TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM

HEEFT ONTWIKKELD.

Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.

—Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij

den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche

invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd

gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de

ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—

Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke

teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste

geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn

lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den

opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het

gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering

der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—

Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van

den mensch.

De mensch is tegenwoordig ongetwijfeld zeer variabel. Geen twee

individu’s van het zelfde ras zijn volkomen aan elkander gelijk. Als

wij millioenen personen met elkander vergelijken, zal elk hunner

gelaatstrekken vertoonen, welke van die der overige verschillen. Een

even groote verscheidenheid heerscht in de verhoudingen en afmetingen

der verschillende lichaamsdeelen; vooral in de lengte der beenen

bestaat veel verschil. [66] Hoewel in sommige deelen der wereld een

lange, in andere een korte schedel het meest voorkomt, bestaat er toch

een groote verscheidenheid van schedelvorm, zelfs binnen de grenzen van

één en het zelfde ras, b.v. onder de inboorlingen van Amerika en van

Zuid-Australië, welke laatste waarschijnlijk een ras zijn, „even zuiver

en homogeen van bloed, gewoonten en taal als eenig ander ter

wereld”,—en zelfs onder de bewoners van een zoo beperkt grondgebied als

de Sandwich-eilanden. [67] Een uitstekend tandmeester verzekert mij,

dat er bijna evenveel verschil is tusschen de tanden van verschillende

personen als tusschen hun gelaatstrekken. De voornaamste slagaderen

loopen zoo dikwijls in abnormale richtingen, dat men het voor

chirurgale doeleinden nuttig heeft gevonden om te berekenen, hoe

dikwijls bij 12000 personen elke richting voorkomt. [68] De spieren

zijn bij uitstek variabel: zoo vond prof. Turner [69], dat onder

vijftig lijken er geen twee waren waarbij de spieren van den voet

volkomen overeenstemden, en bij sommigen daarvan waren de afwijkingen

zeer groot. Prof. Turner merkt hierbij op, dat het vermogen om

doelmatige bewegingen te maken in overeenstemming met deze

verschillende afwijkingen moet zijn gewijzigd. De heer J. Wood [70]

heeft het voorkomen van 295 verscheidenheden in het spierstelsel van 36

individu’s opgeteekend, en in een ander stel van 36 personen vond hij

niet minder dan 558 verscheidenheden, de beide zijden van het lichaam

voor één rekenende. In dit laatste stel bevond hij, dat niet een der 36

lichamen „geheel vrij was van afwijkingen van de standaardbeschrijving

van het spierstelsel, zooals die in ontleedkundige boeken wordt

gegeven.” Een enkel lichaam vertoonde het buitengewone aantal van 25

afwijkingen. Ééne en de zelfde spier verschilt soms op vele wijzen; zoo

beschrijft prof. Macalister [71] niet minder dan 20 verscheidenheden

van den palmaris accessorius.

De beroemde oude ontleedkundige Wolff [72] wijst er met nadruk op, dat

de ingewanden veel meer verschillen opleveren dan de uitwendige deelen:

Nulla particula, quae non aliter et aliter in aliis se habeat

hominibus. Hij heeft zelfs een verhandeling geschreven over de keus van

typische voorbeelden voor afbeeldingen van ingewanden. Een onderzoek

naar den idealen vorm van de lever, de longen, de nieren enz., alsof

het ’s menschen goddelijk gelaat ware, klinkt ons vreemd in de ooren.

De variabiliteit of verscheidenheid der geestvermogens bij menschen van

het zelfde ras, om van de grootere verschillen tusschen de menschen van

verschillende rassen niet te spreken, is zoo algemeen bekend, dat

hierover geen woord behoeft te worden gezegd. Evenzoo is het bij de

lagere dieren, zooals in het laatste hoofdstuk met enkele voorbeelden

is aangetoond. Brehm wijst er met nadruk op, dat onder de apen die hij

in Afrika in gevangen staat bezat, elk individu zijn bijzonderen aanleg

en karakter had; hij vermeldt éénen baviaan, die merkwaardig was wegens

zijn hoog ontwikkeld verstand; en evenzoo wezen mij de oppassers in den

Londenschen dierentuin een Amerikaanschen aap aan, die zich door zijn

verstand onderscheidde. Ook Rengger wijst met nadruk op de

verscheidenheid in de verschillende geestvermogens bij apen van eene en

de zelfde soort, die hij in Paraguay bezat, en deze verscheidenheid,

zegt hij, is gedeeltelijk aangeboren en gedeeltelijk het gevolg van de

wijze, waarop zij zijn behandeld en opgevoed. [73]

Ik heb elders [74] zoo uitvoerig over de erfelijkheid gesproken, dat

het nauwelijks noodig is daarover iets hieraan toe te voegen. Ten

opzichte der overerving zoowel van de geringste als van de meest

belangrijke kenmerken is bij den mensch een grooter aantal feiten

bekend, dan bij een der lagere dieren; hoewel ten opzichte dezer

laatste het aantal feiten al groot genoeg is. Zoo is ten opzichte van

de geestvermogens bij onze honden, paarden en andere huisdieren, de

erfelijkheid duidelijk genoeg. Behalve bijzondere smaken en gewoonten

zijn ook verstand in het algemeen, moed, een goed of een slecht

karakter enz. ongetwijfeld erfelijk. Bij den mensch zien wij dergelijke

feiten in bijna elke familie; wij weten tegenwoordig door de

bewonderenswaardige onderzoekingen van den heer Galton [75], dat het

genie, hetwelk een verwonderlijk samengestelde vereeniging van hooge

vermogens in zich sluit, neiging tot erfelijkheid bezit; en van den

anderen kant is het maar al te zeker, dat krankzinnigheid en zwakke

geestvermogens eveneens bij bepaalde families veelvuldig voorkomen.

Ten opzichte van de oorzaken van de variabiliteit zijn wij in allen

gevalle zeer onwetend; maar zoowel bij den mensch als bij de lagere

dieren kunnen wij zien, dat zij eenigszins in verband staan met de

levensvoorwaarden waaraan elke soort gedurende verscheidene generaties

is blootgesteld geweest. Tamme dieren vertoonen grooter verschillen dan

die, welke in den natuurstaat leven; en dit schijnt te worden

veroorzaakt door den verschillenden en veranderden aard van hun

levensvoorwaarden. De verschillende menschenrassen gelijken in dit

opzicht op tamme dieren, en het zelfde is het geval met individu’s van

één en het zelfde ras, die over een zeer groot grondgebied zijn

verspreid, zooals b.v. het Amerikaansche ras. Wij zien den invloed van

de verscheidenheid der levensvoorwaarden bij de meer beschaafde volken,

waarvan de leden tot verschillende rangen en standen behooren en

verschillende beroepen uitoefenen, en daardoor ook minder op elkander

gelijken dan de leden van onbeschaafde volksstammen. De onderlinge

gelijkenis der wilden is echter dikwijls overdreven, ja, kan in sommige

gevallen nauwelijks worden gezegd te bestaan. [76] Zelfs indien wij

alleen de levensvoorwaarden beschouwen waaraan hij onderworpen is

geweest, is het desniettemin toch een dwaling om den mensch „in veel

grooter mate getemd” [77] te noemen, dan eenig ander dier. Sommige

wilde rassen, zooals de Nieuw-Hollanders zijn niet aan meer

verschillende levensvoorwaarden blootgesteld dan menige diersoort, die

een zeer groote geographische verspreiding heeft. In een ander en veel

belangrijker opzicht verschilt de mensch zeer van alle eigenlijke tamme

dieren; want men heeft nooit door stelselmatige of onbewuste teeltkeus

toezicht gehouden op zijn voortplanting. Geen menschenras en geen

vereeniging van menschen is ooit door andere menschen zoo volkomen

onder het juk gebracht, dat sommige individu’s gespaard bleven en dus

onbewust voor de voortplanting werden uitgekozen, omdat zij op de eene

of andere wijze nuttiger waren voor hun meesters. Evenmin zijn sommige

mannelijke en vrouwelijke individu’s met voordacht uitgekozen en met

elkander gepaard, behalve in het welbekende geval van de Pruisische

grenadiers, en in dit geval gehoorzaamde de mensch, zooals te

verwachten was aan de wet der stelselmatige teeltkeus; want men

verzekert, dat vele lange mannen werden voortgebracht in de dorpen die

de grenadiers met hun lange vrouwen bewoonden. Te Sparta was ook een

vorm van teeltkeus in gebruik; want de wet schreef voor, dat men alle

kinderen kort na de geboorte moest onderzoeken, de welgemaakte en

krachtige bewaren, en de andere aan hun lot overlaten en zoo laten

omkomen. [78] (1)

Indien wij alle menschenrassen beschouwen als tot eene enkele soort

behoorende, dan is de geographische verspreiding dier soort verbazend

groot; maar ook sommige afzonderlijke rassen, zooals het Amerikaansche

en Polynesische, hebben een groote geographische verspreiding. Het is

een bekende wet, dat soorten die een groote geographische verspreiding

hebben, veel meer verscheidenheden vertoonen, dan soorten die tot een

klein grondgebied beperkt zijn; en de verscheidenheden van den mensch

kunnen meer naar waarheid worden vergeleken met die van dieren, welke

een groote geographische verspreiding bezitten, dan met die van getemde

dieren.

Niet alleen schijnt de veranderlijkheid bij den mensch en de lagere

dieren het gevolg te zijn van de zelfde algemeene oorzaken, maar bij

beiden worden de zelfde kenmerken op geheel overeenkomstige wijze

aangedaan. Dit is door Godron en Quatrefages tot in zulke kleine

bijzonderheden bewezen, dat ik hier slechts naar hun werken behoef te

verwijzen. [79] De monstruositeiten, die trapsgewijze overgaan in

geringe afwijkingen, zijn eveneens bij den mensch en de lagere dieren

zoo overeenkomstig, dat voor beide de zelfde klassificatie en de zelfde

uitdrukkingen kunnen worden gebezigd, zooals men in Isidore Geoffroy

St.-Hilaire’s groot werk [80] kan zien. Dit is een noodwendig gevolg

daarvan, dat in het geheele dierenrijk de veranderingen door de zelfde

wetten worden beheerscht. In mijn werk over het varieeren der

huisdieren heb ik de wetten der variatie in het grove tot de volgende

rubrieken trachten te brengen:—De rechtstreeksche en bepaalde werking

van de levensvoorwaarden, die wordt aangetoond, doordat alle individu’s

van eene en de zelfde soort onder de zelfde omstandigheden op de zelfde

wijs varieeren. De uitwerkselen van lang voortgezet gebruik of onbruik

van deelen. De samenhang tusschen homotype deelen. De variabiliteit van

deelen die in een zeker aantal voorkomen. Compensatie van groei, maar

van deze wet heb ik in het geval van den mensch geen goede voorbeelden

gevonden. De uitwerkselen van mechanischen druk van het eene deel op

het andere, zooals van de bekkenbeenderen der moeder op den schedel van

de ongeboren vrucht. Stilstand in ontwikkeling, leidende tot de

verkleining of het geheel verdwijnen van deelen. Het opnieuw

verschijnen van lang verloren kenmerken door atavisme. Eindelijk

correlatieve variatie. Al deze zoogenaamde wetten zijn even goed op den

mensch als op de lagere dieren en de meesten er van zelfs op planten

toepasselijk. Het zou overbodig zijn ze hier allen te bespreken [81];

maar verscheidenen daarvan zijn zoo belangrijk voor ons, dat er een

aanmerkelijke ruimte aan moet worden gewijd.

De rechtstreeksche en bepaalde werking van veranderde

levensvoorwaarden.—Dit is een zeer moeilijk onderwerp. Het kan niet

worden ontkend, dat veranderde levensvoorwaarden eenige, en soms groote

uitwerking hebben op organismen van alle soorten en het komt op het

eerste gezicht waarschijnlijk voor, dat, indien een daartoe voldoende

tijdruimte gegeven was, dit steeds het geval zou zijn. Het is mij

echter niet gelukt duidelijke bewijzen voor de waarheid van deze

gevolgtrekking te vinden; en er kunnen geldige redenen tegen worden

aangevoerd, voor zoover ten minste de tallooze deelen aangaat, die tot

bepaalde doeleinden zijn ingericht. Ongetwijfeld veroorzaken echter

veranderde levensvoorwaarden een bijna onbepaald bedrag van vlottende

variabiliteit, waardoor de geheele organisatie eenigszins plastisch

wordt gemaakt.

