AANTEEKENINGEN.

(1) Toen ik in den winter van 1869–70 Egypte bezocht, trof het mij,

zoodra ik den voet te Alexandrië aan wal had gezet, dat de Arabieren

even groote individueele verschillen vertoonden als de Europeanen. Ook

de Hindoebedienden in het Peninsular and Oriental Hôtel te Suez kon ik

dadelijk van elkander onderscheiden. De leden van het Japansch

gezantschap, dat voor jaren Nederland bezocht, en twee Japansche

studenten, die te gelijk met mij te Leiden studeerden, schenen mij ook

zeer ongelijk. Evenzoo de negers, en Chineezen en roodhuiden die ik in

1872 in Noord-Amerika zag. Mijn persoonlijke ondervinding is dus in

strijd met de hier gemaakte opmerkingen.

(2) Hier wordt gedoeld op het verschil tusschen WOLHARIGE MENSCHEN

(Homines Ulotriches) en SLUIKHARIGE MENSCHEN (Homines Lissotriches). De

eersten worden nog verdeeld in Homines lophocomi, wier wolachtig

kroeshaar in kleine bossen groeit (b.v. de Papoea’s en Hottentotten) en

Homines eriocomi, wier wolachtig kroeshaar gelijkmatig over de geheele

schedelhuid is verspreid (b.v. de Kaffers en Negers). De laatsten

onderscheidt men in Homines euthycomi, wier haren noch krullen noch

lokken vormen (b.v. de Maleiers, Mongolen en Amerikanen) en Homines

euplocami, wier haren min of meer krullen en lokken vormen (b.v. de

Kaukasiërs). Deze verschillen in den aard van het haar zijn voor de

vergelijkende anthropologie, voor de studie der menschenrassen, van het

hoogste gewicht.

(3) M. Benedict vond aan Chineezenhersenen enkele eigenaardigheden

waardoor zij van die van andere menschenrassen afwijken („Medizinische

Jahrbücher, hrg. v. d. k. k. Geselsch. d. Aerzte”, 1887, blz. 121).

(4) Door mijn Egyptische reis in den winter van 1869–70 ben ik in de

gelegenheid hieromtrent eenige zelfstandige opmerkingen te maken. In

een der grotten van Beni Hassan, die volgens Mariette van ongeveer 3000

jaren vóór Chr. dagteekenen (in het graf van Noem-Hotep, gouverneur van

de provincie Sah onder den Pharao Amenehemha II) ziet men een

muurschildering waarop de overledene rechtopstaande afgebeeld is; voor

hem staan personen, die men aan hun sterk geprononceerden arendsneus en

zwarten puntigen baard dadelijk voor Semieten herkent, en volgens

Mariette ook Semieten zijn. [464] In de beroemde salle hypostyle van

den tempel van Karnak, waarvan de oudste opschriften volgens Mariette

uit den tijd van Seti I(1450 j. v. Chr.) dagteekenen, vindt men hoogst

merkwaardige bas-reliefs, waarop genoemde koning zijn veldtochten in

Westelijk Azië tegen de Armeniërs, de Assyriërs, de Schasoe en de Kharo

heeft afgebeeld, terwijl andere de veldtochten van den Pharao Sesak

tegen Palaestina voorstellen. Op die bas-reliefs zijn de nationale

typen der overwonnenen zeer goed teruggegeven; de Assyriërs gelijken

zeer op de afbeeldingen uit Niniveh; in de Schasoe (volgens Mariette

een soort van woestijn-Arabieren of Bedoeïnen) is het Semietische type

zeer goed te herkennen. Aan den hoofdingang van het paleis van Rhamses

III (dat een gedeelte uitmaakt van den zoogenaamden tempel van

Medinet-Aboe te Thebe) vindt men bas-reliefs, die den koning

voorstellen, de krijgsgevangenen, door hem in zijn vele oorlogen

gemaakt, aan de goden aanbiedende; elk dier krijgsgevangenen, waaronder

ik o.a. zeer goed te herkennen Negers en Semieten opmerkte, vertoont

het type van zijn ras met merkwaardige getrouwheid, en daar de namen er

in hiëroglyphen zijn bijgeschreven, heeft men hier volgens Mariette de

merkwaardigste van alle bekende bijdragen tot de ethnologie van

Westelijk Azië, Libye en Soedan in de XIIIde eeuw v. Chr.

