullen toch de

oorspronkelijke stamvormen dier rassen niet zoo hoog hebben gestaan en

onderling meer gelijkvormig zijn geweest dan de tegenwoordige rassen.

Het leidt geen twijfel of alle tegenwoordige rassen stammen

oorspronkelijk van een enkel ras af, dat lager stond dan zij allen, en

dit kan zeer goed het ras van Cannstatt zijn geweest. In elk geval

bedoelt de noot 1, blz. 410, alleen een schematisch overzicht te geven

van de wijze waarop de tegenwoordige hoofdrassen elkander zijn

opgevolgd en elkander zuidwaarts hebben teruggedrongen, en geenszins,

dat de voorouders dier rassen, toen zij hun verhuizingen begonnen,

reeds geheel de tegenwoordige kenmerken dier rassen bezaten en zich

niet, door zich naar nieuwe levensvoorwaarden te voegen, in nieuwe

locale rassen hebben gesplitst. In een beschouwing, gelijk in deze

verhandeling wordt gegeven, moet noodzakelijk op het tegenwoordig

standpunt onzer kennis, veel onbestemds blijven!

[522] Département Saône et Loire.

[523] Arrondissement Sarlat (Dordogne).

[524] In de pyramidengraven van Sakara in Egypte vond men een

afbeelding van een vrouw die sterke steatopygie vertoont (zie blz.

378). Ofschoon Dr. H. Ploss („Das Weib”, 3e Auft., Leipzig, 1891), die

er een houtsneê naar geeft, het verklaarde voor een Arabische vorstin

van Aethiopisch ras uit de 18de eeuw voor Chr., houden wij het er voor,

daar steatopygie in onzen tijd alleen bij de Hottentotten en hun naaste

verwanten in Zuid-Afrika voorkomt, dat deze afbeelding bewijst, dat òf

laatstgenoemde volken zich in de 18de eeuw v. Chr. veel noordelijker

uitstrekten dan thans, òf dat de Egyptenaars destijds eenigszins met

het uiterste Zuiden van Afrika bekend waren. De gelaatsvorm der

afbeelding is volstrekt niet Arabisch, noch Egyptisch, maar bevestigt

veeleer laatstgenoemde onderstelling.

[525] Men zie het wereldkaartje, blz. 294, waarop het land geel, de

deelen van den Oceaan, die minder dan 1000 vademen diep zijn, wit, en

de meer dan 1000 vademen diepe gedeelten van den Oceaan blauw zijn

geteekend.

[526] Madagascar bewaart ons nog een voorbeeld van de fauna van Afrika,

voordat daar de groote dikhuidige, herkauwende en verscheurende dieren

en de ware apen waren, die waarschijnlijk uit het Europeesch-Aziatisch

vasteland kwamen. Het Atlasgebergte hing toen met Europa samen, en de

Sahara, Egypte en Tripoli waren door de zee bedekt. Dat in een tijd

toen in Europa-Azië al de genoemde diervormen reeds voorkwamen (zij het

in andere soorten dan de tegenwoordige), in Afrika (met uitzondering

der natuurhistorisch tot Europa behoorende Atlaslanden) nog slechts

Lemuriden voorkwamen, maakt het uiterst onwaarschijnlijk, dat Afrika

het oorspronkelijk vaderland van den mensch zou zijn.

De uitgestorven reuzenvogels van Nieuw-Zeeland wijzen op een vroegeren

samenhang, ook van die eilandengroep met een groot vasteland.

[527] Of uit Zuid-Amerika over het Zuidpoolland in Nieuw-Holland en

Azië en vice-versa.

[528] De Noordelijke IJszee is zoover bekend, allerwege ondiep, en er

is geen reden om aan te nemen, dat die naar de pool toe dieper wordt

(wel om aan te nemen dat daar nog onbekend land ligt). Wij hebben het

geheele centrale Noordpoolgebied daarom op het kaartje wit geteekend.

[529] Berekening bevestigt dit.

De Atlant. Oceaan is groot 1,610 millioen □ geographische mijlen.

De Ind. Oceaan ,, ,, 1,340 ,, ,, ,, ,,

Afrika ,, ,, 0,545 ,, ,, ,, ,,

=====

Samen 3,495 ,, ,, ,, ,,

De Stille Oceaan is groot 3,190 millioen □ geographische mijlen.

Men houde hierbij in het oog, dat geologisch kort geleden een zeer

aanzienlijk deel van Afrika (de Sahara, Tripoli en Egypte) stellig een

deel des Oceaans was. Stelt men dit op ⅓ van Afrika, dus 0,181 millioen

geographische mijlen, dan heeft men 1,610 + 1,340 + 0,181 = 3,131

millioen geographische mijlen, en komen wij nog dichter bij de grootte

van den Stillen Oceaan dan bij onze eerste onderstelling Zuid- en

Centraal-Afrika blijven dan als een groot driehoekig eiland in het

middelpunt van den ring midden in den Indo-Atlantischen Oceaan liggen!

[530] Volgens Wallace is de gemiddelde hoogte van het land 2250 Eng.

voet, de gemiddelde diepte van den Oceaan 14,640 Eng. voet, het volumen

van het droge land 23,450,000 kub. mijlen, het volumen van het water

van den Oceaan 323,800,000 kub. mijlen, zoodat, als al de vaste stof

der aarde tot een bol was vereenigd, deze door een Oceaan van omstreeks

twee mijlen diep bedekt zou zijn.

[531] Hiermede bedoelen wij dieper dan 1000 vademen.

[532] Deze mogelijkheid wordt door Wallace niet besproken.

[533] Derhalve hebben landen als Lemurië, Atlantis en ’t onderstelde

vasteland waarvan de eilanden van Polynesië de overblijfselen zouden

zijn, nimmer bestaan. Wel kan Nieuw-Holland over Nieuw-Guinea en den

Oost-Indischen Archipel met Azië hebben samengehangen, en hangt het

daarmede door een onderzeesch plateau nog heden aldus samen.

[534] De beide bewijzen zijn in hoofdzaak ontleend aan Wallace

(„Darwinism”, Hoofdstuk XII).

[535] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol II 1840, blz. 541. De

later vermelde mededeelingen omtrent Tanais, ben ik aan Fritz Müller

verschuldigd.

[536] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826,

blz. 309.

[537] Dr. Perrier („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 865) voert

dit geval aan als een afdoend argument tegen de seksueele teeltkeus,

onderstellende, dat ik alle verschillen tusschen de beide seksen aan

seksueele teeltkeus toeschrijf. Deze bekende natuuronderzoeker heeft

dus, evenals zoovele andere Franschen, de moeite niet genomen om zelfs

de eerste beginselen der seksueele teeltkeus te begrijpen. Een Engelsch

natuuronderzoeker wijst er op, dat de grijporganen van sommige

mannelijke dieren niet door de keus van het wijfje kunnen zijn

ontwikkeld. Had ik deze opmerking niet ontmoet, dan zou ik het voor

onmogelijk hebben gehouden, dat iemand die dit hoofdstuk had gelezen,

zich zou hebben verbeeld, dat ik volhield, dat de keus van het wijfje

iets te maken had met de ontwikkeling der grijporganen bij het

mannetje.

[538] Zelfs bij die planten, bij welke de seksen zijn gescheiden, zijn

de mannelijke bloemen gewoonlijk vroeger rijp, dan de vrouwelijke. Vele

tweeslachtige (hermaphroditische) planten zijn, zooals het eerst door

C. K. Sprengel is aangetoond, dichogaam, d.i. hun mannelijke en

vrouwelijke organen zijn niet tegelijkertijd gereed, zoodat zij zich

zelf niet kunnen bevruchten. Nu is bij zulke planten het stuifmeel

gewoonlijk vroeger rijp dan de stempel, hoewel eenige soorten, bij

welke de vrouwelijke organen vroeger rijp worden dan de mannelijke,

hierop een uitzondering maken.

[539] Ik heb hieromtrent mededeelingen ontvangen, waarvan ik later

gewag zal maken ten opzichte van hoenders. Zelfs bij vogels, zooals

duiven, die zich voor hun geheele leven paren, verlaat, gelijk ik van

den heer Jenner Weir hoor, het wijfje haar levensgezel, wanneer deze

gekwetst of ziekelijk wordt.