In de Vereenigde Staten werden meer dan 1.000.000 soldaten die in den

laatsten oorlog dienden, gemeten, en daarbij de Staten opgeteekend

waarin zij waren geboren en opgevoed. [82] Door dit verbazende aantal

waarnemingen is bewezen, dat sommige plaatselijke invloeden

rechtstreeks terugwerken op de lengte van het lichaam; en verder leeren

wij er uit, dat „de Staat, waarin de groei grootendeels heeft plaats

gevonden, en de Staat van de geboorte, die de afkomst aanwijst, een

kennelijken invloed op de lichaamsgrootte schijnt uit te oefenen.” Zoo

is b.v. bewezen „dat het verblijf in de Westelijke Staten gedurende het

tijdperk van den groei gewoonlijk een toeneming der lichaamsgrootte ten

gevolge heeft.” Van den anderen kant is het zeker, dat bij matrozen hun

levenswijze den groei belemmert, zooals blijkt „uit het groote verschil

in lengte tusschen soldaten en matrozen op den leeftijd van 17 en 18

jaar.” De heer B. A. Gould beijverde zich om den aard te bepalen van de

invloeden, die aldus op de lichaamsgrootte werken; maar hij verkreeg

slechts negatieve resultaten, namelijk, dat zij in geen betrekking

stonden tot het klimaat, de hoogte van het land, den aard van den

bodem, noch zelfs „in eenige merkbare mate” tot de overvloedigheid van

of het gebrek aan de gemakken van het leven. Dit laatste besluit is in

volkomen tegenspraak met dat, waartoe Villermé werd geleid door de

statistiek van de lengte der lotelingen in verschillende deelen van

Frankrijk. Als wij de verschillen in lichaamsgrootte vergelijken

tusschen de Polynesische opperhoofden en de lagere volksklassen van de

zelfde eilanden, of tusschen de bewoners van de vruchtbare vulkanische

en de lage dorre koraaleilanden van den zelfden oceaan [83], of

eindelijk tusschen de Vuurlanders op de oostelijke en westelijke kusten

van hun land, waar de middelen van bestaan zeer verschillend zijn, dan

is het bijna onmogelijk om niet tot het besluit te komen, dat beter

voedsel en grooter levensgemakken wel degelijk van invloed zijn op de

lichaamsgrootte. De boven aangehaalde getuigenissen bewijzen echter,

hoe moeilijk het is tot eenig nauwkeurig resultaat te komen. Dr. Beddoe

heeft onlangs bewezen, dat bij de bewoners van Groot Brittannië het

verblijf in steden en sommige ambachten een nadeeligen invloed op de

lichaamsgrootte uitoefenen; en hij komt tot het besluit, dat de

gevolgen daarvan tot op zekere hoogte erfelijk zijn, zooals eveneens in

de Vereenigde Staten het geval is. Dr. Beddoe gelooft verder, dat

overal waar een „ras zijn maximum van physische ontwikkeling bereikt,

het ook tot zijn toppunt van energie en zedelijke kracht klimt.” [84]

Of uitwendige toestanden eenige verdere rechtstreeksche uitwerking op

den mensch hebben, is niet bekend. Men zou hebben mogen verwachten dat

klimatologische verschillen een kennelijken invloed zouden hebben

gehad, daar de longen en nieren door een lagere temperatuur, en de

lever en de huid door een hoogere, tot grooter werkzaamheid worden

gebracht. [85] Men dacht vroeger, dat de kleur der huid en de aard van

het haar door licht of warmte werden bepaald; en hoewel het moeilijk

valt te loochenen, dat daardoor eenige invloed wordt uitgeoefend, zijn

toch bijna alle waarnemers het tegenwoordig eens, dat die invloed zeer

gering is geweest, zelfs na een gedurende vele generaties voortgezette

inwerking. Dit onderwerp zal echter meer in het bijzonder worden

behandeld, wanneer wij over de verschillende menschenrassen zullen

spreken. Er bestaan gronden om aan te nemen, dat bij onze huisdieren

koude en vochtigheid rechtstreeks op den haargroei inwerken, maar bij

den mensch ken ik daarvoor volstrekt geen bewijzen.

Gevolgen van vermeerderd gebruik of onbruik van deelen.—Iedereen weet,

dat het gebruik de spieren van het individu versterkt, terwijl volkomen

onbruik, of de vernieling van haar zenuwen ze verzwakt. Als het oog

wordt vernield, neemt dikwijls de gezichtszenuw in omvang af. Als een

slagader wordt afgebonden, neemt niet slechts de middellijn der

zijdelingsche kanalen, maar ook de dikte en sterkte van hun weefsel

toe. Als door een ziekte de eene nier ophoudt te werken, neemt de

andere in grootte toe en doet dubbel werk. Beenderen nemen niet alleen

in dikte, maar ook in lengte toe; wanneer zij een grooter gewicht

dragen. [86] Het geregeld uitoefenen van sommige bedrijven veroorzaakt

veranderingen in de verhoudingen van verscheidene lichaamsdeelen. Zoo

bewees de door de regeering der Vereenigde Staten benoemde commissie

[87] ten duidelijkste, dat de beenen der matrozen, die in den oorlog

aldaar werden gebruikt, 0.65 centimeter langer waren dan die der

soldaten, hoewel de gemiddelde lichaamslengte der matrozen kleiner was,

terwijl hun armen 2.76 centimeter korter en daarom met betrekking tot

hun lichaamslengte naar evenredigheid nog veel korter waren. De

kortheid van hun armen is blijkbaar het gevolg van het grooter gebruik,

dat zij er van maken, en is een onverwacht resultaat; matrozen

gebruiken echter hun armen voornamelijk om te trekken en niet om

gewichten te dragen. De omtrek van den hals en de diepte van de wreef

zijn grooter, de omtrek van de borstkas, van het middel en de heupen

daarentegen kleiner bij matrozen, dan bij soldaten.

Of de verschillende bovengemelde wijzigingen erfelijk zouden worden,

wanneer de zelfde levenswijze gedurende vele generaties werd

voortgezet, is niet bekend, doch is waarschijnlijk. Rengger [88]

schrijft de dunne beenen en de dikke armen van de Payaguas-Indianen

daaraan toe, dat opeenvolgende generaties bijna hun geheele leven in

kano’s hebben doorgebracht, waarbij hun onderste ledematen zonder

beweging bleven. Andere schrijvers zijn in andere dergelijke gevallen

tot het zelfde besluit gekomen. (2) Volgens Cranz [89], die langen tijd

bij de Eskimo’s leefde, „gelooven de inboorlingen, dat vernuft en

behendigheid in het zeehonden vangen (hun hoogste kunst en deugd)

erfelijk is; en werkelijk is daar iets waars in, want de zoon van een

vermaard zeehondenvanger onderscheidt zich daarin gewoonlijk, zelfs al

verloor hij zijn vader, toen hij nog slechts een klein kind was.” In

dit geval schijnt echter geestelijke aanleg evenzoo goed te worden

overgeërfd als lichamelijk maaksel. Men beweert, dat de handen van

Engelsche boeren bij de geboorte grooter zijn, dan die van de hoogere

burgerklasse. [90] Wegens de correlatie die ten minste in sommige

gevallen [91] bestaat tusschen de ontwikkeling der ledematen en die der

kaken, is het mogelijk, dat bij klassen welke niet met hun handen en

voeten werken, de kaken daardoor in grootte zouden afnemen. Dat de

kaken over het algemeen kleiner zijn bij ontwikkelde en beschaafde

menschen dan bij menschen, die hard moeten werken, en bij wilden, is

zeker. Bij wilden werkt echter, zooals de heer Herbert Spencer [92]

heeft opgemerkt, het grooter gebruik van de kaken bij het kauwen van

grof ongekookt voedsel op rechtstreeksche wijze op de kauwspieren en de

beenderen, waaraan deze zijn vastgehecht, in. Bij kinderen is lang voor

de geboorte de huid aan de voetzolen dikker dan op eenige andere plaats

van het lichaam [93]; en het valt moeilijk te betwijfelen, dat dit het

gevolg is van de overgeërfde gevolgen der drukking gedurende een lange

reeks van geslachten.

Iedereen weet, dat horlogemakers en graveurs een neiging hebben om

bijziende te worden, terwijl zeelieden en vooral wilden over het

algemeen verziende zijn. [94] Bijziendheid en verziendheid nu hebben

ongetwijfeld een neiging tot erfelijkheid. [95] De minderheid van

Europeanen, in vergelijking met wilden, in scherpte van het gezicht en

van de andere zinnen, is ongetwijfeld het opeengestapeld en overgeërfd

gevolg van verminderd gebruik gedurende vele generaties; want Rengger

[96] verzekert, dat hij herhaaldelijk Europeanen heeft waargenomen, die

met de wilde Indianen waren grootgebracht en hun geheele leven bij hen

hadden doorgebracht, en toch in scherpte van zinnen voor hen

onderdeden. De zelfde dierkundige merkt op, dat de schedelholten,

bestemd voor de opneming der verschillende zintuigen bij de

inboorlingen van Amerika, grooter zijn dan bij Europeanen, en dit wijst

ongetwijfeld op een overeenkomstig verschil in afmetingen der zintuigen

zelven. Blumenbach heeft eveneens de aandacht gevestigd op den grooten

omvang der neusholten in de schedels van Amerikaansche inboorlingen, en

brengt dit feit in verband met de opmerkelijke scherpte van hun

reukvermogen. De Mongolen der vlakten van Noord-Azië hebben, volgens

Pallas, verwonderlijk volmaakte zinnen, en Prichard gelooft, dat de

groote breedte hunner schedels, over de jukbeenderen gemeten, een

gevolg is van hun hoog ontwikkelde zintuigen. (3) [97]

De Quechua-Indianen bewonen de hoogvlakten van Peru, en Alcide

d’Orbigny getuigt [98], dat zij, door onophoudelijk een zeer verdunde

lucht in te ademen, borstkassen en longen van buitengewone afmetingen

hebben verkregen. Ook de cellen van de longen zijn grooter en talrijker

dan bij Europeanen. Men heeft de juistheid dezer waarnemingen

betwijfeld; doch de heer Forbes mat zorgvuldig verscheidene Aymara’s,

een verwanten stam, die op een hoogte van 3300 tot 5000 meter leeft; en

hij deelt mij mede [99], dat zij in den omtrek en de lengte van hun

romp sterk afwijken van de menschen van alle rassen die hij heeft

gezien. In de tabel van zijn metingen wordt de geheele lengte van elk

persoon gelijk aan duizend gesteld, en de overige metingen tot dezen

standaard herleid. Het blijkt dan, dat de uitgestrekte armen van de

Aymara’s korter zijn dan die van Europeanen, en veel korter dan die van

negers. De beenen zijn ook korter en vertoonen de merkwaardige

bijzonderheid, dat bij elken opgemeten Aymara het dijbeen korter is dan

het scheenbeen. Gemiddeld staat de lengte van het dijbeen tot die van

het scheenbeen als 211 tot 252; terwijl bij twee tegelijkertijd gemeten

Europeanen de dijbeenderen zich tot de scheenbeenderen verhielden als

244 tot 230, en bij drie negers als 258 tot 241. Het opperarmbeen is

eveneens korter in verhouding tot den voorarm. De heer Forbes bracht

mij op het denkbeeld, dat deze verkorting van dat deel van het lid,

hetwelk het dichtst bij het lichaam ligt, een geval van compensatie is

met betrekking tot de sterke vermeerdering in lengte van den romp. De

Aymara’s vertoonen in hun maaksel nog eenige andere eigenaardigheden,

b.v. het zeer weinig uitsteken van den hiel.

Deze menschen zijn zoo volkomen geacclimatiseerd in hun koude en hooge

woonplaats, dat, toen weleer de Spanjaarden hen naar de lage oostelijke

vlakten brachten, en wanneer zij nu, door hoog loon in verzoeking

gebracht, van hun bergen afdalen naar de goudwasscherijen, de sterfte

onder hen tot een schrikbarende hoogte klimt. Toch vond de heer Forbes

eenige weinige huisgezinnen van zuiver bloed, die gedurende twee

generaties in leven waren gebleven; en hij merkte op, dat zij hun

kenmerkende eigenaardigheden nog hadden geërfd. Het was echter

duidelijk te zien, zelfs zonder meting, dat deze eigenaardigheden allen

afgenomen waren; en bij meting bleek, dat hun romp niet zoo lang was

als die hunner stamgenooten van de hooge bergvlakte, terwijl hun

dijbeenderen een weinig langer waren geworden, evenals ook, hoewel in

mindere mate, hun scheenbeenderen. De juiste afmetingen kan men vinden

in de verhandeling van den heer Forbes. Na deze belangrijke

waarnemingen kan het dunkt mij, niet worden betwijfeld, dat een

gedurende vele generaties voortgezet verblijf op groote hoogte een

directe en indirecte neiging tot erfelijke wijzigingen in de

verhoudingen van het lichaam ten gevolge heeft. [100]

Hoewel de mensch gedurende de latere trappen zijner ontwikkeling niet

moge zijn gewijzigd door het vermeerderde of verminderde gebruik van

deelen, toonen de bovengemelde feiten, dat zijn vatbaarheid daarvoor

niet verloren is gegaan, en wij weten met zekerheid, dat de zelfde wet

bij lagere dieren doorgaat. Wij mogen daaruit bij gevolg afleiden, dat,

toen in een lang geleden tijdperk de voorouders van den mensch, in een

overgangstoestand verkeerden en bezig waren om van viervoetige in

tweevoetige dieren te veranderen, de natuurlijke teeltkeus

waarschijnlijk in groote mate werd geholpen door de overgeërfde

gevolgen van het vermeerderde of verminderde gebruik van de

verschillende deelen van het lichaam.

Stilstand in de ontwikkeling.—Stilstand in de ontwikkeling verschilt

daarin van stilstand in den groei, dat de deelen doorgaan met groeien,

ofschoon zij hun vroegeren ontwikkelingstoestand behouden.

