DOOR

Professor HUXLEY, F. R. S.

Het verschil van gevoelen omtrent den aard en de hoegrootheid der

verschillen in het maaksel der hersenen bij den mensch en de apen, dat

omstreeks vijftien jaar geleden begon, is nog niet beslist, hoewel de

punten waarover wordt getwist, tegenwoordig geheel en al andere zijn

dan vroeger. Oorspronkelijk werd beweerd, en telkens opnieuw beweerd,

dat de hersenen van alle apen, zelfs van de hoogste, van die van den

mensch verschilden door het ontbreken van zulke in het oog loopende

deelen als de achterste kwabben van de halfronden der groote hersenen

met den achtersten horen van de zijdelingsche holte en den hippocampus

minor, in deze kwabben gelegen, die bij den mensch zoo duidelijk zijn.

Maar de waarheid is, dat de drie deelen in quaestie in apenhersenen

even goed of zelfs beter ontwikkeld zijn dan in menschenhersenen; en

geen stelling der vergelijkende ontleedkunde rust tegenwoordig op

steviger grondslag dan die, dat de goede ontwikkeling dezer deelen een

kenmerk van al de Primaten (met uitzondering der Lemuriden) is.

Daarenboven zijn alle ontleedkundigen welke in de laatste jaren hun

aandacht hebben gewijd aan de rangschikking der ingewikkelde sleuven

(sulci) en windingen (gyri), die zich op de oppervlakte van de

halfronden der groote hersenen bij den mensch en de hoogere apen

vertoonen, het daarover eens dat zij bij de eerste volgens volkomen het

zelfde patroon zijn gevormd als bij de tweede. Iedere hoofdwinding en

sleuf van de hersenen van een chimpanzee wordt duidelijk

vertegenwoordigd bij die van den mensch, zoodat de terminologie die op

de eerste wordt toegepast, ook bij de tweede aan het doel beantwoordt.

Op dit punt is er geen verschil van gevoelen. Eenige jaren geleden gaf

Professor Bischoff een verhandeling [479] uit over de hersenwindingen

bij den mensch en de apen, en daar het doel van mijn geleerden collega

zeker niet was om de waardij van de verschillen in dit opzicht tusschen

den mensch en de apen te verkleinen, ben ik blijde hem te kunnen

aanhalen.

„Dat de apen, en vooral de orang, chimpanzee en gorilla, in hun

bewerktuiging zeer tot den mensch naderen en veel meer met dezen

overeenkomen dan met eenig ander dier, is een welbekend, door niemand

betwist feit. Als men de zaak alleen uit het oogpunt van bewerktuiging

beschouwt, zou niemand waarschijnlijk ooit de meening van Linnaeus

hebben bestreden, dat de mensch eenvoudig als een bijzondere soort aan

het hoofd der zoogdieren en van deze apen behoorde te worden geplaatst.

Beide vertoonen in al hun organen zulk een nauwe verwantschap, dat het

meest nauwkeurig ontleedkundig onderzoek noodig is om die verschillen

aan te toonen, welke werkelijk bestaan. Evenzoo is het met de hersenen.

De hersenen van den mensch, den orang, den chimpanzee, den gorilla

komen elkander, niettegenstaande al de belangrijke verschillen welke

zij vertoonen, zeer nabij” (l.c., blz. 101).

Er is derhalve geen verschil van gevoelen meer omtrent de overeenkomst

in fundamenteele kenmerken tusschen de hersenen van den aap en van den

mensch, noch omtrent de verwonderlijk sterke overeenkomst tusschen die

van den chimpanzee, orang en mensch, zelfs in de bijzonderheden van de

rangschikking der windingen en sleuven van de halfronden der groote

hersenen. Evenmin is er, wat de verschillen tusschen de hersenen van de

hoogere apen en die van den mensch aangaat, eenige ernstige quaestie

omtrent den aard en de grootte van die verschillen. Men neemt aan, dat

de halfronden der groote hersenen bij den mensch, zoowel volstrekt als

betrekkelijk, grooter zijn dan bij den orang en chimpanzee; dat de

voorhoofdskwabben bij hem minder worden uitgehold door het naar boven

uitsteken van het dak der oogkassen; dat de windingen en sleuven bij

hem minder regelmatig gerangschikt zijn en een grooter aantal

secundaire plooiingen vertoonen. En men neemt aan, dat de fissura

temporo-occipitalis of perpendicularis externa, die gewoonlijk bij

apenhersenen zoo sterk is ontwikkeld, bij den mensch in den regel

slechts zwak is aangegeven. Het is echter duidelijk, dat geen van deze

verschillen een scherpe scheiding vormt tusschen menschen- en

apenhersenen. Ten opzichte van de fissura perpendicularis externa van

Gratiolet, bij menschelijke hersenen, merkt Professor Turner b.v. op:

[480]

„Bij sommige hersenen vertoont zij zich eenvoudig als een inkerving van

den rand van het halfrond, maar bij andere strekt zij zich over eenigen

afstand min of meer schuins naar buiten uit. Ik zag haar aan het

rechterhalfrond van de hersenen eener vrouw meer dan vijf centimeter

naar buiten loopen; en bij een ander persoon strekte zij zich, ook aan

het rechterhalfrond, over een lengte van een centimeter naar buiten uit

en liep daarna naar beneden tot aan den ondersten rand van de buitenste

oppervlakte van het halfrond. De onduidelijkheid van deze spleet bij de

meeste menschelijke hersenen, in vergelijking met haar opmerkelijke

duidelijkheid bij de hersenen van de meeste vierhandige zoogdieren, is

het gevolg van de aanwezigheid, bij de eerste, van zekere aan de

oppervlakte gelegen, goed uitgedrukte, secundaire windingen, welke haar

overbruggen en de parietaalkwab met de occipitaalkwab verbinden. Hoe

dichter de eerste van deze overbruggende windingen bij de overlangsche

spleet ligt, des te korter is de fissura parieto-occipitalis externa.”

(l.c. blz. 17.)

De onduidelijkheid van de fissura perpendicularis externa van Gratiolet

is dus geen standvastig kenmerk van de hersenen van den mensch. Van den

anderen kant is de volkomen ontwikkeling daarvan geenszins een

standvastig kenmerk van de hersenen der hoogere apen. Want bij den

chimpanzee is het over een kleinere of grootere uitgestrektheid

bedekken van de fissura perpendicularis externa door „overbruggende

windingen”, aan den eenen of aan den anderen kant, herhaaldelijk

waargenomen door Prof. Rolleston, de heeren Marshall, Broca en

Professor Turner. Aan het slot van een speciaal over dit onderwerp

geschreven verhandeling [481], schrijft deze laatste:

„De drie zooeven beschreven specimina van de hersenen van een

chimpanzee bewijzen, dat het algemeene besluit dat Gratiolet heeft

trachten te trekken, dat de volkomen afwezigheid van de eerste

verbindende winding en het verborgen liggen van de tweede, essentiëel

karakteristieke kenmerken van de hersenen van dit dier zijn, in geenen

deele algemeen doorgaat. Slechts bij één der specimina volgden de

hersenen de wet welke Gratiolet heeft uitgesproken. Wat de

tegenwoordigheid van de bovenste overbruggende winding aangaat, ben ik

geneigd om te denken, dat zij, ten minste in één halfrond, heeft

bestaan bij de meeste hersenen van dit dier, welke tot den

tegenwoordigen tijd toe zijn afgebeeld of beschreven. Het komt

blijkbaar zeldzaam voor, dat de tweede overbruggende winding aan de

oppervlakte ligt, en is tot dusver, naar ik geloof, nog alleen gezien

bij de hersenen (A), welke in deze verhandeling worden besproken. Van

de asymmetrische rangschikking van de windingen der beide halfronden,

waarop vroegere waarnemers in hun beschrijvingen hebben gewezen, geven

deze specimina ook goede voorbeelden.” (blz. 8, 9.)

Zelfs als de aanwezigheid van de fissura temporo-occipitalis of

perpendicularis externa een onderscheid tusschen de hoogere apen en den

mensch was, zou de waarde van zulk een onderscheidend kenmerk zeer

twijfelachtig worden gemaakt door het maaksel der hersenen bij de

Platyrrhine apen. Terwijl de fissura temporo-occipitalis bij de

Catarrhinen of apen der oude wereld een der meest standvastige groeven

is, ontbreekt zij bij de kleinere Platyrrhinen, is rudimentair bij

Pithecia [482], en min of meer uitgewischt door overbruggende windingen

bij Ateles.

Een kenmerk dat binnen de grenzen van een enkele groep zoo varieert,

kan voor de systematiek geen groote waarde bezitten.