Het trof mij ook, dat het rastype van de afbeeldingen die oude

Egyptenaren voorstellen, op alle monumenten van Ghizeh af tot Philae

boven den eersten waterval van den Nijl toe, zeer duidelijk het zelfde

bleef, en dat men niet zelden bij de landbouwende bevolking van

Opper-Egypte (de Fellah’s) dat type terugvond. Zij die het onveranderd

blijven van sommige diersoorten sedert de tijden der oudste dynastieën

(zooals Mr. Snellen van Vollenhoven in zijn overigens zoo uitnemend

werk: „Gedaanteverwisseling en Levenswijze der Insekten”,

„Natuurhistorische Bibliotheek”, Haarlem, A. C. Kruseman, 1870) als een

bewijs tegen Darwin aanvoeren, moeten dus van hun standpunt besluiten,

dat ook de verschillende menschenrassen (b.v. Egyptenaars, Semieten,

Negers) afzonderlijke scheppingen zijn, hetgeen zij juist van hun

standpunt wel niet zullen willen. Daarenboven kan niemand bewijzen, dat

het door Mr. S. v. V. bedoelde dier (de zoogenaamde heilige kever of

scarabaeus Ateuchus sacer) werkelijk volkomen onveranderd is gebleven.

[465] Wij weten op hoe geringe verschillen de entomologen, wier

grootste roem dikwijls bestaat in het vinden van ééne of meer nieuwe

soorten, soms zulk een nieuwe soort baseeren! En wat beteekent de tijd,

verloopen sedert de oudste Egyptische dynastieën, in vergelijking van

de eeuwigheid, die even goed achter als voor ons ligt! Tijd voor de

grootste ontwikkeling is in overvloed verloopen, al ging die

ontwikkeling zoo langzaam, dat in een 7000tal jaren de resultaten

onmerkbaar waren. Ach! hoezeer had Huxley gelijk, toen hij zeide, „dat

het meeste dat tegen Darwin is aangevoerd, het papier niet waard is,

waarop het is geschreven.”

In het „Album der Natuur”, 1856, vindt men op blz. 16, fig. 10 en 11,

een paar afbeeldingen van Negers, blz. 18, fig. 12, een dergelijke van

een Nubiër, blz. 15, fig. 7 en 8, een paar dergelijke van Semieten,

allen naar afbeeldingen op Egyptische monumenten. Op blz. 15, fig. 6,

vindt men Joodsche krijgsgevangenen uit Lachish (II Kon. XVIII, 14;

Jesaia XXXV, 2), volgens afbeeldingen, gevonden in het paleis van den

Assyrischen koning Sennacherib te Kouyunjik. „Niemand zal”, zegt Dr.

Lubach, „in deze afbeeldingen den Joodschen typus miskennen, en

aarzelen daaruit te besluiten, dat de Joden, omstreeks 700 jaren voor

Christus, er even zoo hebben uitgezien, als thans.”

Noch de Egyptenaars, noch de Assyriërs zouden den wansmaak hebben gehad

om, als zij voorstellingen uit onzen Bijbel hadden moeten maken, Jezus,

Maria en de Apostelen, of Mozes en andere Joodsche personen uit het

Oude Testament af te beelden met de gelaatstrekken van Egyptenaars of

Assyriërs, evenals onze beste schilders en graveurs die personen in hun

schilderijen en gravures gewoonlijk teekenen met Europeesche, zuiver

Indo-Germaansche gelaatstrekken! Wat b.v. te zeggen van een schilderij,

als de „Vierge au Singe” van Albrecht Dürer, wat het schilderwerk zelf

aangaat een meesterstuk, waarop Maria afgebeeld is als een Duitsche

vrouw, met een Duitsch kind op den schoot, een in Palaestina niet

voorkomend dier (een aap) aan een touw vasthoudende, terwijl op den

achtergrond een middeleeuwsch kasteel wordt gezien!

