STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.

Angel-Saksen. Hoogduitschers.

| Platduitschers. |

| | Nederlanders. |

Littauers. Oud-Pruisen. | | | |

| Letten. | | +==+===+ |

| | | | | |

+===+===+ | | Oud-Saksen. |

| | | | |

+======+====+ +=====+=====+ |

| | |

Baltische stam. Saksen. Friezen. |

| | | |

Sorben. | +=====+===+ |

| | | |

Polen. | | Nederduitschers. |

Czechen. | | | | |

| | | | | |

+====++===+ | +===+=========+

| | Skandinaviërs. |

West-Slaven. | | Gothen. Duitschers.

| | | | |

| Russen. | +===+=+====================+

| | | |

| Zuid-Slaven. | | Oer-Germanen. Oude Britten.

| | | | | |

| +==+===+ | | Oude Schotten. |

| | | | Romanen. Ieren. | | Galliërs.

| Zuid-Oost-Slaven. | | | | | | |

| | | | | +-+-+ +==+==+

+====+====+ | | | | |

| | | | Latijnen. Galen. Brittaniërs.

Slaven. | | | | | |

| | | | | | |

+===+==========+ | +==+==+ +===+========+

| | | |

Slavo-Letten. | Italiërs. Kelten.

| | | |

+=======+=======+ +======+=======+

| |

Slavo-Germanen. Italo-Kelten.

| |

| Albaneezen. Grieken. |

| | | |

| +========+===+ |

| | |

| Oer-Thraciërs. |

| | |

| Indiërs. Iraniërs. | |

| | | | |

| +===+=====+ +===+====+

| | |

| Ariërs. Graeco-Romanen.

| | |

| +======+=========+

| |

| Ario-Romanen.

| |

+=====+=======+

|

Indo-Germanen.

Zooals men ziet, zijn wij Nederlanders, volgens den Duitschen geleerde

Haeckel, nader verwant met de Angel-Saksers dan met de eigenlijke

Hoogduitschers.

Ik vond het gepast in een der aanteekeningen dezen en den volgenden

stamboom te geven, daar in een boek over de afstamming van den mensch

en in een hoofdstuk over de menschenrassen wel iets over de lijnen van

afstamming der tegenwoordige menschenrassen mocht worden verwacht, en

Darwin dit, trouwens gedeeltelijk nog zeer hypothetische punt niet

aanroert. Ik geloof, dat Haeckel’s stamboomen, schoon ongetwijfeld

later enkele wijzigingen zullende ondergaan, op het standpunt der

tegenwoordige wetenschap over het algemeen (met uitzondering o.a. van

de Australiërs) vrij juist mogen worden geacht. Volkomen zekerheid en

juistheid zal hierin wel steeds onbereikbaar blijven!

(14) Zeer verschillend is het maaksel van den larynx echter bij den

neger en den blanke. Bij den blanke liggen de stembanden en de

ventriculi Morgagnii horizontaal, bij den neger bijna verticaal; bij

den laatste bezit de larynx daarenboven twee kraakbeenderen

(cartilagines Wrisbergianae), die bij den blanke niet of ten minste

slechts als hooge uitzondering en dan nog veel minder ontwikkeld dan

bij den neger, voorkomen. [472] Zie: G. Duncan Gibb, „Essential points

of difference between the Larynx of the Negro and that of the White

Man”, „Memoirs read before the Anthropological Society of London”, vol.

II, 1865, 66. Londen, 1866. Men kan zich ternauwernood bij twee nauw

verwante soorten homologe deelen voorstellen, die meer van elkander

verschillen dan de larynx van een neger en die van een blanke, door

middel van den keelspiegel gezien! Ten bewijze lasschen wij hier een

viertal afbeeldingen in (Fig. 12, 13, 14, 15.)

Chudzinsky („Quelques notes sur la Splanchnologie des races humaines”

in „Revue d’Anthropologie”, 16e Année, Serie III, T. 2, blz. 158) heeft

vergelijkende metingen der ingewanden van verschillende menschenrassen

gedaan. Terwijl de lengte der darmen van den blanke volgens Sappey

gemiddeld 9600 m.M. bedraagt (waarvan 8000 op den dunnen, 1600 op den

dikken darm komen), bedroeg die bij negers gemiddeld slechts 8667 m.M.