Het staat verder vast, dat de graad van asymmetrie van de windingen der

beide helften der menschelijke hersenen aan vele individueele variaties

onderhevig is; en dat bij alle individu’s van het ras der Bosjesmannen,

die zijn onderzocht, de windingen en groeven veel minder ingewikkeld en

meer symmetrisch zijn dan bij Europeesche hersenen, terwijl bij sommige

individu’s van den chimpanzee haar ingewikkeldheid en asymmetrie

opmerkelijk wordt. Dit is bijzonder het geval bij de door Broca

afgebeelde hersenen van een jongen mannelijken chimpanzee. („L’Ordre

des Primates”, blz. 165, fig. 11.)

Ook staat het vast, wat het vraagstuk der volstrekte grootte aangaat,

dat het verschil tusschen de grootste en de kleinste gezonde

menschelijke hersenen grooter is dan het verschil tusschen de kleinste

gezonde menschelijke hersenen en de grootste chimpanzee’s of orang’s

hersenen.

Er is daarenboven één kenmerk, waarin de hersenen van den orang en

chimpanzee gelijken op die van den mensch, maar waarin zij verschillen

van die der lagere apen, namelijk in de aanwezigheid van twee

mergheuvels (corpora candicantia)—terwijl de Cynomorpha er slechts één

bezitten.

Op grond van deze feiten aarzel ik niet in dit jaar 1874 de stelling te

herhalen en met aandrang vol te houden, die ik in 1863 [483] uitsprak:

„Het is daarom duidelijk, dat de mensch, wat het maaksel der hersenen

aangaat, minder verschilt van den chimpanzee of orang, dan deze van de

lagere apen, en dat het verschil tusschen de hersenen van den

chimpanzee en van den mensch bijna onbeteekenend is in vergelijking van

dat tusschen de hersenen van een chimpanzee en die van een halfaap.”

In de door mij aangehaalde verhandeling ontkent Professor Bischoff de

waarheid van het tweede gedeelte van deze uitspraak niet, maar hij

maakt eerst de niets ter zake afdoende opmerking, dat het niet vreemd

is, zoo de hersenen van den orang en van een halfaap zeer van elkander

verschillen, en verzekert in de tweede plaats: „Indien wij

achtereenvolgens de hersenen van een mensch met die van een orang, deze

met die van een chimpanzee, deze met die van een gorilla vergelijken,

en, zoo voortgaande, met die van een Hylobates, Semnopithecus,

Cynocephalus, Cercopithecus, Macacus, Cebus, Callithrix, Lemur,

Stenops, Hapale, zullen wij geen grooter, of zelfs geen even groote

gaping in de mate van ontwikkeling der windingen ontmoeten, dan die

welke wij vinden tusschen de hersenen van een mensch en die van een

orang of chimpanzee.”

Ik zou hierop willen antwoorden, dat deze verzekering, hetzij waar of

valsch, volstrekt niets heeft te maken met de in „Man’s Place in

Nature” uitgesproken stelling, welke betrekking heeft, niet slechts op

de ontwikkeling der windingen, maar op het geheele maaksel der

hersenen. Indien Professor Bischoff zich de moeite had gegeven blz. 96

van het werk dat hij critiseert, op te slaan, zou hij de volgende

zinsnede hebben gevonden: „En het is een opmerkelijke omstandigheid,

dat, hoewel er een gaping bestaat in het maaksel der hersenen in de

reeks van vormen der Primaten, die gaping niet ligt tusschen den mensch

en de anthropomorphe apen, maar tusschen de lagere en laagste apen,

tusschen de apen der Oude en Nieuwe Wereld en de halfapen. Bij elken

halfaap die tot dusver onderzocht is, zijn feitelijk de kleine hersenen

van boven af gedeeltelijk zichtbaar, en is de achterste kwab, met de

daarin gelegen posterius cornu en hippocampus minor min of meer

rudimentair. Bij elk zijdeaapje, elken Amerikaanschen aap, aap der Oude

Wereld, baviaan of anthropomorphen aap worden daarentegen de kleine

hersenen van achteren geheel en al verborgen door de kwabben der groote

hersenen, en allen bezitten een groot posterius cornu en een wel

ontwikkelden hippocampus minor.”

