OVER DE MENSCHENRASSEN.

De aard en waarde van soortkenmerken. Toepassing op de

menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der

zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten

(Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van

kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest

tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den

mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras

stamt niet af van een enkel paar.—Het uitsterven van rassen.—Het

ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed

van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke

teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele

teeltkeus.

Het is mijn voornemen niet hier de onderscheidene zoogenaamde

menschenrassen te beschrijven; maar te onderzoeken, welke de waarde der

tusschen dezelve bestaande verschillen is uit het oogpunt der

klassificatie en op welke wijze zij zijn ontstaan. Bij het bepalen, of

twee of meer verwante vormen moeten worden beschouwd als soorten of als

verscheidenheden, worden de natuuronderzoekers geleid door de volgende

overwegingen, te weten: de hoegrootheid van het verschil tusschen hen;

of die verschillen op weinige of op vele punten van het maaksel

betrekking hebben; of die verschillen uit een physiologisch oogpunt

belangrijk, en of zij standvastig zijn. Vooral de standvastigheid der

kenmerken wordt door de natuuronderzoekers op hoogen prijs gesteld en

gezocht. Zoodra kan worden aangetoond, of het waarschijnlijk is, dat de

vormen die men onderzoekt, gedurende een lang tijdvak onveranderd zijn

gebleven, wordt dit een bewijsgrond van veel gewicht om ze als soorten

te beschouwen. Zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid tusschen

twee vormen, als men ze kruist, of tusschen hun bastaarden, wordt

algemeen beschouwd als een beslissend bewijs, dat het twee

afzonderlijke soorten zijn; en hun voortdurend bestaanblijven in een

zelfde streek, zonder dat zij zich met elkander vermengen, wordt

gewoonlijk beschouwd als genoegzaam bewijs, hetzij van een zekere mate

van wederkeerige onvruchtbaarheid, of bij dieren van een zekeren afkeer

om met elkander te paren.

Onafhankelijk van het ontstaan van bastaarden door kruising, is het

volkomen ontbreken in een goed doorzochte streek van verscheidenheden

die twee nauw verwante vormen met elkander verbinden, waarschijnlijk

het belangrijkste van alle kriteria van hun soortelijk verschil; en dit

is een overweging die eenigszins verschilt van eenvoudige bestendigheid

van kenmerken; want twee vormen kunnen hoogst veranderlijk zijn, zonder

daarom nog tusschen hen beide instaande verscheidenheden voort te

brengen. De geographische verspreiding is dikwijls onbewust en soms ook

met opzet in aanmerking genomen; want gewoonlijk beschouwt men vormen

die in twee ver van elkander gelegen gebieden leven, waarin de meeste

andere bewoners soortelijk verschillend zijn, eveneens als

verschillende soorten; maar in wezenlijkheid helpt ons dit niet om

geographische rassen van zoogenaamde goede of ware soorten te

onderscheiden.

Laten wij nu deze algemeen aangenomen beginselen op de rassen van den

mensch toepassen, hen in den zelfden geest beschouwende als een

natuuronderzoeker dit elk ander dier zou doen. Wat de hoegrootheid van

het verschil tusschen de rassen aangaat, moeten wij eenigszins in

rekening brengen, dat ons onderscheidingsvermogen daarvoor vrij wat is

verscherpt door de langdurige gewoonte om op ons zelven te letten.

Hoewel in Indië, zooals Elphinstone opmerkt [396], een pas aangekomen

Europeaan eerst de verschillende rassen van inboorlingen niet van

elkander kan onderscheiden, schijnen zij hem toch weldra uiterst

ongelijk; en de Hindoe kan eerst volstrekt geen onderscheid zien

tusschen de verschillende Europeesche volken. (1) Zelfs de het meest

van elkander afwijkende menschenrassen, zekere neger-stammen

uitgezonderd, gelijken in vorm veel meer op elkander, dan men a priori

zou onderstellen. Dit wordt goed bewezen door de Fransche photogrammen

van menschen, tot verschillende rassen behoorende, in de „Collection

Anthropologique du Muséum”, waarvan de meesten, gelijk vele personen,

aan wie ik ze toonde, hebben opgemerkt, voor Europeanen zouden kunnen

doorgaan. Desniettegenstaande zouden die menschen, als men ze levend

zag, ongetwijfeld zeer verschillend schijnen, zoodat klaarblijkelijk

eenvoudig de kleur van het vel en haar, geringe verschillen in de

gelaatstrekken en de uitdrukking daarvan grooten invloed op ons oordeel

uitoefenen.

Het valt echter niet te betwijfelen, dat de verschillende rassen, als

men ze zorgvuldig vergelijkt en meet, veel van elkander

verschillen,—zooals in den aard van het haar (2), de betrekkelijke

verhoudingen van alle deelen van het lichaam [397], de grootte der

longen, den vorm en de grootte van den schedel en zelfs in de

hersenwindingen. [398] (3) Het zou echter een eindelooze taak zijn om

de punten, waarin hun maaksel verschilt, op te noemen. De rassen

verschillen ook in gestel, in geschiktheid tot het wonen onder een

bepaald klimaat, en in vatbaarheid voor verschillende ziekten. Hun

geestelijke kenmerken zijn ook zeer onderscheiden, zooals vooral blijkt

uit den aard hunner gemoedsaandoeningen, maar gedeeltelijk ook uit hun

verstandelijke vermogens. Iedereen, die de gelegenheid tot vergelijking

heeft gehad, moet getroffen zijn door het kontrast tusschen de

stilzwijgende, ja, zelfs norsche inboorlingen van Zuid-Amerika en de

luchthartige, babbelachtige negers. Ongeveer het zelfde kontrast

bestaat er tusschen de Maleiers en Papoea’s [399], die onder de zelfde

physische voorwaarden leven, en slechts door enge zeearmen van elkander

worden gescheiden.

Wij zullen eerst de bewijsgronden beschouwen, die men kan aanvoeren ten

gunste der meening, dat de menschenrassen als afzonderlijke soorten

behooren te worden gerangschikt, en daarna die, welke daartegen

pleiten. Indien een natuuronderzoeker, die nooit te voren zulke wezens

had gezien, een Neger, Hottentot, Nieuw Hollander of Mongool met

elkander moest vergelijken, zou hij dadelijk bespeuren, dat zij in een

menigte van kenmerken, sommige van weinig, andere van groot belang, van

elkander verschilden. Bij nader onderzoek zou hij vinden, dat zij

ingericht waren om in zeer verschillende klimaten te leven, en dat zij

een weinig in lichaamsgestel en geestelijken aanleg verschilden. Indien

men hun dan zeide, dat honderden dergelijke voorwerpen uit de zelfde

landen konden worden overgebracht, zou hij zeker verklaren, dat zij

even goede soorten waren, als vele waaraan hij gewoon was geweest

bepaalde soortnamen te geven. Dit besluit zou zeer worden versterkt,

zoodra hij zich had overtuigd, dat deze vormen alle gedurende vele

eeuwen de zelfde kenmerken hadden behouden, en dat negers, blijkbaar

volkomen gelijk aan de thans bestaande negers, reeds voor minstens 4000

jaar hadden geleefd. [400] Hij zou ook van een uitnemend waarnemer, Dr.

Lund [401], hooren, dat de menschelijke schedels, in de holen van

Brazilië gevonden, begraven in gezelschap van die van vele uitgestorven

zoogdieren, tot het zelfde type behoorden als die welke thans over het

geheele Amerikaansche vasteland heerscht. (5)

Onze natuuronderzoeker zou dan wellicht overgaan tot de geographische

verspreiding, en hij zou dan waarschijnlijk verklaren, dat vormen die

niet slechts in uiterlijk verschilden, maar pasten voor de heetste en

vochtigste of droogste landen, zoowel als voor de poolstreken,

soortelijk verschillend moesten zijn. Hij zou zich kunnen beroepen op

het feit, dat in de groep welke het nauwst met den mensch verwant is,

namelijk de apen, geen enkele soort een lage temperatuur of eenige

aanmerkelijke klimaatsverandering kan weêrstaan en dat men er nimmer in

is geslaagd om die soorten welke den mensch het meest nabijkomen, zelfs

in het gematigde klimaat van Europa tot hun volwassen leeftijd toe in

leven te houden. Het feit, dat het eerst door Agassiz is opgemerkt

[402], dat de verschillende menschenrassen over de wereld zijn

verspreid in de zelfde zoölogische gewesten als die welke door

ontwijfelbaar verschillende soorten en geslachten van zoogdieren worden

bewoond, zou een diepen indruk op hem maken. Dit is kennelijk het geval

met de Nieuw-Hollandsche, Mongoolsche en Neger-rassen; op minder sterk

sprekende wijze met de Hottentotten, maar duidelijk met de Papoea’s en

de Maleiers, die, zooals de heer Wallace heeft aangetoond, ongeveer

door de zelfde lijn worden gescheiden, welke het Indische zoölogische

gewest van Insulinde van het Australische scheidt. (6) De inboorlingen

van Amerika zijn over dat geheele vasteland verspreid en dit schijnt

eerst tegen bovenvermelden regel te strijden; want de meeste

voortbrengselen van de zuidelijke en de noordelijke helft verschillen

zeer; eenige weinige levende vormen, zooals de buidelratten of

opossums, gaan echter van de eene in de andere over, evenals vroeger

sommige reusachtige Tandelooze Dieren (Edentata) deden. De Eskimo’s

strekken zich, evenals andere pooldieren, rondom over de geheele

poolstreek uit. (7) Men moet bedenken, dat de zoogdiervormen die de

verschillende zoölogische gewesten bewonen, niet in de zelfde mate van

elkander verschillen, zoodat het moeielijk als een tegenstrijdigheid

kan worden beschouwd dat de Neger meer en de inboorlingen van Amerika

veel minder van de andere menschenrassen verschillen dan de zoogdieren

der zelfde vastelanden van die van de andere gewesten. Men mag er

bijvoegen, dat de mensch oorspronkelijk geen enkel oceanisch eiland

schijnt te hebben bewoond; en in dit opzicht gelijkt hij op de andere

leden van zijn klasse.

Om te bepalen of de verscheidenheden van een of ander huisdier als

soortelijk verschillend moeten worden gerangschikt, dat is, of eene of

meer daarvan van een afzonderlijke wilde soort afstammen, zou elk

natuuronderzoeker veel gewicht hechten aan het feit, zoo dit was

bewezen, dat hun uitwendige parasieten soortelijk verschilden. Des te

meer gewicht zou aan dit feit worden gehecht, daar het geheel

exceptioneel zou zijn; want de heer Denny heeft mij medegedeeld, dat de

verschillende rassen van honden, en evenzoo die van kippen en van

duiven, in Engeland door de zelfde soorten van luizen (Pediculi) worden

geplaagd. Nu heeft de heer A. Murray zorgvuldig de luizen onderzocht in

verschillende landen op de verschillende menschenrassen verzameld

[403]; en bevonden, dat zij niet slechts in kleur, maar ook in het

maaksel hunner klauwen en ledematen verschilden. In elk geval, waarin

talrijke voorwerpen werden verkregen, waren de verschillen standvastig

(constant). De scheepsdokter van een walvischvaarder in den Stillen

Oceaan verzekerde mij, dat, wanneer de luizen, waarvan sommige

Sandwich-eilanders aan boord krioelden, op de lichamen van de Engelsche

matrozen verdwaalden, zij binnen den tijd van drie of vier dagen

stierven. Deze luizen waren donkerder gekleurd dan en schenen

verschillend van die der inboorlingen van Chili in Zuid Amerika,

waarvan hij mij voorwerpen gaf. Deze schenen op haar beurt grooter en

veel zachter dan Europeesche luizen. De heer Murray verschafte zich

vier soorten uit Afrika, namelijk van de Negers van de Oost- en

Westkust, van de Hottentotten en de Kaffers; twee soorten van de

inboorlingen van Nieuw-Holland, en twee uit Zuid-Amerika. In deze

laatste gevallen mag men veronderstellen, dat de luizen afkomstig waren

van inboorlingen die verschillende streken bewoonden. Bij insekten

beschouwt men geringe afwijkingen van maaksel, als zij standvastig

(constant) zijn, algemeen als soortkenmerken; en het feit, dat de

menschenrassen worden geplaagd door parasieten die soortelijk van

elkander verschillen, kan men gerust doen gelden als een uitnemend

bewijs, dat die rassen zelven als afzonderlijke soorten moeten worden

gerangschikt.