De dunne darm van den neger was ruim 1000 m.M. korter dan die van den

blanke, de dikke darm iets korter. De dikte van de lever (van voren

naar achteren) bedraagt bij den blanke gemiddeld 200 m.M., bij den

neger slechts 165, bij den orang oetan 150 m.M. De breedte van de lever

bij den blanke gemiddeld 280, bij den neger 273, bij den orang-oetan

260 m.M. De lever van den blanke weegt gemiddeld 1450, die van den

neger 1266 gram. Gemiddeld is de lengte van de milt bij den blanke

(volgens Sappey) 123 m.M., bij den neger (Chudzinsky) 98 m.M., haar

dikte, bij den blanke 82, bij den neger 60 m.M., haar gewicht bij den

blanke 195, bij den neger 171 gram. Ook de nieren zijn bij den blanke

grooter en zwaarder dan bij den neger, die van den orang zijn veel

kleiner en lichter, en meer bolvormig dan bij den mensch. Bij negers is

de linker nier altijd grooter en zwaarder dan de rechter; zijn

bijnieren zijn grooter dan die van den blanke. In menige bijzonderheid

van zijn ingewanden nadert dus de neger merkbaar tot de anthropomorphen

en in enkele staat hij in dit opzicht dichter bij den orang dan bij den

blanke.

(15) „Megalithische monumenten.” Onder dezen algemeenen naam omvat men

de uit groote, ruwe steenen gebouwde gedenkteekenen die men in

Frankrijk Dolmen, Menhir en Cromlech, in Duitschland Hünengräber, in

onze provincie Drenthe Hunebedden en Steenen Grafkelders noemt.

De Dolmen (Hünengräber, Hunebedden) bestaan uit zware steenblokken die

overeind in den grond zijn geplaatst, en een meestal ovale ruimte

insluiten. Deze ruimte is met andere, nog zwaardere steenblokken

overdekt. Dikwijls worden deze dolmen voorafgegaan door een op de

zelfde wijze vervaardigden gang; vele zijn van boven open, andere

worden omringd door een of meer concentrische cirkels van

rechtopstaande ruwe steenen, die men in Frankrijk Peulvan of Menhir

noemt en die ook wel afzonderlijk of in lange rijen geschaard (b.v. te

Carnac in Bretagne) worden aangetroffen. De dolmen hebben, blijkens de

overblijfselen die men er onder aantreft, meestal, zoo niet altijd, tot

begraafplaatsen gediend. De Cromlech zijn eveneens uit ruwe, ongehouwen

steenen gebouwde, cirkelvormige gedenkteekenen die tot tempels schijnen

te hebben gediend, en waarvan de grootste te Stonehenge in Engeland

wordt gevonden. Ook de Steenen Grafkelders (grottes aux fées der

Franschen) behooren tot deze klasse van gedenkteekenen.

De Megalithische monumenten (waaraan de Franschen verkeerdelijk den

naam van Monuments Celtiques [473] geven) zijn in de Oude Wereld over

een zeer groote uitgestrektheid verspreid. Men vindt ze in de Krim,

Koerland, Pruisen, Mecklenburg, Denemarken, Zuid-Zweden, Westphalen,

Oldenburg, Nederland, in Engeland, aan den Ticino in Italië, in Spanje,

in Portugal, in de Barbarijsche Staten (vooral ook in Algerië en Tunis)

en Palaestina, langs de kusten der Roode Zee en van de Perzische Golf

tot in Britsch-Indië toe. Noch in de Nieuwe Wereld, noch in het Noorden

en Oosten van Azië, noch in Centraal- en Zuid-Afrika, noch in Australië

vindt men daarentegen, voor zoover ons bekend is, eigenlijke

megalithische monumenten. Een steenhoop op den top van een heuvel

opgeworpen, zooals Darwin in Zuid-Amerika heeft aangetroffen, verdient

geenszins dien naam.

De megalithische monumenten dagteekenen in de verschillende landen der

Oude Wereld, waar men ze aantreft, uit zeer verschillende, meestal

voorhistorische tijden. Men heeft toch in de dolmen verschillende

werktuigen aangetroffen. In het noorden van Duitschland, in het zuiden

van Skandinavië, in Denemarken en Drenthe zijn deze van steen, hoe

verder men naar het zuiden van Europa komt, hoe menigvuldiger men naast

de steenen ook bronzen werktuigen aantreft. In Algerië is het brons

regel, de steen uitzondering. In Britsch-Indië vindt men, volgens een

mededeeling door J. Hooker, president van de „British Association for

the Advancement of Science” aan die vereeniging op haar vergadering van

1868 te Norwich gedaan, een halfwild Mongoloïdisch volk dat den naam

van Khasia’s draagt, en dat nog heden ten dage dergelijke megalithische

monumenten bouwt. Zij doen zulks het geheele jaar door behalve

gedurende den regentijd. Dr. Thomson zag bij hen een pas gebouwden

dolmen, waarvan de deksteen bijna 10 meter lang, meer dan 4½ meter

breed en meer dan 6 decimeter dik was. Om dergelijke zeer zware

steenblokken te verplaatsen, gebruiken zij slechts hefboomen en touwen

(hetgeen de onderstellingen van velen onzer oudheidkundigen, b.v. van

Picardt, over de wijze waarop de Drenthsche hunebedden zouden zijn

gebouwd, overbodig maakt). [474] Hun doel met het oprichten dier

gedenkteekenen is een graf aan te duiden, of wel de plaats waar de eene

of andere gewichtige gebeurtenis plaats greep. In den naam dien zij aan

die monumenten geven, komt meestal de wortel men voor, die men in het

Fransche Dolmen en Menhir terugvindt, doch in die laatste taal geen

beteekenis heeft. In de taal der Khasia’s beteekent men steen. [475]