Deze uitspraak stemde volkomen nauwkeurig overeen met hetgeen bekend

was, toen zij werd gedaan; en het komt mij voor, dat zij alleen

schijnbaar verzwakt is door de latere ontdekking van de betrekkelijk

geringe ontwikkeling der achterste kwabben bij den siamang en den

brulaap. Niettegenstaande de exceptioneele kortheid van de achterste

lobben bij deze beide soorten zal niemand beweren, dat haar hersenen in

het minst naderen tot die der halfapen. En indien wij, in plaats van

Hapale uit zijn natuurlijke plaats te verdringen, gelijk Professor

Bischoff op onverklaarbare wijze doet, de reeks van dieren die hij

heeft verkozen te vermelden, schrijven als volgt: Homo, Pithecus,

Troglodytes, Hylobates, Semnopithecus, Cynocephalus, Cercopithecus,

Macacus, Cebus, Callithrix, Hapale, Lemur, Stenops, durf ik opnieuw

verzekeren, dat de groote gaping in deze reeks ligt tusschen Hapale en

Lemur en dat deze gaping aanmerkelijk grooter is dan die tusschen eenig

ander tweetal van termen van die reeks. Professor Bischoff is onbekend

met het feit, dat lang voor hij schreef, Gratiolet voorgesteld had de

halfapen van de andere Primaten te scheiden, en wel juist op grond van

het verschillend maaksel hunner hersenen; en dat Professor Flower de

volgende opmerkingen had gemaakt bij het beschrijven der hersenen van

de Javaansche lori’s [484]:

„En het is bijzonder opmerkelijk dat er in de ontwikkeling der

achterste kwabben geen toenadering is tot de korte halfronden

bezittende hersenen der halfapen, bij die apen welke men gewoonlijk

onderstelt, dat in andere opzichten tot deze familie naderen, namelijk

de lagere leden van de groep der Platyrrhinen.”

Wat het maaksel der volwassen hersenen betreft, bevestigen de zeer

aanmerkelijke uitbreidingen van onze kennis, welke de onderzoekingen

van zoovele geleerden gedurende het laatste tiental jaren ten gevolge

hebben gehad, ten volle de uitspraak die ik in 1863 deed. Maar men

heeft gezegd, dat al gaf men de gelijkenis toe tusschen de volwassen

hersenen van een mensch en van een aap, zij toch in wezenlijkheid zeer

verschillend zijn, omdat zij fundamenteele verschillen vertoonen in de

wijze waarop zij zich ontwikkelen. Niemand zou meer bereid zijn dan ik

om de bewijskracht van dit argument toe te geven, als er werkelijk

dergelijke verschillen in de ontwikkeling bestonden. Maar ik ontken dat

zij bestaan. Integendeel, er bestaat een fundamenteele overeenstemming

in de ontwikkeling der hersenen bij den mensch en bij de apen.

Gratiolet was de eerste die beweerde, dat er een fundamenteel verschil

tusschen de ontwikkeling der hersenen van de apen en van den mensch

bestaat—namelijk hierin, dat bij de apen de sleuven die het eerst

verschijnen, gelegen zijn op het achterste gedeelte van de halfronden

der groote hersenen, terwijl bij den menschelijken foetus de sleuven

het eerst zichtbaar worden op de voorhoofdskwabben. [485]

Deze algemeene uitspraak is gegrond op twee waarnemingen, de eene op

een gibbon die op het punt stond te worden geboren, bij welken de

achterste windingen „goed ontwikkeld”, die van de voorhoofdskwabben

daarentegen „nauwelijks aangegeven” waren [486] (l.c. blz. 39), en de

andere op een menschelijken foetus in de 22ste of 23ste week van de

zwangerschap, bij welken Gratiolet opteekent, dat de insula onbedekt

was, maar dat toch „des incisures sèment le lobe antérieur, une

scissure peu profonde indique la séparation du lobe occipital, très

réduit d’ailleurs dès cette époque. Le reste de la surface cérébrale

est encore absolument lisse.”

Drie afbeeldingen van deze laatste hersenen worden gegeven op plaat II,

fig. 1, 2, 3 van het aangehaalde werk, vertoonende de halfronden van

boven, op zijde en van onderen gezien, maar geen daarvan beeldt af, hoe

zij er op de binnenvlakte uitzien. Het is opmerkenswaardig, dat de

figuren volstrekt niet overeenkomen met Gratiolet’s beschrijving, in

zoover als de fissura antero-temporalis op de achterste helft van de

buitenzijde van het halfrond meer ontwikkeld is dan een der op de

voorste helft onduidelijk aangegeven groeven. Als de figuur nauwkeurig

is, rechtvaardigt zij in geenen deele het besluit van Gratiolet: „Il y

a donc entre ces cerveaux (die van een Callitrix en van een gibbon), et

celui du foetus humain une différence fondamentale. Chez celui-ci,

longtemps avant que les plis temporaux apparaissent, les plis frontaux

essayent d’exister.”