Wanneer onze onderstelde natuuronderzoeker zoover met zijn onderzoek

was gevorderd, zou hij vervolgens onderzoeken, of de menschenrassen,

als zij zich met elkander kruisten, in meerdere of mindere mate

onvruchtbaar waren. Hij zou dan het werk [404] van een behoedzaam en

wijsgeerig waarnemer, Professor Broca, kunnen raadplegen, en zou daarin

goede bewijzen vinden, dat sommige rassen volkomen vruchtbaar met

elkander waren, maar ook bewijzen van tegenovergestelden aard ten

opzichte van andere rassen. Zoo heeft men verzekerd, dat de vrouwelijke

inboorlingen van Nieuw-Holland en van Diemensland zelden kinderen

voortbrengen bij Europeesche mannen; het is tegenwoordig echter

gebleken, dat de bewijzen hiervoor bijna volstrekt geen waarde hebben.

De bastaarden worden door de zwarten van onvermengd bloed gedood, en

onlangs is een verhaal publiek gemaakt van elf bastaarden,

tegelijkertijd vermoord en verbrand en wier overblijfselen door de

politie werden gevonden. [405] (8) Men heeft ook wel beweerd, dat

mulatten, als zij met elkander huwen, weinig kinderen voortbrachten;

Dr. Bachman van Charleston [406] verzekert daarentegen ten stelligste,

dat hij mulattenfamilies heeft gekend, die gedurende verscheidene

generaties onderling waren gehuwd, en voortdurend gemiddeld even

vruchtbaar waren als zuivere blanken of zuivere zwarten.

Onderzoekingen, weleer hieromtrent door Sir C. Lyell ingesteld, leidden

hem, naar hij verzekert, tot het zelfde besluit. In de Vereenigde

Staten omvatte de volkstelling voor het jaar 1854, volgens Dr. Bachman,

405 751 mulatten; en dit getal schijnt, alle omstandigheden in

aanmerking genomen, klein; maar dit kan wellicht gedeeltelijk worden

toegeschreven aan hun lage en onregelmatige plaats in de maatschappij

en aan de losbandige levenswijze der vrouwen. De mulatten moeten zich

voortdurend in zekere mate in de negers oplossen, en dit moet leiden

tot een schijnbare vermindering van het aantal der eersten. In een werk

dat vertrouwen verdient [407], wordt van de mindere levenskracht der

mulatten als van een bekend feit gesproken; maar dit is iets geheel

anders dan hun verminderde vruchtbaarheid en kan moeilijk worden

beschouwd als een bewijs voor het soortelijk verschil der stamrassen.

Ongetwijfeld zijn zoowel dierlijke als plantaardige bastaarden, wanneer

zij zijn voortgebracht door uiterst verschillende soorten, onderhevig

aan een vroegen dood; maar de ouders van mulatten kunnen niet tot de

categorie van uiterst verschillende soorten worden gebracht. Het gewone

muildier, zoo bekend wegens zijn lang leven en kracht, en echter zoo

onvruchtbaar, toont, hoe weinig noodzakelijk verband er bij bastaarden

bestaat tusschen verminderde vruchtbaarheid en levenskracht; andere

soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.

Zelfs wanneer het later zou worden bewezen, dat alle menschenrassen

volkomen vruchtbaar met elkander waren, zou hij, die wegens andere

redenen er toe overhelde om ze als verschillende soorten te beschouwen,

terecht kunnen aanvoeren, dat vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid geen

veilige kenteekenen van soortelijk verschil waren. Wij weten, dat

veranderde levensvoorwaarden of huwelijken tusschen bloedverwanten

gemakkelijk op deze hoedanigheden inwerken en dat zij worden beheerscht

door zeer samengestelde wetten, bij voorbeeld die van ongelijke

vruchtbaarheid van wederkeerige kruisingen tusschen de twee zelfde

soorten. Bij vormen, die ontwijfelbaar als verschillende soorten moeten

worden gerangschikt, bestaat er een volledige reeks van die welke bij

kruising volkomen onvruchtbaar zijn, tot die welke bijna volkomen of

volkomen vruchtbaar zijn. De graden van onvruchtbaarheid vallen niet

volkomen samen met de graden van verschil in uiterlijk maaksel en

levenswijze. De mensch mag in vele opzichten worden vergeleken met die

dieren welke sinds langen tijd zijn getemd, en men kan een menigte

bewijzen bijbrengen ten gunste van de leer van Pallas [408], dat de

temming een neiging doet geboren worden tot opheffing der

onvruchtbaarheid, die zoo algemeen wordt waargenomen bij de kruising

van soorten in den natuurstaat. Uithoofde dezer verschillende

overwegingen zou men terecht kunnen aanvoeren, dat de volkomen

onvruchtbaarheid bij de kruisingen tusschen de verschillende

menschenrassen, als zij was bewezen, ons nog niet volkomen zou beletten

om ze als verschillende soorten te beschouwen.

Onafhankelijk van de vruchtbaarheid, heeft men soms gemeend, dat de

aard van het kroost dat uit een kruising ontstaat, bewijzen leverde, of

de stamvormen als soorten of als verscheidenheden moesten worden

gerangschikt; maar na die bewijzen zorgvuldig te hebben bestudeerd, ben

ik tot het besluit gekomen, dat dergelijke algemeene regels geen

vertrouwen verdienen. Het gewone resultaat van een kruising is het

voortbrengen van een gemengden of tusschenliggenden vorm, maar in

sommige gevallen gelijken sommige nakomelingen zeer op den éénen

ouderlijken vorm, en andere op den anderen. Dit is vooral het geval,

wanneer de ouders verschillen in kenmerken, die eerst als plotselinge

variaties of monstruositeiten zijn verschenen. [409] Ik wijs hierop

omdat Dr. Rohlfs mij mededeelt dat hij in Afrika dikwijls heeft gezien

dat de kinderen uit een kruising van negers met andere rassen, hetzij

volkomen zwart of geheel blank of enkele malen zwart en wit gevlekt

waren. Daarentegen is het algemeen bekend, dat in Amerika de mulatten

tusschen die der stamrassen in liggende kenmerken vertoonen.

Wij hebben nu gezien, dat een natuuronderzoeker zich volkomen

gerechtigd zou mogen gevoelen om aan de menschenrassen den rang van

afzonderlijke soorten toe te kennen; want hij heeft bevonden, dat zij

zich onderscheiden door vele verschillen in maaksel en gesteldheid,

waarvan sommige belangrijk zijn. Deze verschillen zijn ook gedurende

zeer lange tijdperken bijna onveranderd (constant) gebleven. De

verbazende verbreiding van den mensch, die een groote uitzondering is

in de klasse der zoogdieren, zoo de mensch als een enkele soort wordt

beschouwd, zal ook eenigermate invloed op zijn besluit hebben gehad.

Hij zal getroffen zijn door de verdeeling der verschillende zoogenaamde

rassen over verschillende gewesten, in verband met die van andere

ongetwijfeld soortelijk van elkander verschillende zoogdieren.

Eindelijk zou hij er op kunnen wijzen, dat de wederzijdsche

vruchtbaarheid van alle rassen nog niet volkomen is bewezen, en zelfs

als zij was bewezen, nog geen volstrekt (absoluut) bewijs zou zijn, dat

zij tot een enkele soort behoorden.

Laten wij thans de zaak uit een tegenovergesteld oogpunt beschouwen.

Als onze onderstelde natuuronderzoeker onderzocht, of de vormen van den

mensch evenals gewone soorten onverbasterd naast elkander bleven

voortbestaan, als zij in een en het zelfde land in groot aantal

dooreengemengd leefden, zou hij dadelijk ontdekken, dat dit geenszins

het geval is. In Brazilië zou hij een hoogst talrijke bastaardbevolking

van Negers en Portugeezen zien; in Chili en andere deelen van

Zuid-Amerika zou hij zien, dat de geheele bevolking bestond uit

Indianen en Spanjaarden in verschillende graden met elkander gekruist.

[410] In vele deelen van het zelfde vasteland zou hij de meest

samengestelde kruisingen tusschen Negers, Indianen en Europeanen

ontmoeten, en dergelijke driedubbele kruisingen leveren, naar het

Plantenrijk te oordeelen, het sterkste bewijs voor de wederkeerige

vruchtbaarheid der stamvormen. Op één eiland in den Stillen Oceaan zou

hij een kleine bevolking van gemengd Polynesisch en Engelsch bloed

aantreffen (10); en in den Fidji-archipel een bevolking van in alle

graden met elkander gekruiste Polynesiërs en Negrito’s. Vele

overeenkomstige gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd, bij

voorbeeld, in Zuid-Afrika. Derhalve zijn de menschenrassen niet

verschillend genoeg om zonder vermenging naast elkander te blijven

bestaan; en dit is het, dat in alle gewone gevallen het gebruikelijke

bewijs levert van soortelijk verschil.

Onze natuuronderzoeker zou ook zeer in de war geraken, als hij

bemerkte, dat de onderscheidene kenmerken van elk menschenras in hooge

mate variabel waren. Dit treft iedereen, als hij voor het eerst de

negerslaven in Brazilië ziet, die uit alle deelen van Afrika zijn

ingevoerd. De zelfde opmerking houdt steek bij de Polynesiërs en bij

vele andere rassen. Het mag worden betwijfeld, of er één kenmerk zou

kunnen worden opgenoemd, dat voor een ras onderscheidend en tevens

standvastig (constant) is. Wilden, zelfs binnen de grenzen van éénen en

den zelfden stam, zijn lang zoo eenvormig van kenmerken niet, als

dikwijls is gezegd. Hottentotsche vrouwen vertoonen eenige kenmerken

welke sterker zijn uitgedrukt dan die van eenig ander ras, en toch is

het bekend, dat deze niet standvastig voorkomen. (11) Bij de

onderscheidene Amerikaansche stammen bestaan aanmerkelijke verschillen

in kleur en behaardheid; evenals zulks bij de Afrikaansche Negers met

de kleur tot op zekere hoogte, en met den vorm der gelaatstrekken in

hooge mate het geval is. In den vorm van den schedel heerscht bij

sommige rassen zeer veel verscheidenheid [411]; en evenzoo is het met

elk ander kenmerk. Nu hebben alle natuuronderzoekers door duur gekochte

ondervinding geleerd, hoe overijld het is soorten te bepalen met behulp

van onstandvastige kenmerken.

De gewichtigste van alle bewijsgronden tegen het beschouwen van de

menschenrassen als verschillende soorten, is echter, dat zij

trapsgewijze, in vele gevallen, voor zoover wij kunnen oordeelen,

onafhankelijk van hun onderlinge kruising, door trapsgewijze overgangen

worden verbonden. De mensch is zorgvuldiger bestudeerd, dan eenig ander

organisch wezen; en toch heerscht onder bevoegde rechters het grootste

verschil van gevoelen, of hij als ééne soort of ras moet worden

beschouwd, of als twee (Virey) (12), als drie (Jacquinot), als vier

(Kant), vijf (Blumenbach), zes (Buffon), zeven (Hunter), acht

(Agassiz), elf (Pickering), vijftien (Bory St. Vincent), zestien

(Desmoulins), twee-en-twintig (Morton), zestig (Crawfurd), of als

drie-en-zestig, volgens Burke [412] (13). Dit verschillend oordeel

bewijst niet, dat de rassen niet als soorten moeten worden

gerangschikt, maar het bewijst, dat zij in elkander overgaan, en dat

het nauwelijks mogelijk is duidelijke onderscheidende kenmerken

tusschen hen te vinden.