(5) Er zijn meer oude menschenschedels in Amerika gevonden en goed

onderzocht, welke het type van het Amerikaansche ras vertoonen. Zoo

vond men nabij Nieuw-Orleans in het Mississippi-delta bij diepe

boringen 10 boven elkander liggende voormalige bosschen, waarin boomen

van 10 voet diameter voorkwamen; men telde bij die boomen 95–120

jaarringen op elken Eng. duim, zoodat zulk een boom minstens 5700 jaar

oud zou wezen. In het vierde dier bosschen vond men onder de wortels

van een cypres een menschenschedel, waarvan de ouderdom door Dowler op

57600 jaar wordt geschat. Deze schedel vertoonde den typischen vorm van

het Amerikaansche ras. Ook vond men in een mijnschacht bij Altaville in

Calaveras County in Californië, een menschenschedel in een zandlaag op

een diepte van 130 voet. Deze zandlaag, waarin ook beenderen van

neushoorns en andere uitgestorven diersoorten voorkomen, lag onder vier

lagen vulkanische asch van verschillende dikte, die met zandlagen

afwisselden. „De basis van den schedel was in een beenderbreccie met

rapilli en druipsteen samengebakken en gelijkt zeer op den schedel van

een Digger-Indiaan” (J. D. Whitney, in „A Human Skull, discovered in

California”, Anthrop. Review N°. 20, blz. 119). Ook bij dezen schedel,

de oudste die tot nog toe in Amerika is gevonden, vindt men dus het

type van het Amerikaansche ras terug!

Emil Schmidt zou onlangs het bewijs hebben geleverd („Humboldt”, Maart

1890, blz. 109), dat deze schedel uit onaangeroerde tertiaire lagen is

opgedolven (wat dikwijls was betwijfeld) terwijl het bestaan van den

mensch in het tertiaire tijdvak in Europa nog niet volkomen is bewezen.

In 1889 vond men in Butte County (Californië) bij de bewerking der

mijnen aldaar in pliocene grintlagen steenen mortieren, die blijkbaar

producten van menschelijke kunstvlijt zijn. Zij zijn uitgehold in

blokken metamorphisch gesteente, de uitholling is gemiddeld 24 c.M.

lang, 18 c.M. breed en 16 c.M. diep. Deze mortieren geven een nieuw

bewijs voor het bestaan van den mensch in Californië in het tertiaire

tijdvak. Sedert zij werden gevonden, heeft de 60 mijlen van Cherokee

verwijderde vulkaan Lassens Peak het door het water aangespoelde zand

met lavastroomen bedekt en opgehouden te werken. De Sacramento, San

Joaquin en andere rivieren bestonden nog niet toen de mensch deze

mortieren bewerkte. Dalen van 600 M. diep zijn sedert in het basalt

uitgehold. Beenderen van den mastodon werden in de nabijheid dezer

steenen mortieren gevonden. [466]

Wat de menschenbeenderen aangaat, die de Deensche natuuronderzoeker

Lund den 21sten Maart 1844 in de holen bij Lagoa Santa, provincie Minas

Geraes, in Brazilië, te samen met de overblijfselen van uitgestorven

diersoorten uit het diluviale tijdvak heeft gevonden, is het echter

eenigszins twijfelachtig of zij de kenmerken van het Amerikaansche

roode ras vertoonen. Quatrefages kwam omtrent die beenderen tot de

volgende resultaten, die hij in de zitting van de Fransche Académie des

Sciences van den 28sten November 1881 mededeelde:

1. Evenals in Europa heeft in Brazilië de voorhistorische mensch met

zoogdieren samengeleefd, die in de fauna van den tegenwoordigen tijd

ontbreken. 2. De fossiele Braziliaan die Lund in de holen van

Lagoa-Santa ontdekte, leefde op zijn laatst gedurende onze

rendierperiode, doch hij leefde (volgens Gaudry) misschien nog niet in

het tijdperk van den mammouth. 3. Van alle fossiele Europeanen

onderscheidt zich de fossiele mensch van Lagoa Santa door een reeks van

kenmerken, waarvan het meest in het oogvallende de vereeniging der

dolichocephalie met hypsisthenocephalie is. 4. In Brazilië, zoowel als

in Europa, heeft de fossiele mensch nakomelingen nagelaten, die tot de

vorming der tegenwoordige bevolking hebben bijgedragen. 5. Met recht

hebben Lacerda en Peinoto de Botocuden als resultaat van een vermenging

van het Lagoa-Santa-type beschouwd. 6. De aard van dit laatste moet nog

worden bepaald, en tevens of men onder de Lagoa Santa gevonden

overblijfselen niet meer dan één type moet onderscheiden, maar ten

minste één daarvan was brachycephaal. 7. Dit Lagoa-Santa-type neemt ook

deel aan de samenstelling der ando-peruaansche bevolkingen en komt meer

of minder duidelijk voor tot aan de kust van den Grooten Oceaan. 8. In

Peru en Bolivia toont dit type zijn tegenwoordigheid menigmaal even

duidelijk als in Brazilië. 9. Toch schijnt dit element een minder

algemeene werking in Peru als in Brazilië te hebben uitgeoefend. 10.

