[1] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel I, „Het Ontstaan der
Soorten”, vertaald door Dr. T. G. Winkler, 3de Ned. Uitgaaf, Arnhem,
Gebr. E. & M. Cohen, blz. 679.
[2] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel II, en III, „Het
Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, vertaald en van
aanteekeningen voorzien door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Arnhem,
Gebrs. E. & M. Cohen.
[3] De autobiographie loopt tot 1 Mei 1881. Zijn boek over de Vorming
van Humus door de werkzaamheid der Aardwormen, was toen nog niet
verschenen, maar juist ter perse gezonden.
[4] De werken der eerstgenoemde schrijvers zijn zoo bekend, dat het mij
onnoodig voorkomt de titels daarvan op te geven; maar daar die der
laatstgenoemden in Engeland minder bekend zijn, zal ik daarvan de
titels noemen:—„Sechs Vorlesungen über die Darwin’sche Theorie”: zweite
Auflage, 1868, von Dr. L. Büchner; in het Fransch overgezet onder den
titel: „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, 1869. „Der Mensch im
Lichte der Darwin’sche Lehre”, 1865 von Dr. F. Rolle. Ik zal niet
beproeven hier alle schrijvers op te sommen, die het vraagstuk van de
zelfde zijde hebben beschouwd. Zoo heeft G. Canestrini („Annuario della
Soc. d. Nat.” Modena, 1867, blz. 81) een zeer merkwaardige verhandeling
uitgegeven over rudimentaire kenmerken die wijzen op den oorsprong van
den mensch. Een ander werk, in 1869 door Dr. Barrago Francesco
uitgegeven, draagt in het Italiaansch den titel van: „De mensch
geschapen naar Gods beeld, werd ook geschapen naar het beeld van den
aap.”
[5] Prof. Haeckel is de eenige schrijver, die, sinds de uitgave van
„The Origin of Species”, in zijn verschillende werken op hoogst bekwame
wijze over de teeltkeus met betrekking tot de sekse heeft gesproken, en
ten volle de belangrijkheid van dit onderwerp heeft ingezien.
[6] „Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 96.
[7] „Leç. sur la Phys.”, 1866, blz. 890, aangehaald door M. Daily,
„L’Ordre des Primates et le Transformisme”, 1868, blz. 29.
[8] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 50.
[9] Brehm „Thierleben”, B. I., 1864, blz. 75, 86. Over den Ateles, blz.
105. Voor andere overeenkomstige opgaven, zie blz. 25, 107.
[10] Over insekten, zie Dr. Laycock: „On a General Law of Vital
Periodicity”, British Association, 1842; Dr. Macculloch, „Silliman’s
North American Journal of Science”, vol. XVI, blz. 305, heeft een hond
gezien, die aan derdendaagsche koorts leed.
[11] Ik heb het bewijs hiervan gegeven in mijn „Varieeren der
Huisdieren en Cultuurplanten” Ned. vertaling, Deel I, blz. 512. (In de
tweede in het Ned. vertaalde uitgave laat Darwin zich hieromtrent lang
zoo sterk niet uit als in de eerste Engelsche uitgaaf, vol. II, blz.
15, die hier eigenlijk wordt aangehaald. Dr. H. H. H. v. Z.).
[12] „Mares e diversis generibus Quadrumanorum sine dubio dignoscunt
feminas humanas a maribus. Primum credo, odoratu, postea aspectu. Mr.
Youatt, qui diu in Hortis Zoologicis (Bestiariis) medicus animalium
erat, vir in rebus observandis cautus et sagax, hoc mihi certissime
probavit, et curatoris ejusdem loci et alii e ministris confirmaverunt.
Sir Andrew Smith et Brehm notabant idem in Cynocephalo. Illustrissimus
Cuvier etiam narrat multa de hac re quâ ut opinor nihil turpius potest
indicari inter omnia hominibus et Quadrumanis communia. Narrat enim
Cynocephalum quemdam in furorem incidere aspectu feminarum aliquarum,
sed nequaquam accendi tanto furore ab omnibus. Semper eligebat
juniores, et dignoscebat in turba et advocabat voce gestuque.”(12)
[13] Deze opmerking wordt gemaakt ten opzichte van den Cynocephalus en
de anthropomorphe apen door Geoffroy Sint-Hilaire en F. Cuvier, „Hist.
Nat. des Mammifères”, tome I, 1824.
[14] Huxley, „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 34.
[15] „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 67.
[16] De menschelijke embryo (bovenste fig.) is naar Ecker, „Icones
Phys.”, 1851–1858, tab. XXX, fig. 2. Deze embryo was 21 m.M. lang,
zoodat de teekening veel vergroot is. De embryo van den hond is naar
Bischoff, „Entwicklungsgeschichte des Hunde-Eies”, 1845, tab. XI, fig.
42 B. Deze teekening is vijfmalen vergroot; de embryo was 25 dagen oud.
De ingewanden zijn niet geteekend, en de aanhangsels die in den uterus
met den embryo zijn verbonden, bij beide teekeningen weggelaten. Ik
werd op deze figuren gebracht door Prof. Huxley, aan wiens boek „Man’s
Place in Nature” het denkbeeld om ze te geven is ontleend. Ook Haeckel
heeft in zijne „Schöpfungsgeschichte” dergelijke teekeningen gegeven.
[17] Prof. Wyman in „Proc. of American Acad. of Sc.”, vol. IV, 1860,
blz. 17.
[18] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, blz. 533.
[19] „Die Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 95.
[20] „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, blz. 533.
[21] „Proc. Soc. Nat. Hist.”, Boston, 1863, vol. IX, blz. 185.
[22] „Man’s Place in Nature”, blz. 65.
[23] Ik had dit hoofdstuk in het ruwe geschreven, voordat ik een
gewichtig stuk had gelezen: „Caratteri rudimentali in ordine
all’origine del uomo” („Annuario della Soc. de Nat.”, Modena, 1867,
blz. 81), door G. Canestrini, aan welk stuk ik veel verschuldigd hen.
Haeckel heeft bewonderenswaardige verhandelingen gegeven over dit
geheele onderwerp, onder den titel van Dysteleologie, in zijn
„Generelle Morphologie” en „Schöpfungsgeschichte.”
[24] De HH. Murie en Mivart hebben eenige goede kritische opmerkingen
hieromtrent gemaakt in „Transact. Zoolog. Soc.”, 1869, vol. VI, blz.
92.
[25] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel
II, blz. 357–359 en 455. Zie ook het „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned.
Uitgaaf, blz. 196, 627, 637.
[26] M. Richard („Annales des Sciences Nat.”, 3e Série, Zoolog. 1852,
tome XVIII, blz. 13) geeft b.v. beschrijvingen en afbeeldingen van
rudimenten, van hetgeen hij noemt de „muscle pédieux de la main”, die,
zegt hij, somtijds „infiniment petit” is. Een andere spier, „le tibial
posterieur” genaamd, ontbreekt in de hand gewoonlijk geheel, maar komt
soms in meer of min rudimentairen toestand voor.
[27] Prof. W. Turner, „Proc. Royal Soc. Edinburgh”, 1866–67, blz. 65.
[28] Canestrini haalt een dergelijk voorbeeld uit Hyrtl aan („Annuario
della Soc. de Naturalisti”, Modena, 1867, blz. 97).
[29] „The Diseases of the Ear”, door J. Toynbee, F. R. S., 1860, blz.
12.
[30] Zie ook eenige opmerkingen en afbeeldingen van de ooren der
Lemuroidea in de uitstekende verhandeling van de HH. Murie en Mivart in
„Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 6 en 90.
[31] „Ueber das Darwin’sche Spitzohr”, „Archiv für Path., Anat. und
Phys.”, 1871, blz. 485.
[32] „Het Uitdrukken der Gemoedsaandoeningen”, Ned. Vert. Tweede
uitgaaf, blz. 136.
[33] Müller’s „Elements of Physiology”, Eng. vertaling, 1842, blz.
1117. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 260; de zelfde
over den walrus, „Proc. Zoolog. Soc.” van 8 November 1854. Zie ook R.
Knox’ „Great Artists of Anatomists”, blz. 106. Dit rudimentaire deel is
bij negers en Nieuw-Hollanders naar het schijnt iets grooter dan bij de
Europeanen, zie Carl Vogt, „Lectures on Man”, Engelsche vertaling, blz.
129.
[34] „The Physiology and Pathology of Mind”, 2nd. edit. 1868, blz. 134.
[35] Eschricht, „Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper”.
„Muller’s Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 47. Dikwijls zal ik
naar dit zeer belangrijke stuk moeten verwijzen.
[36] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, 1853, vol. II, blz. 71.
[37] Eschricht, ibid., blz. 40, 47.
[38] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
deel II, blz. 379. Prof. Alex. Brandt heeft mij onlangs nog een nieuw
geval medegedeeld van een vader en een zoon, in Rusland geboren, die de
zelfde bijzonderheden vertoonden. Ik heb afbeeldingen van beiden uit
Parijs ontvangen.
[39] Dr. Webb, „Teeth in Man and the Anthropoid Apes”, aangehaald door
Dr. D. Carter Clake in „Anthropological Review”, Juli 1867, blz. 299.
[40] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 320, 321 en 325.
[41] „On the Primitive Form of the Skull”, Eng. vertaling in
„Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 426.
[42] Professor Mantegazza schrijft mij uit Florence, dat hij onlangs de
achterste kiezen bij de verschillende menschenrassen heeft bestudeerd,
en tot het zelfde besluit is gekomen, als ik in den tekst heb
medegedeeld, namelijk, dat zij bij de hoogere rassen op weg zijn om te
atrophieeren en te verdwijnen.
[43] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 416, 434, 441.
[44] „Annuario della Soc. d. Nat.”, Modena, 1867, blz. 94.
[45] M. C. Martins („De l’Unité Organique”, in „Revue des deux Mondes”,
15 Juni 1862, blz. 16) en Haeckel („Generelle Morphologie”, B. II, blz.
278), hebben beiden het zonderlinge feit opgemerkt, dat dit rudiment
soms den dood veroorzaakt.
[46] „The Lancet”, 24 Jan. 1863, blz. 83. Dr. Knox („Great Artists and
Anatomists”, blz. 63). Zie ook een gewichtig stuk hierover door Dr.
Grube, in het „Bulletin de l’Acad. Imp. de St. Pétersbourg”, tome XII,
1867, blz. 448.
[47] „On the Caves of Gibraltar”. „Transact. Internat. Congress of
Prehist. Arch.” Third Session, 1860, blz. 54.
[48] Quatrefages heeft eenige jaren geleden de bewijzen hiervoor
bijeenverzameld, „Revue des Cours Scientifiques”, 1867–1868, blz. 625.
In 1840 vertoonde Fleischmann een menschelijken foetus, die een vrijen
staart bezat, welke, hetgeen niet altijd het geval is, wervellichamen
insloot; en deze staart werd critisch onderzocht door de vele
ontleedkundigen die tegenwoordig waren op de bijeenkomst van
natuuronderzoekers te Erlangen (zie Marshall in het „Niederländisches
Archiv für Zoölogie”, December 1871).
[49] Owen, „On the Nature of Limbs”, 1847, blz. 140.
[50] Leuckart in Todd’s „Cyclop. of Anat.”, 1849–1851, vol. IV, blz.
1415. Bij den mensch heeft dit orgaan slechts 6½–12½ m.M. lengte, maar
evenals vele andere rudimentaire deelen, verschilt het in ontwikkeling
zoowel als in andere kenmerken.
[51] Zie over dit onderwerp Owen, „Anatomy of Vertebrates,” vol. III,
blz. 675, 676, 706.
[52] Dat de vleugels der vlinders geen bloote uitbreidingen der huid,
maar werkelijk vervormde pooten zijn, blijkt uit een monster van
Zygaena filipendulae, dat vijf pooten en vijf vleugels bezat, omdat één
der pooten door een vleugel was vervangen. Dr. Lubach („Alb. d. Nat.”,
1890, Wet. Bijbl. blz. 5) trekt hieruit ten onrechte het besluit, dat
de vleugels der vlinders niet slechts analoog, maar ook homoloog zijn
met die der vogels. Er blijkt slechts uit, dat bij beide groepen de
vleugels homoloog zijn met de pooten, maar er volgt geen homologie van
de ledematen der eene groep met die der andere groep uit.
[53] H. W. de Graaf, „Bijdrage tot de kennis van den bouw en de
ontwikkeling der Epiphyse bij Amphibieën en Reptielen”, Leiden,
Adriani, 1886.
[54] „Nature”, 13 Mei 1886.
[55] Zie hoofdstuk VI en de aanteekeningen daarop.
[56] „Proceedings of the American Association for the Advancement of
Science”, New-York, 1889.
[57] Linnaeus nam in zijn Orde der Primaten ook de vledermuizen op.
Deze moeten echter van de apen en den mensch als afzonderlijke orde
gescheiden blijven.
[58] De chimpanzee wordt den mensch hoe langer hoe ongelijker, naarmate
hij meer tot den volwassen toestand nadert.
[59] Een ras van duiven. Zie „Varieeren der Huisdieren en
Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 173.
[60] Zie: „Sur les Caractères Anatomiques de l’Homme Préhistorique” par
M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général
de la société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 32.
[61] Apophyses genianae (Fransch: apophyses géni). Vier knobbeltjes die
soms de plaats innemen van de inwendige kinlijst (spina mentalis
interna).
[62] Liever mediaanvlak; het is het vlak, dat het lichaam in twee
symmetrische helften verdeelt.
[63] Ofschoon de tanden van de onderkaak van la Naulette waren
uitgevallen, heeft men uit de grootte, vorm en plaatsing der tandkassen
tot hun betrekkelijke grootte en plaatsing kunnen besluiten.
