DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.

Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.

—Gelijkvormigheid van maaksel bij den mensch en de lagere

diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—

Ontwikkeling.—Rudimentaire organen, spieren, zintuigen, haar,

geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie groote klassen

van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van den mensch.

Hij die wil beslissen, of de mensch een gewijzigde afstammeling is van

dezen of genen vorm die vroeger heeft bestaan, zal waarschijnlijk eerst

onderzoeken, of er bij den mensch verschillen bestaan, in hoe geringen

graad dan ook, ten opzichte van het maaksel van zijn lichaam en van

zijn geestvermogens; zoo ja, of die verschillen op zijn afstammelingen

worden overgeplant volgens de zelfde wetten, die zich bij de lagere

diersoorten doen gelden; zooals b.v. het overplanten van kenmerken op

den zelfden ouderdom, de zelfde sekse. Verder nog, of die verschillen,

zoover wij daarover bij onze geringe kennis kunnen oordeelen, het

gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken, of zij worden beheerscht

door de zelfde wetten als bij andere organismen; b.v. door

correlatie(6), door de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik,

enz.? Is de mensch onderhevig aan gelijksoortige misvormingen, die het

gevolg zijn van stilstand in de ontwikkeling(7), van reduplicatie van

deelen(8) enz., en blijkt uit een van zijn anomalieën het terugkeeren

tot eenig vroeger en ouder type van organisatie?(9) Men zou natuurlijk

ook moeten vragen, of de mensch, evenals zoovele andere dieren, het

aanzijn heeft gegeven aan verscheidenheden en onder-rassen, die maar

weinig van elkander verschillen, of aan rassen, die zooveel verschil

opleveren, dat men moet betwijfelen, of het geen onderscheidene soorten

zijn? Hoe zijn die rassen over de wereld verspreid; en hoe wijzigen zij

elkander, zoowel in de eerste als in de volgende generaties, wanneer

zij zich vermengen? En evenzoo is het met vele andere punten.

Hij die dit onderzoekt, zou dan tot de volgende gewichtige vraag komen:

streeft de mensch naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat daardoor

somtijds een hevige strijd voor het leven ontstaat, en dus de

voordeelige wijzigingen, hetzij van lichaam of ziel, behouden blijven

en de schadelijke uitsterven? Benadeelen de rassen of soorten van

menschen (welken naam men daarvoor ook wil gebruiken) elkander en

verdringt het ééne het andere, zoodat er eenigen ten laatste geheel

worden uitgeroeid? Wij zullen zien, dat al deze vragen, zooals ook

duidelijk is ten opzichte van de meesten daarvan, bevestigend moeten

worden beantwoord, op de zelfde wijze als bij de lagere diersoorten. De

verschillende bovenvermelde beschouwingen kunnen echter zeer gepast tot

later worden uitgesteld; en eerst willen wij zien, in hoeverre het

maaksel van het menschelijk lichaam meer of minder duidelijke sporen

van zijn afstamming van dezen of genen lageren vorm vertoont. In de

twee volgende hoofdstukken zullen wij de geestvermogens van den mensch

met die van de lagere diersoorten vergelijken.

Maaksel van het menschelijk lichaam.—Het is algemeen bekend, dat de

mensch is gebouwd volgens den zelfden grondvorm of type als de andere

zoogdieren. Al de beenderen van zijn geraamte kunnen worden vergeleken

met de overeenkomstige beenderen in een aap, vleêrmuis of zeehond.

Evenzoo is het met zijn spieren, zenuwen, bloedvaten of ingewanden. De

hersenen, het belangrijkste van alle organen, volgen de zelfde wet,

zooals Huxley en andere ontleedkundigen hebben aangetoond. Bischoff

[6], een getuige die tot onze tegenpartij behoort, geeft toe, dat elke

hoofd-spleet en winding in de hersenen van den mensch overeenstemt met

een spleet of winding in de hersenen van een orang-oetan, maar, voegt

hij er bij, er is geen tijdstip van hun ontwikkeling, waarop zij

volmaakt overeenkomen; dit kon men ook niet verwachten; want dan zouden

hun geestvermogens de zelfde moeten zijn. Vulpian [7] merkt op: „Les

différences réelles, qui existent entre l’encéphale de l’homme et celui

des singes supérieurs, sont bien minimes. Il ne faut pas se faire

d’illusions à cet égard. L’homme est bien plus près des singes

anthropomorphes par les caractères anatomiques de son cerveau, que

ceux-ci ne le sont non seulement des autres mammifères, mais même de

certains quadrumanes, des guenons et des macaques.”(10) Het zou echter

overtollig zijn hier verdere bijzonderheden op te geven omtrent de

overeenkomst, die tusschen den mensch en de hoogere zoogdieren in het

maaksel der hersenen en van alle andere lichaamsdeelen bestaat.

Het is echter wellicht de moeite waard eenigszins meer in het bijzonder

enkele punten te behandelen, die niet rechtstreeks of niet zoo

duidelijk in verband staan met het maaksel, doch waardoor deze

overeenstemming of verwantschap goed wordt aangetoond.

De mensch kan zekere ziekten, zooals watervrees, koepokken, droes,

enz., van de lagere diersoorten overnemen of ze aan hen mededeelen; en

dit feit bewijst de groote gelijkvormigheid van hun weefsel en bloed,

zoowel in den fijneren bouw als in samenstelling, veel duidelijker dan

de vergelijking ervan onder het beste mikroskoop, of door middel van de

beste scheikundige ontleding. Apen zijn vatbaar voor vele

niet-besmettelijke ziekten, waaraan ook wij onderhevig zijn; zoo vond

Rengger [8], die lang en zorgvuldig den Cebus Azarae in zijn vaderland

gadesloeg, dat dit dier voor verkoudheid vatbaar was, met de gewone

verschijnselen, en dat, wanneer die verkoudheid zich dikwijls

herhaalde, zij aanleiding gaf tot tering. Deze apen leden ook aan

beroerten, ontsteking in de ingewanden en grauwe staar. De jongen

stierven dikwijls aan de koorts, wanneer zij hunne melktanden verloren.