Verschillende misvormingen behooren tot deze afdeeling, en van sommigen

daarvan weet men, dat zij erfelijk zijn, zooals b.v. een gespleten

verhemelte. Voor ons doel zal het genoeg zijn te verwijzen naar den

stilstand in de ontwikkeling der hersenen bij microcephale idioten,

zooals die in Vogt’s groote verhandeling worden beschreven. [101] Hun

schedels zijn kleiner en de hersenwindingen minder ingewikkeld, dan bij

normale menschen. De voorhoofdsboezem, of het vooruitsteken der

wenkbrauwbogen, is sterk ontwikkeld, en de kaken vertoonen een

„schrikbarende” mate van prognathisme; zoodat deze idioten eenigszins

gelijken op de laagste typen van het menschelijk geslacht. Hun verstand

en hun meeste geestvermogens zijn uiterst zwak. Zij kunnen niet leeren

spreken en zijn geheel buiten staat hun aandacht lang op iets te

vestigen, daarentegen hebben zij veel neiging tot nabootsing. Zij zijn

sterk en opmerkelijk bedrijvig, daar zij voortdurend springen en

rondhuppelen, en grimassen maken. Zij klimmen dikwijls op handen en

voeten de trap op; en houden merkwaardig veel van het klimmen op

meubels en in de boomen. Dit herinnert ons, hoe gaarne de meeste

jongens in de boomen klimmen, en dit laatste herinnert ons weder, met

hoeveel vermaak lammeren en jonge geiten, oorspronkelijk in bergstreken

levende dieren, op elk heuveltje, hoe klein ook, rondspringen. Idioten

gelijken ook in sommige andere opzichten op de lagere dieren; zoo zijn

er verscheidene voorbeelden aangeteekend, dat zij elken mondvol voedsel

zorgvuldig beroken, voor zij hem opaten. Van éénen idioot wordt

vermeld, dat hij dikwijls, als hij zich luisde, zijn mond gebruikte om

zijn handen te helpen. Zij hebben dikwijls vuile gewoonten en geen

begrip van wat betamelijk is, en er zijn verschillende gevallen

opgeteekend van opmerkelijke behaardheid van hun lichaam. [102]

Atavisme.—Vele gevallen die hier moeten worden opgesomd, zouden tot de

vorige afdeeling kunnen zijn gebracht. Wanneer een orgaan in zijn

ontwikkeling blijft stilstaan, maar voortgaat met groeien totdat het

nauwkeurig gelijkt op een overeenkomstig orgaan van een of ander lager

en volwassen lid van de zelfde groep, mogen wij zulks altijd

eenigermate als een geval van atavisme beschouwen. De lagere leden van

een groep geven ons eenig denkbeeld van het maaksel van den

gemeenschappelijken stamvader van de groep; en het is moeielijk te

gelooven, dat een deel, in welks ontwikkeling een stilstand was

ontstaan gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven, in

staat zou zijn om zoodanig met groeien voort te gaan, dat het ten

laatste zijn bijzondere functie kon vervullen, wanneer het dit vermogen

van voortgaanden groei niet had verkregen gedurende den eenen of

anderen vroegeren toestand van bestaan, toen zijn thans exceptioneel en

door stilstand in de ontwikkeling veroorzaakt maaksel normaal was. De

eenvoudige hersenen van een microcephalen idioot kunnen, in zoover zij

op die van een aap gelijken, worden gezegd een geval van atavisme te

zijn. [103] Er zijn andere gevallen, die nog volkomener in onze

tegenwoordige afdeeling over atavisme passen. Sommige vormen, die bij

de lagere leden van de groep waartoe de mensch behoort, geregeld

voorkomen, worden nu en dan ook bij dezen laatsten waargenomen, hoewel

men ze niet bij den normalen menschelijken embryo aantreft, of, wanneer

zij bij den normalen embryo worden gevonden, zich op abnormale wijze

ontwikkelen, hoewel die wijze van ontwikkeling bij de lagere leden der

zelfde groep normaal is. Deze opmerkingen zullen duidelijker worden

gemaakt door de volgende voorbeelden.

Bij de verschillende zoogdieren klimt de baarmoeder van een dubbel

orgaan met twee gescheiden openingen en twee doorgangen, zooals bij de

buideldieren, trapsgewijze op tot een enkelvoudig orgaan, dat geen

andere teekenen van tweevoudigheid vertoont dan een kleine inwendige

plooi zooals bij de apen en den mensch. De knaagdieren vertoonen een

volledige rij van overgangen tusschen deze beide uitersten. Bij alle

zoogdieren ontwikkelt zich de baarmoeder oorspronkelijk uit

enkelvoudige buizen, waarvan de onderste deelen de hoornen vormen, en

wordt, volgens de woorden van Dr. Farre, „door de samengroeiing van de

beide hoornen aan hun benedenste uiteinden het lichaam van de

baarmoeder bij den mensch gevormd; terwijl bij die dieren, bij welke

geen middelste gedeelte of lichaam bestaat, de hoornen onverbonden

blijven. Naarmate de ontwikkeling der baarmoeder voortgaat, worden de

beide hoornen hoe langer hoe korter, tot zij ten laatste geheel

verdwijnen, of zich als het ware in het lichaam van de baarmoeder

oplossen.” Zelfs op zulk een hoogen ontwikkelingstrap als die der

lagere apen en hun verwanten, de Lemuriden, zijn de hoeken van de

baarmoeder nog tot hoornen verlengd.

Nu zijn bij vrouwen anomalieën niet zeer zeldzaam, waarbij de volwassen

baarmoeder van hoornen voorzien of gedeeltelijk in twee organen

verdeeld is; en dergelijke gevallen herhalen, volgens Owen, „in hun

ontwikkeling den graad van concentratie” die door sommige knaagdieren

wordt bereikt. Hier hebben wij misschien een voorbeeld van een

eenvoudigen stilstand in de ontwikkeling van den embryo, met

voortgaanden groei en volledige geschiktwording van het orgaan voor

zijn functie; want elke zijde van de gedeeltelijke dubbele baarmoeder

is geschikt om bij de zwangerschap haar eigenaardige taak te vervullen.

In andere en meer zeldzame gevallen worden twee afgescheiden

baarmoederlijke holten gevormd, elk met haar eigen opening en doorgang.

[104] Deze ontwikkelingstrap wordt door een normaal embryo niet

doorloopen, en het is moeielijk te gelooven, ofschoon het misschien

niet onmogelijk is, dat twee eenvoudige, kleine, primitieve buisjes de

kunst zouden verstaan (als ik mij zoo eens mag uitdrukken) om zich te

ontwikkelen tot twee afgescheiden baarmoeders, elk met een goed

gevormde opening en doorgang, en beide voorzien van talrijke spieren,

zenuwen, klieren en vaten, als zij niet vroeger een dergelijken

ontwikkelingsgang hadden doorloopen, zooals bij de tegenwoordig levende

buideldieren het geval is. Niemand zal beweren, dat een zoo volkomen

orgaan als de abnormale dubbele baarmoeder bij de vrouw alleen als een

gevolg van het toeval kan worden beschouwd. Het beginsel van atavisme,

waardoor sinds lang verloren en om zoo te zeggen slapende kenmerken

opnieuw in het leven worden teruggeroepen, zou echter de volkomen

ontwikkeling van het orgaan kunnen verklaren, zelfs wanneer een

ontzaglijk lange tijd was verloopen sedert die ontwikkelingswijze

normaal bij de voorouders van den mensch voorkwam.

Professor Canestrini [105] komt, na het voorgaande en verschillende

dergelijke gevallen te hebben besproken, tot het zelfde besluit waartoe

ik zooeven kwam. Hij voegt er, als een ander voorbeeld, het jukbeen

bij, dat bij sommige vierhandige en andere zoogdieren normaal uit twee

deelen bestaat. Dit is ook het geval bij den menschelijken foetus van

twee maanden; en ook soms door stilstand in de ontwikkeling bij den

volwassen mensch, meer in het bijzonder bij de lagere prognathische

rassen. Hieruit besluit Canestrini, dat bij den eenen of anderen

vroegeren voorvader van den mensch dit been normaal uit twee deelen

bestond, die later met elkander tot één geheel vergroeiden. Bij den

mensch bestaat het voorhoofdsbeen uit één stuk, maar bij den embryo en

bij kinderen, en bij bijna alle lagere zoogdieren bestaat het uit twee

stukken, die door een afzonderlijken naad worden gescheiden. Deze naad

blijft soms bij den volwassen mensch min of meer duidelijk bestaan en

veelvuldiger bij oude dan bij nieuwere schedels, vooral, zooals

Canestrini heeft opgemerkt, bij die, welke uit het diluvium zijn

opgegraven en tot het brachycephale type behooren. Hij komt hier weder

tot het zelfde besluit als in het overeenkomstige geval van de

jukbeenderen. In dit en in andere gevallen die wij hier moeten

mededeelen, schijnt de reden dat oude rassen in sommige kenmerken

veelvuldiger tot de lagere dieren naderen dan de nieuwere rassen, te

zijn, dat deze laatste in de lange lijn van afstamming op een iets

grooter afstand staan van hun voormalige half-menschelijke voorouders.

Verschillende andere anomalieën bij den mensch, meer of min met de

voorgaande overeenkomende, zijn door verschillende schrijvers [106]

voor atavismen verklaard; maar deze schijnen niet weinig twijfelachtig,

want wij moeten uiterst laag in de reeks der zoogdieren afdalen, vóór

wij dergelijke vormen normaal aanwezig vinden.

Bij den mensch zijn de hoektanden werktuigen die volkomen geschikt zijn

voor het kauwen. Dat zij echter werkelijk met de hondstanden van andere

zoogdieren overeenkomen, wordt, zooals Owen [107] opmerkt, „aangetoond

door de kegelvormige kroon, die in een stompe punt eindigt, aan de

buitenzijde bol, aan de binnenzijde plat of eenigszins hol is, aan de

basis van welk oppervlak een geringe verhevenheid is. De kegelvorm is

het best uitgedrukt bij de Melanesische rassen, vooral bij het

Nieuw-Hollandsche. De hoektand is dieper en met een sterker wortel

ingeplant dan de snijtanden.” Desniettemin dient deze tand den mensch

niet meer als een bijzonder wapen om zijn vijanden of zijn prooi vaneen

te scheuren; hij kan dus, voor zoover zijn eigenlijke bestemming

aangaat, als rudimentair worden beschouwd. In iedere groote verzameling

van menschelijke schedels kan men er enkele vinden [108], waarvan de

hoektanden aanmerkelijk boven de andere uitsteken op de zelfde wijze

maar in mindere mate, dan bij de anthropomorphen. In deze gevallen

bevinden zich tusschen de tanden van de eene kaak open plaatsen tot

opneming van de hoektanden der andere kaak. Bij een door Wagner

afgebeelden Kafferschedel merkt men een verbazend groote dergelijke

tusschenruimte op. [109] Wanneer men in aanmerking neemt, hoe weinig

oude schedels in vergelijking met nieuwere schedels bestudeerd zijn, is

het een belangrijk feit, dat in ten minste drie gevallen de hoektanden

sterk uitsteken, en bij de kaak van la Naulette zijn zij, naar men

zegt, zeer groot. [110]

Bij de anthropomorphe apen hebben alleen de mannetjes volkomen

ontwikkelde hondstanden; maar bij den vrouwelijken gorilla en in

mindere mate bij den vrouwelijken orang steken deze tanden aanmerkelijk

boven de andere uit; het feit, dat vrouwen, zooals men mij heeft

verzekerd, sterk uitstekende hoektanden hebben, is daarom geen ernstige

tegenwerping tegen het geloof, dat hun nu en dan voorkomende groote

ontwikkeling bij den mensch een geval van atavisme, van terugkeer tot

de kenmerken van een op een aap gelijkenden voorvader is. Hij die met

verachting het geloof verwerpt, dat de gedaante van zijn eigen

hoektanden en hun nu en dan waargenomen groote ontwikkeling bij andere

menschen daardoor worden veroorzaakt, dat onze vroegere voorouders van

deze vreeselijke wapens voorzien zijn geweest, zal waarschijnlijk zijn

afkomst duidelijk toonen door den neus op te trekken. Want hoewel hij

noch het voornemen, noch het vermogen meer heeft om deze tanden als

wapenen te gebruiken, zal hij onbewust zijn bromspieren, zooals Sir

Bell [111] ze noemt, optrekken, even alsof hij ze voor den aanval wilde

ontblooten gelijk een hond, die zich voorbereidt tot het gevecht.

Vele spieren die aan de apen of andere zoogdieren eigen zijn, komen

soms ook bij den mensch in ontwikkelden toestand voor. Professor

Vlacovich [112] onderzocht veertig mannelijke lijken, en vond bij

negentien daarvan een spier, door hem musculus ischio-pubicus genoemd;

bij drie andere was er een band welke deze spier vertegenwoordigde; en

bij de overige achttien geen spoor daarvan. Dertig vrouwelijke lijken

onderzoekende, vond hij, dat alleen bij twee daarvan deze spier aan

beide zijden ontwikkeld was, maar bij drie andere bestond de

rudimentaire band. Deze spier schijnt daarom veel algemeener te zijn

bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse, en wanneer men het

beginsel der afstamming van den mensch van dezen of genen lageren vorm

aanneemt, kan haar tegenwoordigheid worden begrepen; want zij is bij

verschillende lagere dieren ontdekt, en bij deze allen dient zij

uitsluitend om het mannetje bij de paring behulpzaam te zijn.

De heer J. Wood heeft in zijne gewichtige reeks verhandelingen [113]

een groot aantal wijzigingen van het spierstelsel bij den mensch, die

op de normale inrichting daarvan bij lagere dieren gelijken, nauwkeurig

beschreven.