[540] Over den gorilla, Savage en Wyman, „Boston Journal of Nat. Hist.”

vol. V, 1845–47, blz. 423. Over Cynocephalus, Brehm, „Illustr.

Thierleben”, Bd. I, 1864, blz. 77. Over Mycetes, Rengger, „Naturgesch.:

Saügethiere von Paraguay”, 1830, blz. 14, 20. Over Cebus, Brehm, ibid.,

blz. 108.

[541] Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, Fasc. XII, 1777, blz. 29. Sir

Andrew Smith, „Illustration of the Zoölogy of S. Africa”, 1849, pl. 29,

over den Kobus. Owen geeft in zijn „Anatomy of Vertebrates” (vol. III,

blz. 633) een tabel, waarop bij elke soort van antilope is opgeteekend,

of zij paarsgewijze of in kudden leeft.

[542] Dr. Campbell in „Proc. Zoölog. Soc.”, 1869, blz. 138. Zie ook een

belangwekkende verhandeling van Luitenant Johnstone in „Proc. Asiatic

Soc. of Bengal”, Mei 1868.

[543] Dr. Gray, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, blz. 302.

[544] Zie Dr. Dobson’s uitnemende verhandeling, in „Proc. Zoolog.

Soc.”, 1873, blz. 241.

[545] „The Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133, over den Progne-Weduwvogel.

Zie ook over Vidua axillaris, ibid., vol. II, 1860, blz. 211. Over de

veelwijverij van den grooten auerhaan en groote trapgans, zie L. Lloyd,

„Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 19 en 182. Montagu en Selby spreken

van den korhaan als veelwijvig en van den rooden Schotschen boschhaan

als eenwijvig.

[546] De weleerw. heer Dixon zegt echter nadrukkelijk („Ornamental

Poultry”, 1848, blz. 76), dat de eieren van het parelhoen onvruchtbaar

zijn, als men meer dan één wijfje met een zelfde mannetje houdt.

[547] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826,

blz. 324.

[548] Een parasietisch Vliesvleugelig Insekt (Westwood, „Modern

Classification of Insects”, vol. II, blz. 160) vormt een uitzondering

op den regel, daar het mannetje rudimentaire vleugels heeft en de cel

waarin hij is geboren, nooit verlaat, terwijl het wijfje goed

ontwikkelde vleugels bezit. Audouin gelooft, dat de wijfjes worden

bevrucht door de mannetjes die met haar in de zelfde cel worden

geboren, maar het is waarschijnlijker, dat de wijfjes andere cellen

bezoeken en dus een paring tusschen zeer nauwe bloedverwanten

vermijden. Wij zullen later in verschillende klassen eenige weinige

exceptioneele gevallen ontmoeten, waarin het wijfje, en niet het

mannetje, de andere sekse opzoekt en haar het hof maakt.

[549] „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, vol. I, 1861,

blz. 194.

[550] Prof. Sachs („Lehrbuch der Botanik”, 1870, blz. 633) merkt, van

de mannelijke en vrouwelijke voortplantingscellen sprekende, op:

„Verhält sich die eine bei der Vereinigung activ .... die andere

erscheint bei der Vereinigung passiv.”

[551] „Vorträge über Viehzucht”, 1872, blz. 63.

[552] „Reise der Novara: Anthropologischer Theil”, 1167, blz. 216–269.

De resultaten werden berekend door Dr. Weisbach uit metingen van Dr. K.

Scherzer en Dr. Schwarz. Over de grootere neiging tot variabiliteit van

de mannetjes van tamme dieren, zie mijn „Varieeren der Huisdieren en

Cultuurplanten”, Deel II, blz 54, 55.

[553] „Proceedings Royal Soc.”, vol. XVI, Juli, No. 3, 1868, blz. 519

en 521.

[554] „Proc. Royal Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 123.

[555] „Massachusetts Medical Soc.”, vol. II, No. 3, 1868, blz. 9.

[556] „Archiv für Path. Anat. und Phys.”, 1871, blz. 448.

[557] De besluiten waartoe voor eenige jaren Dr. J. Stockton Hough is

gekomen ten opzichte van de temperatuur van den man, worden medegedeeld

in de „Pop. Science Review”, 1 Jan. 1874, blz. 97.

[558] Prof. Mantegazza is geneigd te gelooven („Lettera a Carlo

Darwin”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1871, blz. 306), dat de

levendige kleuren waardoor zoovele mannelijke dieren zich

onderscheiden, worden veroorzaakt door de tegenwoordigheid en het door

hen bewaren der zaadvloeistof; maar dit kan moeilijk het geval zijn;

want vele mannelijke vogels, bij voorbeeld jonge fazanten, worden

levendig gekleurd in den herfst van hun eerste levensjaar.

[559] Voor den mensch, zie Dr. J. Stockton Hough, wiens besluiten

worden medegedeeld in de „Pop. Science Review”, 1874, blz. 97. Zie

omtrent Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) Girard’s mededeelingen,

medegedeeld in „The Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.

[560] „Mammals and Birds of E. Florida”, blz. 234, 280, 295.

[561] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.

54, 55. In op één na het laatste hoofdstuk wordt de hypothese der

pangenesis uitvoerig verklaard.

[562] Deze feiten worden medegedeeld op de gewichtige autoriteit van

een groot hoenderfokker, den heer Teebay in Tegetmeier’s „Poultry

Book”, 1868, blz. 158. Over de kenmerken van kuikens van verschillende

rassen, en over de duivenrassen, waarop boven wordt gedoeld, zie

„Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 288, Deel II, blz. 57.

[563] „Novae Species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Over

de overplanting van de kleur door het paard, zie „Varieeren der

Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz 67. Ook Deel II, blz. 52,

voor de algemeene bespreking van de beperking der overerving door de

sekse.

[564] Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”, 1865, blz. 87. Boitard

en Corbié, „Les Pigeons de Volière” enz., 1824, blz. 173. Zie ook

omtrent dergelijke verschillen tusschen zekere rassen te Modena, „Le

variazioni dei Columbi domestici”, del Paolo Bonizzi, 1873.

[565] Sedert het verschijnen van de eerste uitgaaf van dit werk heeft

het mij groote voldoening geschonken de volgende opmerkingen te vinden

(„The Field”, Sept. 1872) van zulk een ondervindingrijk fokker als de

heer Tegetmeier. Na eenige merkwaardige gevallen bij duiven te hebben

beschreven, van het overplanten der kleur door de eene sekse alleen, en

de vorming van een onder-ras met dat kenmerk, zegt hij: „Het is

merkwaardig dat de heer Darwin het denkbeeld heeft geopperd, dat het

mogelijk was om de seksueele kleuren van vogels door voortgezette

kunstmatige teeltkeus te wijzigen. Toen hij dit deed, was hij onbekend

met de feiten die ik thans heb medegedeeld; maar het is opmerkelijk hoe

nauwkeurig hij de juiste methode aangaf, die men daarbij moest volgen.”

[566] Ik verwijs daaromtrent naar mijn „Varieeren der Huisdieren en

Cultuurplanten”, Deel II, blz. 52.

[567] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples, die omtrent

den reebok en het edelhert van Schotland een onderzoek voor mij deed

bij den heer Robertson, de ondervindingrijke opperhoutvester van den

markies van Breadalbane. Wat het damhert aangaat, ben ik den heer Eyton

en anderen inlichtingen verschuldigd. Omtrent den eland (Cervus alces)

van Noord-Amerika, zie „Land and Water”, 1868, blz. 221 en 254; en

omtrent Cervus virginianus en strongyloceros van het zelfde werelddeel,

zie J. D. Caton in „Ottawa Acad. of Nat. Sc.”, 1868, blz. 13. Omtrent

Cervus Eldi van Pegu, zie Luit. Beavan, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867,

blz. 762.

[568] Antilocapra americana, Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III,

blz. 627.

[569] Men heeft mij verzekerd, dat men de horens van de schapen in

Noord-Wallis altijd kan voelen, en dat zij soms bij de geboorte zelfs

2½ c.M. lang zijn. Omtrent hoornvee zegt Youatt („Cattle”, 1834, blz.

277), dat het uitsteeksel van het voorhoofdsbeen bij de geboorte door

de huid dringt, en dat de hoornachtige zelfstandigheid zich spoedig

daarover vormt.