Ieder natuuronderzoeker die het ongeluk heeft gehad om de beschrijving

te ondernemen van een groep organismen die zeer veel verscheidenheid

vertoonen, heeft gevallen ontmoet (ik spreek bij ondervinding) volkomen

gelijk aan dat van den mensch; en, indien hij voorzichtig van aard is,

zal hij ten laatste al de vormen die in elkander overgaan, tot een

enkele soort vereenigen; want hij zal tot zich zelf zeggen, dat hij

geen recht heeft om namen te geven aan voorwerpen die hij niet kan

bepalen. Gevallen van deze soort komen voor in de orde waartoe de

mensch behoort, namelijk bij zekere geslachten van apen; terwijl bij

andere geslachten, zooals bij de Meerkatten (Cercopithecus), de meeste

soorten met zekerheid kunnen worden bepaald. Bij het Amerikaansche

geslacht Cebus worden de verschillende vormen door sommige

natuuronderzoekers als soorten, door andere eenvoudig als geographische

rassen beschouwd. Indien men nu talrijke voorwerpen van Cebus uit alle

deelen van Zuid-Amerika bijeenverzamelde, en dan bevond, dat die vormen

welke tegenwoordig als soortelijk verschillend worden beschouwd, door

langzame overgangen met elkander waren verbonden, zouden zij door de

meeste natuuronderzoekers eenvoudig als verscheidenheden of rassen

worden beschouwd en zoo heeft het grootste gedeelte der

natuuronderzoekers ten opzichte der menschenrassen gehandeld. Toch moet

men bekennen, dat er vormen zijn, ten minste in het Plantenrijk [413],

die wij niet kunnen vermijden soorten te noemen, doch die,

onafhankelijk van bastaardvorming, door tallooze overgangsvormen zijn

verbonden.

Sommige natuuronderzoekers hebben in den laatsten tijd de uitdrukking

„onder-soort (sub-species)” gebruikt om vormen aan te duiden, die vele

kenmerken van ware soorten bezitten, maar toch nauwelijks op zulk een

hoogen rang aanspraak kunnen maken. Indien wij nu nadenken over de

boven vermelde gewichtige gronden om de menschenrassen tot de

waardigheid van soorten te verheffen, en aan den anderen kant aan de

onoverkomelijke moeielijkheden om hen te bepalen, zou de uitdrukking

„onder-soorten (sub-species)” hier zeer gepast kunnen worden gebruikt.

Door de lange gewoonte zal echter de uitdrukking „ras” wellicht altijd

in gebruik blijven. De keus der uitdrukkingen is slechts in zoover van

belang, als het hoogst wenschelijk is om zooveel mogelijk altijd de

zelfde uitdrukkingen te gebruiken voor de zelfde graden van verschil.

Ongelukkig is dit zelden mogelijk; want in ééne en de zelfde familie

bevatten de grootere geslachten gewoonlijk nauw verwante vormen die

slechts met veel moeite van elkander kunnen worden onderscheiden,

terwijl de kleinere geslachten vormen bevatten, die duidelijk

verschillen; toch moeten allen als soorten worden gerangschikt. Evenzoo

gelijken ook de soorten in één en het zelfde groote geslacht in geenen

deele in de zelfde mate op elkander; in de meeste gevallen kunnen

integendeel sommige van haar in kleine groepen rondom andere soorten

worden geschikt, evenals wachters om planeten. [414]

Over de vraag, of het menschdom uit ééne of uit verscheidene soorten

bestaat, hebben de anthropologen, die in twee scholen, de monogenisten

en de polygenisten, zijn verdeeld, in de laatste jaren veel

geredekaveld. Zij die het beginsel van ontwikkeling niet aannemen,

moeten de soorten beschouwen hetzij als afzonderlijke scheppingen,

hetzij als op de eene of andere wijze op zich zelven staande wezens

(„entities”); en zij moeten beslissen, welke vormen als soorten moeten

worden gerangschikt, uit de analogie van andere organische wezens welke

gewoonlijk als zoodanig worden beschouwd. Het is echter hopeloos om te

trachten dit punt op gezonde gronden te beslissen, zoolang niet de eene

of andere bepaling van de uitdrukking „soort (species)” algemeen is

aangenomen; en die bepaling behoort dan geen element te bevatten,

waaromtrent men met geen mogelijkheid zekerheid kan verkrijgen, zooals

een scheppingshandeling. Wij zouden even goed kunnen beproeven om

zonder eenige bepaling te beslissen, of een zeker aantal huizen een

dorp of een stad moet worden genoemd. Wij hebben een praktisch

voorbeeld van deze moeielijkheid in de eindelooze twijfelingen, of vele

nauw verwante zoogdieren, vogels, insekten en planten, die elkander in

Noord-Amerika en Europa vertegenwoordigen, als soorten of als

geographische rassen moeten worden beschouwd, en evenzoo gaat het met

de voortbrengselen van vele op een kleinen afstand van het naaste

vasteland gelegen eilanden.

Die natuuronderzoekers daarentegen, welke het beginsel van ontwikkeling

aannemen, en dit wordt tegenwoordig door de meeste opkomende mannen

aangenomen, zullen volstrekt niet betwijfelen, dat alle menschenrassen

uit een enkelen oorspronkelijken stam zijn gesproten, hetzij zij het,

om de hoegrootheid van het verschil tusschen die rassen aan te geven,

gepast oordeelen ze afzonderlijke soorten te noemen of niet. [415] Bij

onze huisdieren is de vraag, of de verschillende rassen uit ééne of uit

meer soorten zijn ontstaan, van een anderen aard. Hoewel al die rassen,

even goed als de natuurlijke soorten van het zelfde geslacht,

ongetwijfeld uit eenen en den zelfden oorspronkelijken stam zijn

gesproten, blijft het toch een gepast onderwerp ter bespreking, of, bij

voorbeeld, al de tamme rassen van den hond hun tegenwoordige

verschillen hebben verkregen sedert deze of gene enkele soort door den

mensch werd getemd en aangefokt, dan wel of zij sommige hunner

kenmerken zijn verschuldigd aan overerving van verschillende soorten,

die reeds in den natuurstaat waren gewijzigd.

Toen de menschenrassen zich in een uiterst lang geleden tijdperk uit

hun gemeenschappelijken stamvader in verschillende richtingen begonnen

te ontwikkelen, zullen zij slechts weinig van elkander hebben verschild

en niet zeer talrijk zijn geweest; bij gevolg zullen zij toen, voor

zoover hun onderscheidende kenmerken aangaat, minder aanspraak op den

rang van verschillende soorten hebben gehad, dan de thans bestaande

zoogenaamde rassen. Toch zouden dergelijke vroege rassen door sommige

natuuronderzoekers wellicht als verschillende soorten zijn

gerangschikt; zoo willekeurig is de uitdrukking, indien hun punten van

verschil, hoewel uiterst gering, standvastiger waren geweest dan

tegenwoordig en er geen overgangsvormen tusschen hen hadden bestaan.

Het is echter mogelijk, hoewel ver van waarschijnlijk, dat de vroege

voorouders van den mensch eerst zeer uiteenloopende kenmerken

vertoonden, totdat zij meer ongelijk aan elkander werden dan eenige der

bestaande rassen; maar dat zij vervolgens, zooals Vogt [416] heeft

vermoed, in kenmerken tot elkander naderden. Als de mensch met het

zelfde doel de jongen van twee verschillende soorten voor de teelt

uitkiest, veroorzaakt hij soms, voor zoover het algemeen uiterlijk

aangaat, een belangrijke toenadering in kenmerken. Dit is het geval,

zooals von Nathusius [417] heeft aangetoond, met de verbeterde

varkensrassen, die van twee verschillende soorten afstammen, en op

minder goed uitgesproken wijze met de verbeterde veerassen. Een groot

ontleedkundige, Gratiolet, houdt vol, dat de anthropomorphe apen geen

natuurlijke ondergroep vormen, maar dat de orang een hoog ontwikkelde

gibbon of slankaap (Semnopithecus), de chimpanzee een hoog ontwikkelde

macacus, en de gorilla een hoog ontwikkelde mandril is. Indien dit

besluit, dat bijna uitsluitend op hersenkenmerken berust, juist mocht

zijn, zouden wij hier een geval van toenadering (convergentie) ten

minste in uitwendige kenmerken hebben; want de anthropomorphen gelijken

zeker in vele punten meer op elkander, dan op andere apen. Alle

gelijkenissen die op analogie berusten, zooals die van een walvisch op

een visch, kunnen inderdaad worden gezegd gevallen van toenadering

(convergentie) te zijn; doch deze uitdrukking is nooit gebruikt voor

oppervlakkige en op geschiktwording voor een zelfde levenswijze

(adaptatie) berustende gelijkenissen. Het zou in de meeste gevallen

uiterst overijld zijn, om groote overeenkomst in vele punten van het

maaksel toe te schrijven aan toenadering (convergentie) van wezens die

eens zeer verschillend waren geweest. De vorm van een kristal wordt

alleen door moleculaire krachten bepaald, en het is niet te

verwonderen, dat ongelijksoortige zelfstandigheden somtijds den zelfden

vorm aannemen; maar bij organische wezens moeten wij bedenken, dat de

vorm van elk hunner van een oneindig aantal samengestelde betrekkingen

afhangt, namelijk van de wijzigingen die plaats hebben gehad, en welke

het gevolg zijn van veel te ingewikkelde oorzaken, dan dat men die

geheel zou kunnen doorgronden,—van den aard der wijzigingen die

behouden zijn gebleven, en deze hangt af van de omringende physische

toestanden, en in nog hooger mate van de omringende organismen waarmede

elk in wedstrijd is gekomen,—en ten laatste, van overerving (hetwelk op

zich zelf een ongestadig (fluctueerend) element is) van tallooze

voorouders waarvan de vormen op hun beurt allen door even samengestelde

betrekkingen werden bepaald. Het schijnt geheel ongeloofelijk, dat twee

organismen, indien zij werkelijk verschilden, later zoo sterk tot

elkander zouden naderen (convergeeren), dat zulks bijna volkomen

gelijkheid van hun geheele organisatie ten gevolge had. In het

bovenvermelde geval van de tot elkander naderende (convergeerende)

varkensrassen, zijn er volgens von Nathusius nog duidelijke bewijzen

van hun afstamming van twee oorspronkelijke stamvormen in zekere

beenderen van hun schedels bewaard gebleven. Indien de menschenrassen,

zooals door sommige natuuronderzoekers wordt ondersteld, van twee of

meer verschillende soorten afstamden, die zooveel of bijna zooveel van

elkander verschilden, als de orang van den gorilla, kan men nauwelijks

betwijfelen, dat werkelijke verschillen in het maaksel van sommige

beenderen nog zouden zijn aan te wijzen bij den mensch, zooals hij nu

bestaat. (14)

Hoewel de bestaande menschenrassen in vele opzichten, zooals in kleur,

haar, schedelvorm, evenredigheden van het lichaam, enz. verschillen,

zoo vindt men toch, als men hun geheele organisatie beschouwt, dat zij

in een menigte punten zeer sterk op elkander gelijken. Vele dezer

punten zijn zoo onbelangrijk en van zoo bijzonderen aard, dat het

uiterst onwaarschijnlijk is, dat zij door oorspronkelijk verschillende

soorten of rassen, onafhankelijk van elkander, zouden zijn verkregen.

De zelfde opmerking is met gelijke of grooter kracht toepasselijk op de

talrijke punten van overeenkomst in de geestelijke vermogens tusschen

de meest verschillende menschenrassen. De inboorlingen van Amerika, de

negers en de Europeanen verschillen in geestesgesteldheid evenveel van

elkander, als eenig drietal menschenrassen ter wereld; toch trof mij

telkens, terwijl ik met de Vuurlanders aan boord van de Beagle was,

hoevele kleine karaktertrekken zij bezaten, die bewezen, hoezeer hun

geest op den onzen geleek, en evenzoo ging het mij met een volbloed

neger, met wien ik eens bij toeval op vertrouwelijken voet kwam.

Het kan nauwelijks missen, of de groote gelijkheid in smaak, neigingen

en gewoonten tusschen menschen van alle rassen moet een diepen indruk

maken op ieder die de belangwekkende werken van den heer Tylor en Sir

J. Lubbock leest. [418] Die gelijkheid blijkt uit het behagen dat zij

allen scheppen in dansen, ruwe muziek, schouwspelen, schilderen,

tatoeëeren en zich op andere wijzen op te schikken,—uit hun wederkeerig

begrijpen van gebarentaal—en, gelijk ik in staat zal zijn in een

volgende verhandeling aan te toonen, uit de gelijkheid van de

uitdrukking hunner gelaatstrekken en het voortbrengen van de zelfde

ongearticuleerde kreten, als zij door verschillende gemoedsaandoeningen

worden geprikkeld. Deze overeenkomst, of liever gelijkheid, is

treffend, als men haar tegenoverstelt aan de verschillende uitdrukking

die men bij onderscheidene soorten van apen kan waarnemen. Er bestaan

goede bewijzen, dat de kunst om met boog en pijlen te schieten, niet

van eenigen gemeenschappelijken stamvader van het menschelijk geslacht

aan de nakomelingschap is overgeleverd; toch zijn de steenen

pijlpunten, van de verst van elkander verwijderde streken der wereld

aangevoerd en in de langst geleden tijdperken vervaardigd, zooals

Nilsson heeft aangetoond [419], bijna geheel aan elkander gelijk, en

dit feit kan alleen worden verklaard door de gelijksoortigheid van de

uitvindende of verstandelijke vermogens der verschillende rassen. De

zelfde opmerking is door de oudheidkundigen [420] gemaakt ten opzichte

van zekere ver verbreide versierselen, zooals zigzaglijnen enz. en ten

opzichte van verschillende eenvoudige geloofspunten en gewoonten,

zooals die om de dooden onder megalithische gedenkteekenen te begraven.