Geneesmiddelen hadden bij hen de zelfde uitwerking als bij ons. Vele

soorten van apen houden zeer veel van thee, koffie en geestrijke

dranken; ook rooken ze, zooals ik zelf heb gezien, met smaak tabak.

Brehm beweert, dat de inboorlingen van Noord-Oost-Afrika de wilde

bavianen vangen door bakken met zwaar bier neêr te zetten, waardoor zij

dronken worden gemaakt. Hij heeft er eenigen, die hij in gevangen staat

bezat, in dien toestand gezien, en hij geeft een lachwekkend verhaal

van hun gedrag en wonderlijke grimassen. Den volgenden dag waren ze

zeer verdrietig en neêrslachtig; zij hadden hoofdpijn, hielden hun kop

met beide handen vast en zagen er beklagenswaardig uit; als men hun

bier of wijn voorhield, wendden zij zich met walging af, maar

limoen-sap dronken zij met smaak. [9] Een Amerikaansche aap, een

Ateles-soort, die van brandewijn dronken was geweest, wilde dien nooit

meer aanraken en handelde dus verstandiger dan menig mensch. Deze

kleine feiten bewijzen hoeveel overeenkomst er moet zijn tusschen de

smaakzenuwen van apen en menschen, en hoeveel overeenkomst er is in de

wijze, waarop hun geheele zenuwstelsel wordt aangedaan.

De mensch wordt gekweld door inwendige parasieten en soms met

noodlottig gevolg; hij wordt ook geteisterd door uitwendige parasieten,

die allen tot de zelfde genera of families behooren, als die waarmede

andere zoogdieren zijn behept. De mensch is evenals andere zoogdieren,

vogels en zelfs insekten [10] aan die geheimzinnige wet onderworpen,

die zekere normale processen zooals de zwangerschap en evenzoo de

ontwikkeling en den duur van vele ziekten volgens tijdperken doet

plaats hebben, die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn.

(11) Zijn wonden herstellen door het zelfde genezingsproces; en de

stompen, die bij afzetting van zijn ledematen overblijven, hebben,

voornamelijk in een vroege embryonale periode, een zeker

regeneratievermogen, evenals bij de laagste diersoorten. [11]

Bij alle zoogdieren is er in het geheele verloop van de voortplanting

der soort, die hoogst belangrijke functie, een treffende overeenkomst

van het oogenblik af, dat het mannetje het eerst zijn begeerlijkheid

toont [12] tot aan de geboorte en de voeding van de jongen toe. De apen

komen bijna even hulpeloos ter wereld als onze eigene kinderen (13) en

bij zekere genera is er in het uiterlijk aanzien evenveel verschil

tusschen de jongen en de volwassenen, als tusschen onze kinderen en hun

volwassen ouders. [13] Sommige schrijvers hebben als een belangrijk

verschil aangevoerd, dat bij den mensch de jongen veel later volwassen

worden dan bij eenig ander dier; maar, wanneer wij de menschenrassen

beschouwen die tusschen de keerkringen wonen, is het verschil niet

groot; want van den orang wordt algemeen aangenomen, dat hij niet

volwassen is voor zijn 10de of 15de jaar. [14] De man verschilt van de

vrouw in grootte, lichaamskracht, behaardheid enz. zoowel als in

inborst op de zelfde wijze, als de beide seksen van vele andere

zoogdieren. Kortom men kan bijna niet te ver gaan in het aannemen van

een zeer nauwe overeenkomst in het algemeene maaksel, in de fijnere

structuur der weefsels, de chemische samenstelling en in constitutie

bij den mensch en de hoogere diersoorten, voornamelijk de

anthropomorphe apen. (14)

Embryonale ontwikkeling.—De mensch ontwikkelt zich uit een eitje dat

ongeveer 1⁄50 centimeter middellijn heeft en in geen enkel opzicht van

de eitjes van andere dieren verschilt. De embryo zelf kan in een zeer

vroeg tijdperk van zijn ontwikkeling nauwelijks van dien van andere

gewervelde dieren worden onderscheiden. In dat tijdperk vormen de

slagaderen boogsgewijze takken, als ware het om het bloed naar kieuwen

te voeren, die bij de hoogere gewervelde dieren niet aanwezig zijn,

hoewel aan beide zijden van den hals nog spleten voorkomen (f, g, Fig.

1) waardoor hun vroegere plaats wordt aangegeven. In een eenigszins

later tijdperk, waarop de ledematen zich ontwikkelen, „ontstaan”,

zooals de beroemde Von Baer opmerkt, „de pooten der hagedissen en

zoogdieren, de vleugels en pooten der vogels en evenzoo de handen en

voeten van den mensch, allen uit den zelfden grondvorm.” „Alleen in de

latere tijdperken van zijn ontwikkeling”, zegt Prof. Huxley [15],

„vertoont het jonge menschelijke wezen bepaalde verschillen met een

jongen aap, terwijl deze laatste in de wijze van zijn ontwikkeling

evenveel van den hond verschilt, als de mensch. Hoe onaangenaam deze

laatste bewering ons ook moge verrassen, zij is volkomen juist en

onwederlegbaar te bewijzen.”