[64] „Mémoire sur les Ossements des Eyzies” („Époque du Mammouth”) par
M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général
de la Société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 12.
[65] La Race Humaine de Neanderthal ou de Cannstatt en Belgique.
Recherches Ethnographiques sur des Ossements Humains. Gand 1887.
[66] „Investigations in Military and Anthropolog. Statistics of
American Soldiers”, door B. A. Gould, 1869, blz. 256.
[67] Zie ten opzichte van de schedelvormen van inboorlingen van
Amerika, Dr. Aitken Meigs in „Proc. Acad. Nat. Sc.”, Philadelphia, Mei
1866. Over de Australiërs, Huxley, in Lyell’s „Antiquity of Man”, 1863,
blz. 87. Over de Sandwich-eilanders, Prof. J. Wyman, „Observations on
Crania”, Boston, 1868, blz. 18.
[68] „Anatomy of the Arteries”, door R. Quain.
[69] „Transact. Royal Soc.”, Edinburg, vol. XXIV, blz. 175, 189.
[70] „Proc. Royal Soc.”, 1867, blz 544 en 1868, blz. 483, 524. Men
vindt daarover nog een vroeger stuk, ibid. 1866, blz. 229.
[71] „Proc. R. Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 141.
[72] „Act. Acad.”, St. Petersburg, 1778, deel II, blz. 217.
[73] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 58, 87. Rengger, „Säugethiere von
Paraguay”, blz. 57.
[74] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Hoofdstuk XII, VIII
en XIV.
[75] „Hereditary Genius: an Inquiry into its Laws and Consequences”,
1869.
[76] De heer Bates merkt („The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol.
II, blz. 159) ten opzichte der Indianen van een zelfden Amerikaanschen
stam op, dat „er geen twee onder hen waren, die volkomen de zelfde
gedaante van hoofd hadden; de een had een ovaal gelaat en schoone
gelaatstrekken, de ander geleek volkomen op een Mongool door de breedte
en het uitsteken zijner jukbeenderen, zijn wijde neusgaten en den
schuinschen stand zijner oogen.”
[77] Blumenbach, „Treatises on Anthropology”, Eng. Vert., 1865, blz.
205.
[78] Mitford’s „History of Greece”, vol. I, blz. 282. Het schijnt ook
te blijken uit een plaats in Xenophon’s „Memorabilia”, Bd. II, 4
(waarop mijn aandacht werd gevestigd door den weleerw. heer J. N.
Hoare), dat het bij de Grieken een algemeen erkend beginsel was, dat de
mannen bij de keus van hun vrouwen er op moesten letten, in hoever deze
zoodanig gestel bezaten, dat het waarschijnlijk was, dat zij gezonde en
krachtige kinderen zouden voortbrengen. De Grieksche dichter Theognis,
die in het jaar 550 v. Chr. leefde, zag duidelijk in, hoe belangrijk
zorgvuldig toegepaste teeltkeus voor de verbetering van het menschelijk
geslacht was. Hij zag ook in, dat rijkdom dikwijls een beletsel is voor
de goede werking der seksueele teeltkeus. Hij schrijft als volgt:
„’t Vered’len van het dier wordt als een kunst geleerd,
Het fokvee, dat gezond en edel is van ras,
Voor hoogen prijs gekocht, ’t gebrekkige geweerd;
Steeds fraaier wordt het kroost, steeds ed’ler dan het was.
Zoo doet men met het dier, maar niet zoo met den mensch,
Wij trouwen om het geld; de schatten dezer aard
Bepalen onze keus, slechts die zijn onze wensch.
Zoo wordt de mensch verzuimd en ’t vee met zorg gepaard.
Een vrek of groote fielt, die schatten samenbrengt,
Huwt zijne kind’ren uit aan ’t fierste en trotschste ras;
Wat edel is en laag, wordt dus te zaâm vermengd,
Een basterdras ontstaat, zoo slecht als nimmer was.
Ik heb u de oorzaak, vriend! nu duid’lijk aangewezen;
Te treuren om ’t gevolg kan ’t onheil niet genezen.”
(The Works of J. Hookham Frere, vol. II, 1872, blz. 334.)
[79] Godron, „De l’Espèce”, 1859, tome II, livre III. Quatrefages,
„Unité de l’Espèce Humaine”, 1861. Zie ook de voordrachten over
anthropologie, medegedeeld in de „Revue des Cours Scientifiques”,
1866–1868.
[80] „Hist. Gén. et Part. des Anomalies de l’Organisation”, in drie
deelen, deel I, 1832.
[81] Ik heb deze wetten uitvoerig besproken in mijn „Varieeren der
Huisdieren en Cultuurplanten”, hoofdstukken XXII tot en met XXVI. M. J.
Durand heeft onlangs (1868) een verdienstelijke verhandeling „De
l’Influence des Milieux” enz. uitgegeven. Hij hecht veel gewicht aan
den aard van den bodem.
[82] „Investigations in Military and Anthrop. Statistics” enz. 1869,
door B. A. Gould, blz. 93, 107, 126, 131, 134.
[83] Zie, wat de Polynesiërs aangaat, Prichard’s „Physical Hist. of
Mankind”, vol. V, blz. 145, 283. Eveneens Godron, „De l’Espèce”, tome
II, blz. 289. Er bestaat ook een merkwaardig verschil in uiterlijk
aanzien tusschen nauw-verwante Hindoe’s, die aan den Boven-Ganges en in
Bengalen wonen; zie Elphinstone’s „History of India”, vol. I, blz. 324.
[84] „Memoirs Anthrop. Soc.”, vol. III, 1867–69, blz. 61, 565, 567.
[85] Dr. Brakenridge, „Theory of Diathesis”, „Medical Times”, 19 Juni
en 17 Juli 1869.
[86] Ik heb bewijzen van verschillende beweringen gegeven in mijn
„Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz.
336–340. Dr. Jaeger „Ueber das Längenwachsthum der Knochen”, „Jenaische
Zeitschrift”, B. v. afl. 1.
[87] „Investigations” enz. door B. A. Gould, 1869, blz. 288.
[88] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 4.
[89] „History of Greenland”, Eng. vert. 1767, vol. I, blz. 230.
[90] „Intermarriage”, door Alex. Walther, 1838, blz. 377.
[91] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz.
497, II, 375.
[92] „Principles of Biology”, vol. I, blz. 455.
[93] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, vol. I, 1853, blz. 209.
[94] Het is een vreemd en onverwacht feit, dat zeelieden voor
landbewoners onderdoen in hun gemiddelden afstand van duidelijk zien.
Dr. B. A. Gould („Sanitary Memoirs of the War of the Rebellion”, 1889,
blz. 530) heeft bewezen, dat zulks het geval is; en hij verklaart het
doordat de gezichtskring bij zeelieden gewoonlijk „beperkt is tot de
lengte van het schip en de hoogte van de masten.”
[95] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert. Deel I, blz.
505.
[96] „Säugethiere von Paraguay”, blz. 8, 10. Ik ben in de gelegenheid
geweest om de buitengewone scherpte van gezicht der Vuurlanders waar te
nemen. Zie ook Lawrence („Lectures on Physiology”, 1822, blz. 404) over
dit zelfde onderwerp. De heer Giraud-Teulon heeft onlangs („Revue des
Cours Scientifiques”, 1870, blz. 625) vele gewichtige bewijzen
verzameld, dat de oorzaak van kortzichtigheid „le travail assidu de
près” is.
[97] Prichard, „Phys. Hist. of Mankind” voor de opmerking van
Blumenbach, vol. I, 1817, blz. 311; voor de bewering van Pallas, vol.
IV, 1844, blz. 107.
[98] Aangehaald bij Prichard, „Researches into the Phys. Hist. of
Mankind”, vol. V, blz. 463.
[99] De hoogst belangrijke verhandeling van den heer Forbes is nu
uitgegeven in het: „Journal of the Ethnological Society of London”, New
Series, vol. II, 1870, blz. 193.
[100] Dr. Wilckens („Landwirthschaft. Wochenblatt”, no. 10, 1869) heeft
onlangs een belangrijke verhandeling uitgegeven, waarin wordt betoogd,
dat bij huisdieren die in bergachtige streken leven, wijzigingen in het
geraamte ontstaan.
[101] „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 53, 125, 169, 171,
184–198.
[102] Prof. Laycock drukt het karakter van dierlijke idioten uit door
hen theroïde te noemen: „Journal of Mental Science”, Juli 1863. Dr.
Scott („The Deaf and Dumb”, 2e uitg., 1870, blz 10) heeft dikwijls het
onnoozele rieken aan het voedsel waargenomen. Zie over dit zelfde
onderwerp en over de behaardheid van idioten, Dr. Maudsley, „Body and
Mind”, 1870, blz. 46–51. Pinel heeft ook een treffend geval van
behaardheid bij een idioot medegedeeld.
[103] In mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, (eerste
Eng. Uitgaaf, vol. II, blz. 57) schreef ik de niet zeer zeldzame
gevallen van overtallige tepels bij vrouwen aan atavisme toe. Ik werd
er toe geleid dit besluit waarschijnlijk te vinden, omdat de
overtallige tepels over het algemeen symmetrisch op de borst zijn
geplaatst, en meer bijzonder wegens één geval, waarin een enkele
melkgevende tepel voorkwam in de liesstreek van een vrouw, de dochter
van een vrouw met overtallige tepels. Ik bevind nu echter (zie b.v.
Prof. Preyer, „Der Kampf um das Dasein”, 1869, blz. 45), dat mammae
erraticae op andere plaatsen voorkomen, zooals op den rug (4), onder
den oksel, en op de dij, en dat zij op deze laatste plaats wel eens
zooveel melk hebben gegeven, dat het kind er mede werd gezoogd. De
waarschijnlijkheid, dat de overtallige tepels een gevolg zijn van
atavisme, wordt hierdoor veel geringer gemaakt; toch komt zulks mij nog
waarschijnlijk voor, omdat dikwijls twee paar symmetrisch op de borst
zijn geplaatst; en hiervan heb ik zelf verscheidene malen bericht
ontvangen. Het is algemeen bekend, dat bij halfapen (Lemuriden) normaal
twee paar tepels op de borst voorkomen. Vijf gevallen zijn opgeteekend
van meer dan één paar tepels (natuurlijk rudimentaire) bij mannen; zie
„Journal of Anat. and Physiology”, 1872, blz. 56, voor een geval,
medegedeeld door Dr. Handyside, waarin twee broeders deze bijzonderheid
vertoonden; zie ook een verhandeling van Dr. Bartels, in Reichert’s en
Du Bois Reymond’s „Archiv”, 1872, blz. 304. In een der gevallen,
waarvan Dr. Bartels melding maakt, had een man vijf tepels, waarvan een
in de mediaanlijn van het lichaam boven den navel was geplaatst; Meckel
von Hemsbach meent, dat dit laatste geval overeenstemt met een op de
mediaanlijn gelegen tepel, die bij sommige vledermuizen (Chiroptera)
voorkomt. Over het geheel mogen wij betwijfelen, of zich ooit
overtallige tepels bij beide seksen van den mensch zouden hebben
ontwikkeld, als zijn vroege voorouders niet van meer dan een paar
voorzien waren geweest.
In bovengenoemd werk (deel II, blz. 12) heb ik ook, hoewel zeer
aarzelend, de vele gevallen van veelvingerigheid (polydactylisme) bij
den mensch en verschillende dieren aan atavisme toegeschreven. Ik werd
hiertoe gedeeltelijk geleid door de opgaaf van Prof. Owen, dat sommige
zeedraken (Ichthyopterygia) meer dan vijf vingers bezaten, en daarom,
naar ik onderstelde, een oorspronkelijken toestand hadden bewaard, maar
Prof. Gegenbaur („Jenaische Zeitschrift”, B. v. Heft 3, blz. 341)
bestrijdt Owen’s besluit. Van den anderen kant schijnt er, volgens de
voor korten tijd door Dr. Günther omtrent de vin van Ceratodus
uitgesproken meening, welke vin is voorzien van gelede beenige stralen
aan weêrszijde van een middelste aaneenschakeling van beenderen, niet
veel tegen te zijn om aan te nemen, dat zes of meer vingers aan de eene
zijde of aan beide zijden door atavisme weder zouden verschijnen. Dr.
Hartogh Heys van Zouteveen meldt mij, dat er een geval is opgeteekend
van een man, die vier-en-twintig vingers en vier-en-twintig teenen
bezat (vergelijk aant. 8, blz. 38. Dr. H. H. H. v. Z.) Ik werd
voornamelijk geleid tot het besluit, dat het bezit van overtallige
vingers een gevolg van atavisme zou kunnen zijn, omdat dergelijke
vingers niet slechts sterk erfelijk zijn, maar, gelijk ik toen
geloofde, evenals de normale vingers van de lagere Gewervelde Dieren
het vermogen bezaten om opnieuw aan te groeien, wanneer zij waren
afgezet. (5) Ik heb echter in de 2de uitgaaf van mijn „Varieeren der
Huisdieren en Cultuurplanten” uiteengezet, waarom ik nu weinig
vertrouwen stel in de opgeteekende gevallen van dergelijk opnieuw
aangroeien. Desniettemin verdient het opmerking, in zoover als
stilstand in de ontwikkeling en atavisme nauwverwante zaken zijn, dat
verschillende organen die in een embryonalen toestand verkeeren of in
ontwikkeling zijn blijven stilstaan, zooals een gekloofd verhemelte,
dubbele uterus enz., dikwijls gepaard gaan met polydactylisme. Hierop
is met veel aandrang gewezen door Meckel en Isidore Geoffroy de
St.-Hilaire. Voor het oogenblik is het echter het veiligst het
denkbeeld geheel op te geven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen
de ontwikkeling van overtallige vingers en terugkeer tot den eenen of
anderen laag georganiseerden stamvader van den mensch (atavisme).