[570] Ik ben grooten dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus, die bij

de hoogste autoriteiten een onderzoek voor mij deed omtrent de

merino-schapen van Saksen. Aan de kust van Guinea in Afrika is er een

ras van schapen bij hetwelk, evenals bij de merino’s, alleen de

mannetjes horens dragen; en de heer Winwood Reade meldt mij, dat in het

eenige waargenomen geval een jonge ram, die den 10den Februari was

geboren, het eerst horens vertoonde op den 6den Maart, zoodat in dit

geval de ontwikkeling der horens in een later tijdperk van het leven

plaats had, in overeenkomst met onzen regel, dan bij het schaap van

Wales, bij hetwelk beide seksen gehorend zijn.

[571] „Ueber die knöchernen Schädelhöcker der Vögel” in het

„Niederländisches Archiv für Zoologie”, Bd. 1, Heft 2, 1872.

[572] Bij den gewonen pauw (Pavo cristatus) bezit alleen het mannetje

sporen, terwijl zich bij den Javaanschen pauw (Pavo muticus) het

ongewone geval voordoet, dat beide seksen van sporen voorzien zijn. Ik

verwachtte daarom stellig, dat zij zich bij laatstgenoemde soort op

jonger leeftijd zouden ontwikkelen dan bij den gewonen pauw; maar de

heer Hegt, van Amsterdam, meldt mij, dat tusschen jonge vogels van het

vorige jaar, tot beide soorten behoorende, vergeleken op den 23sten

April 1869, geen verschil in de ontwikkeling der sporen bestond. De

sporen werden toen nog slechts door kleine knobbels of verhevenheden

gevormd. Ik onderstel, dat ik bericht zou hebben ontvangen, indien

later eenig verschil in de mate van ontwikkeling was waargenomen.

[573] Bij sommige andere soorten van de familie der Eenden verschilt de

spiegelvlek bij de twee seksen in grootere mate; maar ik ben niet in

staat geweest te ontdekken, of de volkomen ontwikkeling daarvan bij de

mannetjes van dergelijke soorten op later leeftijd plaats grijpt dan

bij de gewone eend, zooals volgens onzen regel zou moeten geschieden.

Bij den verwanten Mergus cucullatus hebben wij echter een geval van

dien aard; de beide seksen verschillen in het oog vallend in algemeen

gevederte, en in aanmerkelijke mate in de spiegelvlek, die bij het

mannetje zuiver wit en bij het wijfje grijsachtig wit is. Nu gelijken

de jonge mannetjes eerst in alle opzichten op het wijfje en hebben een

grijsachtig witte spiegelvlek; maar deze wordt zuiver wit op een

jongeren leeftijd dan dien waarop het volwassen mannetje zijn andere

sterker uitgedrukte verschillen in gevederte verkrijgt: zie Audubon,

„Ornithological Biography”, vol. III, 1835, blz. 249–250.

[574] „Das Ganze der Taubenzucht”, 1837, blz. 21, 24. Omtrent het geval

der gestreepte duiven, zie Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”,

1865, blz. 87.

[575] Voor uitvoerige bijzonderheden en aanhalingen omtrent al deze

punten ten opzichte van de verschillende hoenderrassen, zie „Varieeren

der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 261 v.v. Wat de hoogere

dieren aangaat, zijn de seksueele verschillen die ten gevolge der

temming zijn ontstaan, in het zelfde werk bij elke soort beschreven.

[576] „Twenty-ninth Annual Report of the Registrar-General for 1886”.

In dit verslag (p. XII) wordt een bijzondere tienjarige tabel gegeven.

[577] Omtrent Noorwegen en Zweden, zie een uittreksel van de

onderzoekingen van Dr. Faye in „British and Foreign Medico-Chirurg.

Review”, April, 1867, blz 343, 345. Omtrent Frankrijk, het „Annuaire

pour l’An 1867”, blz. 213.

[578] Voor Philadelphia zie Dr. Stockton Hough, „Social Science

Assoc.”, 1874. Voor de Kaap de Goede Hoop, Quetelet, aangehaald door

Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen in de Nederlandsche vertaling van dit

werk, in wiens vijfde aanteekening op dit hoofdstuk vele opgaven zijn

bijeengebracht omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen.

[579] Ten opzichte der Joden, zie den heer Thury, „La Loi de Production

des Sexes”, 1863, blz. 25.

[580] „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, April, 1867, blz.

343. Dr. Stark merkt ook op („Tenth Annual Report of Births, Deaths,

etc, in Scotland”, 1867, blz. XXVIII): „Deze voorbeelden mogen

voldoende zijn, om aan te toonen, dat op elken leeftijd de mannen in

Schotland meer kans hebben om te sterven dan de vrouwen, en dat hun

gemiddelde sterfte grooter is dan die van deze laatste. Het feit

echter, dat deze bijzonderheid het sterkst is ontwikkeld in dat

kinderlijk tijdperk van het leven, waarin de kleeding, het voedsel en

de behandeling van beide seksen het zelfde zijn, schijnt te bewijzen,

dat de grootere gemiddelde sterfte der mannen een aangeboren,

natuurlijke en constitutioneele, alleen door de sekse veroorzaakte

bijzonderheid is.”

[581] „West-Riding Lunatic Asylum Reports”, vol. I, 1871, blz. 8. Sir

J. Simpson heeft bewezen, dat het hoofd van de jongens bij de geboorte

in omtrek ruim 9 millimeter en in dwarse doorsnede ruim 3 millimeter

grooter is dan dat van de meisjes. Quetelet heeft bewezen, dat de

meisjes kleiner geboren worden dan de jongens; zie Dr. Duncan,

„Fecundity, Fertility, Sterility”, 1871, blz. 382.

[582] Bij de wilde Guarani’s van Paraguay staat volgens den

nauwkeurigen Azara („Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome II, 1809,

blz. 60, 179) het aantal vrouwen tot dat der mannen als 14 tot 13.

[583] Babbage „Edinburgh Journal of Science”, 1829, vol. I, blz. 88;

ook blz. 90, omtrent doodgeboren kinderen. Over onwettige kinderen in

Engeland, zie „Report of Registrar-General” voor 1866, blz. XV.

[584] Leuckart in Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”, Bd. IV, 1853,

blz. 774.

[585] „Anthropological Review”, April, 1870, blz. CVIII.

[586] Gedurende de laatste elf jaren is er aanteekening gehouden van

het aantal merries die onvruchtbaar bleken te zijn of haar veulens te

vroeg baarden, en dit verdient opmerking, daar het bewijst hoe

onvruchtbaar deze sterk gevoede en vrij dicht in de familie met

elkander gepaarde dieren zijn geworden, zoodat bijna een derde gedeelte

van de merries geen levende veulens voortbrachten. Zoo werden in 1886

809 hengstveulens en 816 merrieveulens geboren en 743 merries brachten

geen jongen voort. In 1867 werden 836 hengstveulens en 902

merrieveulens geboren, 794 merries bleven onvruchtbaar.

[587] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples die mij de

boven vermelde opgaven uit Schotland, zoowel als sommige van de

volgende omtrent hoornvee heeft verschaft. De heer R. Elliot van

Laighwood vestigde het eerst mijn aandacht op den vroegtijdigen dood

der mannetjes—een mededeeling later door den heer Aitchison en anderen

bevestigd. Aan dezen laatsten heer en aan den heer Payan heb ik de

uitgebreidste opgaven omtrent schapen te danken.

[588] Bell, „History of British Quadrupeds”, blz. 100.

[589] „Illustrations of the Zoology of S. Africa”, 1849, blz. 29.

[590] Brehm („Illust. Thierleben”, Bd. IV, blz. 990) komt tot het

zelfde besluit.

[591] Op autoriteit van L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz.

12, 132.

[592] „Nat Hist. of Selborne”, brief XXIX, uitgaaf van 1825, vol. I,

blz. 139.

[593] De heer Jenner Weir ontving overeenkomstige mededeelingen, toen

hij gedurende het volgende jaar onderzoek deed. Om het aantal gevangen

vinken aan te toonen, kan ik vermelden, dat er in 1869 een wedstrijd

tusschen twee deskundigen was; en de eene man ving op éénen dag 62, de

andere 40 mannelijke vinken. Het grootste aantal dat ooit door éénen

man op een enkelen dag is gevangen, bedroeg 70.