Daar sommigen mijner lezers wellicht nimmer een afbeelding van een

embryo hebben gezien, geef ik er hier een van dien van den mensch en

een andere van dien van den hond, beide ongeveer in het zelfde vroege

tijdperk hunner ontwikkeling, zorgvuldig gekopiëerd uit twee werken van

onbetwistbare nauwkeurigheid. [16] (Fig. 1)

Na de voorgaande getuigenissen, afgelegd door zoo groote autoriteiten,

zou het overtollig zijn, als ik van mijn zijde een groot aantal

nageschreven bijzonderheden mededeelde om aan te toonen, dat de

menschelijke embryo zeer veel op dien van andere zoogdieren gelijkt. Er

dient echter te worden bijgevoegd, dat de menschelijke embryo eveneens

in verschillende bijzonderheden van zijn maaksel gelijkt op sommige

lagere vormen, wanneer deze volwassen zijn. Zoo bestaat b.v. het hart

eerst slechts uit een eenvoudig kloppend vat; de uitwerpselen worden

door een cloaca (15) ontlast, en het koekoeksbeen (os coccyx) steekt

uit als een ware staart, „zich aanmerkelijk voorbij de rudimentaire

beenen uitstrekkende.” [17] Bij de embryo’s van alle luchtademende

gewervelde dieren komen zekere klieren, de corpora Wolffiana genaamd,

overeen met de nieren van volwassen visschen en hebben de zelfde

functie. [18] Zelfs in een later tijdperk van de embryonale

ontwikkeling kan men sommige treffende punten van overeenkomst tusschen

den mensch en de lagere dieren opmerken. Bischoff zegt, dat de

hersenwindingen bij een menschelijken foetus aan het einde van de

zevende maand ongeveer de zelfde mate van ontwikkeling bezitten, als

bij een volwassen baviaan. [19] Prof. Owen merkt op [20], dat de groote

teen, „die bij het staan of loopen het steunpunt vormt, wellicht de

meest karakteristieke bijzonderheid in het maaksel van den mensch is”;

maar in een embryo van ongeveer 2.5 c.M. lengte vond Prof. Wyman [21],

„dat de groote teen korter dan de anderen was, en in plaats van

evenwijdig met hen te loopen, aan de zijde van den voet met een hoek

uitstak, op deze wijze overeenkomende met den blijvenden toestand van

dit deel bij de vierhandige zoogdieren.” Ik wil besluiten met een

aanhaling van Huxley [22], die na te hebben gevraagd of de mensch op

een andere wijze ontstaat dan een hond, vogel, kikvorsch of visch,

zegt: „Het antwoord is geen oogenblik twijfelachtig; zonder quaestie

zijn de wijze van ontstaan en de vroege ontwikkelingstrappen van den

mensch gelijk aan die van de dieren die op de ladder onmiddellijk

beneden hem staan: zonder twijfel staat hij in dit opzicht veel dichter

bij de apen, dan de apen bij den hond.”

Rudimentaire organen.—Dit onderwerp, hoewel eigenlijk niet belangrijker

dan de twee laatsten, zal om verscheidene redenen hier uitvoeriger

worden behandeld. [23] Men kan niet ééne van de hoogere diersoorten

noemen, die niet een of ander in rudimentairen toestand verkeerend deel

bezit, en de mensch maakt geen uitzondering op dien regel. De

rudimentaire organen moet men onderscheiden van die, welke in wordenden

toestand verkeeren, hoewel in sommige gevallen de onderscheiding niet

gemakkelijk is. De eersten zijn òf bepaald nutteloos, zooals de tepels

der mannelijke zoogdieren of de snijtanden der herkauwende dieren, die

nooit door het tandvleesch komen; òf zij bewijzen zoo weinig dienst aan

hun tegenwoordige bezitters, dat wij niet kunnen onderstellen, dat zij

onder de tegenwoordig bestaande voorwaarden tot ontwikkeling zijn

gekomen. De organen die in den laatstgenoemden toestand verkeeren, zijn

strikt genomen niet rudimentair, maar zij streven er naar het te

worden. Wordende organen integendeel, hoewel niet geheel ontwikkeld,

zijn voor hun bezitters van groot nut, en voor verdere ontwikkeling

vatbaar. Rudimentaire organen zijn in hooge mate variabel, en dit is

gedeeltelijk te begrijpen, daar zij nutteloos of bijna nutteloos, en

dus niet langer aan den invloed van de natuurlijke teeltkeus

onderworpen zijn. Zij verdwijnen dikwijls geheel. Wanneer dit gebeurt,

kunnen zij evenwel nu en dan opnieuw verschijnen door atavisme; en deze

bijzonderheid is zeer opmerkenswaardig.

Het niet-gebruiken gedurende dat tijdperk in het leven, waarin een

orgaan hoofdzakelijk gebruikt wordt, en dit is meestal de volwassen

leeftijd, gepaard aan overerving in een overeenkomstig levenstijdperk,

schijnen de hoofdoorzaken te zijn geweest van het rudimentair worden

van organen. De term „niet-gebruiken” heeft niet alleen betrekking op

de verminderde werking der spieren, maar sluit ook in zich een

verminderden toevoer van bloed naar een deel of orgaan, omdat het aan

minder afwisseling van drukking onderworpen, of omdat het in een of

ander opzicht op den duur minder in werking is gebracht. Bij de ééne

sekse kunnen echter deelen in rudimentairen toestand voorkomen, die bij

de andere sekse in normalen toestand te vinden zijn; en zulke

rudimentaire organen zijn, zooals wij later zullen zien, dikwijls op

een andere wijze ontstaan. In sommige gevallen zijn organen kleiner

geworden door natuurlijke teeltkeus, omdat zij voor de diersoort, die

een andere levenswijze had aangenomen, nadeelig werden. Het

verkleiningsproces wordt waarschijnlijk dikwijls in de hand gewerkt

door de twee beginselen van compensatie (16) en spaarzaamheid van

groei; maar de laatste stadiën van de verkleining, nadat onbruik alles

heeft gedaan, wat men er billijkheidswijze aan kan toeschrijven, en

wanneer de besparing, die door spaarzaamheid van groei kan worden

verkregen, zeer gering is, zijn moeilijk te begrijpen. [24] Het

voorgoed en geheel en al verdwijnen van een deel, dat reeds nutteloos

en zeer in omvang verminderd was, in welk geval noch compensatie noch

spaarzaamheid in het spel kunnen komen, is misschien verklaarbaar met

behulp van de hypothese van de pangenesis, en waarschijnlijk op geen

andere wijze. Maar, daar het geheele onderwerp der rudimentaire organen

uitvoerig is behandeld en toegelicht in mijn vorige werken [25], behoef

ik daarover niets meer te zeggen.