[104] Zie Dr. A. Farre’s welbekend artikel in de „Cyclop. of Anat. and
Phys.”, vol V, 1859, blz. 642. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III
1868, blz. 687; Prof. Turner in „Edinburgh Medical Journal”, Febr.
1865.
[105] „Anuario della Soc. dei Naturalisti in Modena”, 1867, blz. 83.
Prof. Canestrini geeft over dit onderwerp uittreksels uit verschillende
gezaghebbende schrijvers. Laurillard merkt op, dat hij, daar hij een
volkomen overeenkomst in vorm, afmetingen en verbindingswijze tusschen
de beide jukbeenderen van verscheidene menschelijke individu’s en die
van sommige apen heeft gevonden, die inrichting der deelen niet als een
eenvoudig toeval kan beschouwen. Een andere verhandeling over de zelfde
anomalie is door Dr. Saviotti publiek gemaakt in de „Gazetta della
cliniche”, Turijn, 1871, waar hij zegt, dat sporen van de verdeeling
worden gevonden bij omstreeks twee percent der schedels van
volwassenen; hij merkt ook op, dat zij meer voorkomt bij prognathische
schedels die niet tot het Arische ras behooren, dan bij andere. Zie ook
G. Delorenzi over het zelfde onderwerp: „Tre nuovi casi d’anomalia
dell’osso malare”, Modena, 1872. Ook E. Morselli, „Sopra una rara
anomalia dell’osso malare”, Turijn. 1872. Later heeft ook Gruber nog
een brochure geschreven over de verdeeling van dit been. Ik doe deze
aanhalingen, omdat een recensent, zonder eenige gronden of schroom,
mijn beweringen in twijfel heeft getrokken.
[106] Een geheele reeks dergelijke gevallen wordt gegeven door Isid.
Geoffroy St.-Hilaire, „Hist. des Anomalies”, tome III, blz. 437. Een
recensent („Journal of Anat. and Phys.”, 1871, blz. 366) keurt het zeer
af, dat ik de talrijke gevallen die zijn opgeteekend van stilstand in
ontwikkeling in verschillende deelen, niet heb besproken. Hij zegt, dat
volgens mijn theorie „elke voorbijgaande toestand van een orgaan
gedurende de ontwikkeling daarvan, niet slechts een middel voor een
doel, maar op zich zelf een doel was.” Dit schijnt mij niet
noodzakelijk juist te zijn. Waarom zouden geen afwijkingen voorkomen
gedurende een vroeg ontwikkelingstijdperk, die in geen verband stonden
tot atavisme; toch zouden zulke afwijkingen kunnen worden bewaard en
opgehoopt als zij op eenige wijze nuttig waren, b.v. door den loop der
ontwikkeling korter en eenvoudiger te maken? En waarom zouden van den
anderen kant schadelijke afwijkingen, zooals geatrophieerde of
gehypertrophieerde deelen, welke in geen verband staan tot een
vroegeren toestand van bestaan, niet even goed in een vroeg tijdperk
als gedurende den volwassen leeftijd voorkomen?
[107] „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, 1868, blz. 323.
[108] „Generelle Morphologie”, 1866, Bd. II, blz. clv.
[109] Carl Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert. 1864, blz. 151.
[110] C. Carter Bake, Over een kaak van la Naulette, „Anthropolog.
Review”, 1867, p. 295; Schaaffhausen, ibid. 1868, blz. 426.
[111] „The Anatomy of Expression”, 1844, blz. 110, 131.
[112] Aangehaald door Prof. Canestrini in het „Annuario” etc, 1867,
blz. 90.
[113] Deze verhandelingen verdienen zorgvuldig te worden bestudeerd
door ieder die wenscht te leeren, hoe veelvuldig wijzigingen van ons
spierstelsel voorkomen en hoe dikwijls het door die wijzigingen op dat
der apen gelijkt. De volgende aanhalingen hebben betrekking op de
weinige punten die ik heb behandeld in mijn tekst: „Proc. Royal Soc.”
deel XIV, 1865, blz. 379–384, deel XV, 1866, blz. 241, 242, deel XV,
1867, blz. 544, deel XVI, 1868, blz. 524. Ik kan hierbij voegen, dat
Dr. Murie en de heer Sir George Mivart in hun verhandelingen over de
Lemuroidea „Transact. Zoolog. Soc.”, deel VII, 1869, blz. 96, hebben
aangetoond, in hoe buitengewone mate sommige spieren aan wijziging
onderhevig zijn bij deze dieren, de laagste leden van de orde der
Primaten. Wijzigingen in het spierstelsel, overeenkomende met de
inrichting daarvan bij dieren die nog lager op den ladder staan, zijn
bij de Lemuriden ook talrijk.
[114] Prof. Macalister in „Proc. R. Irish Academy”, deel X, 1868, blz.
124.
[115] Prof. Macalister (ibid. blz, 124) heeft een tabel gemaakt van
zijn waarnemingen en vindt, dat afwijkingen in het spierstelsel het
veelvuldigst voorkomen in de voorarmen, in de tweede plaats in het
gelaat, enz.
[116] De weleerw. heer Dr. Haughton deelt („Proc. R. Irish Academy” 27
Juni 1864, blz. 715) een opmerkelijk geval van afwijking in den
menschelijken flexor pollicis longus mede, en merkt daarbij op: „dit
merkwaardige voorbeeld bewijst, dat de mensch somtijds in zijn duim en
vingers de rangschikking der pezen kan bezitten, die het geslacht
Macacus kenmerken, maar of zulk een geval moet worden beschouwd als een
Macacus zich tot een mensch ontwikkelende, of als een mensch afdalende
tot den Macacus, of als een aangeboren natuurspeling, durf ik niet
zeggen.” Het doet mij genoegen, dat een zoo bekwaam ontleedkundige en
een zoo verbitterd tegenstander van de ontwikkelingstheorie zelfs de
mogelijkheid van de beide eerste stellingen aanneemt. Ook Prof.
Macalister heeft („Proc. R. Irish Acad.”, deel X, 1864, blz 188)
wijzigingen in den flexor pollicis longus beschreven, merkwaardig door
haar betrekkingen tot de zelfde spier bij de apen.
[117] De personen, op wier gezag deze verschillende stellingen rusten,
zijn te vinden in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,
Ned. Vert., Deel II, blz. 373–391.
[118] Dit onderwerp is uitvoerig besproken in Hoofdstuk XXIII, Deel II,
van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
[119] Zie het steeds gedenkwaardige: „Essay on the Principle of
Population”, door den weleerw. heer T. Malthus, deel I, 1816, blz. 6,
517.
[120] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, Ned.
Vert., blz. 98–101, 161.
[121] De heer Sedgwick, „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”,
Juli 1863, blz. 1870.
[122] „The Annals of Rural Bengal”, door W. Hunter, 1868, blz. 259.
[123] „Primitive Marriage”, 1865.
[124] Zie eenige goede opmerkingen hieromtrent door W. Stanley Jevons,
„A Deduction from Darwin’s Theory”, „Nature”, 1869, blz. 231.
[125] Latham, „Man and his Migrations”, 1851, blz. 135.
[126] De heeren Murie en Mivart zeggen in hun „Anatomy of the
Lemuroïdea” („Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VIII, 1869, blz. 96–98):
„Sommige spieren komen zoo ongeregeld voor, dat zij niet goed tot een
der bovenvermelde afdeelingen kunnen worden gebracht”. Deze spieren
verschillen zelfs bij een en het zelfde individu in de beide
tegenovergestelde helften van het lichaam.
[127] „Quarterly Review”, April, 1869, blz. 392. Dit onderwerp is
uitvoeriger besproken in „Contributions on the Theory of Natural
Selection”, 1870, van den heer Wallace, waarin al zijn in dit werk
aangehaalde verhandelingen zijn herdrukt. Zijn verhandeling over den
mensch is op zeer bekwame wijze gekritiseerd door Prof. Claparède, een
der bekwaamste dierkundigen van Europa, in een artikel in de
„Bibliothèque Universelle”, Juni 1870. De in mijn tekst aangehaalde
aanmerking zal iedereen verwonderen, die de beroemde verhandeling van
den heer Wallace heeft gelezen over den oorsprong der menschenrassen,
afgeleid uit de theorie der natuurlijke teeltkeus, oorspronkelijk
geplaatst in de „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII. Ik
kan, mij niet weêrhouden hier met betrekking tot deze verhandeling een
zeer juiste opmerking van Sir J. Lubbock („Prehistoric Times”, 1865,
blz. 479) aan te halen, namelijk dat de heer Wallace, „met eigenaardige
onbaatzuchtigheid, het” (het denkbeeld van de natuurlijke teeltkeus)
„geheel en al aan den heer Darwin toeschrijft, hoewel hij, zooals wel
bekend is, onafhankelijk van den heer Darwin op dat denkbeeld kwam en
het tegelijkertijd met dezen, hoewel niet zoo zorgvuldig uitgewerkt,
publiek maakte.”
[128] Aangehaald door den heer Lawson Tait in zijn „Law of Natural
Selection”,—„Dublin Quarterly Journal of Medical Science”, Febr. 1869.
Ook Dr. Keller wordt met betrekking tot die zaak aangehaald.
[129] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 71.
[130] „Quarterly Review”, April 1869, blz. 392.
[131] Bij Hylobates syndactylus zijn, zooals de naam uitdrukt, steeds
twee der vingers aaneengegroeid, en de heer Blyth deelt mij mede, dat
dit soms ook het geval is met de vingers van H. agilis, Lar en
leuciscus. Bij Colobus ontbreekt ook de duim; deze apen leven
voortdurend in de boomen en zijn bijzonder levendig (Brehm,
„Thierleben”, Bd. I, blz. 50), maar of zij beter kunnen klimmen of
grijpen dan de soorten van verwante geslachten, is onbekend.
[132] Brehm, „Thierleben”, Bd. I, blz. 80.
[133] „The Hand, its Mechanism”, etc., „Bridgewater Treatise”, 1813,
blz. 38.
[134] Haeckel bespreekt op uitnemende wijze de trappen, langs welke de
mensch een tweevoetig dier werd: „Natürliche Schöpfungsgeschichte”,
1868, blz. 507. Dr. Büchner („Conférences sur la Théorie Darwinienne”,
1869, blz. 35) heeft goede voorbeelden gegeven van het gebruik van den
voet als een grijpwerktuig door den mensch; en ook van de wijze van
loopen van de hoogere apen, waarop ik in de volgende alinea zinspeel.
Zie over dit laatste onderwerp ook Owen („Anatomy of Vertebrates”, vol.
III, blz. 71).
[135] „On the Primitive Form of the Skull”, vertaald in
„Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 528. Owen, „Anatomy of
Vertebrates”, vol. II, 1866, blz. 551, over de tepelvormige
uitsteeksels bij de hoogere apen.
[136] „Die Grenzen der Thierwelt, eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”,
1868, blz. 51.
[137] Dujardin, „Annales des Sc. Nat.”, 3rd series, Zoolog. tome XIV,
1850, blz. 203. Zie ook de heer Lowne, „Anatomy and Phys. of the Musca
vomitoria”, 1870, blz. 44. Mijn zoon, de heer F. Darwin, ontleedde voor
mij de hersengangliën van Formica rufa.
[138] „Philosophical Transactions”, 1869, blz. 513.
[139] Aangehaald in C. Vogt’s „Lectures on Man”, Eng. Vertaling, 1846,
blz. 88, 90. Prichard, „Phys. Hist of Mankind”, vol. I, 1838, blz. 305.
[140] In het belangwekkend artikel waarvan boven melding is gemaakt,
heeft Prof. Broca terecht opgemerkt, dat bij beschaafde volken de
gemiddelde inhoud van den schedel kleiner moet worden gemaakt door het
behouden blijven van een aanmerkelijk aantal individu’s, zwak van
lichaam en geest, die in den wilden staat spoedig te gronde zouden zijn
gegaan. Van den anderen kant sluit bij wilden het gemiddelde alleen de
verstandigste individu’s in, die in staat zijn geweest om te blijven
leven onder uiterst harde levensvoorwaarden. Broca verklaart aldus het
anders onverklaarbare feit, dat de gemiddelde schedelinhoud van de oude
holbewoners van Lozère grooter is dan die der hedendaagsche Franschen.
[141] „Compt. Rend. des Séances” enz., 1 Juni 1868.
[142] „Het varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
Deel I, blz. 145–149.
[143] Schaaffhausen deelt de gevallen van de krampen en van het
litteeken op gezag van Blumenbach en Busch mede in „Anthropolog.
Review”, Oct. 1868, blz. 420. Dr. Jarrold („Anthropologica”, 1808, blz.
115, 116) verhaalt gevallen, door Camper en door hem zelf waargenomen,
van schedelwijzigingen ten gevolge van een onnatuurlijke houding van
het hoofd. Hij gelooft, dat sommige ambachten, zooals dat van
schoenmaker, doordat zij medebrengen, dat men het hoofd gewoonlijk
voorover houdt, het voorhoofd ronder en meer vooruitstekend maken.
[144] „Varieeren der Huisdieren” enz., Ned. Vert, Deel I, blz. 137,
over de verlenging van den schedel; blz. 139, 146, over de gevolgen van
het naar voren hangen van het oor.
[145] Aangehaald door Schaaffhausen in „Anthrop. Review”, Oct. 1868,
blz. 419.
[146] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 619.