Wanneer men alleen de spieren beschouwt welke volkomen gelijken op die,

welke bij onze naaste verwanten, de apen, steeds voorkomen, zijn zij

nog te talrijk om hier zelfs maar te worden opgenoemd. Bij een enkel

mannelijk lijk, dat een sterken lichaamsbouw en welgevormden schedel

bezat, werden niet minder dan zeven wijzigingen in het spierstelsel

waargenomen, die allen geheel overeenkwamen met spieren welke aan

verschillende soorten van apen eigen zijn. Deze man had b.v. aan beide

zijden van zijn hals een waren en krachtigen „levator claviculae”,

zooals die bij alle aapsoorten wordt gevonden, en welke, naar men zegt,

bij één van de zestig menschen voorkomt. [114] Daarenboven had die man

„een bijzondere afvoerende spier van het middelhandsbeen der pink”,

die, zooals Prof. Huxley en de heer Flower hebben aangetoond, bij de

hoogere en lagere apen standvastig voorkomt. Ik wil er nog twee

gevallen bijvoegen; de musculus acromio-basilaris wordt bij alle

zoogdieren die beneden den mensch staan, gevonden, en schijnt in

verband te staan met een viervoetigen gang, en hij komt voor bij

omstreeks één van de zestig menschen. In de onderste ledematen vond de

heer Bradley een abductor ossis metatarsi quinti in beide voeten van

den mensch; deze spier was tot dien tijd toe bij den mensch niet

opgeteekend, maar is altijd aanwezig bij de anthropomorphe apen. De

handen en armen van den mensch vertoonen in hooge mate een eigenaardig

maaksel; maar hun spieren zijn uiterst onderhevig aan wijzigingen

waardoor zij op de overeenkomstige spieren bij de lagere dieren gaan

gelijken. [115] Dergelijke gelijkenissen zijn of volledig en volmaakt

of onvolmaakt, en vormen in dit laatste geval blijkbaar overgangen.

Sommige wijzigingen zijn meer algemeen bij den man en andere bij de

vrouw, zonder dat wij in staat zijn hiervan de oorzaak aan te wijzen.

De heer Wood maakt, na verscheidene gevallen te hebben beschreven, de

volgende belangrijke opmerking:

„Aanmerkelijke afwijkingen van het gewone type van het spierstelsel

loopen in lijnen of richtingen, die men moet onderstellen, dat eenigen

onbekenden factor aanduiden die hoogst belangrijk is voor een

begrijpelijke kennis van algemeene en wetenschappelijke ontleedkunde.”

[116]

Dat deze onbekende factor atavisme of terugkeer tot een vroegeren

toestand van bestaan is, mag men voor hoogst waarschijnlijk houden. Het

is volkomen ongeloofelijk, dat een mensch door zuiver toeval in de

abnormale ontwikkeling van niet minder dan zeven zijner spieren op

zekere apen zou gelijken, indien er geen bloedverwantschap tusschen hen

bestond. Indien daarentegen de mensch afstamt van een of ander op een

aap gelijkend wezen, kan er geen gegronde reden worden opgegeven,

waarom sommige spieren niet plotseling opnieuw zouden verschijnen na

een tusschenruimte van vele duizenden generaties, op de zelfde wijze

als bij paarden, ezels en muildieren donker gekleurde strepen

plotseling opnieuw verschijnen op de pooten en schouders na een

tusschenruimte van honderden of waarschijnlijker duizenden geslachten.

Deze verschillende gevallen van atavisme zijn zoo nauw verwant met die

van rudimentaire organen, in het eerste hoofdstuk medegedeeld, dat het

bij velen van hen onverschillig zou zijn geweest, in welk der beide

hoofdstukken zij werden besproken. Zoo kan men zeggen, dat een van

hoornen voorziene menschelijke baarmoeder in rudimentairen staat den

normalen toestand van het zelfde orgaan bij sommige zoogdieren

vertegenwoordigt. Sommige deelen die bij den mensch rudimentair zijn,

zooals het koekoeksbeen bij beide seksen en de tepels bij de mannelijke

sekse, zijn altijd tegenwoordig, terwijl andere, zooals het foramen

supra condyloideum alleen nu en dan verschijnen, en daarom onder de

afdeeling atavisme zouden kunnen zijn gebracht. Deze verschillende

atavistische vormingen verraden, even goed als de strikt rudimentaire,

’s menschen afstamming van dezen of genen lagen vorm op onmiskenbare

wijze. (6)

Correlatie.—Bij den mensch zoowel als bij de lagere dieren bestaat er

een zoo innig verband tusschen vele organen, dat als het eene deel

afwijkingen vertoont, ook het andere dit doet, zonder dat wij daarvan

in de meeste gevallen de oorzaak kunnen aangeven. Wij kunnen niet

zeggen of het eene deel het andere bestuurt, dan wel of beide door

eenig vroeger ontwikkeld deel worden bestuurd. I. Geoffroy drukt er

herhaaldelijk op, dat er tusschen verschillende monstruositeiten een

dergelijk innig verband bestaat.

Vooral homotype deelen veranderen dikwijls tegelijkertijd, zooals wij

zien aan de tegenovergestelde lichaamshelften, en aan de bovenste en

onderste ledematen, Meckel merkte reeds voor langen tijd op, dat

wanneer de spieren van den arm van haar gewoon type afwijken, zij bijna

altijd die van het been nabootsen, en evenzoo gaat het omgekeerd met de

spieren van het been. De zintuigen van het gezicht en het gehoor, de

tanden en de haren, de kleur der huid en van het haar, de kleur en het

gestel staan op de zelfde wijze min of meer met elkander in verband.

[117] Prof. Schaaffhausen vestigde het eerst de aandacht op de

betrekking, die er blijkbaar bestaat tusschen een gespierden

lichaamsbouw en sterk ontwikkelde wenkbrauwbogen, die zoo kenmerkend

zijn voor de lagere menschenrassen.

Behalve de wijzigingen, die met meer of minder waarschijnlijkheid tot

de voorgaande afdeelingen kunnen worden gebracht, is er nog een groote

klasse van wijzigingen, die men spontane zou kunnen noemen, want ten

gevolge onzer onwetendheid ontstaan zij schijnbaar zonder eenige

aanleidende oorzaken. Men kan echter bewijzen, dat dergelijke

wijzigingen, hetzij zij bestaan in geringe individueele verschillen of

in sterk in het oog vallende en plotselinge afwijkingen van maaksel,

veel meer afhangen van het gestel van het organisme dan van den aard

der levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geworden. [118]

Bedrag van den aanwas der bevolking.—Er zijn voorbeelden bekend van

beschaafde volken, b.v. in de Vereenigde Staten, die hun aantal in

vijf-en-twintig jaren hebben verdubbeld; en volgens een berekening van

Euler zou dit in iets meer dan twaalf jaren kunnen geschieden. [119]

Volgens de eerste verhouding zou de tegenwoordige bevolking der

Vereenigde Staten, namelijk dertig millioen menschen (7), in 657 jaar

den geheelen aardbol, zoowel het land als den oceaan, zoo dicht

bedekken, dat op elk viertal vierkante meters negentien menschen zouden

moeten staan. Het voornaamste of fundamenteele beletsel tegen de

voortdurende vermeerdering van het menschelijk geslacht is de

moeielijkheid om zijn levensonderhoud te verkrijgen en op aangename

wijze te leven. Dat dit het geval is, mogen wij afleiden uit hetgeen

wij b.v. in de Vereenigde Staten zien, waar het levensonderhoud

gemakkelijk te verkrijgen en waar overvloed van ruimte is. Indien in

Groot-Brittannië plotseling het levensonderhoud tweemaal gemakkelijker

was te verkrijgen en de ruimte verdubbelde, zou ook het aantal

Engelschen en Schotten spoedig verdubbeld zijn. Bij beschaafde volken

werkt het bovengenoemde voornaamste beletsel voornamelijk door het

aantal huwelijken te beperken. Ook de groote sterfte van kinderen in de

armste klassen is zeer belangrijk, zoowel als de grootere sterfte op

alle leeftijden en aan verschillende ziekten der bewoners van

overbevolkte en slecht ingerichte huizen. De uitwerkselen van

vreeselijke epidemieën en oorlogen worden spoedig vereffend, en meer

dan vereffend, bij volken die onder gunstige voorwaarden zijn

geplaatst. Bij de uiterst arme klassen werkt ook de landverhuizing als

een tijdelijk beletsel, maar op niet zeer uitgebreide wijze.

Er bestaat reden om te vermoeden, zooals Malthus heeft opgemerkt, dat

de vruchtbaarheid tegenwoordig geringer is bij wilde dan bij beschaafde

rassen. Wij weten daarvan niets met zekerheid, want bij wilden bestaan

geen volkstellingen; maar volgens de overeenstemmende getuigenissen van

zendelingen en anderen, die lang bij dergelijke volken hebben gewoond,

schijnen hun huisgezinnen gewoonlijk klein en slechts zelden groot te

zijn. Dit moet, naar men beweert, wellicht daaraan worden

toegeschreven, dat de vrouwen de kinderen gedurende zeer langen tijd

zoogen; maar het is zeer waarschijnlijk, dat wilden, die dikwijls vele

vermoeienissen doorstaan, en niet zooveel voedzame spijs krijgen als

beschaafde menschen, tegenwoordig minder vruchtbaar zijn. Ik heb in een

vroeger werk [120] aangetoond, dat al onze tamme zoogdieren en vogels,

en al de planten die wij verbouwen, vruchtbaarder zijn dan de

overeenkomstige soorten in den natuurstaat. Het is geen gegronde

tegenwerping tegen dit besluit, dat dieren als men ze plotseling van

een overvloed van voedsel voorziet of vetmest, en dat de meeste

planten, als men ze zeer plotseling uit een zeer schralen in een zeer

vetten bodem overplant, min of meer onvruchtbaar worden. Wij konden

daarom verwachten, dat beschaafde volken, die in zekeren zin in hooge

mate getemd zijn, vruchtbaarder zouden zijn dan wilden. Het is ook

waarschijnlijk, dat de vermeerderde vruchtbaarheid van beschaafde

volken, evenals bij onze tamme dieren een erfelijk kenmerk zou worden;

het is ten minste bekend, dat bij den mensch de aanleg om tweelingen

voort te brengen, in sommige families erfelijk is. [121]

Niettegenstaande wilden minder kinderen schijnen voort te brengen dan

beschaafde menschen, zouden zij ongetwijfeld snel vermeerderen, indien

hun aantal niet door sommige oorzaken krachtig werd beperkt. De

Santali-stammen, die de heuvels van Indië bewonen, hebben voor korten

tijd een goed bewijs daarvan geleverd; want de heer Hunter [122] heeft

aangetoond, dat hun aantal in buitengewone mate is toegenomen, sedert

de koepokinenting bij hen is ingevoerd, andere besmettelijke ziekten

zijn getemperd en de oorlog krachtig is bedwongen. Die toeneming zou

echter niet mogelijk zijn geweest, wanneer deze ruwe menschen zich niet

in de naburige districten verspreid en zich daar als werklieden hadden

verhuurd. Wilden huwen bijna altijd, maar nemen daarbij een soort van

voorzichtig zelfbedwang in acht; want zij huwen gewoonlijk niet op den

jongstmogelijken leeftijd. Men eischt dikwijls van de jonge mannen het

bewijs, dat zij een vrouw kunnen onderhouden, en over het algemeen

moeten zij eerst den prijs verdienen, dien zij voor haar aan haar

ouders moeten betalen. Bij wilden beperkt de moeielijkheid om voedsel

te verkrijgen hun aantal op een veel meer rechtstreeksche wijze dan bij

beschaafde menschen; want alle stammen hebben periodiek zware

hongersnooden door te staan. In zulke tijden zijn de wilden genoodzaakt

veel slecht voedsel te verslinden, en het kan bijna niet missen, dat

hun gezondheid hierdoor wordt benadeeld. Vele verhalen zijn medegedeeld

van hun hangbuiken en vermagerde ledematen na en gedurende

hongersnooden. Zij zijn dan ook genoodzaakt veel rond te trekken,

terwijl hun kinderen, naar men mij in Nieuw-Holland verzekerde, in

grooten getale omkomen. Daar de hongersnooden periodiek zijn, omdat zij

voornamelijk van de jaargetijden afhangen, moet het aantal zielen van

alle stammen beurtelings af- en toenemen. Hun aantal kan niet

voortdurend en regelmatig vermeerderen, omdat er geen kunstmatige

vermeerdering van den voorraad voedsel plaats vindt. Door den nood

gedrongen, overschrijden de wilden elkanders grondgebied, waarvan

oorlog het gevolg is; maar zij zijn werkelijk bijna voortdurend in

oorlog met hun naburen. Zij zijn aan vele ongelukken te land en te

water blootgesteld bij hun zoeken naar hun voedsel, en in sommige

landen hebben zij veel te lijden van de groote roofdieren. Zelfs in

Indië zijn geheele districten ontvolkt geworden door de verwoestingen

van tijgers.

Malthus heeft deze verschillende beletsels van hun vermeerdering

besproken; maar hij hecht niet genoeg gewicht aan dat, hetwelk

waarschijnlijk het belangrijkste van allen is, namelijk kindermoord,

vooral van vrouwelijke kinderen, en de gewoonte om miskraam te

verwekken. Deze practijken heerschen nog heden in vele deelen der

wereld, en in vroegeren tijd schijnt de kindermoord, zooals de heer

M’Lennan [123] heeft aangetoond, op nog uitgebreider schaal plaats te

hebben gehad. De oorzaak van deze practijken schijnt te zijn geweest,

dat de wilden de moeielijkheid of liever de onmogelijkheid inzagen om

alle kinderen die werden geboren, te onderhouden. Bij de voorgaande

beletsels kan ook de losbandigheid worden gevoegd, maar deze is niet

het gevolg van het gebrek aan levensmiddelen; er bestaat echter reden

om aan te nemen, dat zij in sommige gevallen (zooals in Japan) met

voordacht is aangemoedigd als een middel om den aanwas der bevolking

tegen te gaan.