Men heeft in vele deelen van het menschelijk lichaam rudimenten van

verschillende spieren opgemerkt [26]; en niet weinige spieren die bij

de eene of andere lagere diersoort steeds aanwezig zijn, kan men nu en

dan bij den mensch in zeer verkleinden toestand waarnemen. Iedereen

moet hebben opgemerkt, dat verscheidene dieren, vooral paarden, het

vermogen bezitten om hun huid te bewegen of te doen trillen; dit wordt

veroorzaakt door den panniculus carnosus. Overblijfsels van deze spier,

en in werkzamen toestand, worden in verschillende deelen van ons

lichaam gevonden; b.v. op het voorhoofd dat—waardoor de wenkbrauwen

worden in de hoogte gebracht. De platysma myoides, die in den hals zeer

ontwikkeld voorkomt, behoort ook tot dit stelsel, maar kan niet

willekeurig in beweging worden gebracht. Prof. Turner te Edinburgh

heeft nu en dan, naar hij mij meêdeelde, op vijf verschillende

plaatsen, namelijk in de oksels, bij de schouders enz., spierbundels

ontdekt, die allen tot het stelsel van den panniculus moeten worden

teruggebracht. Hij heeft ook aangetoond [27], dat de musculus sternalis

of sternalis brutorum, die geen verlenging van den rectus abdominalis,

maar zeer nauw met den panniculus verwant is, over meer dan 600

lichamen berekend, in een verhouding van ongeveer 3 perct. voorkwam.

Hij voegt er bij, dat „deze spier een uitstekend voorbeeld geeft van

het feit, dat toevallig voorkomende en rudimentaire organen bijzonder

onderhevig zijn aan verscheidenheid in hun ligging.

Enkele menschen bezitten het vermogen om de spieren die onder hun

schedelhuid liggen, te kunnen samentrekken, en deze spieren verkeeren

in een veranderlijken en gedeeltelijk rudimentairen slaat. M. A. De

Candolle heeft mij een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van het lang

voortbestaan of de overerving van dat vermogen, en tevens van een

ongewone ontwikkeling daarvan. Hij kent een familie, waarvan één lid,

nu het hoofd van een huisgezin, toen hij jong was, alleen door de

beweging van zijn schedelhuid, verscheidene zware boeken van zijn hoofd

kon werpen; dikwijls won hij weddenschappen door het verrichten van dit

kunststuk. Zijn vader, zijn oom, zijn grootvader en zijn drie kinderen

bezitten allen het zelfde vermogen in buitengewone mate. Acht

generaties te voren was deze familie in twee takken verdeeld geworden,

zoodat het hoofd van bovengenoemden tak een neef in den zevenden graad

was van het hoofd van den anderen tak. Die verre neef woont in een

ander gedeelte van Frankrijk, en toen men hem vroeg, of hij het zelfde

vermogen bezat, toonde hij dadelijk, dat dit het geval was. Dit

voorbeeld geeft een duidelijke toelichting van het feit, hoe

standvastig een geheel nutteloos vermogen kan worden overgeërfd.

De uitwendige spieren die dienen om het geheele uitwendige oor te

bewegen, en de inwendige spieren die de verschillende deelen ervan in

beweging brengen, en die allen tot het stelsel van den panniculus

behooren, verkeeren bij den mensch in een rudimentairen toestand. Zij

vertoonen ook verschillen in ontwikkeling of ten minste in functie. Ik

heb iemand gezien, die zijn ooren naar voren kon trekken, en een ander

die ze naar achteren kon trekken [28]; en uit hetgeen een van die

menschen mij meêdeelde, is het waarschijnlijk, dat de meesten van ons

na herhaalde proefnemingen het vermogen om de ooren te bewegen min of

meer terug zouden krijgen, wanneer wij ze dikwijls aanraakten en er

onze aandacht op vestigden. Het vermogen om de ooren te bewegen en ze

naar alle kanten te kunnen richten, bewijst zonder twijfel aan vele

dieren den grootsten dienst, omdat zij daardoor kunnen bemerken van

welken kant het gevaar hen bedreigt; maar ik heb nooit gehoord van

iemand die het vermogen bezat om zijn ooren omhoog te steken—de eenige

beweging die een mensch van nut kon zijn. Men kan het geheele

uitwendige oor als rudimentair beschouwen met al zijn plooien en

uitstekende punten (helix en anti-helix, tragus en anti-tragus enz.),

die bij de lagere diersoorten het oor, wanneer het omhoog staat, kracht

en steun geven, zonder het veel zwaarder te maken. Sommige schrijvers

denken evenwel, dat het kraakbeen van het oor dient om trillingen over

te brengen op de gehoorzenuw; maar de heer Toynbee [29] komt, na al de

bewijzen die hiervoor worden aangevoerd, te hebben nagegaan, tot het

besluit dat het uitwendige oor geen bepaald nut heeft. De ooren van den

chimpanzee en den orang gelijken opmerkelijk veel op die van den

mensch; en de oppassers in den Londenschen dierentuin hebben mij

verzekerd, dat deze dieren ze nooit bewegen of omhoog steken, zoodat

zij, wat hun functie betreft, in even rudimentairen staat verkeeren als

bij den mensch. Waarom deze dieren, evenals de voorouders van den

mensch, het vermogen om hun ooren omhoog te steken verloren hebben,

kunnen wij niet zeggen. Het kan zijn, hoewel deze beschouwingswijze mij

niet geheel voldoet, dat zij door hun gewoonte om in boomen te leven en

door hun groote kracht maar weinig aan gevaren waren blootgesteld, en

dus gedurende vrij langen tijd hun ooren maar weinig bewogen, waardoor

langzamerhand het vermogen om ze te bewegen verloren ging. Dit zou een

dergelijk geval zijn als dat van die groote logge vogels, die,

oceanische eilanden (17) bewonende en daar niet blootgesteld zijnde aan

de aanvallen van roofdieren, het vermogen hebben verloren om hun

vleugels tot vliegen te gebruiken.