[147] Isidore Geoffroy St.-Hilaire maakt („Hist. Nat. Gén.”, tome II,
1859, blz. 215–217) opmerkingen over het lange haar, waarmede ’s
menschen hoofd bedekt is, en over het feit, dat de bovenste
oppervlakten van apen en andere zoogdieren dichter met haar begroeid
zijn dan de onderste oppervlakten. Dit is eveneens door verschillende
andere schrijvers opgemerkt. Prof. Gervais („Hist. Nat. des
Mammifères”, tome I, 1854, blz. 28) deelt echter mede, dat bij den
gorilla het haar dunner is op den rug, waar het gedeeltelijk is
afgeschuurd, dan op de onderste oppervlakte.
[148] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 209. Eenigszins ter
bevestiging van de meening van den heer Belt, kan ik de volgende plaats
aanhalen uit Sir W. Denison („Varieties of Vice Regal Life”, vol. I,
1870, blz. 440): „Men zegt, dat de Nieuw-Hollanders gewoon zijn zich te
zengen, als het ongedierte lastig wordt.”
[149] De heer H. George Mivart, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 562,
583. Dr. J. E. Gray, „Cat. Brit. Mus. Skeletons”. Owen, „Anatomy of
Vertebrates”, vol. II, blz 517. Isidore Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”,
tome II, blz. 244.
[150] „Revue d’Anthropologie”, 1872; „La Constitution des Vertèbres
Caudales”.
[151] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1872, blz. 210.
[152] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz.
311, 312.
[153] „Primeval Man”, 1869, blz. 66.
[154] Bixia orellana.
[155] Volgens een verhandeling door hen voorgelezen op de vergadering
te Philadelphia van de „American Association for the Advancement of
Science”, 1884, zie ook „Nature”, 3 Nov. 1886.
[156] „Verhandlungen der Berliner Anthropol. Gesellsch.” in het
„Zeitschrift für Ethnologie” 1885, Heft V, blz. 434.
[157] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, blz. 157.
[158] Het bewijs hiervan is te vinden in Lubbock’s „Prehistoric Times”,
blz. 344 v.v.
[159] „Instinct chez les Insectes”. „Revue des Deux Mondes”, Febr. 1870
blz 690.
[160] „The American Beaver and his Works”, 1868.
[161] „The Principles of Psychology”, 2nd edit., 1870, blz. 418–443.
[162] „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz.
212.
[163] „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 173.
[164] Al de volgende op autoriteit van deze twee geleerden medegedeelde
feiten zijn ontleend aan Rengger, „Naturges. der Säugethiere von
Paraguay”, 1830, blz. 41–57 en aan Brehm’s „Thierleben”, Deel 1, blz.
10–87.
[165] Aangehaald door Dr. Lauder Lindsay in zijn „Physiology of Mind in
the Lower Animals”, „Journal of Mental Science”, April 1871, blz. 36.
[166] „Bridgewater Treatise”, blz. 263.
[167] W. C. L. Martin, „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 405.
[168] Aangehaald bij Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz.
168.
[169] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert.,
Deel I, blz. 33.
[170] „Ann. d. Scienc. Nat.” (1e Serie), tome XXII, blz. 397.
[171] „Les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 150.
[172] Aangehaald in Dr. Maudsley’s „Physiology and Pathology of Mind”,
1868, blz. 19, 220.
[173] Dr. Jerdon, „Birds of India”, vol. I, 1862, blz. XXI. Houzeau
zegt, dat zijn parkieten en kanarievogels droomden: „Facultés
Mentales”, tome II, blz. 136.
[174] „Fac. Ment.”, 1872, tome II, blz. 181.
[175] Het werk van den heer L. H. Morgan over „The American Beaver”,
1868, levert een goed voorbeeld hiervan op. Ik kan niet nalaten te
denken, dat hij te ver gaat in het geringschatten van de macht van het
instinkt.
[176] „Die Bewegungen der Thiere”, enz., 1873, blz. 11.
[177] „Facultés Mentales des Animaux”, 1872, tome II, blz. 265.
[178] Prof. Huxley heeft met bewonderenswaardige duidelijkheid de
verstandelijke stappen geanalyseerd, waardoor een mensch, zoowel als
een hond, tot een besluit komt in een dergelijk geval, als door mij in
den tekst is medegedeeld. Zie zijn artikel: „Mr. Darwin’s Critics”, in
de „Contemporary Review”, Nov. 1871, blz. 462, en in zijn „Critiques
and Essays”, 1873, blz. 279.
[179] „The Moor and the Loch”, blz. 45. Kol. Hutchinson over „Dog
Breaking”, 1850, blz. 46.
[180] „Personal Narrative”, Engelsche vertaling, vol. III, blz. 106.
[181] Aangehaald door Sir C. Lyell, „Antiquity of Man”, blz. 497.
[182] Voor meer bewijzen, met bijzonderheden, zie Houzeau, „Les
Facultés Mentales”, tome II, 1872, blz. 147.
[183] Zie ten opzichte van vogels op oceanische eilanden mijn „Journal
of Researches during the voyage of the Beagle”, 1845, blz. 398,
„Ontstaan der Soorten”, Ned. Vert., 3de uitgaaf, blz. 309, 344.
[184] „Lettres Phil. sur l’Intelligence des Animaux”, nouvelle édit.,
1802, blz. 86.
[185] Het bewijs hiervan is te vinden in hoofdst. I, Deel I, van „Het
Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
[186] „Proc. Zool. Soc.”, 1864, blz. 186.
[187] Savage en Wyman in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol IV,
1843–44, blz. 383.
[188] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 51–56.
[189] „The Indian Field”, 4 Maart 1871.
[190] „Thierleben”, Bd. I, blz. 79, 82.
[191] „The Malay Archipelago”, vol. I, 1869, blz. 87.
[192] „Primaeval Man”, 1869, blz. 145, 147.
[193] „Prehistoric Times”, 1865, blz. 473 enz.
[194] De heer Hookham, in een brief aan Prof. Max Müller, in de
„Birmingham News”, Mei 1873.
[195] „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, Fransche vertaling,
1869, blz. 132.
[196] De weleerw. zeer gel. Heer Dr. J. M’Cann, „Anti-Darwinisme”,
1869, blz. 13.
[197] Aangehaald in „Anthropological Review”, 1869, blz. 158.
[198] Rengger, ibid. blz. 45.
[199] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl.
Vert., Deel I, blz 32.
[200] „Facultés Mentales des Animaux”, tome II, blz. 346–349.
[201] Een verhandeling hierover vindt men in het zeer belangwekkende
werk van den heer E. B. Tylor, „Researches into the Early History of
Mankind”, 1865, chaps. II–IV.
[202] Ik heb hierover verschillende uitvoerige mededeelingen ontvangen.
Admiraal Sir J. Sulivan, dien ik als een nauwkeurig waarnemer ken,
verzekert mij, dat een Afrikaansche papegaai die lang in zijn vaders
huis werd gehouden, steeds sommige personen der huishouding, zoowel als
bezoekers, bij hun naam riep. Hij zeide iedereen bij het ontbijt
„goeden morgen”, en „goeden avond” als zij ’s avonds de kamer
verlieten, en verwarde die groeten nooit. Tegen Sir J. Sulivan’s vader
placht hij bij het „goeden morgen” een korten volzin te voegen, dien
hij na den dood van dezen nooit weer herhaalde. Hij schold heftig op
een vreemden hond die door het open venster in de kamer kwam, en hij
berispte een anderen papegaai, die uit zijn kooi was ontvlucht en bezig
was appels op de keukentafel te snoepen, met de woorden: „Jou stoute
Polly.” Zie over papegaaien ook Houzeau „Facultés Mentales”, tome II,
blz. 309. Dr. A. Moschkau meldt mij, dat hij een spreeuw heeft gekend,
die zich nooit vergiste met in het Duitsch „goeden morgen” te zeggen
tegen personen die aankwamen, en „adieu, oude jongen”, tegen degenen
die weggingen. Ik zou er verscheidene andere dergelijke gevallen bij
kunnen voegen. (8)
[203] Zie eenige goede opmerkingen hierover door Prof. Whitney, in zijn
„Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 354. Hij merkt op, dat de
wensch naar gedachtenwisseling bij den mensch de levende kracht is,
welke bij de ontwikkeling der taal „zoowel bewust als onbewust werkt;
bewust, wat aangaat het doel dat men onmiddellijk wenscht te bereiken;
onbewust, wat de verdere gevolgen der handeling aangaat.”
[204] Daines Barrington in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 262.
Zie ook Dureau de la Malle in „Ann. des Sc. Nat.”, 3ième série, Zool.,
tome X, blz. 119.
[205] „On the Origin of Language”, door H. Wedgwood, 1866; „Chapters on
Language”, door den weleerw. heer F. W. Farrer, 1865. Deze werken zijn
zeer belangwekkend. Zie ook: „De la Phys. et de Parole”, door Albert
Lemoine, 1865, blz. 190. Wijlen Prof. Aug. Schleicher’s werk over dit
onderwerp is door Dr. Bikkers in het Engelsch vertaald, onder den titel
van „Darwinism tested by the Science of Language”, 1869.
[206] Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 169. Ten
opzichte van wilden, heb ik eenige feiten vermeld in mijn „Journal of
Researches”, enz., 1849, blz. 206.
[207] Zie het duidelijk bewijs hiervan in de reeds zoo dikwijls
aangehaalde werken, bij Brehm en Rengger.
[208] Zie hierover de opmerkingen van Dr. Maudsley, „The Physiology and
Pathology of Mind”, 2de uitgaaf, 1868, blz. 199.
[209] Hiervan zijn vele merkwaardige voorbeelden opgeteekend. Zie b.v.
Dr. Bateman „On Aphasia”, 1870, blz. 27, 31, 53, 100, enz. Ook
„Inquiries concerning the Intellectual Powers”, door Dr. Abercrombie,
1838, blz. 150.
[210] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I,
blz. 502.
[211] Lezingen over „Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873.
[212] Het oordeel van een philoloog van naam, Dr. Whitney, zal omtrent
dit punt van veel meer gewicht zijn dan iets dat ik kan zeggen. Hij
merkt („Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 297), van Bleek’s
beweringen sprekende, op: „Omdat over het algemeen gesproken de spraak
de noodzakelijke helpster der gedachte is, onmisbaar voor de
ontwikkeling van het denkvermogen, voor de duidelijkheid en
verscheidenheid en ingewikkeldheid van de kennis, voor het verkrijgen
van volkomen zelfbewustzijn, daarom zou hij de gedachte gaarne
volstrekt onmogelijk maken zonder de spraak, het vermogen
vereenzelvigende met het werktuig. Hij zou met juist evenveel reden
kunnen verzekeren, dat de hand van den mensch niets kan verrichten
zonder een werktuig. Met zulk een leer als uitgangspunt kan het niet
anders of hij moet vervallen in de ergste drogredenen van Müller, dat
een klein kind (in fans, niet sprekend) geen menschelijk wezen is, en
dat doofstommen niet in het bezit van rede komen, vóór zij hun vingers
hebben leeren gebruiken om gesproken woorden na te bootsen.” Max Müller
(„Lectures on Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873, 3e lezing)
laat de volgende uitspraak cursief drukken: „Er is geen gedachte zonder
woorden, evenmin als er woorden zonder gedachte zijn.” Welk een vreemde
definitie moet hier aan het woord gedachte worden gegeven!
[213] „Essays on Free-thinking”, enz., 1873, blz. 82.
[214] Hierover zijn eenige goede opmerkingen te vinden bij Dr.
Maudsley, „The Physiology and Pathology of Mind”, 1868, blz. 199.
[215] Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. II, 1839, blz. 29.
Een uitnemend waarnemer, de heer Blackwall, merkt op, dat de ekster
afzonderlijke woorden en zelfs korte volzinnen spoediger leert
uitspreken dan eenige andere Britsche vogel; echter heeft hij, zooals
hij er bijvoegt, na lang en nauwkeurig zijn gewoonten te hebben
onderzocht, nooit opgemerkt, dat deze vogel in den natuurstaat eenigen
bijzonderen aanleg voor het nabootsen vertoont. „Researches in
Zoology”, 1834, blz. 158.
[216] Zie de hoogst belangrijke vergelijking tusschen de ontwikkeling
van soorten en talen, door Sir C. Lyell gegeven in „De Geol. Bewijzen
voor de Oudheid v. h. Mensch. Geslacht”, in ’t Ned. vertaald door Dr.
T. C. Winkler Zalt-Bommel 1861, Hoofdstuk XIII. (13)
[217] Zie hierover de opmerkingen van den weleerw. heer F. W. Farrar in
een belangrijk artikel, getiteld „Philology and Darwinism”, March 24
1870, blz. 528.
[218] „Nature”, 6 Jan. 1870, blz. 357.
[219] Aangehaald door C. S. Wake, „Chapters on Man”, 1868, blz. 101.
[220] Buckland, „Bridgewater Treatise”, blz. 411.
[221] Zie eenige goede opmerkingen over de vereenvoudiging van talen
bij Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 278 (Ned.
Vert. „De Oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden,
1876, blz. 262–280).
[222] „The Spectator”, 4 Dec. 1869, blz. 1430.
[223] Zie een uitnemend artikel over dit onderwerp door den weleerw.
heer F. W. Farrer in de „Anthropological Review”, Aug. 1864, blz.
CCXVII. Voor verdere feiten zie Sir J. Lubbock „Prehistoric Times”,
2nd. edit. 1869 blz. 564, en vooral ook de hoofdstukken over den
Godsdienst in zijn „Origin of Civilisation”, 1870.
[224] „The Worship of Animals and Plants”, in „Fortnightly Review”,
Oct. 1, 1869, blz. 422.