[594] „Ibis”, vol. II, blz. 260, aangehaald in Gould’s „Trochilidae”,

1861, blz. 25. Wat de overige verhoudingsgetallen aangaat, ben ik aan

den heer Salvin een tabel van zijn resultaten verschuldigd.

[595] „Ibis”, 1860, blz. 137, en 1867, blz. 369.

[596] „Ibis”, 1862, blz. 137.

[597] Leuckart haalt Bloch aan (Wagner „Handwörterbuch der Phys.” Bd.

IV, 1835, blz. 775), die zegt, dat er bij de visschen tweemaal zooveel

mannetjes als wijfjes zijn.

[598] Aangehaald in de „Farmer”, 18 Maart, 1869, blz. 369.

[599] „The Stormontfield Piscicultural Experiments”, 1866, blz. 33. De

„Field” Courant, 29 Juni, 1867.

[600] „Land and Water”, 1862, blz. 41.

[601] Yarrel, „Hist. British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 307; over

Cyprinus carpio, blz. 331; over Tinca vulgaris, blz. 331; over Abramis

brama, blz. 336. Zie omtrent Leuciscus phoxinus, „Loudon’s Mag. of Nat.

Hist.”, vol. V, 1832, blz. 682.

[602] Leuckart haalt Meinecke aan (Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”,

Bd. IV, 1853, blz. 775), die zegt, dat bij de Kapellen de mannetjes

drie- of viermaal talrijker zijn dan de wijfjes.

[603] „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 228, 347.

[604] Vier van deze gevallen worden door den heer Trimen medegedeeld in

zijn „Rhopalocera Africae Australis.”

[605] Aangehaald door Trimen, „Transact. Ent. Soc.”, vol. V, part IV,

1806, blz. 330.

[606] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, blz. 37.

[607] „Proc. Entomolog. Soc.”, 17 Febr. 1868.

[608] Aangehaald door Dr. Wallace in „Proc. Ent. Soc.”, 3rd. Series,

vol. V, 1867, blz. 487.

[609] Blanchard, „Metamorphoses, Moeurs des insectes”, 1868, blz.

225–226.

[610] „Lepidopteren-Doubletten Liste”, Berlin, No. X, 1866.

[611] Deze natuuronderzoeker is zoo vriendelijk geweest mij eenige

opgaven omtrent vroegere jaren te zenden, gedurende welke de wijfjes de

overhand schenen te hebben; maar zoovele daarvan waren slechts

schattingen, dat het mij niet mogelijk was er een tabel van te maken.

[612] Günthers „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 260. Over

de overmaat van wijfjes bij Lucanus, ibid., blz. 250. Over de mannetjes

van Lucanus in Engeland, Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I,

blz. 187. Over Siagonium, ibid., blz. 172.

[613] Walsh, in „The American Entomologist”, vol. I, 1869, blz. 103. F.

Smith, „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 328.

[614] „Farm Insects”, blz. 45–46.

[615] „Anwendung der Darwinschen Lehre. Verh. d. n. V. Jahrg. XXIV.”

[616] „Die Strich-, Zug- oder Wanderheuschrecke”, 1828, blz. 20.

[617] „Observations in N. American Neuroptera”, door H. Hagen en B. D.

Walsh, „Proc. Ent. Soc. Philadelphia”, October 1863, blz. 168, 223,

239.

[618] „Proc. Ent. Soc. London”, 17 Febr. 1868.

[619] Een andere groote autoriteit in deze klasse, Prof. Thorel van

Upsala („On European Spiders”, 1869–70, part I, blz. 205) spreekt,

alsof vrouwelijke spinnen over het algemeen meer voorkwamen dan

mannelijke.

[620] Zie over dit onderwerp den heer Pickart-Cambridge, aangehaald in

„Quarterly Journal of Science”, 1868, blz. 429.

[621] „The Todas”, 1878, blz. 100, 111, 194, 196.

[622] „Aboriginal Inhabitants of New-Zealand; Government Report”, 1859,

blz. 36.

[623] „Narrative of a Tour through Hawaii”, 1826, blz. 298.

[624] „History of the Sandwich-Islands”, 1843, blz. 93.

[625] Dit wordt medegedeeld in des weleerw. heeren H. T. Cheever’s

„Life in the Sandwich-Islands”, 1851, blz. 277.

[626] Dr. Coulter zegt („Journal R. Geograph. Soc.” 1835, vol. V, blz.

67), den toestand van Californië omstreeks het jaar 1830 beschrijvende,

dat de inboorlingen die door de Spaansche zendelingen waren bekeerd,

bijna allen zijn omgekomen of omkomen, hoewel zij goed behandeld en

niet uit hun geboorteland verdreven worden, en men hen belet

alcoholische dranken te gebruiken. Hij schrijft dit voor een groot deel

toe aan het ontwijfelbare feit, dat de mannen de vrouwen aanmerkelijk

in aantal overtreffen, maar hij weet niet, of dit komt, omdat er minder

meisjes worden geboren, of omdat meer meisjes in haar prille jeugd

sterven. Het laatste is volgens alle analogie zeer onwaarschijnlijk.

Hij voegt er bij, dat „eigenlijk gezegde kindermoord niet algemeen is,

ofschoon men zeer dikwijls zijn toevlucht neemt tot abortie.” Indien

Dr. Coulter gelijk heeft omtrent kindermoord, kan dit geval niet tot

ondersteuning van kolonel Marshall’s meening worden aangehaald. Wegens

de snelle afneming van de bekeerde inboorlingen mogen wij vermoeden,

dat, evenals in de vroeger medegedeelde gevallen, hun vruchtbaarheid is

verminderd wegens verandering der levensvoorwaarden.

Ik had gehoopt eenig licht te verkrijgen omtrent dit onderwerp uit het

fokken van honden, in zoover als bij de meeste rassen, uitgezonderd

misschien bij windhonden, meer jonge teven dan reuen worden gedood,

gelijk bij de kinderen der Toda’s. De heer Cupples verzekert mij, dat

dit gewoonlijk geschiedt bij de Schotsche hertenhonden. Ongelukkig weet

ik niets omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen bij eenig ras,

met uitzondering der windhonden, en bij deze laatste staat het aantal

reuen dat wordt geboren, tot het aantal teven als 110.1 tot 100. Nu

schijnt het volgens navraag bij vele fokkers gedaan, dat de teven in

sommige opzichten hooger worden geschat, hoewel zij in andere opzichten

lastig zijn; en het blijkt niet, dat de jonggeboren teven van de beste

hondenrassen die worden gefokt, stelselmatig in grooter aantal worden

gedood dan de reuen, hoewel dit soms in beperkte mate plaats grijpt. Ik

ben daarom niet in staat te beslissen, of wij volgens de bovenvermelde

beginselen de overmaat van mannelijke geboorten bij windhonden kunnen

verklaren. Van den anderen kant hebben wij gezien, dat bij paarden,

runderen en schapen, die te kostbaar zijn om de jongen van een van

beide seksen te dooden, als er eenig verschil is, de vrouwelijke sekse

eenigszins talrijker is.

[627] Behalve dit werk worden door Dr. Lubach nog aangehaald: Boudin,

„Géographie médicale” en „Du non-cosmopolitisme des races humaines”,

Nott, „Acclimatation” en Dr. S. Coronel, „Iets over het verschil in

levensverhoudingen tusschen Joden en Christenen” in „Schat der

Gezondheid”, jaargang VII, blz. 372 v.v.

[628] Dit laatste gaat niet door voor Servië, ofschoon daar het aantal

vrouwen in verhouding tot de mannen jaarlijks toeneemt en dus in een

nabijzijnde toekomst de wet ook voor Servië door zal gaan. Volgens Dr.

Hugo Bach (in een artikel over „De bevolking van het koninkrijk

Servië”, voorkomende in het Oostenrijksche „Statistische

Monatschrift”), kwamen daar op elke duizend mannen:

1859 voor 938 vrouwen.

1863 ,, 939 ,,

1866 ,, 941 ,,

1874 ,, 946 ,,

1884 ,, 958 ,,

In de landen van Europa waar de beschaving geene vorderingen maakt, en

bij de natuurvolken zou men tot nog toe in den regel een overwicht van

de mannelijke bevolking hebben opgemerkt; het tegenovergestelde

verschijnsel treedt in de beschaafde landen aan den dag, ofschoon er

toch meer jongens dan meisjes worden geboren.