(15) Ik herinner mij in Zuid-Amerika [421] te hebben opgemerkt, dat de

mensch daar, evenals in zoovele andere deelen der wereld, gewoonlijk de

toppen van hooge heuvels heeft uitgekozen om daarop steenhoopen op te

werpen, hetzij om de gedachtenis te bewaren van de eene of andere

opmerkelijke gebeurtenis, of om zijn dooden te begraven.

Wanneer nu natuuronderzoekers een zeer sterke overeenkomst in talrijke

kleine bijzonderheden en gewoonten, smaak en neigingen tusschen twee of

meer rassen van tamme dieren of tusschen nauw-verwante natuurlijke

vormen waarnemen, gebruiken zij dit feit als bewijsgrond, dat zij alle

van een gemeenschappelijken stamvader afstammen, die aldus begaafd was

en dat zij derhalve alle tot ééne en de zelfde soort moeten worden

gebracht. De zelfde bewijsgrond kan met veel kracht op de

menschenrassen worden toegepast.

Daar het onwaarschijnlijk is, dat de talrijke onbelangrijke punten van

gelijkenis tusschen de verschillende menschenrassen in lichamelijk

maaksel en geestvermogens (ik beroep mij hier niet op overeenkomst in

gewoonten) alle onafhankelijk van elkander zouden zijn verkregen,

moeten zij zijn overgeërfd van stamouders welke die kenmerken bezaten.

Wij verkrijgen aldus eenige kennis omtrent den vroegsten toestand van

den mensch, voor hij zich stap voor stap over de oppervlakte der aarde

had verspreid. De verspreiding van den mensch over streken die door

groote zeeën worden gescheiden, ging ongetwijfeld vooraf aan elke

aanmerkelijke uiteenwijking (divergentie) in kenmerken van de

verschillende rassen; want anders zouden wij somtijds het zelfde ras in

verschillende vastelanden ontmoeten; en dit is nimmer het geval. (16)

Sir J. Lubbock somt, na de kunsten te hebben vergeleken, welke thans

door de wilden in alle werelddeelen worden beoefend, die op, welke de

mensch niet kan hebben gekend toen hij het eerst verhuisde uit zijn

oorspronkelijk vaderland; want, eens geleerd, zouden zij nimmer zijn

vergeten. [422] Hij komt zoo tot het besluit, dat „de speer, die

slechts de ontwikkeling van een mespunt, en de knots, die slechts een

lange hamer is, de eenige zaken zijn, die overblijven.” Hij neemt

echter aan, dat de kunst om vuur te maken waarschijnlijk reeds was

ontdekt; want zij is gemeen aan alle thans bestaande rassen en was aan

de oude holbewoners van Europa bekend. Wellicht was de kunst om ruwe

kano’s of vlotten te maken, eveneens bekend, maar, daar de mensch reeds

in een zeer lang geleden tijdperk bestond, waarin de verdeeling van

land en water op vele plaatsen geheel verschillend was, zou hij ook in

staat zijn geweest zich zonder behulp van kano’s ver te verspreiden.

Sir J. Lubbock merkt verder op, hoe onwaarschijnlijk het is, dat onze

vroegste voorouders „tot tien hebben kunnen tellen, in aanmerking

nemende, dat zoovele thans bestaande rassen het niet verder kunnen

brengen dan vier.” Toch kunnen in dat vroege tijdperk de verstandelijke

en sociale vermogens van den mensch moeielijk zeer veel geringer zijn

geweest, dan die welke thans de laagste wilden bezitten; anders zou de

oorspronkelijke mensch in den levensstrijd niet zoo uitnemend

voorspoedig kunnen zijn geweest, als door zijn vroege en verre

verspreiding wordt bewezen.

Uit de fundamenteele verschillen tusschen zekere talen hebben sommige

taalkundigen afgeleid, dat de mensch, toen hij zich ver begon te

verspreiden, nog geen sprekend dier was; men mag echter vermoeden, dat

wellicht talen, veel minder volkomen dan ééne dergene die thans worden

gesproken, door gebaren geholpen, werden gebruikt, en toch in latere

hooger ontwikkelde talen geen spoor hebben achtergelaten. Zonder het

gebruik van eenige taal, hoe onvolkomen ook, schijnt het twijfelachtig,

of het verstand van den mensch zou zijn geklommen tot de hoogte die

zijn heerschende stelling in een vroeg tijdperk medebracht.

Of de oorspronkelijke mensch, toen hij zeer weinig kunsten van de

ruwste soort bezat, en toen zijn spraakvermogen uiterst onvolkomen was,

den naam van mensch verdiende, hangt af van de bepaling die wij

gebruiken. In een reeks van vormen ongevoelig overgaande van een of

ander op een aap gelijkend wezen tot den mensch zooals hij nu bestaat,

zou het onmogelijk zijn een bepaald punt aan te wijzen, waarop men de

uitdrukking „mensch” zou moeten beginnen te gebruiken. Dit is echter

een zaak van zeer weinig belang. Evenzoo is het een bijna

onverschillige zaak, of de zoogenaamde menschenrassen aldus worden

genoemd, of als soorten of onder-soorten worden gerangschikt; de

laatste uitdrukking schijnt echter het meest gepast. Eindelijk mogen

wij besluiten, dat, als de ontwikkelingstheorie algemeen zal zijn

aangenomen, hetgeen zeker niet lang meer zal duren, de strijd tusschen

monogenisten en polygenisten een stillen en onbemerkten dood zal

sterven.

Een andere vraag kan hier niet onopgemerkt worden voorbijgegaan,

namelijk, of, zooals somtijds is beweerd, elke onder-soort of ras van

den mensch uit één enkel paar stamouders is gesproten. Bij onze

huisdieren kan een nieuw ras gemakkelijk worden gevormd uit een enkel

paar dat het eene of andere nieuwe kenmerk bezit, of zelfs uit een

enkel aldus gekenmerkt individu, door zorgvuldig de jongen die op de

zelfde wijze varieeren, met elkander te doen paren, maar onze meeste

rassen zijn gevormd, niet met voordacht uit een enkel uitgekozen paar,

maar onbewust door het bewaard blijven van vele individu’s, die, hoewel

in geringe mate, eenige nuttige of gewenschte wijziging vertoonden.

Indien men in het eene land gewoonlijk de voorkeur gaf aan sterker of

zwaarder gebouwde paarden, en in een ander land aan lichter gebouwde en

vlugge paarden, kunnen wij zeker zijn, dat in den loop der tijden twee

verschillende onder-rassen zouden worden voortgebracht, zonder dat het

eene of andere bijzondere paar individu’s in een van beide landen van

de andere afgescheiden en daaruit gefokt was. Vele rassen zijn op die

wijze gevormd, en hun vormingswijze komt zeer nauw overeen met die der

natuurlijke soorten. Wij weten ook, dat de paarden die naar de

Falklands-eilanden zijn overgebracht, gedurende opeenvolgende

generaties kleiner en zwakker zijn geworden, terwijl die welke in het

wild de Pampa’s hebben doorkruist, grooter en zwaarder koppen hebben

gekregen; en dergelijke veranderingen worden klaarblijkelijk niet

daardoor veroorzaakt, dat één paar, maar daardoor, dat al de individu’s

aan de zelfde voorwaarden onderworpen zijn geweest, met behulp wellicht

van het beginsel van atavisme. De nieuwe onder-rassen zijn in geen

dezer gevallen van het eene of andere enkele paar afgestamd, maar van

vele individu’s, die in verschillende mate, maar allen over het

algemeen op de zelfde wijze varieerden, en wij mogen besluiten, dat de

menschenrassen op een dergelijke wijze zijn ontstaan, en de

wijzigingen, hetzij het directe gevolg van blootstelling aan

verschillende levensvoorwaarden, of het indirecte gevolg van den eenen

of anderen vorm van teeltkeus waren. Op dit laatste onderwerp zullen

wij echter spoedig terugkomen.

Over het Uitsterven der Menschenrassen.—Het gedeeltelijk en geheel

uitsterven van vele rassen en onder-rassen van den mensch zijn bekende

historische feiten. Humboldt zag in Zuid-Amerika een papegaai, die het

eenige levende schepsel was, dat de taal van een te gronde geganen stam

nog kon spreken. Oude gedenkteekenen en steenen werktuigen, in alle

deelen der wereld gevonden, van welke geen overlevering door de

tegenwoordige bewoners wordt bewaard, wijzen op veel uitsterving.

Enkele kleine en verstrooide stammen, overblijfselen van voormalige

rassen, leven nog in afgelegen en gewoonlijk bergachtige streken. In

Europa stonden al de oude rassen volgens Schaaffhausen [423] „lager op

de ladder, dan de minst beschaafde der thans levende wilden”; zij

moeten daarom tot op zekere hoogte van alle bestaande rassen hebben

verschild. De overblijfselen van Les Eyzies, door Professor Broca

beschreven [424], wijzen, hoewel zij ongelukkig aan een enkele familie

schijnen te hebben toebehoord, op een ras dat op de vreemdsoortigste

wijze lage of aapachtige en hooge kenmerken in zich vereenigde en

„geheel verschilde van alle andere en nieuwere rassen die wij kennen.”

Het verschilde derhalve van het quaternaire ras uit de holen van

België.

Ongunstige physische voorwaarden schijnen slechts weinig invloed op het

uitsterven der rassen te hebben uitgeoefend. [425] De mensch heeft lang

in de uiterste streken van het Noorden geleefd zonder hout om zijn

kano’s en andere benoodigdheden mede te maken, en alleen met traan om

te branden en hem warmte te geven, maar meer bijzonder om de sneeuw te

smelten. In het zuidelijk uiteinde van Amerika blijven de Vuurlanders

in het leven zonder de bescherming van kleederen of van eenig gebouw

dat waard is een hut te worden genoemd. In Zuid-Afrika doorkruisen de

inboorlingen de dorste vlakten, waarop de gevaarlijkste dieren in

overvloed voorkomen. De mensch kan den doodelijken invloed van den

Terai aan den voet van het Himalayagebergte en van de verpeste stranden

van tropisch Afrika weêrstaan.