[225] Tylor „Early History of Mankind”, 1865, blz. 6. Zie ook de drie
treffende hoofdstukken over de Ontwikkeling van den Godsdienst in
Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870. Op gelijke wijze verklaart de
heer Herbert Spencer, in zijn vernuftige verhandeling in de
„Fortnightly Review” (May, 1870, blz. 535) het ontstaan der vroegste
vormen van godsdienstig geloof in de geheele wereld, doordat de mensch
door droomen, schaduwen en andere oorzaken er toe werd gebracht, zich
zelf een dubbel bestaan toe te kennen, een lichamelijk en een
geestelijk. Daar het geestelijk wezen wordt ondersteld na den dood
voort te bestaan en machtig te zijn, wordt het door verschillende
giften en plechtigheden vereerd en wordt zijn hulp ingeroepen. Hij
toont daarop verder aan, dat de namen of bijnamen van dieren of andere
voorwerpen, aan de voorouders of hoofden van een stam gegeven, na
verloop van tijd werden ondersteld den wezenlijken stamvader voor te
stellen, en men gelooft dan natuurlijk, dat zulk een dier of voorwerp
als geest voortleeft; het wordt voor heilig gehouden en als godheid
vereerd. Echter vermoed ik, dat er nog een vroeger en ruwer tijdperk
van godsdienstige ontwikkeling heeft bestaan, waarin elk voorwerp, dat
eenig vermogen of beweging bezat, werd ondersteld leven en
geestvermogens te bezitten gelijk de mensch.
[226] Zie een uitstekend artikel over de psychische elementen van den
godsdienst door den heer L. Owen Pike, in: „Anthropholog. Review”,
April 1870, blz. 63.
[227] „Religion, Moral etc. der Darwinschen Art-Lehre”, 1862, blz. 53.
[228] „Prehistoric Times”, 2nd. ed., blz 571. In dit werk kan men vele
vreemde en zonderlinge gewoonten van wilde volksstammen verhaald
vinden.
[229] De Duitsche woorden zijn hetgeen de papegaai zegt.
[230] God behoede U (enkelvoud).
[231] God behoede U (meervoud).
[232] Psittacus erithacus.
[233] De inhoud van den schedel varieerde bij tien door Vogt opgemeten
microcephalen-schedels tusschen 272 en 622 kub. centimeter. Een normaal
pasgeboren kind heeft omtrent 400 kub. centimeter schedelinhoud, en
overtreft ⅔ dier microcephalen, waarvan zeven boven de twintig jaar oud
waren, in hersencapaciteit. De inhoud van den schedel van een normaal
kind van één jaar is omstreeks 900 kub. centimeter, van een van vijf
jaar omstreeks 1150 kub, centimeter, van een volwassen Europeaan 1450
tot 1570 kub. centimeter, van een jongen chimpanzee 300 kub.
centimeter, van een volwassen gorilla 460 tot 530 kub. centimeter.
Omtrent het gewicht der hersenen van pasgeboren jongens en meisjes
heeft Mies onderzoekingen gedaan. Uit de resultaten van 203 wegingen
berekent deze het gemiddeld gewicht van pasgeboren jongens (te Weenen)
op 339,3 gram en dat van pasgeboren meisjes op 330 gram. Het lichtste
gewicht was 170, het zwaarste 482 gram. Het hersengewicht van
pasgeborenen staat tot hun lichaamsgewicht als 1 : 7 à 8,5. Mies woog
alleen hersenen van kinderen die levend ter wereld waren gekomen.
(„Wiener klinische Wochenschrift”, 1889.)
[234] Vgl. „Lucifer” IV, blz. 266 on 267, benevens Bernstein, „Het
leven der Planten, Dieren en Menschen”, vert. door Rissik, 2de druk,
blz. 217.
[235] Max Müller, „De Uitkomsten van de Wetenschap der Taalk.”, vert.
door G. Penon, I, 269.
[236] Om daarvan een voorbeeld te geven, ontleen ik het volgende aan M.
Müller, t.a.p., II. 314–333.
De wortel Mar, die in het Sanskriet fijnmalen beteekent, en die o.a.
ook den vorm Mal kan aannemen, heeft, behalve aan een menigte
Grieksche, Indische, Latijnsche en andere vreemde woorden, het aanzijn
geschonken aan deze, meest Nederlandsche woorden: malen, molen,
molenaar, meel; fr. mort, fr. mortel, ons mortel (kalk), moorden; murg,
merg; moer (as), meer; Miölner (de hamer van Thor), h.d. zermalmen,
molm, mul; m.n.l. molde (moede) mol; mal, malen (suffen); (Karel)
Martel, Mars; melken; mollig, malsch fr. mou (mol), mild, smart, eng.
to smart, smelten eng. to melt; marmer h.d. Marmor, marbels en mulvers
(knikkers), memorie.
[237] Veel overeenkomst heeft hiermede hetgeen Max Müller, „Vorlesungen
über Urspr. u. Entw. der Religion”, blz. 214 (Die ältesten Begriffe) en
211 (Alles als thätig benannt) opmerkt. Ook Darwin duidt dit tijdperk
der godsdienstige ontwikkeling in de vier laatste regels van noot 2 op
blz. 128, (die in de eerste uitgaaf van de „Afst v. d. Mensch” niet
voorkomen) zeer kort aan.
[238] Zelfs bij ons wordt dikwijls het woord „leven” gebruikt voor
beweging, zelfs van levenlooze voorwerpen, b.v. „levend” water voor
stroomend water. Bij een boschbrand hoorde ik eens een man zeggen: „Het
vuur loopt zoo hard als een man te paard.” Evenzoo zegt ook de
schooljongen: „De som wil niet uitkomen” en de keukenmeid: „De
aardappels willen niet gaar worden” enz. en stellen dus de som en de
aardappels enz. als levende, met een wil begaafde wezens voor.
[239] Vergelijk J. Lippert, „Seelencult”, die, wel wat eenzijdig,
nagenoeg allen godsdienst van de vereering der zielen van voorouders
afleidt.
[240] Hoofdzakelijk naar „Die Ursprache der Menschheit” in „Die
Kulturgeschichte in einzelnen Hauptstücken” door Julius Lippert,
Leipzig, 1886.
[241] Met uitzondering waarschijnlijk van sommige door den mensch
onderwezen papegaaien (vergelijk aant. 8, blz. 152). Ook verstaan
ongetwijfeld sommige huisdieren b.v. honden, sommige door hun meester
gesproken woorden. Sir John Lubbock leerde zelfs zijn hond eenvoudige
in letters op plankjes gedrukte woorden begrijpen (zie zijn „Sense in
Animals”, Londen, 1889, blz. 277) en het gesprokene of gedrukte te
verstaan vereischt een dergelijke verstandelijke verbinding tusschen
geluid of teeken en voorwerp of denkbeeld als het spreken of schrijven
zelf. In al deze gevallen ging echter de impulsie van den mensch uit.
Kan het blaffen, dat den hond alleen in tammen staat eigen is, geen
poging zijn om de menschelijke spraak, zoover de stemorganen het
toelaten, na te bootsen?
[242] Lippert spreekt van „jodeln”, een onvertaalbaar woord, dat echter
onze meeste lezers wel zullen verstaan; het drukt een eigenaardige
wijze van zingen uit, die bij vele Alpenbewoners, o.a. de Tyrolers in
zwang is, en waarvan het eigenaardige in den overgang uit de borsttonen
in de falsetstem bestaat. Het is een melodieuse uiting van levenslust,
die door de zuivere Alpenlucht zoo gemakkelijk wordt opgewekt.
[243] De voorzetsels hadden waarschijnlijk eens in alle talen een
plaatselijke beteekenis, althans in het Latijn worden jegens, behalve,
wegens, overeenkomstig, uit hoofde van enz., kortom alle de zoo
talrijke verbindingen en betrekkingen tusschen personen en zaken door
voorzetsels uitgedrukt, die oorspronkelijk slechts plaatselijke
verhoudingen, als: voor, achter, boven, tusschen enz. uitdrukten.
[244] Op Otaheite heette b.v. de nacht vroeger „Po” maar sedert koning
Pomaré is gestorven, is ook het eerste woord uit de taal van het eiland
verdwenen.
[245] Als b.v. in het Nederlandsch: drank (z. n.), dronk (z. n.), drenk
(wortel van het werkwoord drenken), drink (wortel van het werkwoord
drinken) waaraan zich het Engelsch drunk b. n. (beschonken) aansluit.
Deze methode is zeer algemeen in de Semietische talen, en wordt ook bij
onze ongelijkvloeiende en vele onregelmatige werkwoorden naast de
volgende toegepast.
[246] Hierdoor ontstaan eindelijk ook verbuigingen en vervoegingen door
wijziging der uitgangen, en soms met voorvoeging van lettergrepen. De
vervoeging onzer gelijkvloeiende werkwoorden behoort hiertoe.
[247] Zoo heeft het Engelsche woord deer de beteekenis van hert, reeds
zeer vroeg in Germanië het voornaamste jachtdier, en zal dit wellicht
de oorspronkelijke beteekenis zijn, terwijl in het verwante
Nederlandsch en Hoogduitsch dier en Thier tegenwoordig een dier, meer
in ’t bijzonder een viervoetig dier, in het algemeen beteekenen. Een
omgekeerde verschuiving zien wij als de boer onder „beesten” eenvoudig
koeien verstaat.
[248] Zie b.v. over dit onderwerp Quatrefages, „Unité de l’Espèce
Humaine”, 1861, blz. 21, enz.
[249] „Dissertation on Ethical Philosophy”, 1837, blz. 231, enz.
[250] „Metaphysics of Ethics”, vertaald door J. W. Semple, Edinburg,
1836, blz. 136.
[251] De heer Bain geeft een lijst („Mental and Moral Science”, 1836,
blz. 543, 725) van zes-en-twintig Engelsche schrijvers die dit
onderwerp hebben behandeld en wier namen aan elken lezer bekend zijn;
bij deze moeten nog de naam van den heer Bain zelf en die van de heeren
Lecky, Shadworth Hodgson, Sir J. Lubbock en nog meer anderen worden
gevoegd.
[252] Nadat Sir B. Brodie („Psychological Enquiries”, 1855, blz. 192)
heeft opgemerkt, dat de mensch een sociaal dier is, stelt hij de
belangrijke vraag: „Behoort dit het twistpunt omtrent het bestaan van
het zedelijk gevoel niet te beslissen?” Dergelijke denkbeelden zijn
waarschijnlijk bij vele personen, evenals in lang verleden tijden bij
Marcus Aurelius, opgekomen. De heer J. S. Mill spreekt in zijn beroemd
werk, „Utilitarianism” (1864, blz. 46) van de aandrift tot het
gezellige leven als van een „machtig natuurlijk gevoel” en als van „den
grondslag der van het nuttigheidsbeginsel uitgaande zedeleer”; maar op
de vorige bladzijde zegt hij: „indien mijn meening juist is, dat het
zedelijk gevoel niet aangeboren, maar aangeleerd is, dan is het daarom
nog niet minder natuurlijk.” Met beschroomdheid waag ik het, van een
zoo diep denker in meening te verschillen, maar het kan moeielijk
worden ontkend, dat de aandrift tot het gezellige leven bij de lagere
dieren instinktmatig of aangeboren is; en waarom zou zij dat ook niet
bij den mensch zijn? De heer Bain (zie b.v. „The Emotions and the
Will”, 1865, blz. 481) en anderen gelooven, dat het zedelijk gevoel
door elk individu gedurende zijn leven wordt aangeleerd. Als men de
algemeene ontwikkelingstheorie aanneemt, is dit minst genomen zeer
onwaarschijnlijk.
[253] „Die Darwin’sche Theorie”, blz. 101.
[254] De heer R. Browne in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 400.
[255] Brehm, „Thierleben”, B. I, 1864, blz. 52, 79. Voor het verhaal
van de apen die elkander doornen uittrekken, zie blz. 54. Wat de
Hamadryas aangaat, die steenen omkeeren, dit feit wordt (blz. 76) op
autoriteit van Alvarez medegedeeld, wiens waarnemingen Brehm voor
volkomen geloofwaardig houdt. Voor het geval van de oude
mannetjes-bavianen die de honden aanvielen, zie blz. 79; voor dat van
den arend, blz. 56.
[256] „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, November 1868, blz. 382.
[257] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit., blz. 447.
[258] Aangehaald door den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”,
1868, blz. 272. Kapitein Stansbury geeft ook een belangwekkend verhaal
van de wijze, waarop een zeer jonge pelikaan, door een sterken stroom
medegesleept, geleid, en in zijn pogingen om den oever te bereiken
aangemoedigd werd door een zestal oude vogels.
[259] Zooals de heer Bain zegt: „werkdadige hulp aan iemand die lijdt,
ontspruit uit individueel medegevoel.” „Mental and Moral Science”,
1868, blz. 245.
[260] „Thierleben”, B. I, blz. 85.
[261] „De l’Espèce et de la Classe”, 1869, blz. 97.
[262] „Die Darwin’sche Art-lehre”, 1869, blz. 54.
[263] Zie ook Hooker’s „Himalayan Journals”, vol. II, 1854, blz. 333.
[264] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 76.
[265] Zie zijn uiterst belangwekkende verhandeling over „Gregariousness
in Cattle and in Man”, „Macmillan’s Mag.”, Febr. 1871, blz. 353.
[266] Zie het eerste en treffende hoofdstuk in Adam Smith’s „Theory of
Moral Sentiments.” Insgelijks des heeren Bain’s „Mental and Moral
Science”, 1868, blz. 244, en 275–282. De heer Bain beweert, dat
„medegevoel indirect een bron van genoegen is voor hem die het
ondervindt”; en hij brengt hierbij ook de wederkeerigheid in rekening.
Hij merkt op, dat „de beweldadigde persoon, of anderen in zijn plaats,
door hun wederkeerig medegevoel en goede diensten wellicht de geheele
opoffering kunnen vergoeden.” Wanneer echter, zooals werkelijk het
geval schijnt te zijn, medegevoel eigenlijk een instinkt is, zal de
uitoefening daarvan rechtstreeks genoegen verschaffen, evenals de
uitoefening van bijna elk ander instinkt doet, zooals wij hierboven
reeds opmerkten.