De beroemde beeldhouwer Woolner deelt mij een kleine bijzonderheid mede

van het uitwendige oor, die hij dikwijls zoowel bij vrouwen als bij

mannen heeft opgemerkt, en waarvan hij de beteekenis volkomen begreep.

Zijn aandacht werd er het eerst op gevestigd toen hij aan het beeld van

een kabouter werkte, waaraan hij puntige ooren had gegeven. Daardoor

werd hij er toe gebracht de ooren van verschillende aapsoorten, en

vervolgens nog zorgvuldiger die van den mensch te beschouwen. De

bijzonderheid bestaat uit een kleine, stompe punt, die op den naar

binnen omgevouwen rand of helix uitsteekt. De heer Woolner maakte een

nauwkeurig model van zulk een geval, en zond mij nevensgaande teekening

(Fig. 2). Deze punten steken niet alleen naar binnen uit, maar dikwijls

ook een weinig naar buiten, zoodat zij zichtbaar worden wanneer men het

hoofd recht van voren of van achteren ziet. Zij verschillen in grootte

en ook een weinig in stand, daar zij nu eens iets hooger, dan weder

iets lager staan; ook komen zij soms voor aan het eene oor en niet aan

het andere. (18) Zij zijn niet beperkt tot den mensch; want ik nam ze

eens waar bij een der spinapen (Ateles Beelzebuth) in den Londenschen

dierentuin, en Dr. E. Ray Lankester deelt mij een ander geval mede bij

een chimpanzee in den Hamburgschen dierentuin. De helix bestaat

duidelijk uit den uitersten rand van het oor, die naar binnen

omgevouwen is; en dit omvouwen schijnt eenigszins in verband te staan

met het voortdurend naar achteren drukken van het geheele uitwendige

oor. Bij vele apen die in hun orde geen hooge plaats innemen, zooals

bavianen en sommige soorten van het geslacht Macacus [30], is het

bovendeel van het oor een weinig gepunt en de rand in het geheel niet

naar binnen omgevouwen; maar werd de rand op die wijze omgevouwen, dan

zou noodzakelijk een kleine punt naar binnen en waarschijnlijk ook een

weinig naar buiten uitsteken; en dit geloof ik, dat in vele gevallen

hun oorsprong is. Daarentegen houdt Prof. L. Meyer in een dergelijke,

onlangs gepubliceerde verhandeling [31] vol, dat het geheele geval

slechts een toevallige afwijking is; en dat de uitsteeksels werkelijk

niet als rudimenten moeten worden opgevat, maar alleen zijn ontstaan,

doordat het inwendige kraakbeen ter weêrszijden van deze punten niet

tot volkomen ontwikkeling is gekomen. Ik ben bereid aan te nemen, dat

dit in vele gevallen de juiste verklaring is, zooals in die, welke door

Prof. Meyer zijn afgebeeld en waarin er verscheidene kleine puntjes

zijn of de geheele rand gegolfd is. In heb zelf, door de

vriendelijkheid van Dr. L. Down, het oor gezien van een microcephalen

idioot, bij ’t welk er een uitsteeksel is aan de buitenzijde van de

helix, en niet op den naar binnen omgevouwen rand, zoodat deze punt in

geen betrekking kan staan tot een vroegere punt van het oor. Toch komt

mijn oorspronkelijke meening, dat de punten sporen zijn van de spitsen

van vroegere overeindstaande en gepunte ooren, mij in sommige gevallen

nog waarschijnlijk voor. Ik denk zulks wegens het veelvuldig voorkomen

daarvan, en omdat hun plaats algemeen overeenstemt met die van de spits

van een gepunt oor. In één geval, waarvan mij een photogram is

gezonden, is het uitsteeksel zoo groot, dat, wanneer men onderstelt, in

overeenstemming met de meening van Prof. Meyer, dat het oor volkomen

werd gemaakt door de gelijkmatige ontwikkeling van het kraakbeen over

de geheele uitgebreidheid van den rand, het ten volle een derde van het

geheele oor zou bedekken. Twee gevallen zijn mij medegedeeld, één uit

Noord-Amerika en het andere uit Engeland, waarin het bovengedeelte van

den rand volstrekt niet naar binnen omgevouwen, maar gepunt is, zoodat

de omtrek ervan zeer sterk gelijkt op dien van het gepunte oor van een

gewoon viervoetig dier. In één dezer gevallen, dat bij een jong kind

was, vergeleek de vader het oor met de teekening [32] welke ik heb

gegeven van het oor van een aap, den Cynopithecus niger, en zegt, dat

hun omtrekken nauwkeurig overeenstemmen. Indien in deze beide gevallen

de randen op de gewone wijze waren omgevouwen, moest er een naar binnen

loopend uitsteeksel zijn gevormd. Ik mag er bijvoegen, dat in twee

andere gevallen de omtrek nog eenigszins gepunt blijft, hoewel de rand

van het bovenste gedeelte van het oor op de gewone wijze naar binnen is

omgevouwen—bij één daarvan echter zeer weinig. De volgende houtsnede

(Fig. 3.) is een nauwkeurige copie van een photogram van den foetus van

een orang (die Dr. Nitsche zoo vriendelijk was mij te zenden), waarop

men kan zien hoe verschillend de gepunte omtrek van het oor in dit

tijdperk is van het oor van een volwassen orang, dat over het algemeen

zeer sterk op een menschenoor gelijkt. Het is duidelijk dat als de

spits van zulk een oor werd omgevouwen, als het gedurende zijn verdere

ontwikkeling niet sterk veranderde, een naar binnen uitstekende punt

zou ontstaan. Over het algemeen komt het mij waarschijnlijk voor, dat

de punten in quaestie in sommige gevallen, zoowel bij den mensch als

bij de apen, rudimenten van een vroegeren toestand zijn.