Als wij terugzien tot een uiterst lang geleden tijdvak, moet de mensch,

voor hij tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, meer door

instinkt en minder door rede zijn geleid, dan de tegenwoordige wilden.

Onze vroege half-menschelijke voorouders moeten geen kindermoord hebben

bedreven; want de instinkten der lagere dieren zijn nooit zoo

verdorven, dat zij hen geregeld leiden tot de vernietiging van hun

eigen kroost. Geen voorzichtig zelfbedwang moet het aantal huwelijken

hebben beperkt, en de beide seksen moeten zich op jeugdigen leeftijd

vrijelijk hebben vermengd. Daartoe moet bij de voorouders van den

mensch een streven naar snelle vermeerdering zijn ontstaan; maar

beletsels van den eenen of anderen aard, hetzij periodiek of

voortdurend werkende, moeten de toeneming van hun getal nog krachtiger

hebben tegengegaan dan bij de tegenwoordige wilden. Van welken aard

deze beletsels eigenlijk zijn geweest, kunnen wij evenmin zeggen als

bij de meeste andere dieren. Wij weten, dat paarden en hoornvee, die

geen zeer vruchtbare dieren zijn, toen zij voor het eerst in Z.-Amerika

waren losgelaten, zich verbazend hebben vermeerderd. De olifant, die

zich het langzaamst van alle bekende dieren voortplant, zou in weinige

duizendtallen van jaren de geheele wereld bevolken. De vermeerdering

van elke aapsoort moet door de eene of andere oorzaak worden

tegengegaan, maar niet, zooals Brehm opmerkt, door de aanvallen van

roofdieren. Niemand zal beweren, dat het voortplantingsvermogen der

wilde paarden en van het hoornvee van Amerika in den beginne in eenige

merkbare mate toenam, of dat, naarmate elke landstreek dicht werd

bevolkt, dit zelfde vermogen afnam. Ongetwijfeld werken in dit geval en

in alle andere vele beletselen samen, en de aard dier beletsels

verschilt naar omstandigheden; de belangrijkste van alle zijn

waarschijnlijk periodieke hongersnooden, veroorzaakt door ongunstige

jaargetijden. Evenzoo zal het zijn gegaan met de vroege voorouders van

den mensch.

Natuurlijke teeltkeus.—Wij hebben nu gezien, dat de mensch variabel is

naar lichaam en geest, en dat die veranderingen, hetzij direct of

indirect, het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en aan de

zelfde algemeene wetten gehoorzamen als bij de lagere dieren. De mensch

heeft zich wijd en zijd over den aardbodem verspreid en moet gedurende

zijn onophoudelijke verhuizingen [124] aan de meest verschillende

levensvoorwaarden zijn onderworpen geweest. De bewoners van Vuurland,

de Kaap de Goede Hoop en van Diemensland in het eene halfrond en die

der poolstreken in het andere, moeten vele luchtstreken zijn

doorgetrokken, en hun gewoonten vele malen hebben veranderd, voor zij

hun tegenwoordige woonplaats bereikten. [125] Bij de vroege voorouders

van den mensch moet ook, evenals bij alle andere dieren, de neiging

hebben bestaan om in sterkere mate te vermeerderen dan hun

voedingsmiddelen; zij moeten daarom somtijds zijn blootgesteld geweest

aan een strijd om het leven, en bijgevolg aan de strenge wet der

natuurlijke teeltkeus. Voordeelige veranderingen van alle soorten

zullen dus, hetzij somtijds, hetzij gewoonlijk, behouden zijn gebleven,

en nadeelige te gronde zijn gegaan. Ik bedoel hier niet sterk in het

oog springende afwijkingen van maaksel die slechts nu en dan met lange

tusschenpoozen verschijnen, maar slechts eenvoudige individueele

verschillen. Wij weten b.v., dat bij de spieren onzer handen en voeten

die ons vermogen van beweging bepalen, evenals bij die der lagere

dieren [126] zeer vele individueele verschillen voorkomen. Indien

derhalve de op apen gelijkende voorouders van den mensch, welke de eene

of andere landstreek bewoonden, vooral wanneer die landstreek eenige

verandering in haar toestand onderging, in twee even groote afdeelingen

waren verdeeld, dan zou die helft, waartoe al de individu’s behoorden

welke door hun vermogen van beweging het best geschikt waren om hun

levensonderhoud te verkrijgen of om zich te verdedigen, kans hebben om

voor een grooter gedeelte te blijven leven en meer kroost voort te

brengen dan de andere minder goed begaafde helft.

De mensch is in den wildsten staat waarin hij nu bestaat, het meest

heerschende dier, dat ooit op aarde is verschenen. Hij heeft zich over

een grootere uitgestrektheid verspreid dan eenige andere

hooggeorganiseerde vorm, en alle andere zijn voor hem teruggeweken. Hij

is deze verbazende meerderheid blijkbaar verschuldigd aan zijn

verstandelijke vermogens, zijn sociale gewoonten, die er hem toe

brengen om zijn makkers te helpen en te verdedigen, en aan zijn

lichamelijk maaksel. De hooge belangrijkheid dezer kenmerken is bewezen

door de einduitkomst van den strijd om het leven. Door zijn

verstandelijke vermogens heeft zich de gearticuleerde spraak

ontwikkeld; en hiervan heeft voornamelijk zijn verwonderlijke

vooruitgang afgehangen. Hij heeft verschillende wapenen, werktuigen,

vallen enz. uitgevonden, en is in staat die te gebruiken tot zijn

verdediging, om zijn prooi te dooden of te vangen en zich op andere

wijzen voedsel te verschaffen. Hij heeft vlotten of kano’s gemaakt om

daarin te visschen of naar naburige vruchtbare eilanden over te steken.

Hij heeft de kunst uitgevonden om vuur te maken, waardoor harde en

vezelige wortels verteerbaar en vergiftige wortels en kruiden

onschadelijk kunnen worden gemaakt. Deze laatste uitvinding,

waarschijnlijk, met uitzondering der spraak, de grootste, die ooit door

den mensch is gedaan, dagteekent van vóór de morgenschemering der

geschiedenis. Deze verschillende uitvindingen, waardoor de mensch in

den meest onbeschaafden staat zoo machtig is geworden, zijn het

rechtstreeksche gevolg van de ontwikkeling zijner vermogens van

waarneming, geheugen, nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en rede. Ik

kan daarom niet begrijpen, hoe de heer Wallace [127] kan volhouden,

dat: „de natuurlijke teeltkeus den wilde slechts zou hebben kunnen

begiftigen met hersenen, niet veel meer ontwikkeld dan die van een

aap.”

Hoewel de verstandelijke vermogens en sociale gewoonten van den mensch

hoogst belangrijk voor hem zijn, moeten wij echter ook de

belangrijkheid van zijn lichamelijk maaksel niet gering schatten, aan

welk onderwerp het nog overige gedeelte van dit hoofdstuk zal zijn

gewijd. De ontwikkeling van de verstandelijke en sociale of zedelijke

vermogens zal in het volgende hoofdstuk worden besproken.

Zelfs om een hamer met juistheid te gebruiken, is geen gemakkelijke

zaak, zooals ieder die timmeren heeft geleerd, zal toegeven. Om met een

steenworp zoo juist het doel te treffen als zulks een Vuurlander kan,

wanneer hij zich verdedigt of vogels doodt, vereischt de volledigste

bedrevenheid in het gezamenlijk gebruik van de spieren, de hand, den

arm en den schouder, om van fijn tastgevoel niet te spreken. Bij het

werpen met een steen of speer en bij vele andere handelingen moet

iemand vast op zijn voeten staan, en dit vereischt weder de volkomene

samenwerking van verscheidene spieren. Uit een stuk vuursteen het

ruwste werktuig te hakken, of met een been een van weêrhaken voorziene

speer of haak te vormen, vereischt het gebruik van een volkomen

gevormde hand; want, zooals een zeer bevoegd rechter, de heer

Schoolcraft [128] opmerkt, bewijst het vervaardigen van messen, lansen

of pijlpunten uit stukjes steen: „buitengewone bekwaamheid en

langdurige oefening.” Wij nebben een bewijs hiervan in het feit, dat de

oorspronkelijke mensch de verdeeling van den arbeid toepaste; ieder man

vervaardigde niet zijn eigen vuursteenen werktuigen of grof aardewerk,

maar bepaalde individu’s schijnen zich met dergelijk werk te hebben

beziggehouden, en ontvingen ongetwijfeld de opbrengst van de jacht in

ruil. De oudheidkundigen zijn overtuigd, dat een verbazend lange tijd

moet zijn verloopen vóór onze voorouders op het denkbeeld kwamen, hun

ruw bewerkte vuursteenen werktuigen te slijpen en te polijsten. Het

valt moeielijk te betwijfelen, dat een op een mensch gelijkend dier,

dat in het bezit was van een hand en arm, volkomen genoeg om een steen

met juistheid te werpen of een vuursteen in een ruw werktuig te

vervormen, als het zich voldoende oefende, bijna alles zou kunnen

maken, voor zoover daarvoor slechts werktuigelijke behendigheid wordt

vereischt, wat een beschaafd man kan maken. In dit opzicht zou men het

maaksel der hand kunnen vergelijken met dat der stemorganen, welke bij

de apen worden gebruikt tot het voortbrengen van verschillende

signaalkreten, of, zooals bij één soort, van muzikale tonen, terwijl

bij den mensch geheel overeenkomstige stemorganen door de overgeërfde

gevolgen van het gebruik geschikt zijn geworden tot het voortbrengen

van een gearticuleerde spraak.

Als wij ons nu wenden tot die dieren, welke het nauwst met den mensch

verwant zijn en ons daarom het best een voorstelling geven van onze

vroege voorouders, dan vinden wij, dat bij de apen de handen volgens

het zelfde algemeene model gebouwd zijn als bij ons, maar dat zij veel

minder volkomen ingericht zijn voor verschillende gebruiken. Hun handen

zijn minder goed geschikt om te loopen dan de pooten van een hond,

zooals men kan zien aan die apen, welke op den buitenrand van de

inwendige vlakte hunner handen, of op de knokkels van hun omgebogen

vingers loopen, zooals de chimpanzee en orang. [129] Hun handen zijn

echter bewonderenswaardig goed geschikt om de boomen te beklimmen. De

apen grijpen dunne takken of touwen met den duim aan de eene zijde en

de vingers en de binnenvlakte der hand aan de andere zijde, evenals wij

zulks doen. Zij kunnen evenzoo ook tamelijk dikke voorwerpen, zooals

den hals eener flesch, naar den bek brengen. De bavianen keeren met hun

handen steenen om en graven er wortels mede op. Zij pakken noten,

insekten en andere kleine voorwerpen tusschen hun duim en vingers en

halen ongetwijfeld op de zelfde wijze eieren en de jongen uit de nesten

der vogels. De Amerikaansche apen slaan de wilde oranjeappelen tegen de

takken, tot de schil barst, en pellen die dan met de vingers van beide

handen af. Andere apen openen mosselschelpen met hun beide duimen. Met

hun vingers trekken zij dorens en stekels uit en maken zij jacht op

elkanders luizen.

In den natuurstaat breken zij harde vruchten met behulp van steenen.

Zij rollen steenen naar beneden, of werpen daarmede naar hun vijanden;

zij volbrengen echter deze verschillende handelingen hoogst onhandig,

en zij zijn, zoo als ik zelf heb gezien, volstrekt niet in staat om een

steen met juistheid te werpen. [130]

Het schijnt mij verre van waar, dat, omdat „de voorwerpen door apen op

onhandige wijze worden aangegrepen, een veel minder volkomen

grijpwerktuig” hun evenveel dienst zou hebben bewezen, als hun

tegenwoordige handen. Van den anderen kant zie ik geen reden om te

twijfelen, dat een op meer volkomen wijze ingerichte hand voordeelig

voor hen zou zijn geweest, mits, en het is belangrijk dit aan te

teekenen, hun handen daardoor niet minder geschikt werden gemaakt om in

de boomen te klimmen. Wij mogen vermoeden, dat een volmaakte hand

nadeelig voor het klimmen zou zijn geweest, daar die apen, welke het

meest uitsluitend in de boomen leven, namelijk Ateles in Amerika en

Hylobates in Azië, hetzij zeer verkleinde en zelfs rudimentaire duimen,

of gedeeltelijk samengegroeide vingers hebben, zoodat hun handen in

eenvoudige grijphaken zijn veranderd. [131]