Naar het schijnt, vindt men het ook nog in andere deelen van

Zuid-Amerika dan Peru en Brazilië.

In 1889 heeft echter de Deensche anthropoloog Soren Hanssen een

uitvoerige beschrijving van bovengenoemde beenderen uit de holen van

Lagoa-Santa gegeven. [467] De meeste daarvan zijn uit het Samiroudohol

afkomstig; er werden daar echter geen dierenbeenderen er bij gevonden,

door welke een bepaald besluit zou kunnen worden gemaakt omtrent de

geologische periode waarin de menschen, waarvan de beenderen afkomstig

waren, hebben geleefd. Evenmin vond men er werktuigen of wapenen bij.

De beenderen zijn echter blijkbaar zeer oud, zij zijn gecalcineerd en

meer of min met ijzerconglomeraten geïncrusteerd. Hun kleur varieert

van bleekgeel tot donkerbruin. Zij zijn afkomstig van een zeer krachtig

ras, dat echter klein van gestalte was. De 16 schedels uit voornoemde

holen, waarvan er zich 14 op het museum te Kopenhagen bevinden,

vertoonen een opmerkelijke gelijkvormigheid; zij zijn zeer hoog en

tevens lang met afgeronde schedelwelving. Het gelaat is van middelbare

grootte, het voorhoofd geenszins achteruitwijkend, maar veeleer van

pyramidalen vorm, de wenkbrauwbogen en de streek tusschen de oogholten

zijn goed ontwikkeld. Het prognathisme komt bij de onder de neusopening

gelegen deelen der bovenkaak bijzonder duidelijk te voorschijn. De

doorsnede van den schedel, van jukbeen tot jukbeen gemeten, is groot,

de basis van den jukboog breed, de boven de tepelvormige uitsteeksels

van het slaapbeen gelegen streek van den schedel aanmerkelijk

ontwikkeld. De omtrek der schedels is van middelmatige grootte; zij

zijn dolichocephaal, een nauwkeurige bepaling van hun inhoud was wegens

hun beschadigden toestand onmogelijk.

Soren Hanssen en de Quatrefages hebben beiden op de opmerkelijke

overeenstemming tusschen deze schedels en die der tegenwoordige

Papoea’s gewezen, en ook de theorie van de Quatrefages, dat er in

Zuid-Amerika een oorspronkelijk dolichocephaal ras heeft bestaan, dat

zich over een groot gedeelte van het Zuid-Amerikaansche vasteland

uitstrekte, en zich met brachycephale elementen heeft vermengd,

ontvangt door hen een sterken steun. Dat de beenderen van Lagoa-Santa

aan een op lagen trap staand ras behoorden, wordt ook bewezen door het

bewaardblijven der lumbo-sacraalgewrichten aan het heiligbeen

(onvolkomen versmelting van de heiligbeenwervels tot één been), verder

door de doorboring der onderste gewrichtsuiteinden van het

opperarmbeen, door de inbuiging der ellebogen, door de ontwikkeling der

„ruwe lijn” (linea aspera) en de aanwezigheid van een derden trochanter

aan het bovendijbeen. In ’t oog vallend is de aanmerkelijke

zijdelingsche afplatting (platycnemie) der scheenbeenderen.

In nauwe betrekking tot de quaestie van de oorspronkelijke bevolking

van Amerika staan ook Soren Hanssen’s onderzoekingen omtrent de

inboorlingen van Groenland. [468] Tijdens een verblijf aldaar mat hij

1200 individu’s en vond, dat zij onderling verschilden. Terwijl de

Eskimogroep aan den Angmasalikfjord (Oostkust van Groenland) uit

krachtige, intelligente en energieke menschen bestaat, die 1,647 meter

lang zijn, op de hoogte van de borst een omtrek van 93,7 c.M. hebben,

een zelfstandige beschaving en verrassende kunstvaardigheid bezitten,

schijnen andere Eskimostammen, die onder minder gunstige omstandigheden

leven,—zooals bovenal het grootste gedeelte van stammen aan de westkust

van Groenland,—gedegenereerd. Tegenwoordig zijn de Eskimo’s van de

Indianen in het zuiden en de Mongolen in het westen scherp gescheiden;