Het uitsterven is hoofdzakelijk het gevolg van den wedstrijd tusschen

stam en stam, tusschen ras en ras. Er zijn altijd verschillende

hinderpalen in het spel, in een vorig hoofdstuk opgesomd, die dienen om

het getal van elken wilden stam te beperken,—zooals periodieke

hongersnooden, het wegtrekken der ouders en de daarop volgende dood van

de kinderen, het langdurige zoogen, het stelen van vrouwen, oorlogen,

ongevallen, ziekten, losbandigheid, vooral kindermoord, en wellicht

verminderde vruchtbaarheid ten gevolge van minder voedzaam voedsel en

vele vermoeienissen. Indien door de eene of andere oorzaak ééne dier

hinderpalen gedeeltelijk wordt weggenomen, al is het slechts voor een

klein gedeelte, zal de aldus begunstigde stam kans hebben om aan te

groeien, en als van twee naburige stammen de eene talrijker en

machtiger wordt dan de andere, is de strijd spoedig beslist door

oorlog, moord en menscheneterij, slavernij en opslorping. Als een

zwakker stam zelfs op die wijze niet plotseling wordt weggevaagd, gaat

hij, indien hij eens begint af te nemen, gewoonlijk daarmede voort,

totdat hij is uitgestorven. [426]

Als beschaafde volken in aanraking komen met barbaren, is de strijd

kort, behalve wanneer een doodelijk klimaat het ras der inboorlingen

helpt. Van de oorzaken welke tot de overwinning der beschaafde natiën

leiden, zijn sommige duidelijk en andere zeer duister. Wij kunnen

begrijpen, dat de bebouwing van het land op vele wijzen noodlottig voor

de wilden zal zijn; want zij kunnen of willen hun gewoonten niet

veranderen. Nieuwe ziekten en ondeugden zijn hoogst verderfelijk; en

het schijnt, dat bij elk volk een nieuwe ziekte vele sterfgevallen

veroorzaakt, totdat zij die de meeste vatbaarheid voor haar doodelijken

invloed bezaten, allengs zijn uitgeroeid [427], en zoo zal het ook gaan

met de nadeelige uitwerkselen van geestrijke dranken zoowel als met den

onbedwingbaar sterken smaak dien zoovele wilden daarvoor toonen. Het

schijnt verder, hoe geheimzinnig het feit ook zij, dat de eerste

ontmoeting tusschen verschillende en van elkander gescheiden volken

ziekten doet ontstaan. [428] De heer Sproat die in Vancouver’s Eiland

nauwkeurig acht gaf op het onderwerp der uitsterving, gelooft, dat de

veranderde levensgewoonten die altijd het gevolg zijn van de aankomst

van Europeanen, veel ongesteldheid veroorzaken. Hij hecht ook groot

gewicht aan zulk een geringe oorzaak, als dat de inboorlingen „door het

nieuwe leven rondom hen verbijsterd en neerslachtig worden; zij

verliezen de beweeggronden die hen tot handelen aanzetten, en krijgen

geen nieuwe in de plaats.” [429]

De graad van beschaving schijnt een hoogst gewichtig element van het

succes van natiën die in wedstrijd komen. Weinige eeuwen geleden

vreesde Europa de invallen van Oostersche barbaren, tegenwoordig zou

een dergelijke vrees belachelijk zijn. Het is een nog

opmerkenswaardiger feit, zooals de heer Bagehot [430] heeft opgemerkt,

dat de wilden vroeger niet wegsmolten voor de klassieke volken, zooals

zij tegenwoordig voor de hedendaagsche beschaafde volken doen; hadden

zij dat gedaan, dan zouden de oude zedekundigen over die gebeurtenis

hebben gemijmerd; maar in geen enkelen schrijver van dat tijdvak vindt

men klachten over het uitsterven der barbaren. (17) De grootste van

alle oorzaken van het uitsterven schijnt in vele gevallen een

vermindering van de vruchtbaarheid en ziekten, vooral onder de

kinderen, te zijn, ontstaande uit veranderde levensvoorwaarden,

niettegenstaande die voorwaarden op zich zelven soms niet nadeelig

zijn. Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer H. H. Howorth, omdat

deze mijn aandacht op dit onderwerp heeft gevestigd, en mij

inlichtingen daaromtrent heeft verschaft. Ik heb de volgende

voorbeelden verzameld.

Toen Tasmania (Van Diemen’s Land) pas werd gekoloniseerd, werd het

aantal inboorlingen ruwweg geschat door sommigen op 7000, door anderen

op 20000. Dit aantal werd spoedig veel kleiner, voornamelijk door het

vechten met de Engelschen en met elkander. Toen na de beruchte jacht

door al de kolonisten, de overblijvende inboorlingen zich aan de

regeering overgaven, bestonden zij slechts uit 120 individu’s [431] die

in 1832 naar Flinders Eiland werden overgebracht. Dit eiland, tusschen

Tasmania en Nieuw-Holland gelegen, is veertig mijlen lang en van twaalf

tot achttien mijlen breed; het schijnt er gezond en de inboorlingen

werden goed behandeld. Toch leed hun gezondheid zeer veel. In 1834

bestonden zij (Bonwick, blz. 250) uit zeven-en-veertig volwassen

mannen, acht-en-veertig volwassen vrouwen en zestien kinderen, of te

zamen uit 111 zielen. In 1835 bleven er nog maar 100 over. Daar zij bij

voortduring snel in aantal verminderden en zelven dachten dat zij

elders niet zoo snel zouden uitsterven, werden zij in 1847 naar

Oyster-Cove in zuidelijk Tasmania overgebracht. Daar bestonden zij toen

(20 Dec. 1847) uit veertien mannen, twee-en-twintig vrouwen en tien

kinderen. [432] De verandering van woonplaats deed echter geen goed.

Ziekte en dood vervolgden hen bij voortduring, en in 1864 waren er nog

slechts één man (die in 1869 stierf) en drie eenigszins bejaarde

vrouwen over. De onvruchtbaarheid der vrouwen is een feit zelfs nog

merkwaardiger dan haar vatbaarheid voor ziekte en dood. Ten tijde, dat

er nog slechts negen vrouwen te Oyster-Cove leefden, verhaalden deze

aan den heer Bonwick, dat slechts twee van haar ooit kinderen hadden

gehad, en deze beiden samen hadden slechts drie kinderen voortgebracht.

Wat de oorzaak van dezen buitengewonen staat van zaken aangaat, merkt

Dr. Story op, dat de dood volgde op de pogingen om de inboorlingen te

beschaven. „Als men hen aan zich zelven had overgelaten, hen had laten

omzwerven gelijk zij gewend waren, en hen niet had gestoord, zouden zij

meer kinderen hebben voortgebracht en zou er geringer sterfte zijn

geweest.” Een ander zorgvuldig waarnemer van de inboorlingen merkt op:

„De geboorten zijn weinige geweest en de sterfgevallen talrijk. Dit kan

voor een groot deel het gevolg zijn geweest van de verandering in hun

levenswijze, maar meer nog van hun verbanning uit het hoofdland van Van

Diemen’s Land en de daardoor veroorzaakte neêrslachtigheid” (Bonwick,

blz. 388, 390).

Dergelijke feiten zijn ook opgemerkt in twee zeer verschillende

gedeelten van Nieuw-Holland. De beroemde onderzoekingsreiziger Gregory

verhaalde den heer Bonwick, dat in Queensland „de vermindering van

geboorten reeds door de zwarten werd gevoeld, zelfs in de nieuwst

gekoloniseerde streken, en dat zij zouden beginnen te verdwijnen.” Van

13 inboorlingen van Shark’s Baai, die Murchison River bezochten,

stierven twaalf binnen drie maanden aan de tering. [433]

Het verminderen der Maori’s op Nieuw-Zeeland is zorgvuldig onderzocht

door den heer Fenton in een bewonderenswaardig rapport waaraan al de

volgende opgaven op een enkele uitzondering na zijn ontleend. [434] Dat

hun aantal sedert 1830 is afgenomen, wordt door iedereen toegegeven,

met inbegrip der inboorlingen zelven, en die vermindering gaat

aanhoudend voort. Hoewel het tot hiertoe onmogelijk is gebleken een

werkelijke volkstelling onder de inboorlingen te houden, werd hun

aantal in vele districten door daar wonende personen geschat. Het

resultaat schijnt vertrouwen te verdienen en toont aan, dat gedurende

de veertien jaren vóór 1858 de vermindering 19,42 perc. was. Sommigen

van de stammen die aldus zorgvuldig werden onderzocht, leefden meer dan

100 mijlen van elkander, sommigen op de kust, andere in het binnenland;

en hun middelen van bestaan en gewoonten verschilden tot op zekere

hoogte (blz. 28). Het geheele aantal in 1858 was, naar men meende,

53700 en in 1874, na verloop van een tweede veertiental jaren, werd een

nieuwe telling gedaan en werd het aantal opgegeven als 36359, dus een

vermindering van 32,29 perc.! [435]

Nadat de heer Fenton in bijzonderheden de ongenoegzaamheid heeft

aangetoond van de verschillende oorzaken waarmede men zulks gewoonlijk

pleegt te verklaren, zooals nieuwe ziekten, de losbandigheid der

vrouwen, dronkenschap, oorlogen enz., besluit hij op zwaarwichtige

gronden, dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door de

onvruchtbaarheid der vrouwen en de buitengewoon groote sterfte onder de

kleine kinderen (blz. 31, 34). Ten bewijze hiervan toont hij aan (blz.

33), dat er in 1844 één onvolwassene was op elke 2,57 volwassenen,

terwijl er in 1858 slechts één onvolwassene was op elke 3,28

volwassenen. De sterfte onder de volwassenen is ook groot. Als een

verdere oorzaak van de vermindering voert hij het ongelijk aantal der

beide seksen aan; want er worden minder meisjes dan jongens geboren. Op

dit laatste punt, dat misschien het gevolg van een geheel andere

oorzaak is, zal ik in een later hoofdstuk terugkomen. De heer Fenton

stelt met verbazing de vermindering in Nieuw-Zeeland tegenover de

vermeerdering in Ierland, welke beide landen niet zeer veel in klimaat

verschillen, terwijl hun bewoners tegenwoordig bijna geheel op de

zelfde wijze leven. De Maori’s zelven „schrijven hun achteruitgang tot

op zekere hoogte toe aan het invoeren van nieuw voedsel en kleeding en

de daarmede gepaard gaande verandering van gewoonten”, en men zal,

wanneer wij den invloed van veranderde levensvoorwaarden op de

vruchtbaarheid nagaan, zien, dat zij waarschijnlijk gelijk hebben. De

vermindering begon tusschen de jaren 1830 en 1840, en de heer Fenton

toont aan, dat omstreeks 1830 de kunst om bedorven maïs weêr eetbaar te

maken door haar lang in het water te weeken, ontdekt en op groote

schaal in praktijk werd gebracht, en dat bewijst, dat er een

verandering in levenswijze begon te komen onder de inboorlingen, zelfs

toen Nieuw-Zeeland nog maar dun met Europeanen was bevolkt. Toen ik in

1835 de „Bay of Islands” bezocht, hadden de kleeding en het voedsel der

inboorlingen reeds groote wijzigingen ondergaan; zij kweekten

aardappelen, maïs en andere landbouwproducten, en ruilden die voor

Engelsche manufacturen en tabak.

Uit vele opgaven in de levensbeschrijving van Bisschop Patterson [436]

blijkt, dat de Melanesiërs van de Nieuwe Hebriden en naburige

archipels, in buitengewone mate in hun gezondheid leden en in groot

aantal stierven, toen zij naar Nieuw-Zeeland, het eiland Norfolk en

andere gezonde plaatsen werden overgebracht, om tot zendelingen te

worden opgeleid.

De afneming van de inlandsche bevolking der Sandwich-eilanden is even

bekend als die in Nieuw-Zeeland. Door personen die het beste in staat

waren er over te oordeelen, wordt het aantal inboorlingen, ten tijde

dat Cook de eilanden ontdekte, ruwweg op 300000 geschat. Volgens een

oppervlakkige schatting in 1823 was het aantal destijds 142050. In

1832, en op onderscheidene latere tijdstippen werd officiëel een

nauwkeurige volkstelling gehouden, maar ik heb slechts de volgende

opgaven kunnen verkrijgen:

JAREN. INLANDSCHE Jaarlijksche vermindering

BEVOLKING. in percenten,

onderstellende, dat die

(Uitgezonderd gelijkmatig is geweest

gedurende 1832 en tusschen twee

1836, toen de opeenvolgende

weinige volkstellingen, daar deze

vreemdelingen die op tellingen met

de eilanden waren, onregelmatige

er bij werden tusschenruimten werden

opgenomen.) gehouden.

1832 130313

4,46

1836 108579

2,47

1853 71019

0,81

1860 67084

2,18

1866 58765

2,17

1872 51531

Wij zien hieruit, dat in het verloop van veertig jaren, tusschen 1832

en 1872, de bevolking niet minder dan acht-en-zestig percent is

afgenomen! Dit is door de meeste schrijvers toegeschreven aan de

ongebondenheid der vrouwen, aan vroegere bloedige oorlogen, aan den

harden arbeid aan overwonnen stammen opgelegd, en aan nieuw ingevoerde

ziekten, die bij verschillende gelegenheden uiterst veel slachtoffers

hebben gemaakt. Zonder twijfel hebben deze en andere dergelijke

oorzaken krachtdadig gewerkt, en kunnen zij wellicht de buitengewoon

sterke vermindering tusschen 1832 en 1836 verklaren; maar de krachtigst

werkende van alle oorzaken schijnt de afneming der vruchtbaarheid te

zijn. Volgens Dr. Ruschenberger, van de Marine der Vereenigde Staten,

die deze eilanden tusschen 1835 en 1837 bezocht, hadden in één district

van Hawaii, slechts vijf-en-twintig mannen van 1884, en in een ander

district slechts tien van 637 een huisgezin met drie of meer kinderen.