Zoodra het eene of andere voormalige lid van de groote reeks der

Primaten er door een verandering in zijn wijze om zich voedsel te

verschaffen of door een verandering in den toestand van zijn

geboorteland toe kwam om wat minder in de boomen en wat meer op den

grond te leven, moest zijn manier van loopen worden gewijzigd, en in

dit geval moest hij hetzij meer volkomen viervoetig of tweevoetig

worden. De bavianen bezoeken dikwijls heuvelachtige en rotsachtige

landstreken en beklimmen alleen uit noodzakelijkheid hooge boomen

[132]; en zij hebben bijna den gang van een hond verkregen. De mensch

alleen is tweevoetig geworden, en wij kunnen, dunkt mij, gedeeltelijk

nagaan, hoe hij zijn opgerichten gang heeft verkregen, die een der

meest aanmerkelijke verschillen tusschen hem en zijn naaste verwanten

vormt. De mensch zou zijn tegenwoordige heerschersplaats in de wereld

niet hebben kunnen verkrijgen zonder het gebruik zijner handen, die zoo

bewonderenswaardig geschikt zijn om de bevelen van zijn wil uit te

voeren. Zooals Sir G. Bell opmerkt, „vervangt de hand alle werktuigen

en geeft door haar gemeenschap met het verstand den mensch heerschappij

over alles.” [133] De handen en armen konden echter moeilijk volmaakt

genoeg worden om er wapenen mede te vervaardigen, of om er steenen en

speren met juistheid mede naar een doelwit te werpen, zoolang zij

gewoonlijk werden gebruikt om op te loopen en het geheele gewicht van

het lichaam te dragen, of zoolang zij, zooals reeds hierboven opgemerkt

is, voornamelijk waren ingericht om goed in de boomen te klimmen. Zulk

een ruwe behandeling zou ook het tastgevoel hebben verstompt, waarvan

hun fijner gebruik grootendeels afhangt. Om deze oorzaken alleen zou

het reeds een voordeel voor den mensch zijn geweest om een tweevoetig

dier te zijn geworden, maar voor vele handelingen is het bijna

noodzakelijk, dat beide armen en het geheele lichaam vrij zijn, en

daarvoor moest hij stevig op zijn voeten staan. Om dit groote voordeel

te verkrijgen, zijn de voeten plat gemaakt en heeft de groote teen een

bijzondere wijziging ondergaan, hoewel dit het verlies van het

grijpvermogen ten gevolge heeft gehad. Het is overeenkomstig het

beginsel van de verdeeling van den physiologischen arbeid, dat in het

geheele dierenrijk heerscht, dat, toen de handen zich tot volmaakte

grijptuigen ontwikkelden, de voeten zich ontwikkelden tot volmaakte

werktuigen om op te staan en te loopen. Bij sommige wilden heeft de

voet echter zijn grijpvermogen nog niet geheel verloren, zooals blijkt

uit hun wijzen om boomen te beklimmen en uit andere doeleinden, waartoe

zij hun voeten gebruiken. [134] (8)

Als het een voordeel is voor den mensch zijn handen en armen vrij te

hebben en stevig op zijn voeten te staan, en dit kan niet betwijfeld

worden wegens den uitnemenden uitslag, waarmede hij den strijd om het

leven heeft gestreden, dan kan ik geen reden zien, waarom het voor de

voorouders van den mensch niet voordeelig zou zijn geweest om meer en

meer rechtopgaand of tweevoetig te worden. Zij zouden daardoor

geschikter zijn geworden om zich met steenen of knuppels te verdedigen,

om hun prooi aan te vallen, of op andere wijze voedsel te verkrijgen.

De best gebouwde individu’s zouden op den langen duur het best zijn

geslaagd en in grooter aantal zijn blijven leven. Als de gorilla en

eenige weinige verwante vormen waren uitgestorven, zou men met groote

kracht en schijnbare waarheid hebben kunnen aanvoeren, dat een

viervoetig dier niet trapsgewijze in een tweevoetig kon zijn veranderd,

daar alle individu’s in een tusschen die beiden instaanden toestand

allerellendigst slecht ingericht zouden zijn geweest voor het loopen.

Wij weten echter, en dit is wel waard om er eens over na te denken, dat

verschillende soorten van apen tegenwoordig in dien tusschenliggenden

toestand verkeeren, en niemand betwijfelt, dat zij over het geheel goed

zijn ingericht voor de voorwaarden waaronder zij leven. Zoo loopt de

gorilla met een zijdelings wankelenden gang; maar gewoonlijk rust hij

bij het loopen op zijn gesloten handen. De langarmige apen gebruiken

soms hun armen als krukken, en slingeren hun lichaam tusschen dezelve

vooruit, en sommige soorten van Hylobates kunnen, zonder het te hebben

geleerd, tamelijk snel rechtop loopen. Zij bewegen zich echter onhandig

en met veel minder zekerheid dan de mensch. Wij zien, om kort te gaan,

bij de tegenwoordig levende apen verschillende overgangen tusschen een

wijze van loopen, volkomen gelijk aan die van een viervoetig dier, en

die van een tweevoetig dier of mensch. Toen de voorouders van den

mensch rechtopgaande werden, doordat hun handen en armen meer en meer

werden gewijzigd om te grijpen en voor andere doeleinden, terwijl hun

voeten en beenen tegelijkertijd werden gewijzigd om er goed op te

kunnen staan en te loopen, moeten tallooze andere veranderingen van

maaksel noodig zijn geweest. Zoo was het noodig, dat het bekken werd

verbreed, dat de ruggegraat op bijzondere wijze gekromd (9) en het

hoofd in een gewijzigde stelling werd bevestigd, en al deze

veranderingen heeft de mensch verkregen. Prof. Schaaffhausen [135]

beweert, dat „de sterk ontwikkelde tepelvormige uitsteeksels van den

menschelijken schedel het gevolg zijn van zijn rechtopgaande houding”;

en deze uitsteeksels ontbreken bij den orang, chimpanzee, enz., terwijl

zij bij den gorilla kleiner zijn dan bij den mensch. Er zouden hier nog

verscheidene andere inrichtingen kunnen worden opgegeven die in verband

schijnen te staan met ’s menschen rechtopgaande houding. Het is zeer

moeielijk te beslissen, in hoeverre al deze met elkander in verband

staande wijzigingen het gevolg der natuurlijke teeltkeus, en in

hoeverre zij dat van de overgeërfde gevolgen van het vermeerderde

gebruik van een dezer deelen of van de werking van het eene deel op het

andere zijn. Ongetwijfeld werken deze oorzaken van verandering op

elkander terug. Wanneer b.v. zekere spieren en de uitsteeksels der

beenderen waaraan zij zijn bevestigd, door voortdurend gebruik worden

vergroot, dan bewijst dit, dat zekere handelingen voortdurend worden

volbracht en voordeel moeten aanbrengen. Daardoor zouden de individu’s,

die ze het best volbrachten, kans hebben in grooter aantal te blijven

leven.

Het vrij gebruiken van armen en handen, gedeeltelijk de oorzaak en

gedeeltelijk het gevolg van ’s menschen rechtopgaande houding, schijnt

op indirecte wijze aanleiding te hebben gegeven tot andere wijzigingen

in zijn maaksel. De vroege mannelijke voorouders van den mensch waren,

zooals hierboven is aangetoond, waarschijnlijk voorzien van groote

hondstanden; maar toen zij langzamerhand de gewoonte verkregen om bij

het bestrijden hunner vijanden van steenen, knuppels en andere wapenen

gebruik te maken, moeten zij hun kaken en tanden al minder en minder

hebben gebruikt. Uit tallooze overeenkomstige gevallen mogen wij met

zekerheid afleiden, dat in dit geval de kaken en tegelijkertijd de

tanden in grootte moeten zijn afgenomen. In een volgend hoofdstuk

zullen wij een geheel gelijksoortig geval ontmoeten in de verkleining

of volkomene verdwijning der hondstanden bij mannelijke herkauwende

dieren, klaarblijkelijk in verband met de ontwikkeling hunner horens;

en bij paarden in verband met hun gewoonte om met hun snijtanden en

hoeven te vechten.

Bij de volwassen mannetjes der anthropomorphe apen zijn, zooals

Rütimeijer [136] en anderen hebben aangetoond, de vorm van den schedel,

waardoor deze in vele opzichten van dien van den mensch afwijkt, en de

werkelijk vreesaanjagende uitdrukking, waardoor hij zich onderscheidt,

juist het gevolg van de groote ontwikkeling der kauwspieren. Toen de

kaken en tanden der voorouders van den mensch allengs in grootte

afnamen, moet derhalve hun volwassen schedel omtrent de zelfde

kenmerken hebben vertoond, waardoor hij zich bij de jongen der

anthropomorphe apen onderscheidt, en moet aldus een grootere gelijkenis

met dien der tegenwoordig levende menschen hebben verkregen. Een

aanmerkelijke verkleining van de hondstanden bij de mannetjes zou,

zooals wij later zullen zien, bijna zeker door overerving invloed

hebben gehad op de tanden der wijfjes.

Toen de verschillende geestvermogens trapsgewijze werden ontwikkeld, is

het bijna zeker, dat ook de hersenen in grootte zijn toegenomen.

Niemand betwijfelt, geloof ik, dat de groote omvang van de hersenen bij

den mensch met betrekking tot zijn lichaam in vergelijking daarvan bij

den gorilla of orang in nauw verband staat met zijn hoogere

geestvermogens. Wij ontmoeten geheel overeenkomstige feiten bij de

insekten, onder welke de hersengangliën bij de mieren van buitengewone

afmetingen zijn, terwijl deze gangliën bij al de Hymenoptera

verscheidene malen grooter zijn dan bij de verstandelijk slechter

bedeelde orden, zooals de kevers. [137] Van den anderen kant

veronderstelt niemand, dat het verstand van twee verschillende dieren

of van twee verschillende menschen nauwkeurig kan worden afgemeten naar

den kubieken inhoud van hun schedels. Het is zeker, dat buitengewone

geestelijke bedrijvigheid samen kan gaan met een uiterst kleine

absolute hoeveelheid zenuwzelfstandigheid. Zoo zijn de verwonderlijk

verschillende instinkten, geestvermogens en gemoedsbewegingen der

mieren algemeen bekend, en toch zijn hun hersengangliën niet zoo groot

als het vierde gedeelte van een kleinen speldekop. Uit dit laatste

oogpunt behooren de hersenen van een mier tot de verwonderlijkste

stof-atomen der wereld en zijn zij wellicht nog verwonderlijker dan de

hersenen van den mensch.

De meening, dat er bij den mensch de eene of andere nauwe betrekking

bestaat tusschen de grootte der hersenen en de ontwikkeling der

verstandelijke vermogens, wordt ondersteund door de vergelijking der

schedels van wilde en beschaafde rassen, van menschen, die in oudere of

nieuwere tijden leefden, en door de analogie van de geheele reeks der

gewervelde dieren. Dr. J. Barnard Davids [138] heeft door vele

zorgvuldige metingen bewezen, dat de gemiddelde inwendige inhoud van

den schedel bij Europeanen 1512,44 kubiek centimeter, bij Amerikanen

1433,25 kubiek centimeter, bij Aziaten 1426,69 kubiek centimeter en bij

Australiërs slechts 1341,52 kubiek centimeter is. Professor Broca [139]

vond, dat de inhoud van schedels uit Parijsche graven van de

negentiende eeuw zich verhield tot dien van schedels uit grafkelders

van de twaalfde eeuw als 1484 tot 1426; en Prichard is overtuigd, dat

de tegenwoordige bewoners van Groot-Brittannië „veel ruimer

hersenkassen” bezitten, dan de oude bewoners. Men moet echter aannemen,

dat sommige schedels van zeer hoogen ouderdom, zooals de beroemde

Neanderdalschedel, goed ontwikkeld en ruim van inhoud waren. [140] (10)

Ten opzichte van de lagere dieren is E. Lartet [141], door de schedels

van tot de zelfde groepen behoorende tertiaire en hedendaagsche dieren

met elkander te vergelijken, tot het opmerkelijke resultaat gekomen,

dat de hersenen over het algemeen grooter en de hersenwindingen

ingewikkelder zijn bij de jongere vormen. (11) Van den anderen kant heb

ik aangetoond [142], dat de hersenen van tamme konijnen aanmerkelijk in

grootte zijn afgenomen in vergelijking van die van het wilde konijn of

van den haas, en dit kan daaraan worden toegeschreven, dat zij

gedurende vele generaties eng zijn opgesloten geweest, zoodat zij hun

verstand, instinkten, zinnen en willekeurige bewegingen slechts weinig

hebben geoefend.

De trapsgewijze vermeerdering van het gewicht van hersenen en schedel

bij den mensch moet invloed hebben uitgeoefend op de hen dragende

wervelkolom, vooral terwijl hij bezig was den opgerichten stand aan te

nemen. Toen deze verandering van houding tot stand was gekomen, zal ook

de inwendige drukking der hersenen invloed hebben uitgeoefend op den

vorm van den schedel; want vele feiten bewijzen, hoe gemakkelijk de

schedel aldus wordt aangedaan. De ethnologen beweren, dat hij wordt

gewijzigd door de soort van wieg, waarin het kind slaapt. Er bestaan

voorbeelden van, dat de aangezichtsbeenderen blijvende wijzigingen

hebben ondergaan ten gevolge van zich dikwijls herhalende spierkrampen

en van een door een sterke brandwond veroorzaakt litteeken. Bij jonge

personen wier hoofden door ziekte een zijdelingsche of achterwaartsche

houding hadden aangenomen, veranderde een der oogen van stelling en

werden de schedelbeenderen gewijzigd, en dit is blijkbaar het gevolg

daarvan, dat de hersenen in een nieuwe richting drukten. [143] Ik heb

aangetoond, dat bij langoorige konijnen zelfs een zoo geringe oorzaak

als het naar voren hangen van het eene oor aan die zijde bijna elk been

van den schedel naar voren trekt, zoodat de beenderen der

tegenovergestelde zijden van den kop niet meer volkomen overeenstemmen.