hun uitbreiding moet echter vroeger veel grooter zijn geweest dan thans

[469]; zij moeten volgens Soren Hanssen als laatste overblijfsel van

een oorspronkelijk Amerikaansch ras worden beschouwd, waarvan de

voorvaders met de tegenwoordige Papoea’s verwant waren. Dit

oorspronkelijke ras verspreidde zich over geheel Amerika, en nog thans

bestaan er enkele onvermengde overblijfselen van. Dit is de oorzaak van

de verrassende gelijkenis tusschen de Eskimo’s en enkele

Indianenstammen (o.a. van Zuid-Amerika). Dit oorspronkelijke

Amerikaansche ras heeft later voor een ander ras moeten wijken, dat

allengs naar het zuiden doordrong en zich met de oudere bevolking

vermengde, uit welke vermenging de roodhuiden ontstonden, die in hun

uiterlijk en oorsprong veel minder één zijn dan men gewoonlijk

aanneemt. Door dit gemengde ras werden de Eskimo’s naar het noorden

gedrongen, hoewel ook zij eenigszins met het ingedrongen ras zijn

vermengd.

De Markies de Saporta schrijft echter sommige in Mexico en de

Vereenigde Staten gevonden vuursteenwerktuigen toe aan het ras van

Chelles (of Cannstatt), dat volgens hem gelijktijdig in Europa en in

Amerika als oudste bevolking optrad.

(6) Vergelijk de fraaie kaart, gevoegd bij Deel I van „Insulinde: het

Land van den Orang-oetan en den Paradijs-vogel”, door A. R. Wallace,

Ned. vert. van Prof. P. J. Veth, 1870. De grenslijn tusschen de beide

menschenrassen ligt echter iets oostelijker dan die tusschen de

zoölogische gewesten, hetgeen, volgens de zeer aannemelijke verklaring

van Wallace, is toe te schrijven aan de zucht van het Maleische ras

voor de zeevaart en zijn hoogere ontwikkeling, waardoor het in staat

werd gesteld zich over een deel van het aangrenzend gebied te

verbreiden en de oorspronkelijke Papoea-bevolking te verdringen.

Dr. K. Martin, Hoogleeraar te Leiden, hield voor eenige jaren bij

gelegenheid der koloniale tentoonstelling te Amsterdam eene

redevoering, getiteld: „Wissenschaftliche Aufgaben, welche der

geologischen Erforschung des Indischen Archipels gestellt sind”, waarin

hij o.a. zocht aan te toonen, dat Wallace ten onrechte beweerde, dat de

grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische zoölogische

gewest van Insulinde met de oorspronkelijke grens tusschen het

Aziatische en Australische vasteland samenvalt.

Dr. H. van Cappelle („Over de grenslijn van Wallace”, Album der Natuur

1886, blz. 299) is van het zelfde gevoelen, en komt tot het besluit,

dat het als hoogstwaarschijnlijk kan worden aangenomen:

1o. dat de grenslijn van Wallace niet als een continentale grens moet

worden beschouwd; dat deze laatste zeer waarschijnlijk met de door den

Indischen Archipel loopende reeks vulkanen samenvalt.

2o. dat de soorten van Australisch type, die men op de oostelijk van

genoemde grenslijn gelegen eilanden aantreft, deze laatste niet

oorspronkelijk bewoonden, doch er zich eerst later over hebben

verspreid, toen de toenadering van het Australische tot het Aziatische

continent hoe langer hoe grooter werd.

Is dit juist, dan verklaart zich het feit, dat de grenslijn tusschen de

beide menschenrassen iets oostelijker ligt dan die tusschen de

zoölogische gewesten, op nog eenvoudiger wijze, namelijk doordat de

strijdbaarder Maleiers zich niet door de minder strijdbare Papoea’s

lieten terugdringen, gelijk de Aziatische fauna door de Australische.

De verdringing der dier- en plantsoorten van het groote vasteland van

Azië door die van het kleine vasteland van Australië is echter in

strijd met wat wij in Amerika, Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland zien

gebeuren, waar de inlandsche soorten voor de uit het grootere vasteland

(Europa-Azië) ingevoerde terugwijken!

(7) Daar de eigenlijke Eskimo’s slechts in de poollanden van Amerika

voorkomen, is dit alleen waar, als men de Mongoloïdische bewoners der

noordelijke poolstreken van Azië en Europa de Kamschadalen,

Tschoektschen, Koriaken, Joekagiren, Toengoezen, Ostiaken, Samojeden,

Laplanders enz. met hen tot een „Arctisch ras” vereenigt. Deze volken

worden echter, evenals de Eskimo’s, door de meeste schrijvers als

takken van het Mongoolsche ras beschouwd. In taalkundig opzicht

schijnen van al de genoemde volken alleen de Kamschadalen en

Tschoektschen met de Eskimo’s verwant te zijn.