[267] Dit feit werd volgens den weleerw. heer L. Jenyns (zie zijn
uitgaaf van White’s „Nat. Hist. of Selborne”, 1853, blz. 204) het eerst
vermeld door den beroemden Jenner in „Phil. Transact.”, 1824, en is
sinds bevestigd door onderscheidene waarnemers, vooral door den heer
Blackwall. Deze laatste zorgvuldige waarnemer onderzocht gedurende twee
jaren laat in den herfst zes-en-dertig nesten; hij bevond, dat twaalf
daarvan doode jonge vogels bevatten, vijf bevatten eieren op het punt
van uit te komen, en drie eieren die nog lang niet waren uitgebroed.
Vele vogels die nog niet oud genoeg zijn om lang achtereen te vliegen,
worden insgelijks achtergelaten. Zie Blackwall, „Researches in
Zoology”, 1834, blz. 108, 118. Voor nog meer bewijzen, hoewel die
overbodig zijn, zie men Leroy, „Lettres Phil.”, 1802, blz. 217.
[268] Hume merkt op („An Enquiry concerning the Principles of Morals”,
uitgaaf van 1751, blz. 132): „Het schijnt noodzakelijk om te bekennen,
dat het geluk en de ellende van anderen voor ons geen volkomen
onverschillig schouwspel is, maar het gezicht van het eerste ... ons
heimelijke vreugde verschaft, terwijl de aanblik van de tweede ... een
zwaarmoedigen nevel voor onze verbeelding werpt”
[269] „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 254.
[270] Ik heb één dergelijk geval medegedeeld, namelijk van drie
Patagonische Indianen, die liever één voor één werden doodgeschoten dan
de plannen hunner krijgsmakkers te verraden („Journal of Researches”,
1845, blz. 103).
[271] Vijandschap of haat schijnt ook een gevoel te zijn dat zeer
moeilijk verdwijnt, moeilijker wellicht dan eenig ander dat kan worden
genoemd. Nijd wordt bepaald als haat tegen een ander, omdat hij in het
een of ander uitmunt of slaagt; en Baco zegt (Essay IX): „Van alle
hartstochten is de nijd de lastigste en langdurigste.” Honden zijn zeer
geneigd zoowel vreemde menschen als vreemde honden te haten, vooral
indien zij dichtbij wonen, maar niet behooren tot het zelfde huisgezin,
den zelfden stam of clan; dit gevoel schijnt dus aangeboren te zijn, en
verdwijnt zeker uiterst moeilijk. Uit hetgeen wij van wilden hooren,
zou men afleiden, dat ook bij deze iets van den zelfden aard bestaat.
Indien dit zoo ware, zou het slechts een kleine stap voor iemand zijn
om die gevoelens over te brengen op eenig lid van den zelfden stam, die
hem had beleedigd of benadeeld en zijn vijand was geworden. Het is ook
niet waarschijnlijk, dat het oorspronkelijke geweten iemand zou
verwijten, dat hij zijn vijand schade had berokkend; eer zou het hem
verwijten doen, als hij zich niet had gewroken. Kwaad met goed te
vergelden, zijn vijand lief te hebben, is een zedelijke hoogte, waartoe
men mag betwijfelen, of de sociale instinkten op zich zelven ooit
zouden hebben geleid. Het was noodzakelijk dat deze instinkten, en
tevens het medegevoel, zeer werden ontwikkeld en uitgebreid met behulp
der rede, van het onderwijs en de liefde of vrees voor God, eer ooit
aan zulk een gulden gebod kon worden gedacht of gehoorzaamd.
[272] „Insanity in Relation to Law”, London, Ontario, 1871, blz. 14.
[273] E. B. Tylor in „Contemporary Review”, April 1873, blz. 707.
[274] Dr. Prosper Despine geeft in zijn „Psychologie Naturelle”; tom.
I, blz. 243, tom. II, blz. 169, verscheidene merkwaardige gevallen van
de ergste misdadigers, die volstrekt geen geweten schijnen te hebben
bezeten.
[275] Zie een uitnemend artikel in de „North British Review”, 1867,
blz. 395. Zie ook de artikelen van den heer W. Bagehot over „The
Importance of Obedience and Coherence to Primitive Man” in the
„Fortnightly Review”, 1867, blz. 529, en 1868, blz. 457 enz.
[276] De uitgebreidste mededeeling die ik daarover heb gevonden, komt
voor in Dr. Gerland’s werk „Ueber das Aussterben der Naturvölker”,
1868. Ik zal echter in een volgend hoofdstuk op den kindermoord terug
moeten komen.
[277] Zie de zeer belangrijke bespreking van zelfmoord in Lecky’s
„History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 223. Wat wilden
aangaat, meldt de heer Winwood Reade mij, dat de negers van West-Afrika
dikwijls zelfmoord begaan. Het is algemeen bekend, hoe algemeen die was
onder de ongelukkige inboorlingen van Zuid-Amerika, na de verovering
door de Spanjaarden. Voor Nieuw-Zeeland, zie de reis van de „Novara”,
en voor de Aleutische eilanden, Müller, aangehaald door Houzeau, „Les
Facultés Mentales” enz. tome II, blz. 136.
[278] Zie b.v. hetgeen de heer Hamilton over de Kaffers mededeelt
„Anthropological Review”, 1870, blz. XV.
[279] De heer M’Lennan heeft („Primitive Marriage”, 1865, blz. 176) een
groot aantal hierop betrekking hebbende feiten vermeld.
[280] Lecky, „History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 109.
[281] „Embassy to China”, vol. II, blz. 348.
[282] Overvloedige bewijzen hiervan zijn te vinden in Hoofdstuk VII van
Sir J. Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870 (Ned. Vert. „De
oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876).
[283] B. v. Lecky, „Hist. European Morals”, vol. I, blz. 124.
[284] Deze uitdrukking wordt gebruikt in een uitnemend artikel in de
„Westminster Review”, Oct. 1869, blz. 498. Over het „Beginsel van het
grootste geluk”, zie J. S. Mill, „Utilitarianism”, blz. 17.
[285] Mill erkent („System of Logic”, vol. II, blz. 422) op de
duidelijkste wijze, dat handelingen kunnen worden volbracht uit
gewoonte zonder het voorgevoel van genoegen. Ook de heer H. Sidgwick
merkt in zijn „Essay on Pleasure and Desire” („The Contemporary
Review”, April 1872, blz. 671) op: „Om kort te gaan, in tegenspraak met
de leer, dat onze bewuste actieve aandriften altijd de strekking hebben
om ons zelven aangename gewaarwordingen te bezorgen, houd ik vol, dat
wij overal bij de bewuste wezens aandriften vinden die een strekking
hebben buiten hen zelven gelegen, en zijn gericht op iets dat geen
genoegen is; dat in vele gevallen de aandrift zoo onvereenigbaar is met
het egoïsme, dat beide niet gemakkelijk gelijktijdig in ons bewustzijn
kunnen bestaan.” Een duister gevoel, dat onze aandriften volstrekt niet
altijd ontstaan uit het genoegen waarmede zij vergezeld gaan of waarop
zij doen hopen, is volgens mijn overtuiging een der voornaamste
oorzaken geweest van het aannemen der intuïtieve theorie der
zedelijkheid en van de verwerping van de utilitarische of „grootste
geluk” theorie. Wat deze laatste theorie aangaat, zijn ongetwijfeld de
maatstaf en de beweegreden van het gedrag dikwijls met elkander
verward, maar zij hangen werkelijk tot op zekere hoogte innig met
elkander samen.
[286] Goede voorbeelden hiervan geeft de heer Wallace in: „Scientific
Opinion”, 15 Sept. 1869; en uitgebreider in zijn „Contributions to the
Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 353.
[287] Tennyson, „Idylls of the King”, blz. 244.
[288] „The Thoughts of the Emperor M. Aurelius Antonius”, Engelsche
vertaling, 2de uitgaaf, 1869, blz. 112. Marcus Aurelius werd geboren in
het jaar des Heeren 121.
[289] Brief van den heer Mill in Bain’s „Mental and Moral Science”,
1868, blz. 722.
[290] Een schrijver in de „North British Review” (Juli 1869, blz. 531)
die zeer goed in staat is een gezond oordeel te vellen, drukt zich
hierover sterk uit. De heer Lecky („Hist. of Morals”, vol. I, blz. 143)
schijnt tot zekere hoogte dit gevoelen te deelen.
[291] Zie zijn merkwaardig werk „Hereditary Genius”, 1869, blz. 349. De
hertog van Argyll („Primaeval Man”, 1869, blz. 188) maakt eenige goede
opmerkingen over den strijd tusschen goed en kwaad in ’s menschen
natuur.
[292] „The Thoughts of Aurelius” enz., blz. 139.
[293] Wij zeggen met opzet „gewoonlijk.” Wanneer toch de oude koningin
met een deel der bijen uit „zwermen” gaat, en een nieuwe koningin in
den ouden korf heerscht, zullen, zoodra die jonge koningin op haar
beurt moeder is geworden, de bijen in den ouden korf niet meer allen
broeders en zusters van elkander zijn, maar er zullen er onder zijn die
elkander als oom of tante en neef en nicht bestaan.
[294] Isidore Geoffroy St. Hilaire en Quatrefages. De eerste beweerde,
tegen alle evidentie in, dat de mensch het eenige dier is, dat denkt:
ook hij zocht daarenboven in het beginsel der moraliteit een
qualitatief onderscheid tusschen mensch en dier.
[295] Onder de oudere geschriften over dit onderwerp noemen wij:
„Histoire critique de l’âme des bêtes”, par mr. Guer. à Amsterdam,
1749.
D’Argensius (gelatiniseerd?), „Lettres cabbalistiques”, lib. IV, lettre
134.
Bouiller, „Essai philosophique sur l’âme des bêtes”, 2 ed., Amsterdam
1737.
Reimarus, Hoogleeraar te Hamburg, „Algemeene Beschouwing van de driften
der Dieren”, enz., uit het Hoogduitsch vertaald door J. W. van Haar,
met een voorrede van Johan Lulofs, Hoogleeraar te Leiden, Leiden 1774.
„Geschichte des menschlichen Verstandes” (anoniem), Breslau (nuper
177.?).
’t Bovenstaande aangehaald in J. G. H. Feder, „Homo natura non ferus,
dissertatio philosophica”, blz. 447 van „Syntagma dissertationum ad
philos. moralem pertinentium”; Ed. M. Tydeman. Traj. ad Rh. 1777 4to.
J. H. Winkler, Prof. te Leipzig, „Philosophische Onderzoekingen over
het bestaan en de natuur der ziel bij dieren.” In Nederl. Vert. 1765.
„Dit Werkje vervat in zich datgene, waarover de Geleerde Heeren
Martinus Schrok, Professor in de Philosophie te Groningen; Johan
Lulofs, Professor te Leiden, in zijne Voorrede voor het werk van S.
Reimarus, Professor te Hamburg; Adrianus Bradit, Predikant te
Amsteldam; Bernardus Martinus, Predikant te Elspeet, en anderen, hunne
Gevoelens de Geleerde Wereld hebben medegedeeld.”
Een bibliographie over dit onderwerp gaf Dr. A. van der Linde in
„Androcles, Tijdschrift aan de bescherming der dieren gewijd”, 1875
(afl. Mei?).
[296] Wij herinneren hier, dat er onder de oudheden uit de
rendierperiode in het Zuiden van Frankrijk ook een zoogenaamde
Pansfluit is gevonden, uit pijpen van verschillende lengte (en dus
verschillende tonen gevende) samengesteld, een bewijs, dat de
voorhistorische mensch aldaar wel degelijk verschillende modulaties met
zijn instrument uitdrukte.
[297] Geschreven te Londen, Januari 1874. Een uittreksel van Wallace’s
„Scientific Aspect of the Supernatural” (Het Bovennatuurlijke van een
Wetenschappelijk Standpunt beschouwd) en een vrije bewerking van zijn
verdediging van het hedendaagsche spiritisme („Defence of modern
Spiritualism”) vindt men in het Nederlandsche werk „Een Nieuw Veld voor
de Wetenschap”, ’s Gravenhage, Mensing en Visser, 1877. Geen lezer van
dat werk zal in twijfel trekken, dat Wallace een volkomen overtuigd
spiritist is.
[298] Eigenlijk staat er: rubbish, d.i. prullen, lorren. Deze brief en
de volgende zijn ontleend aan „Life and Letters”, vol II, chapt. IX.
[299] „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII.
[300] Na eenigen tijd beweren, zooals de heer Maine opmerkt („Ancient
Law”, 1861, blz. 131), de leden van een stam, die met een anderen
samengesmolten zijn, dat zij gezamenlijk van de zelfde voorouders
afstammen.
[301] Morlot, „Soc. Vaud. Sc. Nat.”, blz. 294.
[302] Zie een merkwaardige reeks artikelen over „Physics and Politics”
in de „Fortnightly Review”, Nov. 1867; 1 April, 1868; 1 Juli, 1869.
[303] De heer Wallace geeft hiervan voorbeelden in zijn „Contributions
to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 354.
[304] „Ancient Law”, 1861, blz. 22. Voor de opmerkingen van den heer
Bagehot, „Fortnightly Review”, 1 April 1868, blz. 452.
[305] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz.
360.