[629] „Annuaire du Bureau des Longitudes”, 1834, aangehaald door Prof.

G. Boccardo.

[630] „Mémorial Encyclopédique”, 1832, Mei, aangehaald door Prof. G.

Boccardo.

[631] Quetelet, „Physique Sociale”, vol. I, blz. 168 v.v., aangehaald

door Prof. G. Boccardo die het verschil aan de Kaap aan de breedte

toeschrijft.

[632] Aangehaald door Quetelet (volgens Boccardo; zie ook Brewster’s

„Journal of Sciences”, New Series, No. I).

[633] Wij meenen omtrent Nederland, het vaderland van al onze lezers,

wel eenigszins uitvoeriger te mogen zijn.

[634] Men onderscheidt: wettelijke, feitelijke en werkelijke bevolking.

De wettelijke bevolking is de bevolking in de registers ingeschreven of

de wettig gedomicilieerde bevolking (Artt. 74–80 Burg. Wetb.); de

feitelijke bevolking wordt uit de wettelijke afgeleid door aftrekking

der tijdelijk afwezigen en bijvoeging der tijdelijk aanwezigen. Onder

werkelijke bevolking verstaat men de hoegrootheid der bevolking,

wanneer tot grondslag wordt genomen, niet de woonplaats of het

domicilie in den zin van het Burgerlijk Wetboek, maar de werkelijke

woonplaats of de plaats, waar men gewoon is verblijf te houden.

[635] „De l’Espèce et de la Class.” enz., 1869, blz. 106.

[636] Zie b.v. mijn mededeeling in „Journal of Researches”, 1845, blz.

7.

[637] Ik heb („Geolog. Observations on Volcanic Islands”, 1844, blz.

53) een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van den invloed van het licht

op de kleuren van een loofvormige korst, door de branding op de

rotsachtige kusten van Ascension afgezet, en door de oplossing van

fijngewreven zeeschelpen gevormd.

[638] Dr. Morse heeft voor eenige jaren dit onderwerp besproken in zijn

verhandeling over „Adaptive Colouring of Mollusca”, „Proc. Boston Soc.

of Nat. Hist.”, vol. XIV, April 1871.

[639] Zie zijn fraaie monografie over „British Annelids”, deel I, 1873,

blz, 3.

[640] Zie Perrier, „l’Origine de l’Homme d’après Darwin”, „Revue

scientifique”, Feb. 1873, blz 866.

[641] In „Facts and Arguments for Darwin”, Eng. Vert., 1869, blz. 20,

is het bovenvermeld onderzoek over de reukdraden te vinden. Sars

(aangehaald in „Nature”, 1870, blz. 455) heeft een dergelijk geval

beschreven bij een Noorweegsch schaaldier, Pontoporeia affinis.

[642] Zie Sir J. Lubbock in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XI,

1853, pl. I en X; en vol. XII (1853), pl. VII. Zie ook Lubbock in

„Transact. Ent. Soc.”, vol. VI, nieuwe serie, 1856–1858, blz. 8. Ten

opzichte van de lager aangehaalde zigzagvormige sprieten, zie Fritz

Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 40, onderste noot.

[643] Zie een verhandeling met platen van den heer C. Spence Bate in

„Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 363, en over de nomenclatuur van het

geslacht, ibid., blz. 585. Ik ben den heer Spence Bate grooten dank

verschuldigd voor bijna al de bovengaande mededeelingen ten opzichte

der knijpers bij de hoogere Schaaldieren.

[644] „Hist. Nat. des Crust.”, tome II, 1837, blz. 50.

[645] Fritz Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 25–28.

[646] „Travels in the Interior of Brazil”, 1846, blz. 111. Ik heb in

mijn „Journal of Researches”, blz. 463, de levenswijze van den Birgus

medegedeeld.

[647] De heer Ch. Fraser, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 3. De

mededeeling omtrent Dr. Power ben ik aan den heer Bate verschuldigd.

[648] Claus: „Die freilebenden Copepoden”, 1863, blz. 35.

[649] „Facts and Arguments” enz., blz. 79.

[650] „A History of the Spiders of Great Britain”, 1862. Omtrent de

volgende feiten, zie blz. 102, 77, 88.

[651] Deze schrijver heeft vóór eenige jaren een belangrijk stuk

geschreven over „Caratteri sessuali secondarii degli Arachnidi”, in de

„Atti della Soc. Veneto-Trentina di Sc. Nat.”, Padova, vol. I, fasc. 3,

1873.

[652] Aug. Vinson („Aranéides des Iles de la Réunion”, pl. VI, fig. 1

en 2) geeft een goed voorbeeld van de geringe grootte van het mannetje

bij Epeira nigra. Bij deze soort, moet ik er bijvoegen, is het mannetje

bruin, en het wijfje zwart met roode banden op de pooten. Andere nog

sterker voorbeelden van ongelijke grootte der beide seksen zijn

opgeteekend in „Quarterly Journal of Science”, 1868, Juli, blz. 429;

maar ik heb de oorspronkelijke verhandelingen niet gelezen.

[653] Kirby en Spence. „Introduction to Entomology”, vol. I, 1818, blz.

280.

[654] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 621.

[655] Theridion (Asagenas, Sund.) serratipes, 4 punctatum en guttatum:

zie Westring, in Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, vol. IV, 1842–43, blz.

349. Zie ook, voor andere soorten, „Araneae Suecicae”, blz. 184.

[656] Dr. Hartogh Heys van Zouteveen heeft in zijn Nederlandsche

vertaling van dit werk (zie aant. 7 op dit hoofdstuk) verscheidene

gevallen hiervan bijeengebracht.

[657] Walckenaer en P. Gervais, „Hist. Nat. des Insectes Aptères”, tome

IV, 1847, blz. 17, 19, 68.

[658] Darwin noemt Walckenaer in de eerste uitgaaf van dit werk niet en

ontleende zijn opmerking omtrent Walckenaer aan deze aanteekening, die

reeds in de eerste uitgaaf van dit werk iets korter voorkomt.

[659] Sir J. Lubbock, „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXV, 1866, blz.

484. Ten opzichte der Mutillen zie Westwood, „Modern Class. of

Insects”, vol. II, blz. 213.

[660] Deze organen van het mannetje verschillen dikwijls bij nauw

verwante soorten, en leveren uitnemende soortskenmerken op. Hun

belangrijkheid ten opzichte hunner functie heeft men echter, volgens

een opmerking die de heer R. MacLachlan mij maakte, waarschijnlijk te

hoog geschat. Men heeft beweerd, dat kleine verschillen in deze organen

voldoende zouden zijn om de kruising tusschen goed uitgedrukte

verscheidenheden of beginnende soorten te voorkomen, en derhalve haar

ontwikkeling bevorderen. Dat dit moeielijk het geval kan zijn, mogen

wij afleiden uit vele gevallen, die zijn opgeteekend van verschillende

soorten, die in copulatie met elkander zijn waargenomen. (Zie b.v.

Bronn, „Geschichte der Natur”, Bd. II, 1843, blz. 164, en Westwood,

„Transact. Ent. Soc.”, vol. III, 1842, blz. 195). De heer MacLachlan

deelt mij mede, (zie „Stett. Ent. Zeitung”, 1867, blz. 155), dat, toen

verschillende soorten van Kokerjuffers (Phryganidae), die sterk

uitgesproken verschillen van deze soort vertoonen, door Dr. Aug. Meyer

bij elkander werden opgesloten, zij met elkander paarden, en dat één

paar vruchtbare eieren voortbracht.

[661] „The Practical Entomologist”, Philadelphia, vol. II, Mei 1867,

blz. 88.

[662] De heer Walsh, ibid., blz. 107.

[663] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 106, 205.

De heer Walsh, die mijn aandacht vestigde op dit dubbel gebruik der

kaken, zegt, dat hij het feit herhaaldelijk heeft waargenomen.