Van tachtig gehuwde vrouwen hadden slechts negen-en-dertig ooit een

kind gebaard; en „het officiëele rapport geeft een gemiddelde van een

half kind op elk gehuwd paar in het geheele eiland.” Dit is bijna

volkomen het zelfde gemiddelde als bij de Tasmaniërs te Oyster Cove.

Jarves die zijn „Geschiedenis der Hawaii-eilanden” in 1843 uitgaf,

zegt, „huisgezinnen die drie kinderen hebben, zijn vrij van alle

belastingen; die welke er meer hebben, worden beloond door

landschenkingen en andere aanmoedigingen.” Dit ongeëvenaarde besluit

van de regeering toont goed aan, hoe onvruchtbaar het ras was geworden.

De weleerw. heer A. Bishop getuigde in den „Hawaiischen Spectator” in

1839, dat een groot gedeelte der kinderen vroegtijdig sterven, en

Bisschop Staley meldt mij, dat dit nog het geval is, juist als in

Nieuw-Zeeland. Dit is toegeschreven aan het veronachtzamen der kinderen

door de vrouwen, maar het is waarschijnlijk grootendeels het gevolg van

aangeboren zwakheid van gestel der kinderen, die in betrekking staat

met de verminderde vruchtbaarheid hunner ouders. Er is daarenboven nog

een punt van overeenkomst met Nieuw-Zeeland in het feit, dat er veel

meer jongens dan meisjes worden geboren; de volkstelling van 1872 geeft

31650 mannen tegen 25247 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is 125.36

mannen op elke 100 vrouwen, terwijl in alle beschaafde landen de

vrouwen talrijker zijn dan de mannen. Ongetwijfeld kan de

ongebondenheid der vrouwen gedeeltelijk haar geringe vruchtbaarheid

verklaren; maar de verandering in haar levenswijze is een veel

waarschijnlijker oorzaak, die tevens rekenschap kan geven van de

toeneming der sterfte, voornamelijk onder de kinderen. De eilanden

werden in 1779 door Cook, in 1794 door Vancouver, en later dikwijls

door walvischvaarders bezocht. In 1819 kwamen er zendelingen, en

bevonden, dat de afgodendienst reeds was afgeschaft en meer andere

veranderingen door den Koning waren gemaakt. Na dezen tijd had een

snelle verandering in de geheele levenswijze der inboorlingen plaats,

en werden zij spoedig „de meest beschaafde eilandbewoners van den

Stillen Oceaan.” Een van mijn zegslieden, de heer Coan, die op de

eilanden werd geboren, merkt op, dat de inboorlingen een grooter

verandering in hun levenswijze hadden ondergaan in den loop van vijftig

jaren, dan de Engelschen gedurende een duizendtal jaren. Volgens

inlichtingen ontvangen van Bisschop Staley, schijnt het, dat er nooit

veel verandering is gekomen in de voedingsmiddelen der arme klassen,

hoewel vele nieuwe soorten van vruchten zijn ingevoerd, en het

suikerriet in algemeen gebruik is. Ten gevolge van hun hartstocht om de

Europeanen na te volgen, veranderden zij echter hun wijze van zich te

kleeden reeds vroeg, en werd het gebruik van alcoholische dranken zeer

algemeen. Hoewel deze veranderingen niet groot schijnen, kan ik wel

gelooven, in aanmerking genomen wat omtrent dieren bekend is, dat zij

voldoende konden zijn om de vruchtbaarheid van de inboorlingen te

verminderen. [437]

Eindelijk getuigt de heer Macnamara [438], dat de laag staande en

ontaarde bewoners der Andaman-eilanden, in het oostelijk gedeelte van

de golf van Bengalen, „bij uitnemendheid gevoelig zijn voor elke

verandering van klimaat; als men hen wegvoert uit de eilanden die zij

bewonen, sterven zij bijna altijd en dat onafhankelijk van het voedsel

en van uitwendige invloeden.” Hij getuigt verder, dat de bewoners van

de vallei van Nepaul, die in den zomer uiterst heet is, en ook de

verschillende bergstammen van Engelsch-Indië, aan dyssenterie en koorts

lijden, als zij in het vlakke land komen, en sterven, als zij het

geheele jaar daar trachten door te brengen.

Wij zien dus, dat velen van de meer wilde menschenrassen onderhevig

zijn om veel in hun gezondheid te lijden, als zij aan veranderingen van

levensvoorwaarden of leefwijze worden onderworpen, en niet uitsluitend,

als zij in een nieuw klimaat worden overgebracht. Eenvoudige

veranderingen van gewoonten die op zich zelf niet nadeelig schijnen te

zijn, schijnen de zelfde uitwerking te hebben, en in verscheidene

gevallen zijn vooral de kinderen vatbaar om daardoor te lijden. Men

heeft, gelijk de heer Macnamara opmerkt, dikwijls gezegd, dat de mensch

ongestraft weêrstand kan bieden aan de meest verschillende klimaten en

andere veranderingen, maar dat is alleen waar van de beschaafde rassen.

De mensch schijnt in den wilden staat bijna even gevoelig te zijn als

zijn naaste verwanten, de anthropomorphe apen, die nooit lang zijn

blijven leven, als zij uit hun geboorteland werden verwijderd.

Vermindering der vruchtbaarheid door veranderde levensvoorwaarden,

gelijk in het geval der Tasmaniërs, Maori’s, Sandwich-eilanders en,

naar het schijnt, ook der Nieuw-Hollanders, is nog belangwekkender dan

hun vatbaarheid voor ziekte en dood; want zelfs een geringe mate van

onvruchtbaarheid zou, verbonden met die andere oorzaken welke er naar

streven om de toeneming van elke bevolking tegen te gaan, vroeger of

later tot uitsterving leiden. De vermindering in vruchtbaarheid kan in

sommige gevallen worden verklaard door de ongebondenheid der vrouwen

(gelijk tot voor korten tijd bij de bewoners van Tahiti), doch de heer

Fenton heeft aangetoond, dat deze verklaring in geenen deele voldoende

is bij de Nieuw-Zeelanders, en evenmin is zij zulks bij de Tasmaniërs.

In de boven aangehaalde verhandeling geeft de heer Macnamara redenen op

om te gelooven, dat de bewoners van streken waar moeraskoortsen

heerschen, neiging hebben onvruchtbaar te worden; maar dit kan in vele

der bovengenoemde gevallen niet van toepassing zijn. Sommige schrijvers

hebben de onderstelling uitgesproken, dat de inboorlingen van eilanden

in gezondheid en vruchtbaarheid achteruitgaan wegens het lang

voortgezette huwen van nauw met elkander verwante personen; maar in de

bovengenoemde gevallen viel de onvruchtbaarheid te nauwkeurig samen met

de aankomst der Europeanen, dan dat wij met deze verklaring zouden

kunnen instemmen. Ook hebben wij tot dusver volstrekt geen reden om te

gelooven, dat de mensch in hooge mate gevoelig is voor de slechte

gevolgen van huwelijken tusschen nauwverwante personen, vooral in

landen zoo groot als Nieuw-Zeeland en den Sandwich-archipel met zijn

verschillende eilanden. Daarentegen is het bekend, dat de tegenwoordige

bewoners van Norfolk allen neven of elkander naaste bloedverwanten

zijn, gelijk ook het geval is met de Toda’s in Indië en de bewoners van

sommige eilanden bewesten Schotland; en toch schijnen zij niet in hun

vruchtbaarheid te hebben geleden. [439]

Tot een veel meer waarschijnlijke onderstelling wordt men geleid door

de analogie der lagere dieren. Het kan worden bewezen, dat het

voortplantingsstelsel (ofschoon wij niet weten waarom) in buitengewone

mate gevoelig is voor verandering in de levensvoorwaarden; en deze

gevoeligheid leidt zoowel tot heilzame als tot slechte resultaten. Een

groote verzameling feiten omtrent dit onderwerp is medegedeeld in

hoofdstuk XVIII van deel II van mijn „Varieeren der Huisdieren en

Cultuurplanten”; ik kan hier slechts een zeer kort uittreksel daarvan

geven; ieder die in dit onderwerp belang stelt, kan bovengenoemd werk

raadplegen. Zeer geringe veranderingen vermeerderen de gezondheid,

kracht en vruchtbaarheid van bijna alle organische wezens, terwijl men

weet, dat andere veranderingen een groot aantal dieren onvruchtbaar

maken. Een van de meest bekende gevallen is, dat tamme olifanten zich

in Engelsch-Indië niet voortplanten, hoewel zij zich dikwijls

voortplanten in Ava, waar men de wijfjes tot op zekere hoogte toestaat

in de bosschen rond te zwerven, en zij dus onder meer natuurlijke

voorwaarden leven. Het geval van onderscheiden Amerikaansche apen

waarvan beide seksen langen tijd bij elkander gevangen werden gehouden

in hun eigen vaderland, en die zich toch zelden of nooit hebben

voortgeplant, is een meer geschikt voorbeeld, wegens hun verwantschap

met den mensch. Het is opmerkelijk, hoe gering een verandering in de

levensvoorwaarden dikwijls onvruchtbaarheid veroorzaakt bij een wild

dier, wanneer het gevangen wordt; en dit is des te vreemder, omdat al

onze huisdieren vruchtbaarder zijn dan zij in den natuurstaat waren, en

sommige van hen kunnen de meest onnatuurlijke levensvoorwaarden

weêrstaan, zonder dat hun vruchtbaarheid vermindert. [440] Sommige

groepen van dieren zijn er veel meer dan andere aan onderhevig om door

gevangenschap te worden aangedaan; en over het algemeen worden alle

soorten van de zelfde groep op de zelfde wijze aangedaan. Soms wordt

echter een enkele soort van een groep daardoor onvruchtbaar gemaakt,

terwijl de andere zulks niet worden; van den anderen kant behoudt soms

een enkele soort haar vruchtbaarheid, terwijl de meeste andere zich

niet voortplanten. Van sommige soorten paren de mannetjes nooit met de

wijfjes, als zij zijn opgesloten, of als men hun in hun vaderland

veroorlooft bijna, maar niet geheel en al vrij te leven; andere paren

onder die omstandigheden dikwijls maar brengen nooit jongen voort; nog

weêr andere brengen wel jongen voort, maar minder dan in den

natuurstaat; en als toepasselijk op bovenvermelde gevallen bij den

mensch, is het van belang op te merken, dat die jongen meestal zwak en

ziekelijk of misvormd zijn, en dikwijls op jeugdigen leeftijd sterven.

Als ik zie, hoe algemeen deze wet van de gevoeligheid van het

voortplantingsstelsel voor veranderde levensvoorwaarden is, en dat zij

doorgaat bij onze naaste verwanten, de Vierhandige Zoogdieren, kan ik

moeielijk betwijfelen, dat zij ook toepasselijk is op den mensch in

zijn oorspronkelijken toestand. Als dus wilden van het eene of andere

ras er toe worden gebracht om plotseling hun levenswijze te veranderen,

worden zij min of meer onvruchtbaar en lijdt hun jong kroost in

gezondheid, op de zelfde wijze en om de zelfde oorzaak als de olifant

en jachtluipaard van Indië, vele apen in Amerika, en een groote menigte

dieren van allerlei soort, als zij aan hun natuurlijke

levensvoorwaarden worden onttrokken.

Wij kunnen inzien hoe het komt, dat in het bijzonder inboorlingen die

lang eilanden hebben bewoond en lang aan bijna volkomen gelijke

levensvoorwaarden moeten zijn onderworpen geweest, zullen worden

aangedaan door elke verandering in hun levenswijze, gelijk het geval

schijnt te zijn. Beschaafde rassen kunnen zeker allerlei soort van

veranderingen veel beter weêrstaan dan wilden, en in dit opzicht

gelijken zij op tamme dieren; want, hoewel deze laatste soms in hun

gezondheid lijden (bij voorbeeld Europeesche honden in Indië), worden

zij toch zelden onvruchtbaar gemaakt, hoewel daarvan toch enkele

voorbeelden zijn opgeteekend. [441] Het niet aangedaan worden van

beschaafde rassen en tamme dieren wordt waarschijnlijk veroorzaakt,

omdat zij in meerdere mate onderworpen zijn geweest en daarom wat meer

zijn gewend aan verschillende en afwisselende levensvoorwaarden dan de

meeste wilde dieren, en omdat zij in vroeger tijd uit andere landen

overgebracht of van het eene land naar het andere medegevoerd zijn, en

dat verschillende families of onder-rassen met elkander zijn gekruist.