Wanneer eindelijk het eene of andere dier veel in algemeene

lichaamsgrootte toe- of afnam, zonder eenige verandering in zijn

geestvermogens; of wanneer de geestvermogens veel toe of afnamen zonder

de minste groote verandering in de lichaamsgrootte, zou de vorm van den

schedel bijna zeker verandering ondergaan. Ik leid dit af uit mijn

waarnemingen omtrent tamme konijnen, waarvan sommige rassen veel

grooter zijn geworden dan het wilde dier, terwijl andere ongeveer de

zelfde grootte hebben behouden; maar in beide gevallen zijn de hersenen

veel kleiner geworden in verhouding tot de lichaamsgrootte. Nu was ik

eerst zeer verwonderd te vinden, dat bij al deze konijnen de schedel

meer langwerpig of dolichocephaal was geworden; zoo was bij voorbeeld

bij twee schedels van ongeveer de zelfde breedte, de eene van een wild

konijn en de andere van een groot tam ras, de eerste slechts 8 en de

tweede 10,9 centimeter lang. [144] Een der sterkst uitgedrukte

verschillen tusschen onderscheidene menschenrassen is, dat de schedel

bij sommige verlengd en bij andere rond is; en hier kan de verklaring,

in het geval der konijnen gegeven, gedeeltelijk gelden; want Welcker

vindt, dat „korte menschen meer tot brachycephalie en lange meer tot

dolichocephalie overhellen [145]; en lange menschen kunnen met de

grootere en een langer lichaam bezittende konijnen worden vergeleken,

die allen meer langwerpige schedels hebben, met andere woorden

dolichocephaal zijn.

Uit deze onderscheidene feiten kunnen wij tot zekere hoogte begrijpen,

op welke wijze de mensch de bijzondere grootte en een meer of min

afgeronden vorm van den schedel heeft verkregen; en deze eigenschappen

kenmerken hem bij uitnemendheid in vergelijking van de lagere dieren.

Een ander zeer in ’t oog vallend verschil tusschen den mensch en de

lagere dieren is de onbehaardheid der huid. De walvisschen en dolfijnen

(Cetacea), de dugongs en lamantijnen (Sirenia) en het rivierpaard

(Hippopotamus) zijn onbehaard; dit is hun wellicht voordeelig bij het

in het water glijden; en kan hun niet nadeelig zijn wegens het verlies

van warmte, daar de soorten die koudere streken bewonen, door een dikke

speklaag worden beschermd, die tot het zelfde doel dient als de pels

van zeehonden en otters. Olifanten en neushoorns hebben bijna geen

haar; en daar sommige uitgestorven soorten die vroeger in een

poolklimaat woonden, met lange wol of haar waren bedekt (12), zou het

bijna schijnen, dat de bestaande soorten van beide geslachten hun

harige bekleeding ten gevolge van de blootstelling aan de warmte hadden

verloren. Dit is des te waarschijnlijker, daar in Indië de olifanten,

die in hooge en koele streken wonen, sterker behaard zijn dan in de

laaglanden. [146] Mogen wij dus het gevolg trekken, dat de mensch zijn

lichaamsharen verloor, omdat hij oorspronkelijk een of ander tropische

gewest bewoonde? Het feit, dat het haar bij de mannelijke sekse vooral

op de borst en het gelaat, en bij beide seksen op de plaatsen waar de

vier ledematen zich met den romp vereenigen, bewaard is gebleven,

ondersteunt deze gevolgtrekking, wanneer men aanneemt dat het haar werd

verloren, voordat de mensch den opgerichten stand aannam; want de

deelen die nu het sterkst zijn behaard, zouden toen het meest tegen de

zonnewarmte beschut zijn geweest. De kruin van het hoofd maakt echter

een merkwaardige uitzondering, want ten allen tijde moet deze een der

meest blootgestelde deelen zijn geweest, en toch is zij dicht met haar

begroeid. In dit opzicht komt de mensch met de groote meerderheid der

viervoetige dieren overeen, bij welke over het algemeen de bovenste en

blootgestelde oppervlakte dikker behaard is dan de onderste

oppervlakte. Het feit, dat de andere leden van de orde der Primaten,

waartoe de mensch behoort, hoewel zij verschillende warme streken

bewonen, goed met haar zijn bekleed, dat over het algemeen het dikst is

op de bovenste oppervlakte [147], is echter zeer in tegenspraak met de

onderstelling, dat de mensch zijn haar door de werking van de zon heeft

verloren. De heer Belt meent [148], dat het tusschen de keerkringen een

voordeel voor den mensch is onbehaard te zijn, omdat hij daardoor in

staat is zich te bevrijden van een menigte teken (acari) en andere

parasieten, waardoor hij dikwijls wordt gekweld en die soms zweren

veroorzaken. Of echter dit kwaad groot genoeg is om door natuurlijke

teeltkeus tot ontblooting van zijn lichaam te hebben geleid, mag worden

betwijfeld, omdat zich bij geen van de vele zoogdieren die de

keerkringsgewesten bewonen, eenig bijzonder middel tot bescherming

daartegen heeft ontwikkeld. De meening, die mij het waarschijnlijkste

voorkomt, is, dat de mensch, of liever oorspronkelijk de vrouw, van

haren werd ontbloot met het doel om zijn schoonheid te verhoogen, en

wanneer men dit aanneemt, is het niet te verwonderen, dat de mensch

zoozeer in behaardheid verschilt van al zijn lagere broeders, want

kenmerken, die ten gevolge van seksueele teeltkeus zijn verkregen,

verschillen soms bij zeer nauw verwante soorten in buitengewone mate.

Volgens een algemeen volksgeloof onderscheidt de mensch zich van de

dieren vooral door het gemis van een staart; maar daar de apen welke

het naast met den mensch verwant zijn, dit orgaan niet bezitten,

behoeven wij dat gemis hier eigenlijk niet te bespreken. Het kan echter

geen kwaad om te erkennen, dat er, voor zooverre mij bekend is, nog

nooit een verklaring is gegeven van het verlies van den staart door

sommige apen en den mensch. Wij behoeven ons nochtans over dit verlies

niet te verwonderen; want de staart verschilt soms merkwaardig veel in

lengte bij soorten van één en het zelfde geslacht; zoo is bij sommige

soorten van Macacus de staart langer dan het geheele lichaam en bestaat

uit vier-en-twintig wervels; bij andere bestaat hij uit een nauwelijks

zichtbare stomp, die slechts drie of vier wervels bevat. Bij sommige

soorten van bavianen zijn er vijf-en-twintig, doch bij den mandril

slechts tien, of volgens Cuvier [149] soms slechts vijf zeer kleine,

slecht ontwikkelde staartwervels. De staart wordt bijna altijd aan het

einde dunner, hetzij hij lang of kort is; en dit wordt, naar ik

onderstel, veroorzaakt door atrophie ten gevolge van onbruik van de

spieren van het einde met hun slagaderen en zenuwen, die de atrophie

van de laatste staart beentjes met zich sleept. Geen verklaring kan

echter op het oogenblik nog worden gegeven van de groote verschillen in

lengte, die men bij den staart opmerkt. Hier hebben wij echter meer in

het bijzonder te maken met het geheel en al verdwijnen van den

uitwendigen staart. Prof. Broca heeft onlangs aangetoond [150], dat de

staart bij alle viervoetige dieren uit twee deelen bestaat, over het

algemeen scherp van elkander gescheiden. Het basale gedeelte bestaat

uit wervels, meer of minder van een kanaal en van uitsteeksels

voorzien, evenals gewone wervels; terwijl die van het achterste

gedeelte geen kanaal bezitten, bijna glad zijn en nauwelijks op gewone

wervels gelijken. Een staart, hoewel niet uitwendig zichtbaar, is

werkelijk aanwezig bij den mensch en de anthropomorphe apen en is bij

beiden volkomen volgens het zelfde model gemaakt. In het achterste

gedeelte zijn de wervels die het koekoeksbeen (os coccyx) vormen,

geheel rudimentair en zeer verminderd in grootte en aantal. In het

basale gedeelte zijn de wervels eveneens weinig in getal, stevig met

elkander verbonden, en zijn in ontwikkeling blijven stilstaan, maar zij

zijn veel breeder en platter dan de overeenkomstige wervels in de

staarten van andere dieren; zij vormen, wat Broca noemt de bijkomende

wervels van het heiligbeen. Deze zijn belangrijk voor het organisme,

doordat zij sommige inwendige deelen steunen en om meer andere redenen;

en hun wijziging staat in rechtstreeksch verband met de opgerichte of

half-opgerichte houding van den mensch en de anthropomorphe apen. Dit

besluit verdient des te meer vertrouwen, omdat Broca vroeger van een

andere meening was, die hij nu heeft opgegeven. De wijziging van de

basale staartwervels bij den mensch en de hoogere apen kan dus direct

of indirect een gevolg zijn geweest van natuurlijke teeltkeus.

Wat moeten wij echter zeggen van de rudimentaire en zeer variabele

wervels van het achterste gedeelte van den staart, die het koekoeksbeen

(os coccyx) vormen? Een verklaring, die dikwijls belachelijk is

gemaakt, en zulks ongetwijfeld weder zal worden, namelijk, dat wrijving

iets heeft te maken met het verdwijnen van het uitwendige gedeelte van

den staart, is niet zoo belachelijk, als zij op het eerste gezicht

schijnt. Dr. Anderson [151] zegt, dat de uiterst korte staart van

Macacus brunneus uit elf wervels bestaat, met inbegrip van de inwendig

gelegen basale. Het uiteinde is peesachtig en bevat geen wervels;

hierop volgen vijf rudimentaire wervels, zoo klein, dat zij te zamen

nog geen 4 millimeter lang zijn, en deze zijn bestendig naar den eenen

kant gebogen in den vorm van een haak. Het vrije gedeelte van den

staart, slechts weinig meer dan 2½ centimeter lang, bevat nog slechts

vier andere kleine wervels meer. Deze korte staart wordt opgericht

gedragen, maar omstreeks een vierde van zijn geheele lengte is om zich

zelf naar den linkerkant omgebogen en dit eindgedeelte, dat de

haakvormige wervels insluit, dient „om de tusschenruimte tusschen het

bovenste divergeerende gedeelte van de eeltplekken op te vullen”,

zoodat het dier er op zit en het daardoor ruw en eeltachtig maakt. Dr.

Anderson vat zijn waarnemingen als volgt samen: „Deze feiten schijnen

mij slechts ééne verklaring toe te laten: deze staart zit wegens zijn

kortheid den aap in den weg als hij zit, en komt dikwijls onder het

dier te liggen als het in die houding is, en daar hij zich niet verder

uitstrekt dan het uiteinde van de knobbels van het zitbeen, schijnt het

alsof de staart oorspronkelijk door den wil van het dier was

rondgebogen in de tusschenruimte tusschen de eeltplekken, opdat hij

niet zou worden gedrukt tusschen deze en den grond, en dat na verloop

van tijd de buiging blijvend werd, zich van zelf invoegende als het

toevallig gebeurde, dat het dier op dat orgaan ging zitten.” Onder deze

omstandigheden is het niet te verwonderen, dat de oppervlakte van den

staart ruw en eeltachtig is geworden; en Dr. Murie, die in den

Londenschen dierentuin deze soort, zoowel als drie andere nauw verwante

met een weinig langere staarten zorgvuldig waarnam, zegt, dat wanneer

het dier zit, de staart „noodzakelijk naar ééne zijde van de billen

wordt gekromd; en dat, hetzij hij lang of kort is, de wortel kans loopt

om te worden gewreven of beschadigd.” Daar wij tegenwoordig bewijzen

hebben dat verminkingen somtijds erfelijke gevolgen hebben, is het niet

zeer onwaarschijnlijk, dat bij kortgestaarte apen het uitstekende

gedeelte van den staart, geen nut voor het organisme hebbende, na vele

generaties rudimentair en krom is geworden, omdat het voortdurend

gewreven en beschadigd werd. Wij zien het uitstekende gedeelte van den

staart in dezen toestand bij den Macacus brunneus, en volkomen

verdwenen bij Macacus ecaudatus en onderscheidene hoogere apen. Ten

slotte dan: de staart is, voor zoover wij kunnen beoordeelen, verdwenen

bij den mensch en de hoogere apen, omdat het achterste gedeelte

gedurende een lang tijdsverloop door wrijving beschadigd is, terwijl

het basale en inwendige gedeelte zoodanig verkort en gewijzigd is, dat

het geschikt werd voor de opgerichte of halfopgerichte houding.

Ik heb nu trachten aan te toonen, dat sommigen der meest eigenaardige

kenmerken van den mensch waarschijnlijk geheel en al, hetzij op

directe, of veelvuldiger op indirecte wijze, door natuurlijke teeltkeus

zijn verkregen. Wij moeten ons herinneren, dat wijzigingen in maaksel

of gestel, die een organisme niet dienen om het geschikt te maken voor

zijn levensgewoonten, voor het voedsel dat het verteert, of lijdelijk

voor de levensvoorwaarden waaraan het is onderworpen, niet op die wijze

kunnen zijn verkregen. Wij moeten echter niet te veel op ons eigen

oordeel vertrouwen bij het beslissen, welke wijzigingen voor elk wezen

voordeelig zijn: wij moeten bedenken, hoe weinig wij weten van het

gebruik van vele deelen, of welke veranderingen in het bloed of in de

weefsels kunnen dienen om een organisme geschikt te maken voor een

nieuw klimaat of de eene of andere nieuwe soort van voedsel. Ook moeten

wij het beginsel van correlatie niet vergeten, waardoor, zooals Isidore

Geoffroy in het geval van den mensch heeft aangetoond, vele vreemde

afwijkingen in maaksel met elkander verbonden zijn. Onafhankelijk van

de correlatie, veroorzaakt een verandering in een deel door het

vermeerderd of verminderd gebruik van andere deelen andere

veranderingen van geheel onverwachten aard. Het is ook goed, na te

denken over zulke feiten, als den verwonderlijken groei van galnoten op

planten, veroorzaakt door het vergif van insekten; en over de

merkwaardige kleurveranderingen van de vederen van papegaaien, als zij

met sommige visschen worden gevoed, of met het vergif van padden worden

ingeënt [152]; want wij kunnen daardoor zien, dat de vloeistoffen van

het organisme, als zij door de eene of andere bijzondere oorzaak zijn

gewijzigd, andere vreemde veranderingen kunnen veroorzaken. Wij moeten

vooral steeds bedenken, dat wijzigingen, in vroegere tijden verkregen

en voortdurend gebruikt voor het eene of andere nuttige doel,

waarschijnlijk zeer standvastig en gedurende langen tijd moesten worden

overgeërfd.