De membrana nictitans of het derde ooglid (19) met zijn bijbehoorende

spieren en andere deelen, is bijzonder goed ontwikkeld bij vogels, en

door zijn functie voor hen van groot gewicht, daar het snel over den

geheelen oogbol kan worden getrokken. Men vindt het bij sommige

reptielen en amphibieën en bij sommige visschen, zooals de haaien. In

de twee lagere afdeelingen van de klasse der zoogdieren, namelijk bij

de snaveldieren (Monotremata) en bij de buideldieren, en ook bij enkele

hoogere zoogdieren, zooals bij den walrus, komt het eveneens goed

ontwikkeld voor. Maar bij den mensch, de apen en de meeste andere

zoogdieren, bestaat het, naar door alle ontleedkundigen wordt

aangenomen, alleen rudimentair en vormt de zoogenaamde plica

semilunaris. [33]

De reukzin is voor de meeste zoogdieren van het hoogste

gewicht—sommigen, zooals de herkauwende dieren, waarschuwt hij voor

gevaar; anderen, zooals de verscheurende dieren, helpt hij hun prooi

vinden; bij nog anderen, zooals het wilde zwijn, dient hij voor beide

die doeleinden. Maar de reukzin is, zoo van eenig, dan toch van zeer

weinig nut, zelfs voor de wilden, bij wie hij in ’t algemeen meer

ontwikkeld is dan bij de beschaafde rassen. Hij waarschuwt hen niet

voor gevaren, en doet hun hun voedsel niet vinden; hij verhindert niet,

dat de Eskimo’s in de meest bedorven lucht leven, noch dat vele wilden

half verrot vleesch eten. Zij die gelooven aan het beginsel van

trapsgewijze ontwikkeling, zullen niet gereedelijk toegeven, dat de

mensch dien zin oorspronkelijk slechts in die mate heeft verkregen,

waarin hij hem tegenwoordig bezit. Ongetwijfeld heeft hij dien zin in

verzwakten en dus gedeeltelijk rudimentairen toestand van den eenen of

anderen voorouder geërfd, die er zeer veel nut van had en hem

voortdurend gebruikte. Wij kunnen daaruit misschien de zeer juiste

opmerking van Dr. Maudsley [34] begrijpen, als hij zegt, dat de reuk

bij den mensch „bijzonder dienstig is om de gedachte aan en het beeld

van vergeten tooneelen en plaatsen levendig in het geheugen terug te

roepen”; want bij dieren waarbij dit zintuig ontwikkeld is, zooals

honden en paarden, zien wij, dat oude herinneringen van personen en

plaatsen in nauw verband staan met hun reuk.

De mensch verschilt zeer van al de andere Primaten, doordat hij bijna

geheel onbehaard is. Over het grootste gedeelte van het lichaam vindt

men bij den man slechts enkele korte haren, hier en daar verspreid; bij

de vrouw slechts fijn dons. Bij individu’s, die tot het zelfde ras

behooren, vindt men veel verschil in behaardheid, niet alleen wat het

getal der haren aangaat, maar ook in de plaats waar zij groeien; zoo

zijn de schouders van sommige Europeanen geheel kaal, terwijl zich

daarop bij andere dikke bossen haar vertoonen. [35] (20) Het valt bijna

niet te betwijfelen, of de haren, die zoo ongelijk over het lichaam

verspreid zijn, zijn slechts rudimenten van het harig bekleedsel, dat

de lagere diersoorten geheel bedekt. Deze voorstelling krijgt te meer

waarschijnlijkheid, wanneer men bedenkt, dat fijne, korte, licht

gekleurde haren op armen en beenen en andere lichaamsdeelen nu en dan

overgaan in „dicht opeenstaande, lange, eenigszins grove, donkere

haren”, wanneer zij abnormaal worden gevoed dicht bij plekken, die zich

sinds lang in ontstoken toestand bevinden.

De heer Paget [36] deelt mij mede, dat menschen die tot de zelfde

familie behooren, dikwijls in hun wenkbrauwen enkele haren hebben, die

langer zijn dan de overige, zoodat deze kleine bijzonderheid schijnt te

worden overgeërfd. Deze haren vertegenwoordigen klaarblijkelijk de

vibrissae (21), die bij velen van de lagere diersoorten als tastorganen

worden gebruikt. Bij een jongen chimpanzee heb ik opgemerkt, dat enkele

rechtopstaande, vrij lange haren boven de oogen uitstaken, op de plaats

waar de ware wenkbrauwen zouden hebben gestaan, wanneer zij aanwezig

waren geweest.