Het schijnt, dat een kruising met beschaafde rassen dadelijk een

inlandsch ras beveiligt tegen de kwade gevolgen van de verandering van

levensvoorwaarden. Zoo vermeerderde de gekruiste nakomelingschap van

Tahitiërs en Engelschen, die zich op het eiland Pitcairn hadden

gevestigd, zoo snel, dat het eiland spoedig overbevolkt was en in Juni

1856 werden zij naar het eiland Norfolk overgebracht. Zij bestonden

toen uit 60 gehuwde personen en 134 kinderen, een totaal van 194

uitmakende. Hier vermeerderden zij eveneens zoo snel, dat, hoewel

zestien van hen in 1859 naar het eiland Pitcairn terugkeerden, zij in

Januari 1868 300 zielen telden, waaronder juist evenveel mannen als

vrouwen. Welk een tegenstelling vormt dit geval met de Tasmaniërs; de

Norfolk-eilanders vermeerderden in slechts twaalf en een half jaar van

194 tot 300, terwijl de Tasmaniërs in vijftien jaar van 120 tot 46

afnamen, van welk laatste getal slechts tien kinderen waren. [442]

Evenzoo namen in den tijd tusschen de volkstellingen van 1866 en 1872

de inboorlingen van vol bloed op de Sandwich-eilanden met 8081 af,

terwijl de half-bloedigen, die men voor gezonder houdt, met 847

vermeerderden; ik weet echter niet of dit laatste getal de kinderen van

de half-bloedigen insluit, of alleen de half-bloedigen van de eerste

generatie omvat.

De gevallen die ik hier heb medegedeeld, hebben allen betrekking tot

inboorlingen die aan nieuwe levensvoorwaarden zijn onderworpen ten

gevolge van de immigratie van blanke menschen. Maar onvruchtbaarheid en

slechte gezondheid zouden waarschijnlijk volgen, indien wilden door de

eene of andere oorzaak, zooals een inval van een veroverenden stam,

werden genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en hun gewoonten te

veranderen. Het is een belangwekkende omstandigheid, dat de voornaamste

hinderpaal tegen het temmen van wilde diersoorten (hetgeen insluit dat

zij, toen zij voor het eerst werden gevangen, het vermogen bezaten om

zich onbelemmerd voort te planten) en ééne voorname hinderpaal voor

wilde menschen om, als zij in aanraking met de beschaving komen, te

blijven leven en een beschaafd ras te vormen, de zelfde is, namelijk de

onvruchtbaarheid ten gevolge van verandering in de levensvoorwaarden.

Ten slotte: hoewel de trapsgewijze afneming en eindelijke uitsterving

der menschenrassen een duister vraagstuk zijn, kunnen wij toch inzien

dat zij van vele oorzaken afhangen en op verschillende plaatsen en in

verschillende tijden verschillen. Het is het zelfde moeielijke

vraagstuk als dat, hetwelk ons het uitsterven van een der hoogere

dieren oplevert—bij voorbeeld die van het fossiele paard, dat in

Zuid-Amerika verdween om spoedig daarna in de zelfde streken door

tallooze kudden van Spaansche paarden te worden vervangen. De

Nieuw-Zeelander schijnt die overeenkomst te begrijpen; want hij

vergelijkt zijn toekomstig lot met dat van de inlandsche rat, die door

de Europeesche rat bijna is uitgeroeid. De moeilijkheid, hoewel groot

in onze verbeelding en inderdaad groot wanneer wij de juiste oorzaken

wenschen uit te vorschen, behoeft zulks voor onze rede niet te zijn,

zoolang wij voortdurend bedenken, dat de vermeerdering van elke soort

en van elk ras onophoudelijk wordt tegengegaan door verschillende

hinderpalen, zoodat, wanneer de eene of andere nieuwe hinderpaal of

oorzaak van verderf, al is zij ook gering, er bij komt, het ras zeker

in aantal zal afnemen, en daar men overal heeft opgemerkt dat wilden

een grooten afkeer hebben van elke verandering van gewoonten, waardoor

nadeelige hinderpalen zouden kunnen worden opgewogen, zal de afneming

van hun getal vroeger of later tot uitsterving leiden, terwijl het

einde in de meeste gevallen snel wordt beslist door de invallen van

vermeerderende veroverende stammen.

Over het Ontstaan der Menschenrassen.—Wij mogen vooropzetten, dat,

wanneer wij het zelfde ras, hoewel in afzonderlijke stammen verdeeld,

over een groote oppervlakte, zooals over Amerika, verspreid vinden, wij

hun gemeenschappelijke gelijkenis mogen toeschrijven aan afstamming van

een gemeenschappelijken stamvorm. In sommige gevallen heeft de kruising

van rassen die reeds verschillend waren, aanleiding gegeven tot de

vorming van nieuwe rassen. Het vreemde feit, dat Europeanen en

Hindoe’s, die tot den zelfden Arischen stam behooren en een taal

spreken, die in den grond der zaak de zelfde is, sterk in uiterlijk

verschillen, terwijl de Europeanen slechts weinig verschillen van de

Joden die tot den Semietischen stam behooren en een geheel andere taal

spreken, is door Broca [443] daaraan toegeschreven, dat de takken der

Ariërs zich gedurende hun verre verspreiding op groote schaal met

onderscheidene stammen van inboorlingen hebben gekruist. Als twee

stammen die in elkanders onmiddellijke nabijheid wonen, zich met

elkander kruisen, is het eerste gevolg daarvan een ongelijksoortig

(heterogeen) mengsel: zoo zegt de heer Hunter, de Santali’s of

heuvelstammen van Indië beschrijvende, dat men honderden onmerkbare

overgangen kan waarnemen „van de zwarte, gedrongen gebouwde bergstammen

af tot den grooten olijfkleurigen Brahmaan, met zijn verstandig

aangezicht, kalmen blik en hoog maar smal hoofd, toe”, zoodat het bij

gerechtshoven noodig is aan de getuigen te vragen, of zij Santali’s of

Hindoe’s zijn. [444] Of een ongelijksoortig (heterogeen) volk, zooals

de bewoners van sommige Polynesische eilanden, gevormd door de kruising

van twee verschillende rassen, waarvan weinig of geen zuivere leden

overbleven, ooit gelijksoortig (homogeen) zou worden, is door geen

directe bewijzen bekend. Daar echter bij onze huisdieren een gekruist

ras zeker in den loop van weinige geslachten door een zorgvuldige

teeltkeus [445] standvastig en eenvormig kan worden gemaakt, mogen wij

hieruit afleiden, dat de vrije en verlengde kruising van een

ongelijksoortig (heterogeen) mengsel gedurende vele generaties de

plaats der teeltkeus zou vervangen, en elke neiging tot atavisme

overwinnen, zoodat een gekruist ras ten laatste gelijksoortig

(homogeen) zou worden, al deelde het ook niet in gelijke mate in de

kenmerken der beide stamrassen.

Van alle verschillen tusschen de menschenrassen loopt de kleur der huid

het meest in het oog en is ook een der meest kenmerkende. Men dacht

vroeger, dat men verschillen van deze soort kon verklaren door

langdurige blootstelling aan verschillende luchtstreken (klimaten);

maar Pallas was de eerste die aantoonde, dat deze meening niet houdbaar

is, en hij is door bijna alle anthropologen gevolgd. [446] Deze meening

is hoofdzakelijk daarom verworpen, omdat de geographische verspreiding

der verschillend gekleurde rassen, van welke de meeste lang hun

tegenwoordige woonplaatsen moeten hebben bewoond, niet samenvalt met

overeenkomstige verschillen van klimaat. Er moet ook gewicht worden

gehecht aan zulke gevallen, als die der Nederlandsche familiën, welke,

zooals wij van een uitnemende autoriteit hooren [447], na een verblijf

van drie eeuwen in Zuid Afrika niet de minste verandering in kleur

hebben ondergaan. Het eenvormig uiterlijk in verschillende deelen der

wereld van Heidens (Zigeuners) en Joden, hoewel de eenvormigheid dezer

laatsten wat overdreven is geworden [448], is eveneens een bewijs voor

het zelfde. Men heeft ondersteld, dat een zeer vochtige of zeer droge

dampkring meer invloed had op de wijziging der huidskleur, dan de hitte

alleen; maar daar d’Orbigny in Zuid-Amerika en Livingstone in Afrika

ten opzichte van vochtigheid en droogte tot lijnrecht tegenovergestelde

besluiten zijn gekomen, moet elk besluit daaromtrent als hoogst

twijfelachtig worden beschouwd. [449]

Verschillende feiten, die ik elders heb medegedeeld, bewijzen, dat de

kleur van de huid en het haar soms op verwonderlijke wijze samenhangt

met een volstrekt beveiligd zijn voor de werking van zekere

plantaardige vergiften en voor de aanvallen van zekere woekerdieren

(parasieten). Het viel mij daarom in, of negers en andere

donkergekleurde rassen ook soms hun donkere kleur hadden verkregen,

doordat gedurende een lange reeks van geslachten de donkerste

individu’s aan den doodelijken invloed der miasmen van hun geboorteland

waren ontsnapt.

Ik vond later, dat het zelfde denkbeeld reeds lang te voren bij Dr.

Wells was opgekomen. [450] Dat negers en zelfs mulatten bijna volkomen

bevrijd blijven van de gele koorts, die in tropisch Amerika zoo groote

verwoestingen aanricht, is reeds lang bekend geweest. [451] Zij blijven

ook grootendeels vrij van de noodlottige tusschenpoozende

(intermitteerende) koortsen, die langs minstens 2600 mijlen van de

kusten van Afrika heerschen en jaarlijks een vijfde gedeelte der blanke

kolonisten doen sterven, terwijl een ander vijfde gedeelte met geknakte

gezondheid naar het vaderland moet terugkeeren. [452] Deze vrijdom van

den neger schijnt gedeeltelijk aangeboren en van de eene of andere

onbekende bijzonderheid van het gestel afhankelijk, en gedeeltelijk het

gevolg van acclimatisatie te zijn. Pouchet [453] getuigt, dat de

negerregimenten, van den Onderkoning van Egypte voor den Mexicaanschen

oorlog geleend, die in de nabijheid van Soedan waren aangeworven, bijna

even goed aan de gele koorts ontsnapten als de negers die

oorspronkelijk uit verschillende deelen van Afrika waren aangevoerd en

aan het klimaat der West-Indiën gewend. Dat acclimatisatie in het spel

komt, wordt aangetoond door verschillende gevallen waarin negers, na

eenigen tijd in een kouder klimaat te hebben doorgebracht, tot op

zekere hoogte vatbaar voor tropische koortsen zijn geworden. [454] De

aard van het klimaat waarin de blanke rassen lang hebben geleefd, heeft

eveneens eenigen invloed op hen; want gedurende de verschrikkelijke

epidemie van gele koorts in Demerary in het jaar 1837, vond Dr. Blair,

dat de sterfte der landverhuizers evenredig was aan de breedte van het

land van waar zij waren gekomen. Bij den neger onderstelt de vrijdom,

voor zoover hij het gevolg van acclimatisatie is, blootstelling aan het

klimaat gedurende een verbazende lengte van tijd; want de inboorlingen

van tropisch Amerika, die daar sedert onheugelijke tijden hebben

gewoond, zijn niet gevrijwaard voor de gele koorts, en de weleerw. heer

B. Tristram getuigt, dat er in Noord-Afrika streken zijn, welke de

inboorlingen jaarlijks genoodzaakt zijn te verlaten, hoewel de negers

er veilig kunnen blijven. (19)

Dat de vrijdom van den neger eenigermate samenhangt met de kleur van

zijn huid, is een bloote onderstelling; hij kan ook samenhangen met een

of ander verschil in zijn bloed, zenuwstelsel of andere weefsels. Toch

scheen mij wegens de feiten waarop hierboven is gedoeld, en wegens het

verband dat er schijnt te bestaan tusschen de gelaatskleur en den

aanleg voor tering, deze onderstelling niet onwaarschijnlijk. Ik

trachtte mij daarom te vergewissen, maar met weinig succes [455], in

hoever zij steek hield. Wijlen Dr. Daniell, die lang op de westkust van

Afrika had gewoond, zeide mij, dat hij volstrekt niet aan een

dergelijke betrekking geloofde. Hij was zelf buitengewoon blond en had

het klimaat verwonderlijk goed weêrstaan. Toen hij het eerst als een

jongen op de kust kwam, had een oud en ondervindingrijk negerhoofd uit

zijn uiterlijk voorspeld, dat dit het geval zou zijn. Dr. Nicholson,

van Antigua, schreef mij, na op dit onderwerp te hebben acht gegeven,

dat hij niet dacht, dat donker gekleurde Europeanen beter aan de gele

koorts ontsnapten, dan diegenen welke licht gekleurd waren. De heer J.