Zoowel de geographische verspreiding der megalithische monumenten, als

de aard der werktuigen die men er in heeft gevonden, en van die

gedenkteekenen zelven, maar vooral de medegedeelde taalkundige

bijzonderheid maken het onzes inziens hoogst waarschijnlijk, dat zij,

althans de groote meerderheid daarvan, afkomstig zijn van één volk, en

dat men ze niet kan verklaren door aan te nemen, dat zij zijn gesticht

door verschillende volken die gelijksoortige uitvindende of

verstandelijke vermogens bezaten. Dat volk, het zoogenaamde Volk der

Dolmen, schijnt in den jongsten steentijd van de kusten der Oostzee te

zijn opgebroken en, langzaam langs de kusten voortrukkende, voor een

gedeelte over de Anglo-Normandische eilanden naar Engeland te zijn

overgestoken, terwijl het grootste deel zich zuidwaarts begaf. In den

bronstijd kwamen deze laatsten in Noord-Afrika en trokken vervolgens

langs de Middellandsche Zee, Roode Zee en Perzische Golf naar Indië, in

welk laatste land hun afstammelingen nog heden schijnen te leven. Er

bestaat reden om aan te nemen, dat een andere tak van het Volk der

Dolmen gedurende den steentijd noordwaarts Skandinavië is ingetrokken,

en zich in den bronstijd tot Stokholm, in den ijzertijd tot Drontheim

heeft verspreid. Een derde tak trok in zuid-oostelijke richting van de

kusten der Oostzee naar de Krim.

(16) Dit is niet volkomen juist. Zoo behooren b.v. de oorspronkelijke

bewoners van Noord-Afrika, de zoogenaamde Berbers, tot het Kaukasische

ras, waartoe ook het grootste deel der bewoners van Europa en een groot

deel van die van Azië behooren. De Eskimo’s behooren tot het zelfde

ras, als de Tschoektschen en Kamschadalen van Noord-oostelijk Azië en

worden door de meesten met dezen te zamen als een tak van het

Mongoolsche ras beschouwd. Rassen die in historischen tijd naar andere

continenten zijn verhuisd, zooals de Kaukasiërs en Negers in Amerika,

de Semieten (Arabieren) in Afrika enz., komen hier natuurlijk niet in

aanmerking. Wanneer een zelfde ras zich over ver uiteengelegen streken

verspreidt en elk der zoo ontstane afdeelingen op zich zelve voort

blijft leven, kan het niet wel anders, of elk dier afdeelingen moet na

eenigen tijd van de andere gaan verschillen, en wel na langen tijd zoo

sterk, dat uit die twee afdeelingen twee zelfstandige rassen ontstaan.

Een sterk bewijs hiervoor is, dat de burger der Vereenigde Staten zich

nu reeds door verschillende kenmerken dadelijk van den Europeaan

onderscheidt, niettegenstaande zijn voorouders eerst sedert hoogstens

twee of drie eeuwen in dat land zijn gevestigd en de landverhuizing

onophoudelijk versch Europeesch bloed in de bevolking der Vereenigde

Staten brengt. De twee tot zelfstandige rassen ontwikkelde afdeelingen

zullen echter steeds een sterken familietrek behouden. En nu vinden wij

juist over verschillende, door wijde zeeën gescheiden werelddeelen

verschillende rassen verspreid, die zulk een familietrek hebben, b.v.

de oorspronkelijke Amerikanen en de Aziatische Mongolen, de

Afrikaansche Negers en de Nieuw-Hollanders, de Hottentotten en de

Papoea’s. Hieruit blijkt o.i., dat de stamouders van elk dier groepen

van rassen reeds aanmerkelijk van elkander verschilden, voor zich nog

de tegenwoordige rassen hadden gevormd, en waarschijnlijk ook reeds

voor de menschenrassen zich over hun tegenwoordige woonplaatsen hadden

verspreid.