Sinds Gratiolet’s tijd is echter de ontwikkeling van de windingen en

groeven het voorwerp van hernieuwd onderzoek geweest, door Schmidt,

Bischoff, Pansch [487] en meer in het bijzonder door Ecker [488], wiens

werk niet slechts de laatste, maar ook verreweg de volledigste

verhandeling over dit onderwerp is. [489]

De eindresultaten van hun onderzoekingen zijn, kort opgesomd, de

volgende:

1. Bij den menschelijken foetus wordt de Sylvische spleet gevormd in

den loop van de derde maand der zwangerschap. In deze en in de vierde

maand zijn de halfronden glad en rond (met uitzondering van de

Sylvische spleet) en steken zij achterwaarts tot ver voorbij de kleine

hersenen uit.

2. De eigenlijke zoogenaamde sleuven (sulci) beginnen te verschijnen in

de tusschenruimte tusschen het einde van de vierde en het begin van de

zesde maand van het leven van den foetus, maar Ecker wijst er met

nadruk op, dat, niet slechts in den tijd maar ook in volgorde, hun

verschijnen onderhevig is aan aanmerkelijke individueele variaties. In

geen geval zijn, hetzij de frontale, hetzij de temporale, de vroegste.

De eerste welke verschijnt, ligt feitelijk op het binnenvlak van het

halfrond (van daar zag Gratiolet, die dit vlak bij zijn foetus niet

schijnt te hebben onderzocht, haar ongetwijfeld over het hoofd) en is

òf de perpendicularis internus (occipito-parietalis), òf de sulcus

calcarinus, welke beide sleuven dicht bij elkander liggen en soms

ineenloopen. In den regel is de occipito-parietalis er het eerst.

3. In het laatste gedeelte van dit tijdvak ontwikkelt zich een andere

sleuf, de „posterio-parietalis” of „fissura Rolandi” [490], en deze

wordt, in den loop der zesde maand, gevolgd door de andere voornaamste

sleuven van de voorhoofds-, wandbeen-, slaapbeen- en

achterhoofdskwabben. Er is echter geen duidelijk bewijs dat ééne

daarvan constant vóór de andere verschijnt, en het is opmerkelijk, dat

in de hersenen, in het tijdperk door Ecker beschreven en afgebeeld (1.

c. blz. 212–13, Taf. II, fig. 1, 2, 3, 4), de sulcus antero-temporalis

(scissure parallèlle), zoo kenmerkend voor apen-hersenen, even goed,

zoo niet beter ontwikkeld is dan de fissura Rolandi, en veel sterker

uitgedrukt is dan de eigenlijke voorhoofds-sleuven.

De feiten nemende, voor zoover op het oogenblik bekend, schijnt het mij

toe, dat de volgorde waarin de sleuven en windingen in de hersenen van

den menschelijken foetus verschijnen, in volkomen overeenstemming is

met de ontwikkelingstheorie in het algemeen, en met de meening, dat de

mensch zich heeft ontwikkeld uit den eenen of anderen op een aap

gelijkenden vorm; hoewel er geen twijfel kan bestaan, dat die vorm in

vele opzichten verschilde van alle thans levende leden van de groep der

Primaten.

Von Baer leerde ons, een halve eeuw geleden, dat verwante dieren in den

loop hunner ontwikkeling eerst de kenmerken aannamen van de groote

groepen waartoe zij behooren, en daarna trapsgewijze die kenmerken

verkregen, welke hen beperken binnen de grenzen van hun familie,

geslacht (genus) en soort; en hij bewees tegelijkertijd, dat geen

ontwikkelingstrap van een hooger dier geheel en al gelijk is aan den

volwassen toestand van eenig lager dier. Het is volkomen juist te

zeggen, dat een kikvorsch den toestand van visch doorloopt, in zoo ver

als de kikvorschlarve in een tijdperk van haar leven de kenmerken van

een visch bezit, en, als zij zich niet verder ontwikkelde, onder de

visschen zou moeten worden gerangschikt. Maar het is eveneens waar, dat

een kikvorschlarve zeer van alle bekende visschen verschilt.