Het fijne, wollige haar, het zoogenaamde lanugo, waarmede de

menschelijke foetus gedurende de zesde maand dicht bedekt wordt, levert

een nog opmerkenswaardiger geval op. Het ontwikkelt zich eerst in de

vijfde maand, op de wenkbrauwen en op het gelaat, voornamelijk rondom

den mond, waar het veel langer is dan op het hoofd. Eschricht [37] vond

een knevel van deze soort bij een vrouwelijken foetus; dit is evenwel

niet zoo verwonderlijk, als men op het eerste gezicht zou denken, want

de twee seksen hebben, wat uiterlijke kenmerken aangaat, gedurende het

eerste tijdperk van hun ontwikkeling over het algemeen veel

overeenkomst met elkander. De richting en rangschikking der haren zijn

op alle deelen van het lichaam van den foetus de zelfde als bij den

volwassen mensch, maar zijn aan veel verschil onderhevig. De geheele

oppervlakte, zelfs voorhoofd en ooren daaronder begrepen, is dicht met

haar bezet; maar het is een veelbeteekenend feit, dat de palmen der

handen en de voetzolen geheel kaal zijn, evenals de onderste deelen van

alle vier de ledematen bij de meeste lagere dieren. Daar dit alles

moeielijk aan een toevalligen samenloop van omstandigheden kan worden

toegeschreven, moeten wij de wollige bedekking van den foetus

beschouwen als de rudimentaire vertegenwoordiger van het blijvende

harige bekleedsel der zoogdieren, die behaard ter wereld komen. Er zijn

drie of vier gevallen opgeteekend van personen, die bij hun geboorte

hun geheele lichaam en gelaat dik bedekt hadden met fijne, lange haren;

en deze vreemde toestand is in hooge mate erfelijk en gaat gepaard met

een abnormalen toestand der tanden. [38] Prof. Alex. Brandt bericht

mij, dat hij het haar van een zoodanig man, vijf-en-dertig jaren oud,

heeft vergeleken met het wolhaar van een foetus, en het geheel

gelijksoortig heeft bevonden; daarom kan, naar hij opmerkt, het geval

worden toegeschreven aan een stilstand in de ontwikkeling van het haar,

gepaard met het voortdurend groeien daarvan. Een dokter van een

kinderhospitaal heeft mij verzekerd, dat bij vele teêre kinderen de rug

met vrij lange zijdeachtige haren bedekt is; en zulke gevallen behooren

waarschijnlijk tot de zelfde categorie.

Het schijnt, dat de achterste maaltanden of kiezen van verstand bij de

meer beschaafde menschenrassen een neiging bezitten om rudimentair te

worden. Deze kiezen zijn iets kleiner dan de andere maaltanden, zooals

ook het geval is met de overeenkomstige tanden van den chimpanzee en

den orang; en zij hebben slechts twee afzonderlijke wortels. Zij komen

niet voor het zevende jaar door het tandvleesch heên, en tandmeesters

hebben mij verzekerd, dat zij veel meer aan verrotting onderhevig zijn

en vroeger uitvallen dan de andere tanden. Het is ook opmerkelijk, dat

bij die tanden meer verschil bestaat, zoowel in vorm als in het

tijdperk van hun ontwikkeling, dan bij de andere. [39] Bij de

Melanesische rassen daarentegen hebben de kiezen van verstand

gewoonlijk drie afzonderlijke wortels en zijn ze doorgaans gezond; in

grootte verschillen zij bij deze minder van de andere maaltanden dan

bij de Kaukasische rassen. [40] Prof. Schaaffhausen geeft van dit

verschil tusschen genoemde rassen de volgende reden: „het gedeelte van

de kaak, waar de laatste kiezen komen, wordt bij de beschaafde rassen

voortdurend korter” [41], en dit steeds korter worden, geloof ik, dat

men veilig daaraan kan toeschrijven, dat beschaafde menschen zich

steeds met zachte, gekookte spijzen voeden en dat zij dus hun kaken

minder gebruiken. Van den heer Brace heb ik vernomen, dat het

tegenwoordig in de Vereenigde Staten een vrij algemeene gewoonte is

geworden, den kinderen eenige maaltanden uit te trekken, omdat de kaak

niet groot genoeg wordt voor de volledige ontwikkeling van het normale

getal. [42]

Wat het darmkanaal betreft, heb ik slechts één rudimentair deel vermeld

gevonden, namelijk het wormvormige aanhangsel van den blinden darm. De

blinde darm is een tak of diverticulum van het darmkanaal, die blind

eindigt, en is bij velen van de lagere plantetende zoogdieren

buitengewoon lang. Bij de tot de buideldieren behoorende koala is hij

zelfs meer dan driemaal zoo lang als het lichaam. [43] Somtijds loopt

hij in een trapsgewijze dunner wordende punt uit, en somtijds wordt hij

ook door vernauwingen in deelen verdeeld. Het schijnt, dat ten gevolge

van een veranderden leefregel of van andere gewoonten de blinde darm

bij vele dieren veel korter is geworden, terwijl het wormvormig

aanhangsel als een rudiment van het verkorte deel is overgebleven. Dat

dit aanhangsel een rudiment is, kunnen wij afleiden uit zijn geringe

grootte en de verschillen, die het, zooals Prof. Canestrini [44] heeft

bewezen, bij den mensch vertoont. Somtijds ontbreekt het geheel en al,

andere malen is het daarentegen bijzonder ontwikkeld. De opening ervan

is somtijds over de helft, somtijds over twee derden van de lengte

gesloten; het uiteinde is dan plat en zonder inwendige holte. Bij den

orang is dit aanhangsel lang en samengerold; bij den mensch neemt het

zijn oorsprong aan het uiteinde van den korten blinden darm, is

gewoonlijk 10 tot 12.5 c.M. lang en heeft slechts 8 m.M. middellijn.

Niet alleen is dit aanhangsel nutteloos, maar het veroorzaakt somtijds

den dood; hiervan heb ik onlangs twee gevallen gehoord: dit wordt

veroorzaakt door kleine, harde voorwerpen, zooals zaadjes, die in de

opening ervan dringen en daar ontsteking veroorzaken. [45]

Bij de vierhandigen en eenige andere orden van zoogdieren, in het

bijzonder bij de verscheurende dieren, is er een opening aan het

benedeneinde van het opperarmbeen, foramen supra-condyloïdeum genaamd,

door welke de groote zenuw en dikwijls ook de groote slagader van het

voorste lid heêngaan. In het opperarmbeen van den mensch is er, zooals

Dr. Struthers [46] en anderen hebben aangetoond, doorgaans een spoor

van deze opening en somtijds is zij vrij goed ontwikkeld en wordt dan

door een haakvormig uitsteeksel van het been en een daaraan verbonden

band gevormd. Wanneer deze opening er is, gaat de groote zenuw er

altijd door, en dit bewijst duidelijk, dat zij homoloog met een

rudiment van het foramen supra-condyloïdeum der lagere diersoorten is.