(17) Dit feit schijnt ons niet zoo merkwaardig. De volken waarmede de

Grieken en Romeinen in aanraking kwamen, behoorden allen (of bijna

allen) tot het Kaukasische of blanke ras, dat meer en meer blijkt in

den strijd om het bestaan de overwinning over alle andere rassen weg te

dragen. Evenmin zijn de Franschen (die nog geheel de kenmerken

vertoonen, door Caesar aan de Galliërs toegeschreven) voor de

Angel-Saksers geweken, niettegenstaande gedurende zeer langen tijd het

grootste gedeelte van Frankrijk in de macht der Engelschen was; evenmin

hebben de Duitschers de Franschen (Galliërs), of de Franschen

(Galliërs) de Duitschers sedert Caesar’s tijd teruggedrongen; wanneer

men op een kaart van het oude Gallië de zuidelijke en westelijke

grenzen van de op den linker-Rijnoever wonende Germanen nagaat, zal men

zien, dat die grenzen nagenoeg samenvallen met de zuidelijke en

westelijke grenzen van den Elzas, Duitsch Lotharingen en de

Rijn-Provincie; evenmin zijn de Arabieren en Kabylen in Algerië

verdwenen voor de Franschen. De onbeschaafde rassen die tegenwoordig

voor de blanken terugwijken en uitsterven, zijn hoofdzakelijk de

oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, de

Papoea’s en de Hottentotten (en niet de Mongolen, noch de Maleiers,

noch de Kaffers, noch de Negers, noch de Dravida’s, noch de Nubiërs);

met de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, met

de Papoea’s en de Hottentotten, kwamen echter noch de Grieken, noch de

Romeinen ooit in aanraking.

Veel merkwaardiger vinden wij het, dat de oorspronkelijke Amerikanen

wel terugwijken voor en worden uitgeroeid door het Angel-Saksische,

maar geenszins of veel minder door het Spaansche ras, niettegenstaande

de Spanjaarden hen steeds veel onmenschelijker hebben bejegend dan de

Angel-Saksers.

Dat de voorouders van het blanke ras (en dus ook van de

Graeco-Romeinen) werkelijk op de oorspronkelijke wilde, niet tot het

blanke ras behoorende bevolking van Europa den zelfden invloed

uitoefenen, als de tegenwoordige blanken op de wilden van Amerika en

Nieuw-Holland, blijkt uit het spoorloos verdwijnen van de Australoïde

[476], Negroïde [477] en Mongoloïde [478] stammen die voor de aankomst

der blanken, in den steentijd, Centraal- en Zuid-Europa bevolkten, en

van wier voormalig bestaan slechts de ruwe voortbrengselen hunner

kunstvlijt en enkele bewaard gebleven schedels getuigen.

(18) Zie echter ook onze aanteekening in „Var. d. Huisd. & Cultuurpl.”,

Deel II, blz. 82.

(19) De in Noord-Amerika gedurende den secessie-oorlog ten behoeve van

het recruteeren van troepen bij 605,000 individu’s van 18 tot 45 jaar

gedane onderzoekingen hebben bewezen, dat van elke 1000 personen van

blond type (blond haar, blauwe oogen en lichte huidskleur) gemiddeld

385 wegens lichaamsgebreken en ziekte moesten worden afgekeurd, terwijl

van 1000 brunette personen (zwart haar, donkere oogen en donkere

huidskleur) gemiddeld slechts 332 werden afgekeurd. Hoewel deze

statistiek zekere gebreken bezit, meent De Candolle er toch uit te

mogen afleiden, dat het blonde type, hoewel in verstandelijk opzicht

boven het brunette staande, toch, wat zijn gezondheidstoestand en

wêerstandsvermogen tegen ziekten aangaat, daarvoor onderdoet. Verder

meent De Candolle te hebben ontdekt, dat de vrouwen van blond ras in

Noord-Amerika een talrijker contingent tot de brunette bevolking

leveren dan de mannen, en dat waar in een huwelijk de man donkere en de

vrouw lichte oogen heeft, of omgekeerd, de meerderheid der kinderen

altijd donkere oogen bezit.

Volgens de sterftestatistiek komen in de Vereenigde Staten op 1000

personen bij de blanke bevolking gemiddeld 14,7, bij de kleurlingen

(negers en bastaarden van negers en blanken) 17,3 en bij de Indianen

23,6 sterfgevallen voor. De Noord-Amerikaansche

levensverzekeringsmaatschappijen eischen daarom van de kleurlingen een

hoogere premie dan van blanken van den zelfden leeftijd. Dat schijnt te

bewijzen, dat de grootere sterfte bij de kleurlingen niet het gevolg is

van ongunstige levensomstandigheden—want die kleurlingen welke hun

leven verzekeren, behooren toch stellig tot diegenen van hun klasse,

welke in de gunstigste omstandigheden verkeeren—maar in het ras ligt.

(Zie „Humboldt”, April 1889, L. Heimann in het „Zeitschrift für

Ethnologie”, 1888.)

VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET

MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 86 / 111 题