(8) In het Duitsche tijdschrift „Globus”, Bd XVII, N°. 1, blz. 10,

vinden wij in een artikel van Karl Andree, „Zur Kennzeichnung der

Mischlinge aus verschiedenen Menschenracen”, het volgende over de

bastaarden tusschen blanken en van Diemenslanders en Nieuw-Hollanders

opgeteekend: „Met recht noemt Bonwick hen in zijn, aan onze lezers

bekend werk over het uitsterven der van Diemenslanders „ongelukkige

voortbrengselen van den omgang in de struiken”, die slechts zelden bij

den stam der zwarten eenigen tijd in het leven blijven. Dikwijls neemt

de moeder, daar zij haar schande wil verbergen, een middel te baat om

het schepsel voor de geboorte te vermoorden; baart zij echter een kind,

dan bezorgt een bloedverwant daaraan door een knotsslag een

vroegtijdigen dood. Al beweerde een uitnemend anthropoloog, Broca te

Parijs, vroeger eens, dat het vermoorden der Nieuw-Hollandsche mulatten

een fabel en de uitroeiing der half-bloedigen door de zwarten

onnatuurlijk was, men is nu sinds lang beter onderricht kunnen worden.

Dr. Story, die langen tijd een stam van van Diemenslanders gadesloeg,

vond onder hen geen enkelen bastaard. Ook op het vasteland van

Nieuw-Holland zijn halfbloed-kinderen zeer zeldzaam geweest; de

zendeling Schmidt in Queensland weet, „dat het een regel was, die

dadelijk na de geboorte om te brengen.” Robinson en andere voorsprekers

der inboorlingen getuigen, dat in de streek van Port Philip volkomen

het zelfde het geval was. Tegenwoordig, nu de geboorte van een kind bij

de Nieuw-Hollanders over het algemeen tot de zeldzaamheden behoort,

heeft men, wel is waar, nu en dan een halfbloed-kind in het leven

gelaten en zulk een geel voortbrengsel wel eens met een zekeren trots,

of ook wel eens met een zekeren galgenhumor aan de blanken getoond.

„That my picaninny,—you gib it sixpence?” zeide een zwarte lachend tot

den heer Bonwick. Parker, een voorspreker der inboorlingen, getuigt

echter, „dat ook die kinderen, ingeval men ze tot den manbaren leeftijd

laat leven, dan op geheimzinnige wijze verdwijnen.

„De blanke, Christelijke vaders hebben zich steeds zeer onverschillig

omtrent hun bastaarden getoond. De heer Karl Vogt heeft dit betwijfeld;

maar Bonwick wederlegt hem met feiten.

„De heer G. A. Murray, politiemagistraat aan de rivier Murrumbidgee,

werd officiëel verwittigd, dat elf halfbloed-knapen door de zwarten

waren vermoord en dat men elk hunner op een afzonderlijk vuur tot asch

had verbrand. Hij reed naar de hem aangewezen plaats, zag de

overblijfselen van het vuur, doorzocht de asch en vond nog brokstukken

van menschenbeenderen. In zijn procesverbaal merkt hij op, dat men in

zijn district de halfbloed-meisjes somtijds in leven laat, doch de

jongens zonder uitzondering doodt; de eersten worden slechts geduld, om

als gemeenschappelijk goed aan de mannen van den stam tot bevrediging

hunner dierlijke lusten te strekken, en tegen geld aan blanke mannen te

worden prijsgegeven.”

In het eerste nummer van de „Memoirs of the Literature of the Imperial

University of Japan”, komt een belangrijke verhandeling voor van R. H.

Chamberlain over de Aino’s, de oorspronkelijke bevolking van Japan, die

thans nog op het eiland Jesso voorkomt en buitengewoon harig is. Bij

vermenging met Japanneezen zijn zij weinig vruchtbaar en de bastaarden

sterven uit, hetgeen er volgens Chamberlain op wijst, dat ook bij het

menschdom een neiging bestaat om zich in ware „soorten” te splitsen.