[306] „Frasers Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. Dit artikel schijnt
veel personen te hebben getroffen en heeft aanleiding gegeven tot twee
merkwaardige verhandelingen en een repliek in den „Spectator”, 3 en 17
Oct. 1868. Het is ook besproken in het „Q. Journal of Science”, 1869,
blz. 152, door den heer Lawson Tait in het „Dublin Q. Journal of
Medical Science”, Febr. 1869, en door den heer E. Ray Lankester in zijn
„Comparative Longevity”, 1870, blz. 128. Dergelijke beschouwingen
verschenen reeds vroeger in de „Australasian”, 13 Juli 1867. Ik heb aan
verscheidenen dezer schrijvers denkbeelden ontleend.
[307] Voor den heer Wallace, zie „Anthropolog. Review”, op de vroeger
aangehaalde plaats. De heer Galton in „Macmillan’s Magazine”, Aug.
1865, blz. 318; ook zijn groot werk, „Hereditary Genius”, 1870.
[308] Prof. H. Fick („Einfluss der Naturwissenschaft auf das Recht”,
Juni 1872) geeft eenige goede opmerkingen omtrent deze en andere
dergelijke zaken.
[309] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 132–140.
[310] Zie de vijfde en zesde kolom van de uit goede bronnen geputte
tabel in het werk van den heer E. R. Lankester, „Comparative
Longevity,” 1870, blz. 115.
[311] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 330.
[312] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 347.
[313] E. Ray Lankester, „Comparative Longevity”, 1870, blz. 115. De
opgave omtrent dronkaards is uit Nelson’s „Vital Statistics”. Ten
opzichte van losbandigheid, zie Dr. Farr, „Influence of Marriage on
Mortality”, „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”, 1858.
[314] „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. „Macmillan’s
Magazine”, Aug. 1865, blz. 318. De weleerw. heer F. W. Farrar
(„Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 264) beschouwt de zaak uit een ander
oogpunt.
[315] „On the Law of the Fertility of Women” in „Transact. Royal Soc.”
Edinburgh, vol. XXIV, blz. 287. Zie ook de opmerkingen van den heer
Galton over het zelfde onderwerp „Hereditary Genius”, blz. 352–357.
[316] „Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc. in Scotland”, 1867,
blz. XXIX.
[317] Deze aanhalingen zijn ontleend aan onze hoogste autoriteit in
dergelijke vraagstukken, namelijk Dr. Farr in zijn verhandeling „On the
Influence of Marriage on the Mortality of the French People”,
voorgedragen voor de „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”,
1858.
[318] Dr. Farr, ibid. De lager aangehaalde feiten zijn aan de zelfde
treffende verhandeling ontleend.
[319] Ik heb het gemiddelde genomen van de gemiddelden over vijf jaren,
gegeven in „The Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc., in
Scotland”, 1853. De aanhaling van Dr. Stark is overgenomen uit een
artikel in de „Daily News”, 17 Oct. 1868, dat Dr. Farr voor zeer
zorgvuldig geschreven houdt.
[320] Zie het vernuftige en oorspronkelijke bewijs daarvan bij den heer
Galton, „Hereditary Genius”, blz. 340–342.
[321] De heer Greg, „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 157.
[322] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 357–359. De weleerw. heer F. H.
Farrar („Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 257) brengt bewijsgronden
daartegen in. De heer Lyell heeft reeds vroeger („Principles of
Geology”, vol. III, 1868, blz. 489) in een treffende passage de
aandacht gevestigd op den slechten invloed der Heilige Inquisitie, daar
zij door teeltkeus de algemeene verstandelijke ontwikkeling heeft doen
achteruitgaan.
[323] De heer Galton, „Macmillan’s Magazine”, Augustus 1865, blz. 325.
Zie ook „Nature”, „On Darwinism and National Life”, Dec. 1869, blz.
184.
[324] „Last Winter in the United States”, 1868, blz. 29.
[325] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer John Morley voor
eenige goede kritische opmerkingen omtrent dit onderwerp; zie ook
Broca, „Les Sélections”, „Revue d’Anthropologie”, 1872.
[326] „On the Origin of Civilisation”, „Proc. Ethnological Soc.”, 26
Nov. 1867.
[327] „Primeval Man”.
[328] „Royal Institution of Great Britain”, 15 Maart 1867. Ook,
„Researches into the Early History of Mankind”, 1865.
[329] „Primitive Marriage”, 1865. Zie ook een uitnemend artikel,
blijkbaar van dien zelfden schrijver, in de „North British Review”,
Juli, 1869. Ook de heer L. H. Morgan, „A Conjectural Solution of the
Origin of the Class. System of Relationship”, in „Proc. American Acad.
of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868. Prof. Schaaffhausen („Anthropolog.
Review”, Oct. 1869, blz. 373) vestigt de aandacht op de „sporen van
menschenoffers die men zoowel in Homerus als in het Oude Testament
vindt.”
[330] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit. 1889, chap. XV en
XVI et passim.
[331] Dr. F. Müller heeft hierover eenige goede opmerkingen gemaakt, in
de „Reise der Novara. Anthropolog. Theil”, Abtheil. III, 1868, blz.
127.
[332] „United States Explor. Exp.”, vol. I, blz. 191.
[333] Gomara, „Hist. de las Indias”, blz. 289.
[334] Vergelijk ook Max Scheffer, „Die Landwirthschaft der
alt-Amerikanischen Kulturvölker”, Leipzig 1883.
[335] Isidore Geoffroy St. Hilaire geeft een uitgebreid overzicht van
de plaats door verschillende natuuronderzoekers in hun klassificaties
aan den mensch toegekend: „Hist. Nat. Gén.” tome II, 1859, blz.
170–189.
[336] Zie het zeer belangwekkende artikel, „l’Instinct chez les
insectes”, door den heer George Pouchet, „Revue des Deux Mondes”, Febr.
1870, blz. 682.
[337] Westwood, „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz.
87.
[338] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 4.
[339] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 70, et passim.
[340] Isid. Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”, tome II, 1859, blz. 217.
[341] „Ueber die Richtung der Haare” enz., Müllers „Archiv für Anat.
und Phys.”, 1837, blz. 5.
[342] Aangehaald door Reade, „The African Sketchbook”, vol. I, 1873,
blz. 152.
[343] Over het haar bij Hylobates, zie „Nat. Hist. of Mammals”, door C.
L. Martin, 1841, blz. 415. Ook Isid. Geoffroy over de Amerikaansche en
andere aapsoorten, „Hist. Nat. Gén.”, vol. II, 1859, blz. 216, 243.
Eschricht, ibid., blz. 46, 55, 61. Owen, „Anat. of Vertebrates”, vol.
III, blz. 619. Wallace, „Contributions to the Theory of Natural
Selection”, 1870, blz. 344.
[344] „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederl. Uitgaaf, blz. 599. „Het
Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 401–405.
[345] „An Introduction to the Classification of Animals”, 1869, blz.
99.
[346] Dit is ongeveer de zelfde klassificatie als die, welke voorloopig
door den heer St. George Mivart („Transact. Philosoph. Soc.”, 1867,
blz. 300) is aangenomen, die, na de Lemuriden te hebben afgescheiden,
de overige Primaten verdeelt in de Hominidae, de Simiadae
(overeenkomende met de Catarrhinae), de Cebidae en de Hapalidae (welke
beide laatste groepen met de Platyrrhinae overeenkomen).
[347] „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VI, 1867, blz. 214.
[348] De heer H. G. Mivart, „Transact. Phil. Soc.” 1867, blz. 410.
[349] De heeren Murie en Mivart over de Lemuriden, „Transact. Zoolog.
Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 5.
[350] Haeckel is tot het zelfde besluit gekomen. Zie „Ueber die
Entstehung des Menschengeschlechts”, in Virchow’s „Sammlung
gemeinwissenschaftl. Vorträge”, 1868, blz. 61. Ook zijn „Natürliche
Schöpfungsgeschichte”, 1868, waarin hij zijn beschouwingen over den
stamboom van den mensch uitvoerig uiteenzet.
[351] „Anthropological Review”, April, 1867, blz. 236.
[352] „Elements of Geology”, 1865, blz. 583–585. „Antiquity of Man”,
1863, blz. 145.
[353] „Man’s Place in Nature”, blz. 105.
[354] Uitvoerige tabellen zijn gegeven in zijn „Generelle Morphologie”,
B. II, blz. CLIII, en 425; en meer bijzonder met betrekking tot den
mensch in zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868. Prof. Huxley
zegt in zijn beschouwing van dit laatste werk („The Academy”, 1869,
blz. 42), dat hij gelooft, dat het phylum of de lijnen van afstamming
der gewervelde dieren door Haeckel op bewonderenswaardige wijze zijn
behandeld, ofschoon hij in enkele punten een verschillende meening is
toegedaan. Hij drukt ook den hoogen dunk uit dien hij van de waarde en
de algemeene strekking en geest van het geheele werk koestert.
[355] „Palaeontology”, 1860, blz. 199.
[356] Ik had de voldoening op de Falklandseilanden, in April 1833, en
dus eenige jaren vroeger dan eenig ander natuuronderzoeker, de jongen
te zien zwemmen van een samengestelde Ascidia, nauw verwant met, doch
blijkbaar tot een ander geslacht behoorende dan Synoicum. De staart was
ongeveer vijfmaal zoo lang als de langwerpige kop, en eindigde in een
zeer fijnen draad. Zij werd, volgens een door mij onder een loep
gemaakte schets door dwarse ondoorschijnende tusschenschotten duidelijk
in afdeelingen verdeeld, welke, naar ik vermoed, overeenkomen met de
groote cellen die door Kowalewski zijn afgebeeld. Op een vroeger
tijdstip van de ontwikkeling was de staart dicht om den kop der larve
gerold.
[357] „Mémoires de l’Acad. des Sciences de St. Pétersbourg”, tome X,
No. 15, 1866.
[358] Ik ben echter verplicht hier bij te voegen, dat sommige bevoegde
beoordeelaars de juistheid van dit besluit betwisten, b.v. de heer
Giard, in een reeks artikelen in zijn „Archives de Zoologie
Expérimentale” voor 1872. Toch merkt deze natuuronderzoeker op, blz.
281: „L’organisation de la larve ascidienne en dehors de toute
hypothèse et de toute théorie, nous montre comment la nature peut
produire la disposition fondamentale du type vertébré (l’existence
d’une corde dorsale) chez un invertébré par la seule condition vitale
de l’adaptation, et cette simple possibilité du passage supprime
l’abîme entre les deux sous-règnes, encore bien qu’on ignore par où le
passage s’est fait en réalité.”
[359] Dit is het besluit, waartoe een der hoogste autoriteiten in de
vergelijkende ontleedkunde, namelijk Prof. Gegenbaur in zijn:
„Grundzüge der Vergleich. Anat.”, 1870, blz. 876 komt. Hij heeft dit
vooral afgeleid uit zijn studiën over de Amphibieën; maar volgens de
onderzoekingen van Waldeyer (aangehaald in „Journal of Anat. and
Phys.”, 1869, blz. 161), schijnt het, dat de geslachtsdeelen zelfs van
„de hoogere Gewervelde Dieren in den vroegsten toestand
hermaphroditisch zijn.” Dergelijke beschouwingen zijn sinds lang door
sommige schrijvers gemaakt, ofschoon zij tot voor korten tijd niet op
een goeden grondslag berustten.
[360] Het mannetje van den buidelwolf (Thylacinus) levert hiervan het
beste voorbeeld. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 771.
[361] Hermaphroditisme is waargenomen bij verscheidene soorten van
Serranus, zoowel als bij sommige andere visschen, bij welke het òf
normaal en symmetrisch, òf abnormaal en asymmetrisch is. Dr. H. Hartogh
Heys van Zouteveen heeft mij inlichtingen hieromtrent verstrekt, meer
bijzonder omtrent eene verhandeling daarover van Prof. Halbertsma, in
de Verslagen en Mededeelingen der Nederlandsche Kon. Akad. v. Wet. Dr.
Günther betwijfelt de zaak, maar zij is tegenwoordig door te vele goede
waarnemers opgemerkt om langer te worden betwist. Dr. M. Lessona heeft
de waarheid onderzocht en bevestigd gevonden van de door Cavolini
omtrent Serranus gedane waarnemingen. Prof. Ercolani heeft voor eenige
jaren aangetoond („Accad. delle scienze”, Bologna, Dec. 28, 1871), dat
de aal hermaphroditisch is. (16)
[362] Prof. Gegenbaur heeft aangetoond („Jenaïsche Zeitschrift”, Bd.
VII blz. 212), dat bij de onderscheidene orden van Zoogdieren twee
verschillende typen van tepels bestaan, maar dat het volkomen
begrijpelijk is, hoe beide zich kunnen hebben ontwikkeld uit de tepels
der Buideldieren, en die van de laatste uit die der Snaveldieren. (17)
Zie ook een verhandeling van Dr. Max Huss, over de melkklieren, ibid.
B. VIII, blz. 176.
[363] De heer Lockwood (aangehaald in het „Quart. Journal of Science”,
April 1868, blz. 269) gelooft, wegens hetgeen hij heeft waargenomen
omtrent de ontwikkeling van het Zeepaardje (Hippocampus), dat namelijk
de wanden van den broedzak van het mannetje op deze of gene wijze
voedsel geven. Over mannelijke visschen die de eieren in hun bek
uitbroeden, zie een zeer belangwekkende verhandeling van Prof. Wyman in
„Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857; ook Prof. Turner in
„Journal of Anat. and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Dr. Günther heeft
eveneens dergelijke gevallen beschreven.