[664] Wij hebben hier een merkwaardig en onverklaarbaar geval van

dimorphisme; want sommige van de wijfjes van vier Europeesche soorten

van Dytiscus hebben gladde dekschilden; en er zijn geen overgangen

tusschen gegroefde of van verdiepte stippels voorziene en geheel gladde

dekschilden waargenomen. Zie Dr. H. Schaum, aangehaald in de

„Zoologist”, vol. V–VI, 1847–48, blz. 1896. Evenzoo Kirby en Spence,

„Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 305.

[665] Westwood, „Modern Class.”, vol. II, blz. 193. De volgende

mededeelingen omtrent Penthe en andere, tusschen aanhalingstekens

geplaatst, zijn ontleend aan den heer Walsh, „Practical Entomologist”,

Philadelphia, vol. II, blz. 88.

[666] Kirby en Spence, „Introduction”, enz., vol. III, blz. 332–336.

[667] E. Doubleday, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz.

379. Ik kan er bijvoegen, dat bij sommige Vliesvleugelige Insekten

(Hymenoptera) het beloop der aderen op de vleugels bij de twee seksen

verschilt (zie Shuckard, „Fossorial Hymenop.”, 1837, blz. 39–43).

[668] H. W. Bates, in „Journal of Proc. Linn. Soc.”, vol VI, 1862, blz.

74. De waarnemingen van den heer Wonfor worden aangehaald in „Popular

Science Review”, 1868, blz. 343.

[669] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 316–320. Over het

lichten der eieren, zie „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, Nov.,

blz. 372.

[670] Kirby and Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, blz.

209.

[671] Robinet, „Vers à Soie”, 1848, blz. 207.

[672] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd series, vol. V, blz. 386.

[673] „Journal of Proc. Ent. Soc.”, 4 Febr. 1867, blz. LXXI.

[674] Voor deze en andere mededeelingen omtrent de grootte der seksen,

zie Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 300; over den levensduur der

Insekten, ibid., blz. 444.

[675] „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXVI, 1868, blz. 296.

[676] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 313.

[677] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 526.

[678] „Anwendung” enz. „Verh. d. n. V. Jahrg.”, XXIV, blz. 80. Mayer,

in „American Naturalist”, 1874, blz. 236.

[679] Zie het hoogst belangwekkende werk van den heer B. F. Laune, „On

the Anatomy of the Blow-Fly, Musea vomitoria”, 1870, blz. 14.

[680] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 473.

[681] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan Westwood’s „Modern Class.

of Insects”, vol. II, 1840, blz. 422. Zie ook, over de Fulgoridae,

Kirby and Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 401.

[682] „Zeitschrift für wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz.

152–158.

[683] „Transact. New-Zeeland Institute”, vol. V, 1873, blz. 286.

[684] Ik ben het volgende verschuldigd aan den heer Walsh, die mij dit

uittreksel van een „Journal of the Doings of Cicada septemdecim” door

Dr. Hartman, heeft gezonden.

[685] L. Guilding, „Transact. Linn. Soc.”, vol. XV, blz. 154.

[686] Köppen, aangehaald in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 460.

[687] Gilbert White, „Nat. Hist. of Selborne”, vol. II, 1825, blz. 252.

[688] Harris, „Insects of New England”, 1842, blz. 128.

[689] „The Naturalist on the Amazons”, vol. 1, blz. 252. De heer Bates

bespreekt op zeer belangwekkende wijze de overgangen tusschen de

muziekinstrumenten der drie families. Zie ook Westwood, „Modern

Class.”, vol. II, blz. 445 en 453.

[690] „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868.

[691] „Nouveau Manuel d’Anat. Comp.” (Fransche vertaling), tome I,

1850, blz. 567.

[692] „Zeitschrift für Wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz.

117.

[693] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 440.

[694] „Ueber den Ton-apparat der Locustiden, ein Beitrag zum

Darwinismus”, „Zeitschr. f. wiss. Zoölog.”, Bd. XXII, 1872, blz. 100.

[695] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 453.

[696] Landois, ibid., blz. 121, 122.

[697] De heer Walsh deelt mij mede, dat hij heeft opgemerkt, dat het

wijfje van Platyphyllum concavum, als men het vangt, een zwak knarsend

geluid maakt door haar boven vleugels tegen elkander te wrijven.

[698] Landois, ibid., blz. 117.

[699] „Insects of New England”, 1842, blz. 133.

[700] Westwood, „Modern Classification”, vol. I, blz. 462.

[701] Westwood, ibid., vol. I, blz. 453.

[702] Landois, ibid., blz. 115, 116, 120, 122.

[703] Landois heeft eenige jaren geleden bij sommige Rechtvleugeligen

(Orthoptera) rudimentaire organen gevonden, die zeer sterk gelijken op

de geluidvoortbrengende organen der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en

dit is een verwonderlijke zaak. Zie „Zeitschr. für wissensch. Zoölog.”,

B. XXII, Heft 3, 1871, blz. 348.

[704] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd. series, vol. II („Journal of

Proceedings”), blz. 117.

[705] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 427; voor de

Krekels blz. 445.

[706] De heer Ch. Horne in „Proc. Ent. Soc.”, 3 Mei, 1869, blz. XII.

[707] De Oecanthus nivalis. Harris, „Insects of New England”, 1842,

blz. 124.

[708] Platyblemnus: Westwood, „Modern Class.”, vol. I, blz. 447.

[709] B. D. Walsh, de Pseudo-Neuroptera van Illinois, in „Proc. Ent.

Soc. of Philadelphia”, 1862, blz. 361.

[710] „Modern Class.”, vol. II, blz. 37.

[711] Walsh, ibid., blz. 381. Ik ben de volgende feiten over Hetaerina,

Anax en Gomphus aan dezen natuuronderzoeker verschuldigd.

[712] „Transact. Ent. Soc.”, vol. I, 1836, blz. LXXXI.

[713] Zie uittreksel in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 450.

[714] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. II, 1818,

blz. 35.

[715] Zie een belangwekkend artikel, „The Writings of Fabre”, in „Nat.

Hist. Review”, April, 1862, blz. 122.

[716] „Journal of Proc. of Entomolog. Soc.”, Sept. 1863, blz. 169.

[717] P. Huber, „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz.

150, 165.

[718] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1866, blz. 238–239.

[719] „Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen”, Verh. d. n. Jahrg.

XXIX.

[720] De heer Perrier maakt in zijn artikel „La Sélection sexuelle

d’après Darwin” („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 868), zonder

naar het schijnt veel over de zaak te hebben nagedacht, de

tegenwerping, dat, daar men weet, dat de mannetjes van sociale bijen

voortkomen uit onbevruchte eieren, zij geen nieuwe kenmerken op hun

mannelijke nakomelingschap kunnen overbrengen. Dit is een buitengewone

tegenwerping. Een vrouwelijke bij, bevrucht door een mannetje dat een

of ander kenmerk bezat, waardoor de vereeniging der seksen

gemakkelijker werd gemaakt, of dat hem aantrekkelijker voor het wijfje

maakte, zal eieren leggen, waaruit alleen wijfjes zullen voortkomen;

maar deze jonge wijfjes zullen het volgende jaar mannetjes

voortbrengen; en zal men nu beweren, dat dergelijke mannetjes de

kenmerken van hun grootvaders niet kunnen erven? Om een geval te nemen

met gewone dieren, dat zoo dicht mogelijk daarbij komt: indien een

wijfje van eenig wit viervoetig dier of vogel werd gekruist met een

mannetje van zwart ras, en hun mannelijke en vrouwelijke jongen met

elkander werden gepaard, zal men dan beweren, dat de kleinkinderen niet

een aanleg tot zwartheid van hun grootvaders zouden kunnen erven? Het

verkrijgen van nieuwe kenmerken door de onvruchtbare werkbijen is een

veel moeielijker geval, maar ik heb in mijn „Ontstaan der Soorten”

trachten aan te toonen, op welke wijze deze onvruchtbare wezens worden

onderworpen aan de macht der natuurlijke teeltkeus.

[721] Aangehaald bij Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II,

blz. 214.

[722] Pyrodes pulcherrimus, bij welke de seksen in ’t oog loopend

verschillen, is door den heer Bates beschreven in „Transact. Ent.

Soc.”, 1862, blz. 50. Ik zal eenige weinige andere gevallen opnoemen,

waarin ik van een verschil in kleur tusschen de seksen van kevers

hoorde. Kirby en Spence („Introduct. to Entomology”, vol. III, blz.