Men mag op die wijze gerust een zeer groote en onbepaalde uitbreiding

geven aan de directe en indirecte gevolgen der natuurlijke teeltkeus;

maar tegenwoordig, na de verhandeling van Nägeli over planten en de

opmerkingen van verschillende schrijvers ten opzichte van dieren,

vooral die welke onlangs door Professor Broca gemaakt zijn, te hebben

gelezen, neem ik aan, dat ik in de eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan

der Soorten”, waarschijnlijk te veel toeschreef aan de natuurlijke

teeltkeus of het overleven van de meest geschikten. Ik had vroeger niet

genoeg gelet op het bestaan van vele deelen, die, voor zooverre wij er

over kunnen oordeelen, noch voor- noch nadeelig schijnen te zijn, en ik

geloof, dat dit een der grootste misslagen is, die tot dusverre in mijn

werk zijn ontdekt. Het moge mij veroorloofd zijn eenigermate als

verontschuldiging te zeggen, dat ik twee verschillende zaken beoogde:

ten eerste, om aan te toonen, dat de soorten niet elk afzonderlijk zijn

geschapen, en ten tweede, dat de natuurlijke teeltkeus de voornaamste

oorzaak der verandering was geweest, hoewel in hooge mate geholpen door

de overgeërfde gevolgen van de gewoonte en in geringe mate door de

rechtstreeksche werking der omringende toestanden. Ik was echter niet

in staat om den invloed van mijn vroeger geloof, toen bijna algemeen

aangenomen, dat elke soort opzettelijk was geschapen, geheel te niet te

doen; en dit bracht mij er toe om aan te nemen, dat elke bijzonderheid

van het maaksel, behalve de rudimentaire organen, eenig bijzonder,

ofschoon onbekend, nut had. Iedereen, die met dit denkbeeld vervuld is,

moet er natuurlijk toe komen de werking van de natuurlijke teeltkeus,

hetzij gedurende vroegere of tegenwoordige tijden, te ver uit te

breiden. Sommigen van hen die het beginsel van ontwikkeling aannemen,

maar de natuurlijke teeltkeus verwerpen, schijnen bij het kritiseeren

van mijn boek te vergeten, dat ik de bovengemelde beide zaken beoogde;

als ik dus heb gedwaald in het toekennen van groote macht aan de

natuurlijke teeltkeus, hetgeen ik volstrekt niet geloof, of als ik de

macht daarvan heb overdreven, hetgeen op zich zelf waarschijnlijk is,

dan heb ik ten minste, hoop ik, een nuttig werk gedaan door het dogma

der afzonderlijke scheppingen omver te helpen werpen.

Dat alle organische wezens, met inbegrip van den mensch, vele

wijzigingen van maaksel vertoonen die tegenwoordig voor hen van geen

nut zijn en dit ook vroeger niet zijn geweest, is, zooals ik nu inzie,

waarschijnlijk. Wij kennen de oorzaak niet, die tusschen de individu’s

van iedere soort tallooze kleine verschillen voortbrengt; want het

beginsel van atavisme brengt het vraagstuk slechts eenige weinige

stappen achterwaarts, maar elke bijzonderheid moet haar eigen

voortbrengende oorzaak hebben gehad. Indien deze oorzaken, welke zij

ook mogen zijn geweest, eens gedurende een lang tijdvak eenvormiger en

krachtiger werkten (en geen reden kan worden gegeven, waarom dit niet

soms zou gebeuren), zouden waarschijnlijk niet eenvoudige individueele

verschillen, maar sterk uitgesproken bestendige wijzigingen daarvan het

gevolg zijn. Wijzigingen die op geenerlei wijze voordeelig zijn, kunnen

niet onveranderd zijn gehouden door natuurlijke teeltkeus, hoe wel

nadeelige daardoor zouden zijn vernietigd. Onveranderlijkheid van

kenmerken zou echter het natuurlijk gevolg zijn van het ondersteld

niet-veranderen der voortbrengende oorzaken en eveneens van de vrije

kruising van vele individu’s. Het zelfde organisme zou op die wijze

gedurende opeenvolgende tijdperken opeenvolgende wijzigingen

verkrijgen, en deze zouden in nagenoeg onveranderden staat worden

overgeërfd, zoolang de voortbrengende oorzaken de zelfde bleven en de

kruising vrij bleef. Ten opzichte der voortbrengende oorzaken kunnen

wij alleen zeggen, wanneer wij b.v. van de zoogenaamde spontane

veranderingen spreken, dat zij in veel nauwer betrekking staan met het

gestel van het veranderde organisme dan met den aard der

levensvoorwaarden waaraan het onderworpen is geweest.

Besluit. Wij hebben in dit hoofdstuk gezien, dat evenals de mensch,

gelijk elk ander dier, tegenwoordig onderhevig is aan menigvuldige

individueele verschillen of kleine wijzigingen, zulks ook ongetwijfeld

het geval is geweest met de vroege voorouders van den mensch, en dat

die wijzigingen destijds het gevolg waren van de zelfde algemeene

oorzaken en onderworpen waren aan de zelfde algemeene en samengestelde

wetten, als tegenwoordig. Daar bij alle dieren een streven bestaat om

sterker te vermenigvuldigen dan hun middelen van bestaan toelaten, moet

zulks ook het geval zijn geweest bij de voorouders van den mensch; en

dit zal onvermijdelijk hebben geleid tot een strijd om het leven en tot

natuurlijke teeltkeus. Dit laatste proces moet zeer geholpen zijn door

de overgeërfde gevolgen van het vermeerderd gebruik van deelen, daar

deze beide processen onophoudelijk op elkander terugwerken. Het schijnt

ook, zooals wij later zullen zien, dat verscheidene weinig belangrijke

kenmerken door den mensch zijn verkregen ten gevolge van seksueele

teeltkeus. Er blijven nog eenige, wellicht vele, onverklaarde

veranderingen over, die moeten worden toegeschreven aan de onderstelde

voortdurende en onveranderde inwerking van die onbekende invloeden,

welke nu en dan sterk uitgesproken en plotselinge afwijkingen van

maaksel teweegbrengen bij onze kunstmatig gefokte huisdierrassen.

Te oordeelen naar de gewoonten van de wilden en van de meeste apen,

leidden de oorspronkelijke menschen en zelfs de op apen gelijkende

voorouders van den mensch waarschijnlijk een gezellig leven. Bij streng

sociale dieren werkt de natuurlijke teeltkeus soms indirect op het

individu door het bewaard blijven van wijzigingen die slechts voor de

geheele vereeniging nuttig zijn. Een vereeniging die een groot aantal

goed begaafde individu’s bevat, neemt in getal toe en overwint andere,

minder goed begaafde vereenigingen, hoewel elk afzonderlijk lid geen

voordeel moge hebben boven de andere leden van die zelfde vereeniging.

Door de sociale insekten zijn op die wijze vele merkwaardige deelen

verkregen, die van weinig of geen nut zijn voor het individu en diens

eigen kroost, zooals de toestel om stuifmeel te verzamelen of de angel

van de werkbij of de groote kaken van de soldaten bij de mieren. Bij de

hoogere sociale dieren is nog geen voorbeeld bekend, dat eenig deel

alleen ten beste der vereeniging is gewijzigd, hoewel sommige haar

secondair van dienst mogen zijn. De horens der herkauwende dieren en de

grootste hondstanden der bavianen schijnen b.v. door de mannetjes te

zijn verkregen als wapens bij den kampstrijd om de wijfjes, maar zij

worden ook gebruikt tot verdediging van de kudde of den troep. Met

sommige geestvermogens is het, zooals wij in het volgende hoofdstuk

zullen zien, een geheel ander geval; want deze vermogens zijn

voornamelijk, of zelfs uitsluitend, verkregen ten voordeele der

vereeniging; terwijl de individu’s waaruit de vereeniging bestond,

daardoor tegelijkertijd indirect bevoordeeld werden.

Men heeft dikwijls tegen dergelijke beschouwingen als de voorgaande

ingebracht, dat de mensch een der meest hulpelooze en van

verdedigingsmiddelen ontbloote wezen is, die bestaan, en dat hij

gedurende zijn vroegeren, minder goed ontwikkelden toestand nog

hulpeloozer geweest zou moeten zijn. De Hertog van Argyll [153] beweert

b.v. dat „de lichaamsbouw van den mensch van het maaksel der reddelooze

dieren afgeweken is in de richting van grootere physische hulpeloosheid

en zwakheid. Dat wil zeggen, het is een afwijking die het van alle

andere het minst mogelijk is alleen toe te schrijven aan natuurlijke

teeltkeus.” Als bewijzen daarvoor voert hij aan den naakten en

onbeschermden toestand van het lichaam, de afwezigheid van groote

tanden en klauwen voor de verdediging, de geringe spierkracht van den

mensch, zijn langzaamheid in het loopen en zijn weinig ontwikkeld

reukvermogen, waardoor hij voedsel moet ontdekken of gevaar vermijden.

Bij deze onvolkomenheden zou nog kunnen worden gevoegd het nog

gewichtiger verlies van het vermogen om snel in de boomen te klimmen en

daardoor aan vijanden te ontsnappen. Als men nagaat, dat de Vuurlanders

in hun ellendig klimaat naakt loopen, moet het verlies van het haar den

oorspronkelijken mensch, als hij een warm land bewoonde, niet zeer

nadeelig zijn geweest. Als wij den van verdedigingsmiddelen ontblooten

mensch vergelijken met de apen, waarvan velen geduchte hondstanden

hebben, moeten wij bedenken, dat deze in volkomen ontwikkelden toestand

alleen door de mannetjes bezeten, en door deze voornamelijk worden

gebruikt om hun mededingers te bevechten, en dat de wijfjes, die

daarmede niet gewapend zijn, toch in staat zijn te blijven leven.

Wat lichaamsgrootte en spierkracht aangaat, weten wij niet, of de

mensch afstamt van deze of gene vergelijkenderwijs kleine soort, zooals

de chimpanzee, of van zulk een groote en sterke als de gorilla; en wij

kunnen daarom niet zeggen, of de mensch grooter en sterker, of kleiner

en zwakker is geworden, in vergelijking zijner voorouders. Wij moeten

echter bedenken, dat een dier, hetwelk een aanzienlijke

lichaamsgrootte, kracht en woestheid bezat, en dat zich, evenals de

gorilla, tegen alle vijanden kon verdedigen, waarschijnlijk, hoewel

niet noodzakelijk, geen gezellige levenswijze zou hebben aangenomen; en

dit zou de krachtigste hinderpaal zijn geweest tegen de ontwikkeling

van ’s menschen hoogere geestvermogens, zooals medegevoel en liefde

voor zijn medeschepselen. Het kan daarom een zeer groot voordeel voor

den mensch zijn geweest om uit een of ander vergelijkenderwijs zwak

wezen te zijn ontstaan.

De geringe spierkracht van den mensch, zijn langzame gang, zijn gebrek

aan natuurlijke wapenen enz. worden meer dan opgewogen, ten eerste door

zijn verstandelijke vermogens, met behulp waarvan hij, terwijl hij nog

in den wilden toestand bleef verkeeren, voor zich zelven wapenen,

werktuigen, enz. vervaardigde, en ten tweeden door zijn sociale

hoedanigheden, die veroorzaakten, dat hij zijn medemenschen hielp, en

wederkeerig door hen werd geholpen. Geen land ter wereld bezit een

grooter overvloed van gevaarlijke dieren dan Zuid-Afrika; geen land

vertoont vreeselijker physische toestanden dan de Noordpoolstreken;

toch houdt zich een der zwakste menschenrassen, de Bosjesmannen, in

Zuid-Afrika staande, en doen de dwergachtige Eskimo’s het zelfde in de

Noordpoolstreken. De vroege voorouders van den mensch deden

ongetwijfeld in verstand en in aanleg voor het gezellige leven voor de

minst ontwikkelden der tegenwoordige wilden onder; maar het is zeer

goed te begrijpen, dat zij bleven bestaan en zelfs bloeiden, wanneer

zij, terwijl zij trapsgewijze hun dierlijke kracht verloren,

tegelijkertijd in verstand toenamen. Maar toegegeven, dat de voorouders

van den mensch veel hulpeloozer en van verdedigingsmiddelen ontbloot

waren dan een der thans levende stammen van wilden, dan zouden zij

toch, wanneer zij het eene of andere warme vasteland of groote eiland,

zooals Nieuw-Holland of Nieuw-Guinea, of Borneo (welk laatste eiland

tegenwoordig het verblijf is van den orang) hadden bewoond, aan geen

bijzonder gevaar zijn blootgesteld geweest. In een streek, zoo groot

als een dezer eilanden, zou de wedijver tusschen de verschillende

stammen onder gunstige omstandigheden voldoende zijn geweest om den

mensch, door het overleven der geschiktsten, verbonden met de

overgeërfde gevolgen van het gebruik, op te heffen tot zijn

tegenwoordige hooge plaats op de ladder der wezens.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 49 / 111 题