[364] Alle levensfuncties vertoonen een neiging om haar loop te
voleindigen in vaste en terugkeerende perioden, en bij stranddieren
zullen die perioden waarschijnlijk van de schijngestalten der maan
afhankelijk zijn; want dergelijke dieren moeten op het droge gelaten of
met diep water bedekt zijn, overvloedig of karig voedsel hebben
gekregen,—gedurende tallooze geslachten, op regelmatig terugkeerende,
van de schijngestalten der maan afhankelijke tijden. Indien derhalve de
Gewervelde dieren afstammen van stranddieren, met de tegenwoordig
levende Zakpijpen (Ascidiae) verwant, wordt het geheimzinnige feit
verklaarbaar, dat bij de hoogere en tegenwoordig het land bewonende
Gewervelde Dieren, om andere klassen niet te vermelden, vele normale en
abnormale levensprocessen hun loop voleindigen volgens perioden, die
van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn. Een terugkeerende
periode zou, eens verkregen zijnde, als zij bij benadering den juisten
tijd duurde, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, niet aan
verandering onderhevig zijn; bijgevolg zou zij dus overgaan gedurende
een bijna onbeperkt aantal generaties. Indien deze gevolgtrekking kon
worden bewezen steek te houden, zou zij merkwaardig zijn; want wij
zouden dan zien, dat de tijd der zwangerschap van elk zoogdier en de
tijd noodig voor het uitbroeden der eieren van elken vogel, en vele
andere levensprocessen, nog het oorspronkelijke vaderland dezer dieren
verrieden. (20)
[365] De gewone Braziliaansche Saüba-mier (Oecodoma cephalotes).
[366] Deze Orde omvat de Herkauwende Dieren, de Anoplotheria, de
Varkens en Hippopotamus (de gehoefde dieren met een even aantal
vingers).
[367] Deze Orde omvat de Eenhoevigen, de Neushoorns, Tapiren,
Palaeotheria, enz. (de gehoefde dieren met een oneven aantal vingers,
met uitzondering der Olifantachtige Dieren).
[368] De Olifantachtige Dieren.
[369] Deze Orde omvat slechts twee fossiele geslachten (Toxodon en
Nesodon).
[370] Owen’s Bruta zijn de Edentata van andere schrijvers.
[371] Men vindt Catarrhinae en Platyrrhinae in de Zoologische boeken
meestal met ééne r gespeld. Volgens den stelligen regel der Grieksche
taal moet echter de r in dergelijke samenstellingen, als er een korte
klinker aan voorafgaat, worden verdubbeld. Eigenlijk zou men dus ook
moeten schrijven Ornithorrhynchus, R. tichorrhinus enz. Wij hebben dit
echter niet gedaan, daar die woorden slechts een enkele maal in dit
werk voorkomen en in de soort- en geslachtnamen in de zoölogie en
botanie toch allerwege de vreemdsoortigste samenstellingen en
barbarismen worden aangetroffen. Bij de namen van de beide
hoofdafdeelingen der apen die in dit werk en de aanteekeningen
veelvuldig voorkomen en ten opzichte van het onderwerp van dit boek zoo
gewichtig zijn, hebben wij gemeend ons aan den regel te moeten houden
en de juiste spelling te moeten volgen.
[372] De quaestie van den tertiairen mensch kan men uitvoeriger
besproken vinden in Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en
Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
[373] Prof. Kupffer te Kiel (zie o.a. „Entwicklungsgeschichte der
Ascidien” in „Archiv. f. mikroskop. Anatomie”, Bd. VII) had destijds
Kowalewski’s waarnemingen omtrent de stamverwantschap tusschen
Zakpijpen en Gewervelde Dieren bevestigd en uitgebreid. Eveneens is
zulks gedaan door Prof. A. Giard te Rijsel („Revue Scientifique”, 11
Juillet 1874, „Compt. Rend.”, 29 Juin 1874, blz. 1860), die bij sommige
Ascidiënlarven (Molgula, Cynthia) uit de chorda dorsalis ontspringende
vinstralen waarnam. Ook Ussow verdedigde in „Archiv. für
Naturgeschichte” 1875, blz. 1–8, de afstamming der Gewervelde Dieren
van Ascidiën.
[374] Zie ook Dohrn’s Geschrift „Ueber den Ursprung der Wirbelthiere”,
Leipzig 1875.
[375] „Centralblatt für die medic. Wissenschaften”, 1874, No. 35 en 52;
„Die Stammesverwandtschaft der Wirbelthiere und Wirbellosen, Arbeiten
des zoot. Instituts in Würzburg”, 1874, Bd. II, blz. 25.
[376] „Journal of Microscopical Science”, 1875.
[377] Verdeeling in achter elkander gelegen, gelijkwaardige segmenten.
[378] De verdere gevolgen van deze opneming, vooral met het oog op de
verwantschappen met de Polyzoa (Mosdieren) en Gephyrea (Brugdieren,
Sipunculaceeën) openen, gelijk R. Lankester opmerkt, een wijd veld voor
de bespiegeling en daarvan uitgaand embryologisch en anatomisch
onderzoek. De Gephyrea zijn van den anderen kant onmiskenbaar met
Echinodermata (Holothuriën) verwant, en ook de larvevorm van een der
Balanoglossus-soorten gelijkt op die der Echinodermata. Blijkt hieruit
een zekere verwijderde genetische betrekking tusschen deze en de
Vertebrata, waarop Lankester, gelijk wij later zullen zien, vrij sterk
wijst, zoo bedenke men, dat ten slotte door de gastrula alle Metazoa
verwant zijn, en het er hier meer om te doen is sommige stammen van
ongewervelden uit dat algemeene verband los te maken en hun nauwere
verwantschap met de gewervelden aan te toonen.
[379] Operculum is de naam dien Agassiz geeft aan het toestel dat de
kieuwen der visschen beschermt. Het wezenlijke kieuwdeksel wordt
gesteund door vier beenplaten: het operculum, het prae-, sub- en
interoperculum; het kieuwdekselvlies door beenstralen.
[380] Van epi, op, en pleura, zijde, dus zijdelingsche plooi. De
epipleurale plooi, bij den jongen Amphioxus nog afwezig, ontstaat als
parig orgaan langs de voorste helft ter weêrszijden van het lichaam, en
groeit benedenwaarts. Zij vormt zijdelingsche overkappingen van de
mondopening, alsmede een bedekking van de talrijke kieuwspleten, en
haar beide deelen groeien in de mediaanlijn aan de buikzijde te zamen
tot ééne onparige plooi, behalve op één punt, dat tot den porus
branchialis wordt.
[381] De in de laatste uitgaaf (1889) der „Natürl.
Schöpfungsgeschichte” daarin aangebrachte veranderingen zullen wij in
noten aangeven.
[382] Tot staving dezer meening voert Haeckel aan, dat de scheikundigen
tal van organische verbindingen uit anorganische stoffen door zuivere
synthese hebben gevormd, dat zulks derhalve ook in de natuur onder den
invloed der anorganische natuurkrachten heeft kunnen geschieden, en dat
op die wijze vormlooze klompjes eiwitachtige stof of Moneren kunnen
zijn gevormd. Wij brengen hiertegen in, dat een vormloos klompje eiwit
nog geen Moneer is. Een vormloos klompje eiwit, door synthese gevormd,
zou zich niet voeden, bewegen en voortplanten, gelijk de Moneren
volgens Haeckel doen; het zou, aan zich zelf overgelaten, verrotten en
te gronde gaan. Ook komt het ons voor, dat de bekende proeven van
Pasteur krachtig tegen het bestaan van de generatio spontanea, ten
minste van wezens als de voor ons waarneembare, pleiten; wel is waar
merkt Haeckel op, dat deze proeven betrekking hebben op de spontane
vorming van organismen in vloeistoffen die organische stoffen bevatten
(Plasmogenie), terwijl de door hem bedoelde generatio spontanea
betrekking heeft op de vorming van organismen in anorganische
vloeistoffen (Autogenie); maar wij meenen, dat wanneer zich niet eens
spontaan organismen vormen in vloeistoffen die in overvloed de
verbindingen bevatten, waaruit organismen bestaan, het al zeer
onwaarschijnlijk is, dat zij zullen ontstaan in vloeistoffen waarin die
verbindingen ontbreken! Ook is protoplasma geenszins eenvoudig eiwit,
maar een zeer samengesteld mengsel van een groot aantal organische
verbindingen (zie „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 384). Daarenboven valt
niet te betwijfelen, dat ook het protoplasma een zeer ingewikkelde
organisatie en bepaalde organen bezit, en alleen de onvolkomenheid
onzer hulpmiddelen belet ons die in al haar fijnheid te leeren kennen.
(Vergelijk Prof. H. de Vries, „Intracellulaire Pangenesis”, Jena,
1889.)
De Moneren zelven houden wij niet voor zelfstandige wezens, daar niet
het protoplasma, maar de kern het oorspronkelijkste deel van de cel
schijnt te zijn (vergelijk onze aanteekening, blz. 194 en 195, Deel II,
van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”) en de kern voor
de voortplanting onmisbaar schijnt te zijn. Het protoplasma bezit,
behalve de physische en chemische, ook historische eigenschappen,
zonder welke de erfelijkheid onverklaarbaar is. Aan de morphologische
deeltjes, die de dragers der erfelijke eigenschappen zijn, geeft de
Vries, gelijk wij in een aanteekening in het „Varieeren der Huisdieren
en Cultuurplanten” Deel II, blz. 464, hebben medegedeeld, den naam van
pangenen. Zij zijn niet identiek met de physico-chemische moleculen,
maar daaruit opgebouwd en in de kern der cellen opgehoopt. Die kern is
voor het leven der cel onmisbaar; gaat zij te gronde, dan sterft de cel
weldra. Splitst men een cel zoo, dat de kern intact blijft, dan gaat
het kernlooze deel spoedig te gronde. Wordt ook de kern bij het
splitsen verdeeld, dan openbaart zich weldra in beide deelen het
normale leven, de groei en de voortplanting! Het werkelijk bestaan van
Haeckel’s Moneren, d.i. kernlooze naakte cellen, komt ons dus, zoowel
tegenwoordig als in het verleden, hoogst onwaarschijnlijk voor. Zijn
Bathybius is reeds gebleken geen levend wezen te zijn, maar slechts een
neerslag van zwavelzure kalk in een fleschje waarin men andere
organismen bewaarde, en ook het bestaan der andere Protamoeben komt ons
zeer problematisch voor. De ontwikkelingstrap Moneren moet dus o.i.
geheel vervallen. Wat ook ooit door Plasmogenie of Autogenie mag
ontstaan, het kunnen onmogelijk Moneren of Amoeben zijn, maar hoogstens
veel kleinere oorspronkelijke organische wezentjes, wier grootte ver
beneden de grens van het door het sterkste microscoop zichtbare staat
en die veel minder samengesteld van bouw en chemische constitutie zijn,
dan de eenvoudigste ons bekende organismen. Die organische wezentjes
zouden wellicht eeuwen noodig hebben, eer er zich vormen uit hadden
ontwikkeld, met de moneren, bacillen enz. overeenkomstig, en groot
genoeg om door ons met optische en andere hulpmiddelen te worden gezien
en onderzocht. Zij zouden nog geen historische eigenschappen bezitten,
maar die langzamerhand in den loop der generaties verkrijgen, naarmate
zij in grootte toenamen en oorspronkelijk slechts de waarde van
eenvoudige pangenen hebben. Een dergelijk denkbeeld is ook door Naegeli
uitgesproken (vergelijk: Dr. Büchner, „Feiten en Theorieën”, bewerkt
door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Amsterdam Warendorf, blz.
279–282, waar men ook uiteengezet zal vinden, waarom ook de kosmische
hypothese, volgens welke de kiemen der organismen uit de wereldruimte
of van andere hemellichamen tot ons zouden zijn gekomen, ons
causaliteitsgevoel volkomen bevredigt).
[383] Van daar wordt in de 8ste uitgaaf van Haeckel’s „Natürl.
Schöpfungsgeschichte”, 1889, deze trap Moraeaden genoemd.
[384] Overeenkomende met den ontwikkelingstrap van het bevruchte ei,
dien men Blastala noemt. Van daar heet deze trap in de 8ste uitgaaf der
„Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, Blastaeaden.
[385] De zevende en achtste trap worden dan ook in de 8ste uitgaaf der
„Natürl. Schöpfungsgeschichte” vervangen door:
Zevende trap: Nemertinen of Snoerwormen.
Achtste trap: Enteropneusta of Eikelwormen (tot deze afdeeling behoort
ook Balanoglossus).
Negende trap: Prochordonia of Oerchordadieren. De sedert lang
uitgestorven gemeenschappelijke stamgroep der Manteldieren en
Gewervelde Dieren.
De Schedelloozen of Acraniën worden nu de tiende trap enz.
[386] Tusschen dezen trap en den volgenden wordt in de 8ste uitgaaf der
„Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, nog ingelascht een nieuwe trap,
die der Ganoïden of Emailvisschen. Deze groep, die eens zeer talrijk
was, wordt in de levende schepping nog slechts door weinige vormen
(Lepidosteus, Polypterus, Amia, Accipenser, waartoe de steur behoort,
en Spatularia) vertegenwoordigd. Een andere, nauw met de Dipneusten
verwante groep van visschen, de Crossopterygii, zou wellicht
bestanddeelen van de groep rechtstreeksche voorouders van den mensch
bevatten. De Dipneusten worden nu de veertiende trap.
[387] De dertiende, veertiende en vijftiende trap komen in de 8ste
uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, als vijftiende,
zestiende en zeventiende trap voor onder nieuwe namen, namelijk:
Vijftiende trap: Stegocephalen of Amphibieën met blijvende kieuwen;
onze oudste voorouders uit de klasse der Amphibieën zouden tot de
Stegosauriërs hebben behoord, en waarschijnlijk uit de groepen der
Archegosauriërs en Branchiosauriërs.
Zestiende trap: Salamandrinen of Gestaarte Amphibieën.
Zeventiende trap: Proreptiliën of Protamniën. Verwant met de fossiele
Protecosauriërs en de levende Hatteria.