301) vermelden een Cantharis, Meloe, Rhagium en de Leptura testacea;

het mannetje van deze laatste is bruinachtig van kleur, met een zwart

borststuk en het wijfje over het geheele lichaam dof rood. Deze twee

laatste kevers behooren tot de familie der Boktorren (Longicornia). De

heeren R. Trimen en Waterhouse jun. geven mij bericht omtrent twee

Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), namelijk een Peritrichia en

Trichius, het mannetje van den laatsten is donkerder gekleurd dan het

wijfje. Bij Tillus elongatus is het mannetje zwart en het wijfje, naar

men meent, altijd van een donker blauwe kleur met een rood borststuk

(thorax). Ook het mannetje van Orsodacna atra is, naar ik van den heer

Walsh hoor, zwart, terwijl het wijfje (de zoogenaamde O. ruficollis)

een roodachtig bruin borststuk heeft.

[723] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1864, blz. 228.

[724] Kirby en Spence, „Introduct. Entomolog.”, vol. III, blz. 300.

[725] Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 329.

[726] „Modern Classification of Insects”, vol. I, blz. 172. Op de

zelfde bladzijde vindt men een beschrijving van Siagonium. Op het

Britsch Museum merkte ik één mannelijk voorwerp van Siagonium in een

tusschenbeidenstaanden toestand op, zoodat het dimorphisme niet streng

doorgaat.

[727] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 276.

[728] „Entomological Magazine”, vol. II, 1833, blz. 82. Zie ook omtrent

de gevechten van deze soort, Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz.

314; en Westwood, ibid., vol. I, blz. 187.

[729] Aangehaald door Fischer, in „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome X,

blz. 324.

[730] „Ann. Soc. Entomolog. France”, 1866, aangehaald in „Journal of

Travel”, door A. Murray, 1868, blz. 135.

[731] Westwood, „Modern Class.”, I, blz. 184.

[732] Wollaston, over eenige muziekmakende Snuitkevers (Curculionidae),

„Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. VI, 1860, blz. 14.

[733] „Zeitschrift für wiss. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 127.

[734] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer G. R. Crotch,

zoowel wegens de toezending van talrijke geprepareerde voorwerpen van

verschillende torren, tot deze drie Families en andere behoorende, als

wegens belangrijke inlichtingen van allerlei soort. Hij gelooft, dat

het sjirpvermogen bij Clythra nog nooit te voren was waargenomen. Ik

ben ook veel dank verschuldigd aan den heer E. W. Janson voor

inlichtingen en voorwerpen. Ik mag hierbij voegen, dat mijn zoon, de

heer F. Darwin, heeft ontdekt, dat Dermestes murinus sjirpt, maar hij

zocht te vergeefs het daartoe dienende orgaan. Scolytus is onlangs door

den heer Algen als een sjirpend insekt beschreven in het „Edinburgh

Monthly Magazine”, 1869, Nov., 130.

[735] Schiödte, vertaald in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XX,

1867, blz. 37.

[736] Westring heeft (Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, Bd. II.

1848–1849, blz. 334) de sjirporganen zoowel bij deze twee, als bij

andere Families beschreven. Van de Loopkevers (Carabidae) heb ik

Elaphrus uliginosus en Blethisa multipunctata onderzocht, mij door den

heer Crotch toegezonden. Bij Blethisa worden de dwarse ruggen op den

gerimpelden rand van den ring van het achterlijf, voor zoover ik kon

beoordeelen, niet gebruikt om de raspen op de dekschilden te schrappen.

[737] Ik ben aan den heer Walsh, van Illinois, dank verschuldigd voor

de toezending van uittreksels uit Leconte’s „Introduction of

Entomology”, blz. 101, 143.

[738] De heer P. de la Brulerie, aangehaald in „Journal of Travel”, A.

Murray, vol. I, 1868, blz. 135.

[739] De heer Doubleday meldt mij, dat „het geluid wordt voortgebracht,

doordat het insekt zich zoo hoog, als het kan, op zijn pooten verheft,

en dan zijn borststuk vijf of zes malen in snelle opeenvolging tegen de

zelfstandigheid slaat, waarop het zit.” Voor mededeelingen aangaande

dit onderwerp, zie Landois, „Zeitschrift für wissens. Zoolog.”, Bd.

XVII, blz. 131. Olivier (aangehaald bij Kirby en Spence, „Introduct.”,

vol. II, blz. 325) zegt, dat het wijfje van Pimelia striata een vrij

sterk geluid voortbrengt door met haar achterlijf tegen de eene of

andere harde zelfstandigheid te kloppen, „en dat het mannetje, aan

dezen loktoon gehoor gevende, haar spoedig volgt, waarop zij paren.”

[740] De sage zegt, dat Hercules, aan den Rhegiaanschen oever der

rivier willende uitrusten, zoo werd gehinderd door het gesjirp der

Cicaden, dat hij Zeus bad ze te doen verstommen. Zijn bede werd

verhoord; aan den Rhegiaanschen oever werd na dien tijd nooit weêr het

geluid van een Cicade vernomen, terwijl de Locrische oever van hun

eentonig gesjirp bleef weêrgalmen. Deze fabel bewijst, dat er toch ook

wel Grieken waren, die minder bewondering voor het gezang der Cicaden

gevoelden.

[741] Vandaar hadden de Atheners van goeden huize gouden Cicaden op het

voorhoofd, of op de kruin van het hoofd in de haren gevlochten, of op

het gevest van het zwaard, als zinnebeeld, dat zij autochthonen waren

(Thucyd. I, 6; Scholiast op Aristophan.; Nubes vs. 984; Athenaeus XII,

512, 6; Virgilius, Ciris, 126).

[742] „Proc. Ent. Soc. of Lond.”, 1864, blz. 13.

[743] Wij spreken hier van Sabelsprinkhanen, daar wij onderstellen, dat

de hieronder medegedeelde waarneming van Mr. S. C. Snellen van

Vollenhoven betrekking heeft op een der tot die familie behoorende

soorten. Wanneer wij ons hierin vergissen en de bedoelde soort een der

Veldsprinkhanen is, dan blijft onze redeneering toch volkomen in haar

geheel; men heeft hier dan slechts te lezen Veldsprinkhanen, en het

hier opgemerkte bij aanteekening 7 in plaats van bij aanteekening 6 te

voegen.

[744] De grenzen der waarneembare tonen zijn bij alle menschen niet

geheel de zelfde. Helmholtz neemt aan, dat gemiddeld de laagste

waarneembare toon overeenstemt met 16 trillingen per seconde, de

hoogste waarneembare toon met 38000 trillingen per seconde. Elke toon

die derhalve met minder dan 16 of meer dan 38000 trillingen per seconde

overeenstemt, maakt geen indruk op ons gehoorwerktuig.

[745] Apatura Iris: „The Entomologist’s Weekly Intelligencer”, 1859,

blz. 139. Voor de kapellen van Borneo zie C. Collingwood, „Rambles of a

Naturalist”, 1868, blz. 183.

[746] Zie mijn „Journal of Researches”, 1845, blz. 33. De heer

Doubleday („Proc. Ent. Soc.”, 3 Maart, 1845, blz. 123) heeft een

bijzonderen vliezigen zak ontdekt aan de basis der voorvleugels, die

waarschijnlijk met de voortbrenging van het geluid in verband staat.

[747] „The Scottish Naturalist”, Juli 1872, blz. 213.

[748] „Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.

[749] Zie ook de verhandeling van den heer Bates in „Proc. Ent. Soc. of

Philadelphia”, 1855, blz. 206. Ook den heer Wallace over het zelfde

onderwerp, ten opzichte van Diadema, in „Transact. Entomolog. Soc. of

London”, 1869, blz. 278.

[750] „The Naturalist on the Amazons”, vol. I, 1863, blz. 19.

[751] Zie het belangwekkende artikel in de „Westminster Review”, Juli,

1867, blz. 10. Een houtsnede, Kallima voorstellende, is door den heer

Wallace gegeven in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz. 196.

[752] Zie de belangwekkende waarnemingen van den heer T. W. Wood, „The

Student”, Sept. 1868, blz. 81.

[753] De heer Wallace in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz.

193.

[754] Zie hierover ook de verhandeling van den heer Weir in „Transact.

Ent. Soc.”, 1869, blz. 23.