M. Harris ontkent volstrekt, dat Europeanen met donker haar een heet

klimaat beter weêrstaan dan andere menschen; de ondervinding heeft hem

integendeel geleerd om bij het uitkiezen van manschappen voor den

dienst op de Afrikaansche kust, diegenen uit te zoeken, welke rood haar

hebben. [456] Zoover derhalve uit deze kleine aanwijzingen valt op te

maken, schijnt er geen grond te zijn voor de onderstelling, die door

onderscheidene schrijvers is gemaakt, dat de kleur der zwarte rassen

daarvan het gevolg zou zijn, dat de donkerste individu’s telkens in

grooter getal in leven bleven gedurende hun blootstelling aan de

koorts-voortbrengende miasmen van hun geboortelanden.

Dr. Sharpe merkt op [457], dat een tropische zon, die een blanke huid

brandt en er blaren op doet ontstaan, een zwarte volstrekt niet

benadeelt; en, gelijk hij er bijvoegt, dit komt niet omdat het individu

er aan gewend is; want kinderen van zes of acht maanden worden naakt

overal heêngedragen, en worden niet aangedaan. Een arts heeft mij

verzekerd, dat eenige jaren geleden, elken zomer, maar niet gedurende

den winter, op zijn handen lichtbruine plekken ontstonden, gelijkende

op sproeten, hoewel grooter, en dat deze plekken niet werden aangedaan

door het branden van de zon, terwijl de blanke deelen van zijn huid bij

verschillende gelegenheden zeer ontstoken en met blaren bedekt werden.

Ook bij de lagere dieren bestaat er een constitutioneel verschil in

vatbaarheid voor de werking van de zon tusschen de deelen die met wit

haar zijn bedekt, en andere deelen. [458] Of de beschutting van de huid

tegen het branden der zon van genoegzaam belang is om te doen

onderstellen, dat een donkere tint door den mensch trapsgewijze door

natuurlijke teeltkeus is verkregen, kan ik niet beoordeelen. Indien dit

zoo ware, zouden wij moeten aannemen, dat de inboorlingen van tropisch

Amerika daar gedurende veel korter tijd hebben geleefd dan de negers in

Afrika, of de Papoea’s in de zuidelijke gedeelten van den Maleischen

archipel, juist gelijk de lichter gekleurde Hindoe’s gedurende korter

tijd in Engelsch Indië hebben gewoond, dan de donkerder inboorlingen

van de centrale en zuidelijke gedeelten van dat schiereiland.

Hoewel wij ons met onze tegenwoordige kennis van de sterk sprekende

verschillen in kleur tusschen de menschenrassen geen rekenschap kunnen

geven, noch door samenhang met constitutioneele bijzonderheden, noch

door directe werking van het klimaat, zoo moeten wij toch deze laatste

niet geheel buiten rekening laten; want er zijn goede redenen om te

gelooven, dat daardoor eenige overgeërfd wordende uitwerking wordt

voortgebracht. [459] Wij hebben in ons vierde hoofdstuk gezien, dat de

levensvoorwaarden, zooals overvloedig voedsel en over het algemeen de

aangenaamheden des levens, op de zelfde wijze terugwerken op het

maaksel van ons lichaam, en dat de gevolgen daarvan erfelijk zijn. Door

den vereenigden invloed van het klimaat en de veranderde levenswijze

ondergaan Europeesche kolonisten in de Vereenigde Staten, naar men

algemeen aanneemt, een geringe, maar buitengewoon snelle verandering

van uiterlijk. Er zijn ook een aanzienlijk aantal bewijzen, dat in de

Zuidelijke Staten de huisslaven van de derde generatie in uiterlijk

merkbaar van de veldslaven verschilden. [460]

Indien wij echter de menschenrassen beschouwen, zooals zij over de

wereld zijn verspreid, moeten wij daaruit afleiden, dat men zich van

hun kenmerkende verschillen geen rekenschap kan geven door de directe

werking van verschillende levensvoorwaarden, zelfs nadat zij daaraan

gedurende verbazend langen tijd onderworpen waren geweest. De Eskimo’s

leven uitsluitend van dierlijk voedsel, gaan in dikke pelzen gekleed,

en zijn blootgesteld aan vinnige koude en langdurige duisternis; toch

verschillen zij niet uitermate veel van de bewoners van zuidelijk

China, die geheel van plantaardig voedsel leven en bijna naakt zijn

blootgesteld aan een heet, schitterend klimaat. De ongekleede

Vuurlanders leven van de voortbrengselen der zee op hun ongastvrije

stranden; de Botocudo’s van Brazilië doorkruisen de heete bosschen van

het binnenland en leven voornamelijk van plantaardig voedsel; toch

gelijken deze stammen zoozeer op elkander, dat de Vuurlanders aan boord

van de „Beagle” door sommige Brazilianen voor Botocudo’s werden

aangezien. De Botocudo’s en de overige inboorlingen van tropisch

Amerika zijn daarentegen geheel verschillend van de Negers, die de

tegenovergestelde kusten van den Atlantischen Oceaan bewonen, aan een

ongeveer gelijksoortig klimaat zijn blootgesteld en ongeveer de zelfde

levenswijze leiden.

Wij kunnen ons van de verschillen tusschen de menschenrassen ook geen

rekenschap geven, behalve tot op een volkomen onbeteekenende hoogte,

door middel van de overgeërfde gevolgen van vermeerderd of verminderd

gebruik van deelen. Menschen die gewoonlijk in kano’s leven, kunnen wat

korter beenen, zij die hooge streken bewonen, wat grooter borstkassen

hebben verkregen; en bij hen die sommige zintuigen voortdurend

gebruiken, kunnen de holten waarin deze zijn geplaatst, een weinig in

grootte toegenomen, en hun gelaatstrekken derhalve een weinig gewijzigd

zijn. Bij beschaafde volken hebben de afneming van de grootte der kaken

wegens vermindering van het gebruik, de gewoonten van verschillende

spieren in beweging te brengen om verschillende gemoedsaandoeningen uit

te drukken en de toeneming in grootte van de hersenen ten gevolge van

grootere verstandelijke werkzaamheid, allen te zamen een aanmerkelijke

uitwerking gehad op hun algemeen uiterlijk aanzien in vergelijking met

wilden. [461] Het is ook mogelijk, dat toeneming in lichaamsgrootte

zonder overeenkomstige vermeerdering van de grootte der hersenen aan

sommige rassen (te oordeelen naar de vroeger gemelde gevallen van

konijnen) een langwerpigen schedel van het dolichocephale type heeft

gegeven.

Eindelijk zal bijna zeker het nog weinig begrepen beginsel van

correlatie in werking zijn gekomen, zooals in het geval van groote

ontwikkeling der spieren en sterk vooruitstekende wenkbrauwbogen. Het

is niet onwaarschijnlijk, dat de aard van het haar, die bij de

onderscheidene rassen veel verschilt, in de eene of andere soort van

correlatie staat met het maaksel der huid; want tusschen de kleur van

het haar en die van het vel bestaat zeker correlatie, evenals tusschen

de kleur en den aard van het haar bij de Mandanen. [462] De kleur der

huid en de door dezelve ontwikkelde geur staan eveneens op de eene of

andere wijze met elkander in verband. Bij de schapenrassen staan het

aantal haren binnen een gegeven ruimte en het aantal afscheidende

poriën in eenige betrekking tot elkander. [463] Indien wij mogen

oordeelen naar de analogie onzer huisdieren, behooren vele wijzigingen

in maaksel bij den mensch waarschijnlijk te worden verklaard door het

beginsel van correlatie van groei.

Wij hebben nu gezien, dat men zich van de kenmerkende verschillen

tusschen de menschenrassen niet op voldoende wijs rekenschap kan geven

door de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden, noch door de

uitwerkselen van het voortdurend gebruik van deelen, noch door het

beginsel van correlatie. Wij hebben daarom aanleiding om te

onderzoeken, of niet kleine individueele verschillen, die den mensch

bij uitnemendheid eigen zijn, door natuurlijke teeltkeus gedurende een

lange reeks van jaren zijn bewaard gebleven en vermeerderd. Hier

stuiten wij echter eensklaps op de tegenwerping, dat alleen voordeelige

wijzigingen op die wijze kunnen worden bewaard; en zoover wij er over

kunnen oordeelen (hoewel het altijd mogelijk blijft, dat wij daarin

dwalen) strekt geen van de uitwendige verschillen tusschen de

menschenrassen hun tot eenig direct of bijzonder voordeel. De

verstandelijke en zedelijke of sociale vermogens moeten natuurlijk van

deze opmerking worden uitgezonderd, maar verschillen in deze vermogens

kunnen weinig of geen invloed hebben gehad op uitwendige kenmerken. De

vroeger vermelde variabiliteit van al de kenmerkende verschillen

tusschen de rassen toont eveneens aan, dat deze verschillen niet van

veel belang kunnen zijn; want, waren zij belangrijk geweest, dan zouden

zij reeds lang geleden hetzij standvastig gemaakt en bewaard, of

geëlimineerd zijn. In dit opzicht gelijkt de mensch op die vormen,

welke door de natuuronderzoekers proteïsch of polymorphisch worden

genoemd en uiterst variabel zijn gebleven, naar het schijnt ten gevolge

daarvan, dat hun veranderingen van indifferenten aard waren en

bijgevolg aan de werking der natuurlijke teeltkeus zijn ontsnapt.

Wij zijn tot dusver teleurgesteld in al onze pogingen om ons rekenschap

van de verschillen tusschen de menschenrassen te geven; er blijft

echter nog één belangrijke invloed over, namelijk die der Seksueele

Teeltkeus, die op den mensch even machtig schijnt te hebben ingewerkt

als op vele andere dieren. Ik wil niet beweren, dat de seksueele

teeltkeus rekenschap kan geven van al de verschillen tusschen de

rassen. Er blijft een onverklaard overschot achter, waarvan wij in onze

onwetendheid slechts kunnen zeggen, dat, daar de individu’s voortdurend

worden geboren, bij voorbeeld, met een weinig ronder of smaller hoofden

en een weinig langer of korter neuzen, dergelijke geringe verschillen

wellicht standvastig en eenvormig zouden kunnen worden gemaakt, indien

de onbekende invloeden, die ze veroorzaakten, op meer standvastige

wijze bleven werken en door lang voortgezette kruisingen werden

geholpen. Dergelijke variaties behooren tot de voorloopige afdeeling

waarop in ons vierde hoofdstuk is gedoeld, die wegens gebrek aan een

betere uitdrukking spontane variaties zijn genoemd. Ik beweer evenmin,

dat de uitwerkselen der seksueele teeltkeus met wetenschappelijke

nauwkeurigheid kunnen worden aangetoond; maar het kan worden bewezen,

dat het een onverklaarbaar feit zou zijn, als de mensch niet was

gewijzigd door den invloed daarvan, die zoo machtig op tallooze dieren,

zoowel hoog als laag op de ladder staande, heeft ingewerkt. Verder kan

worden bewezen, dat de verschillen tusschen de menschenrassen, zooals

die in kleur, behaardheid, gelaatsvorm enz, van zulk een aard zijn, als

men zou mogen hebben verwacht, dat het gevolg van de inwerking der

seksueele teeltkeus zou zijn. Om echter dit onderwerp op gepaste wijs

te behandelen, heb ik het noodig gevonden om het geheele dierenrijk te

beschouwen; ik heb daarom het Tweede Gedeelte van dit werk daaraan

gewijd. Aan het einde zal ik tot den mensch terugkeeren, en, na

beproefd te hebben om aan te toonen, in hoever hij door seksueele

teeltkeus is gewijzigd, zal ik een kort overzicht van de hoofdstukken

van dit Eerste Gedeelte geven.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 82 / 111 题