(9) Vergelijk echter onze aanteekening in Deel II, blz. 197, van „Het

Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”

(10) Hier wordt gedoeld op het eiland Pitcairn, dat in het jaar 1790

werd bevolkt door een deel der oproerige bemanning van het Engelsche

schip de „Bounty”, bij welke zich eenige inboorlingen van Tahiti hadden

gevoegd. Bij hun aankomst waren zij 15 mannen en 12 vrouwen sterk. Ten

gevolge van twisten tusschen de Engelschen en de Tahitiërs stierven al

deze personen, behalve twee Engelschen, Adams en Young genaamd, en

eenige vrouwen uit Tahiti, een gewelddadigen dood. Van deze weinige

overgeblevenen is de geheele bevolking van Pitcairn en het eiland

Norfolk afkomstig, omtrent welke Darwin blz. 359 eenige nadere

bijzonderheden mededeelt.

(11) Deze kenmerken hebben vooral betrekking op de geslachtsdeelen. Zoo

zijn de kleine schaamlippen (nymphae) bij de Hottentotsche vrouwen

aanmerkelijk verlengd (tot meer dan 2 decimeter toe) en vormen het

bekende tablier. Verder ontbreekt bij haar het frenulum, zoodat elke

groote schaamlip in de overeenkomstige bil overgaat, zooals o.a. door

een praeparaat op het museum te Breslau wordt aangetoond. Deze

inrichting, die derhalve bij een der laagste menschenrassen normaal

voorkomt, vertoont zich soms ook bij Europeesche pasgeboren kinderen

(als atavisme?). Vergelijk Hyrtl, „Handboek der Top. Ontleedkunde”,

Ned. vert. van Hanlo, 2de druk, deel II, blz. 147 en 150. Ook

onderscheiden zich de Hottentotsche en Bosjesmannen-vrouwen door haar

zoogenaamde steatopygie, d.i. door verbazend groote vetkussens die zich

bij haar, vooral nadat zij kinderen hebben gehad, op de billen

ontwikkelen. Zie Virey, „Histoire Naturelle du Genre Humain”, tome I,

pl. 2.

Over deze zoogenaamde steatopygie van de vrouwen der Hottentotten en

Bosjesmannen hebben J. Deniker en P. Topinard [470] onderzoekingen

ingesteld bij gelegenheid, dat er vertegenwoordigers dier beide rassen

in den acclimatatietuin te Parijs te zien waren. Volgens Deniker komt

de steatopygie bij alle Hottentotsche vrouwen voor, maar in

verschillende graden van ontwikkeling. De vetafzetting begint geregeld

eerst aan het bovenste achterste gedeelte der billen, daarop strekt zij

zich verder over de zijdelingsche gedeelten en naar onderen, en ook

over de aan de trochanters van het dijbeen grenzende streek uit.

Verderop ontwikkelt zich fibreus weefsel, dat aan het vetkussen van het

onderste gedeelte der billen ten steun strekt. De steatopygie blijft in

den regel zelfs bestaan, als het individu overigens vermagert. Bij

Kaffervrouwen komt de steatopygie evenmin voor als bij blanke vrouwen;

bij de eersten bedraagt het uitsteken der billen slechts 3,6% der

geheele lichaamslengte (bij Europeesche vrouwen 3,4%), en bij twee

vrouwen van Bosjesmannen daarentegen 8,5%, bij ééne Hottentotsche vrouw

zelfs 10%. Evenals Deniker beschouwt Topinard de steatopygie als een

monsterachtigen vergrooting der billen, die niet slechts massiever en

van grooteren omvang dan gewoonlijk zijn, maar ook den indruk maken,

alsof zij naar boven omgebogen waren. Zij vormen van boven een

horizontaal vlak, waarop groote voorwerpen gemakkelijk kunnen liggen.

Naar onderen eindigen de steatopyge billen plotseling met een

huidplooi. Bij enkele Hottentotsche vrouwen strekt zich de hypertrophie

en vetontwikkeling over de geheele beenen uit tot aan de enkels, waar

zij met een ringvormige opzwelling eindigen. Zulk een persoon ziet er

dan uit alsof zij een wijde, geplooide broek aan had. Volgens Topinard

is het niet onwaarschijnlijk, dat de steatopygie bij de vrouwen der

Hottentotten en Bosjesmannen door seksueele teeltkeus is ontstaan, daar

de mannen bij die volken een voorliefde voor vrouwen met sterk

ontwikkelde billen hebben, terwijl deze laatsten door melkdiëet en

volstrekte rust de vetontwikkeling trachten te bevorderen.