[755] „Westminster Review”, Juli 1867, blz. 16.

[756] Bij voorbeeld, Lithosia; Prof. Westwood („Modern Class. of

Insects”, vol. II, blz. 390) schijnt over dit geval verwonderd. Over de

betrekkelijke kleuren van Dag- en Nachtvlinders, zie ibid., blz. 333 en

392; ook Harris, „Treatise on the Insects of New England”, 1842, blz.

315.

[757] Dergelijke verschillen tusschen de boven- en ondervlakten der

vleugels van verschillende soorten van Papilio kan men zien op de

fraaie platen bij de verhandeling van den heer Wallace over de

Papilionidae van Insulinde in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, part I,

1865.

[758] „Proc. Ent. Soc.”, 2 Maart, 1868.

[759] Zie ook een mededeeling omtrent het Amerikaansche geslacht

Erateina (een der Geometrae) in „Transact. Ent. Soc.”, new series, vol.

V, pl. XV en XIV.

[760] „Proc. Ent. Soc. of London”, 6 Juli, 1868, blz. XXVII.

[761] Harris, „Treatise” enz., uitgegeven door Flint, 1862, blz. 395.

[762] Ik merk bij voorbeeld in de insektenverzameling van mijn zoon op,

dat de mannetjes bij Lasiocampa quercus, Odonestis potatoria, Hypogymna

dispar, Dasychira pudibunda en Cycnia mendica veel donkerder zijn dan

de wijfjes. Bij deze laatste soort is het verschil in kleur tusschen de

beide seksen sterk sprekend; en de heer Wallace meldt mij, dat wij hier

naar hij gelooft, een voorbeeld hebben van tot ééne sekse beperkte

beschermende nabootsing („mimickry”), zooals later uitvoeriger zal

worden verklaard. Het witte wijfje van de Cycnia gelijkt op de zeer

algemeene Spilosoma menthastri, van welke beide seksen wit zijn; en de

heer Stainton nam waar, dat deze laatste nachtvlinder met de grootste

walging werd weggeworpen door een geheel broedsel jonge kalkoenen die

andere nachtvlinders gaarne aten; zoodat, als Cycnia door de Britsche

vogels gewoonlijk voor Spilosoma werd aangezien, zij zou ontsnappen aan

het gevaar van te worden verslonden, en op die wijze zou haar

bedriegelijke witte kleur haar in hooge mate voordeelig zijn.

[763] „Rambles of a Naturalist in the Chinese Seas”, 1868, blz. 132.

[764] „Nature”, 27 April 1871, blz. 508. De heer Meldola haalt Donzel

aan, in „Soc. ent. de France”, 1837, blz. 77, over het vliegen der

kapellen bij het paren. Zie ook den heer G. Fraser in „Nature”, 20

April 1871, blz. 489, over de seksueele verschillen van verschillende

Britsche kapellen.

[765] Wallace, over de Papilionidae van Insulinde, in „Transact. Linn.

Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 8, 36. Een treffend geval van een zeldzame

verscheidenheid die juist tusschen twee andere goed uitgedrukte

verscheidenheden van wijfjes in staat, wordt door den heer Wallace

vermeld. Zie ook den heer Bates, in „Proc. Entomolog. Soc.”, 19 Nov.

1866, blz. XL.

[766] De heer R. MacLachlan, „Transact. Ent. Soc.”, vol. II, part 6th.,

3rd series; 1866, blz. 459.

[767] H. W. Bates, „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz.

228, A. R. Wallace, in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 10.

[768] Zie over dit geheele onderwerp, „Het Varieeren der Huisdieren en

Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, hoofdstuk XXIII.

[769] A. R. Wallace in „Journal of Travel”, vol. I, 1868, blz. 88.

„Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 37. Zie ook de heeren Wallace en

Bates in „Proc. Ent. Soc.”, 19 Nov. 1866, blz. XXXIX.

[770] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert.,

deel I, hoofdstuk XII, blz. 513.

[771] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXIII, 1862, blz. 495.

[772] „Proc. Ent. Soc.”, Dec. 1866, blz. XLV.

[773] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 1; ook „Transact.

Ent. Soc.”, vol. IV (3rd series), 1867, blz. 301. Trimen, „Linn.

Transact.”, vol XXVI, 1869, blz. 497. Riley, „Third Annual Report on

the Noxious Insects of Missouri”, 1871, blz. 163–168. Deze laatste

verhandeling is belangrijk, omdat de heer Riley daarin alle

tegenwerpingen bespreekt, die tegen de theorie van den heer Bates zijn

gemaakt.

[774] Zie een vernuftig artikel, getiteld, „Difficulties of the Theory

of Natural Selection”, in de „Month”, 1869. Het is vreemd, dat de

schrijver veronderstelt, dat ik de variaties in kleur van de

Schubvleugeligen (Lepidoptera), waardoor zekere soorten tot

verschillende familie’s behoorende, er toe zijn gekomen om op elkander

te gelijken, aan terugkeer tot de type van een gemeenschappelijken

stamvader (atavisme) toeschrijf; er is echter niet meer reden om deze

variaties aan atavisme toe te schrijven, dan in het geval van elke

gewone variatie.

[775] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 385.

[776] „Proc. Entomolog. Soc.”, 3 Dec. 1866, blz. XIV en 4 Maart 1867,

blz. LXXX.

[777] Zie de verhandeling van den heer J. Jenner Weir over insekten en

insektenetende vogels, in „Transact. Ent. Soc.”, 1869, blz. 21; ook de

verhandeling van den heer Butler, ibid., blz. 27.

[778] Ik schreef reeds in de eerste uitgaaf dezer bewerking van de

Afstamming van den Mensch, dat ik niet volkomen overtuigd was, dat het

geluid van A. atropos werkelijk op de door Landois aangegeven wijze

wordt voortgebracht; want Dr. M. C. Verloren heeft mij verzekerd, ook

de pop, ja zelfs de rups van dezen vlinder een gelijksoortig, ofschoon

zwakker geluid dan het volkomen insekt te hebben hooren voortbrengen.

Is de door Landois gegeven verklaring onjuist, dan vervallen natuurlijk

de gevolgtrekkingen omtrent andere Sphingidae die ribbetjes op de

palpen bezitten.

De heer R. T. Maitland zeide mij reeds in 1873, dat het geluidgevend

orgaan van A. atropos de kropsgewijs gedilateerde oesophagus is; hij

vond daarenboven, dat het geheele achterlijf (abdomen) met lucht gevuld

en door een spiraalsgewijs gedraaid vlies als het ware in verschillende

compartimenten verdeeld is; hij kon echter geen gemeenschap tusschen

deze luchtreservoirs en den oesophagus ontdekken.

In zijn „Thierstimmen” (Freiburg i/B., 1874) geeft Landois zelf ook een

andere verklaring en zegt: „De doodshoofdvlinder heeft een stijf met

lucht gevulde zuigblaas welke dicht vóór de eigenlijke maag ligt, het

voorste gedeelte van het achterlijf inneemt en in het einde der

spijsbuis uitmondt. Dit orgaan speelt wellicht een rol bij het opzuigen

van honig en ander vloeibaar voedsel. De beide helften van de roltong

sluiten van voren niet volkomen tegen elkander, maar laten een fijne

spleet tusschen zich open. De toon ontstaat, doordat de lucht uit de

zuigbuis door deze spleet wordt gedreven. Men kan zulks bewijzen door

een dooden, maar nog niet verstijfden doodshoofdvlinder door den zuiger

lucht in te blazen, waardoor het achterlijf opzwelt; drukt men dan op

het achterlijf, dan houdt de toon aan, zoo lang men drukt.”

Swinton vond in de mondholte van dezen vlinder, na den zuiger ver naar

beneden te hebben gedrukt, een neêrhangend vlies dat bij het klinken

van den toon sterk trilde, evenals de stembanden der hoogere dieren.

Volgens deze laatste verklaringen kan men dus zeggen, dat de

doodshoofdvlinder niet alleen sjirpt, maar een werkelijke stem, evenals

de hoogere dieren, bezit.

[779] Dr. M. C. Verloren deed mij echter terecht opmerken, dat deze

verklaring niet gemakkelijk is overeen te brengen met het feit, dat A.

atropos alleen geluid geeft als men haar aanraakt.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 111 / 111 题