Op gelijke wijze kan men met waarheid zeggen, dat de hersenen van een

menschelijken foetus in de vijfde maand niet slechts de hersenen van

een aap, maar zelfs dat zij de hersenen van een aap uit de familie der

zijdeapen (Arctopitheci) zijn; want de halfronden, met hun groote,

achterste kwabben en met geen andere sleuven dan die van Sylvius en den

sulcus calcarinus, vertoonen de kenmerken die men in de groep der

Primaten alleen bij de familie der zijdeapen (Arctopitheci) vindt. Maar

het is eveneens waar, gelijk Gratiolet opmerkt, dat zij door haar wijd

openstaande Sylvische spleet van de hersenen van alle thans levende

zijdeapen (Arctopitheci) verschillen. Ongetwijfeld gelijken zij veel

meer op de hersenen van een ver in ontwikkeling gevorderden foetus van

een zijdeaap. Wij weten echter niets hoegenaamd van de

ontwikkelingsgeschiedenis der hersenen bij de zijdeapen. Bij de

eigenlijke Platyrrhini is de eenige waarneming welke mij bekend is, die

van Pansch, die in de hersenen van den foetus van een Cebus Apella

behalve de Sylvische spleet en een diepen sulcus calcarinus, slechts

een zeer ondiepe fissura antero-temporalis (scissure parallèlle van

Gratiolet) [491] vertoonde.

Nu levert dit feit, samengenomen met de omstandigheid, dat de sulcus

antero-temporalis aanwezig is bij zulke Platyrrhini als de saimiri, die

slechts sporen van groeven op de buitenste voorste helft van de

halfronden der groote hersenen vertoont of bij wien die sleuven soms

zelfs geheel en al ontbreken, ongetwijfeld zoover als het gaat een

goeden bewijsgrond ten gunste van de hypothese van Gratiolet, dat de

achterste sleuven in de hersenen der Platyrrhini vóór de voorste

verschijnen. Maar hieruit volgt in geenen deele, dat wij den regel, die

steek mag houden voor de Platyrrhini, nu ook tot de Catarrhini mogen

uitbreiden. Wij bezitten volstrekt geen gegevens omtrent de

ontwikkeling der hersenen bij de Cynomorpha; en, wat de Anthropomorpha

aangaat, niets als de beschrijving van de hersenen van een gibbon kort

voor de geboorte, waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Op het

oogenblik is er geen schaduw van bewijs, dat de sleuven van de hersenen

van een chimpanzee of orang niet in de zelfde volgorde verschijnen als

bij den mensch.

Gratiolet begint zijn voorbericht met het aphorisme: „Il est dangereux

dans les sciences de conclure trop vite.” Ik vrees, dat hij dit gezonde

beginsel had vergeten, toen hij in zijn werk zelf aan de bespreking van

de verschillen tusschen den mensch en de apen was gekomen. Ongetwijfeld

zou de uitstekende schrijver van een der merkwaardigste bijdragen tot

het juiste begrip der zoogdierhersenen, die ooit zijn gedaan, de eerste

zijn geweest om het onvoldoende zijner gegevens toe te stemmen, als hij

maar lang genoeg had geleefd om met den vooruitgang van het onderzoek

zijn voordeel te doen. Het ongeluk is, dat van zijn besluiten door

personen, onbevoegd om een oordeel te vellen over de grondslagen waarop

zij steunden, gebruik is gemaakt als bewijsgronden ten gunste van het

obscurantisme. [492]

Het is echter belangrijk op te merken dat, hetzij Gratiolet gelijk of

ongelijk had in zijn hypothese omtrent de betrekkelijke volgorde in het

verschijnen der sulci temporales en frontales, het feit blijft bestaan,

dat, vóór de sulci temporales of frontales verschijnen, de hersenen van

den menschelijken foetus kenmerken vertoonen, die alleen bij de laagste

groep der Primaten (de Lemuriden er buiten gelaten) worden gevonden, en

dat dit juist is, wat wij zouden verwachten het geval te zijn, indien

de mensch was ontstaan door trapsgewijze wijziging van den zelfden vorm

waaruit de andere Primaten zijn gesproten. (1)

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 87 / 111 题