Dr. M. Alsberg, die in „Humboldt” van Juni 1890 een referaat over

Deniker’s en Topinand’s onderzoekingen geeft, en zich vele jaren in

Zuid-Afrika ophield, verklaart de steatopygie door de gewoonte der

bedoelde vrouwen om haar kinderen in rijdende positie op de billen, of

daarop vastgebonden te dragen. Dan zouden wij hier een erfelijke

verworven eigenschap hebben, daar toch wel niemand zal aannemen, dat

zich in ééne generatie bij vrouwen van ander ras, die aldus de kinderen

droegen, steatopygie zou ontwikkelen.

Tusschen de steatopygie en de eeltplekken op de billen van sommige apen

zou volgens Topinard geen verband bestaan.

Topinard heeft nog een andere tot dusver nauwelijks opgemerkte

bijzonderheid van de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten

beschreven. Vóór, buiten en iets boven den trochanter vindt men bij

haar namelijk een afgeronde opzwelling, die langzamerhand in de

aangrenzende deelen overgaat en tevens den omvang der heupen

aanmerkelijk vergroot. De geheele aesthetische indruk dien de vorm

eener vrouw maakt, gaat hierdoor verloren. Terwijl bij de volwassen

Europeesche vrouw de romp op de hoogte der schouders de grootste

breedte bezit, is bij de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten het

gedeelte tusschen de taille en het benedenste gedeelte der dijen het

breedst. Toch bezitten die vrouwen een even smal bekken als de vrouwen

der meeste lagere rassen, zoodat die in onze oogen wanstaltige vorm

door de ontwikkeling der weeke deelen wordt veroorzaakt.

(12) Virey onderscheidt het menschelijk geslacht in twee soorten, die

zes rassen omvatten. De eerste soort, die zich o.a. door een

gelaatshoek van 85° tot 90° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het blanke

ras (Europeanen en Oosterlingen), 2o. het gele ras (Kalmukken en

Mongolen), 3o. het koperkleurige ras (Amerikanen), 4o. het bruine ras

(Maleiers). De tweede soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van

75°–80° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het zwarte ras (Negers,

Kaffers), 2o. het zwartachtige ras (Hottentotten, Papoea’s). Het is dus

eigenlijk onjuist om te zeggen, dat volgens Virey de mensch twee

soorten of rassen zou vormen. Vergelijk: Virey „Histoire Naturelle du

Genre Humain”, Livr. I, Sect. II, Art. 3.

(13) De nieuwste ons bekende indeeling is die van Haeckel („Natürliche

Schöpfungsgeschichte”). Haeckel neemt de volgende twaalf hoofdrassen of

menschensoorten aan: 1o. het Papoearas (Homo Papua); 2o. het

Hottentotsche ras (Homo Hottentotus); 3o. het Kafferras (Homo Cafer);

4o. het Negerras (Homo niger); 5o. het Maleische ras (Homo Malayus), de

eigenlijke Maleiers en Sundanesiërs omvattende; 6o. het Mongoolsche ras

(Homo mongolicus); 7o. het Poolras (Homo arcticus), de Eskimo’s en de

bewoners van Noord-oostelijk Azië (niet die van Noordwestelijk Azië en

Noord-Europa) omvattende; 8o. het Amerikaansche ras (Homo Americanus),

de oorspronkelijke inwoners van Amerika, met uitzondering der Eskimo’s,

omvattende; 9o. het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras (Homo

australis) [471]; 10o. het Dravida-ras (Homo Dravida), gevormd door de

niet-Arische oorspronkelijke bewoners van Voor-Indië (Dekhanvolken) en

Ceylon; 11o. Het Nubische ras (Homo Nuba), gevormd door de eigenlijke

Nubiërs, die de landen aan den Boven-Nijl (Dongola, Schangalla,

Barabra, Kordofan) bewonen, en door de Foela’s of Fellata’s (ook Peul,

Poehl, Poelar, Foehl, Foelbe, Foelan, Fallah, Fellan of Fellatin

genaamd), die een breede strook land ten zuiden van de westelijke

Sahara bewonen, roodbruin van kleur zijn en volstrekt niet met de

negers moeten worden verward; 12o. het Middellandsche ras (Homo

mediterraneus), overeenkomende met het Kaukasische ras van andere

schrijvers, en uit de Ariërs of Indo-Germanen, de Semieten, de oude

Egyptenaren (Kopten), de Basken, de Berbers (Kabylen, Guanchen), en de

eigenlijke Kaukasische volken (Daghestaners, Circassiërs, Mingreliërs

en Georgiërs) bestaande. Op blz. 749 van de achtste uitgaaf van

Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men het volgende

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 83 / 111 题