Prof. Turner schat, naar hij mij mededeelde, dat zij aanwezig is bij

één percent van de skeletten uit onzen tijd; in oude tijden schijnt zij

veelvuldiger te zijn geweest. De heer Busk [47] heeft hiervan de

volgende bewijzen bijeengebracht: Prof. Broca „vond deze opening bij

vier en een half percent van de armbeenderen, die in het „Cimétière du

Sud” te Parijs werden verzameld; en in het hol van Orrony, waarvan de

inhoud tot den Bronstijd (22) moet worden gebracht, bezaten acht

opperarmbeenderen van de twee-en-dertig haar; hij gelooft echter dat

deze buitengewone verhouding daaraan is toe te schrijven, dat het een

soort van familiegraf was.” De heer Dupont vond, dat 30 percent van de

beenderen uit de holen van de Lesse, die tot het Rendiertijdperk (23)

behooren, deze opening bezaten; terwijl de heer Leguay in een soort van

dolmen te Argenteuil beenderen vond, waarvan vijf-en-twintig percent

aldus waren doorboord. De heer Pruner-Bey vond, dat bij de beenderen

van Vauréal 26 percent de opening bezaten. Wij mogen hier niet

onvermeld laten, dat de heer Pruner-Bey mededeelt, dat die

bijzonderheid bij de Guanche-skeletten wordt opgemerkt. (24) Het feit,

dat oude rassen in dit en vele andere gevallen, veelvuldiger

voorbeelden opleveren van vormen welke op die van lagere diersoorten

gelijken, dan de nieuwere rassen, verdient opmerking. (25) Een van de

hoofdredenen schijnt te wezen, dat in de lange rij van afstammelingen

de oude rassen iets nader bij hun verwijderde op dieren gelijkende

voorouders staan dan de tegenwoordige.

Hoewel het koekoeksbeen bij den mensch niet tot staart dient,

vertegenwoordigt het bij hem met eenige wervels, die wij later zullen

beschrijven, volkomen dat deel van de overige gewervelde dieren. In een

vroeg embryonaal tijdperk is het vrij, en strekt zich, zooals men in

Fig. 1, een menschelijk embryo voorstellende, kan zien, tot voorbij de

onderste ledematen uit. In sommige zeldzame en abnormale gevallen,

heeft men volgens Isidore Geoffroy en anderen opgemerkt, dat het zelfs

na de geboorte een klein uitwendig rudiment van een staart vormde. [48]

(26) Het koekoeksbeen is kort, bestaat gewoonlijk slechts uit vier

wervels en deze verkeeren in een rudimentairen toestand; want met

uitzondering van den bovensten bestaan zij alleen uit het

wervellichaam. [49] Zij zijn voorzien van eenige spieren, waarvan er

een, naar mij door Prof. Turner is medegedeeld, door Theile

uitdrukkelijk is beschreven als een rudimentaire herhaling van de

uitstrekkende spier van den staart, die bij vele zoogdieren zoo

bijzonder ontwikkeld is.

Het ruggemerg strekt zich bij den mensch benedenwaarts slechts tot de

laatste rug- of eerste lendenwervels uit; maar een op een draad

gelijkend deel (het filum terminale) loopt door de as van dat gedeelte

van het wervelkanaal, dat in het heiligbeen is gelegen, en zelfs over

den rug van de koekoeksbeentjes naar beneden. Het bovenste gedeelte van

dezen draad is, naar Prof. Turner mij mededeelt, ongetwijfeld homoloog

met het ruggemerg, maar het onderste gedeelte bestaat waarschijnlijk

alleen uit de pia mater of het vaatachtige bekleedende vlies. Zelfs in

dit geval kan men zeggen, dat het koekoeksbeen een overblijfsel bezit

van zulk een belangrijk deel als het ruggemerg, al is het dan ook niet

langer in een beenig kanaal omsloten. Het volgende feit, dat ik ook aan

Prof. Turner ben verschuldigd, toont hoe volkomen het koekoeksbeen met

den waren staart der lagere dieren overeenkomt. Luschka heeft onlangs

aan het uiteinde der koekoeksbeenderen een zeer eigenaardig samengerold

lichaam ontdekt, dat een voortzetting vormt van den middelsten slagader

van het heiligbeen, en deze ontdekking gaf aan Krause en Meyer

aanleiding om den staart van een aap (Macacus) en van een kat te

onderzoeken: in beide vonden zij, hoewel niet aan het uiteinde, een

dergelijk samengerold lichaam.

Het voortplantingsstelsel vertoont verschillende rudimentaire deelen,

maar deze verschillen in één belangrijk opzicht van de voorgaande

gevallen. Wij hebben hier niet te doen met een overblijfsel dat bij de

soort in haar tegenwoordigen toestand doelloos is, maar met een deel

dat bij de ééne sekse altijd tegenwoordig en noodig is, terwijl het bij

de andere slechts rudimentair is ontwikkeld. Toch is het voorkomen van

zulke rudimentaire deelen, als men uitgaat van het geloof aan de

afzonderlijke schepping van elke soort, even moeilijk te verklaren, als

in de voorgaande gevallen. Later zal ik op deze rudimentaire deelen

moeten terugkomen, en zal aantoonen, dat hun tegenwoordigheid over het

algemeen uitsluitend van overerving afhangt, dat namelijk deelen, door

de ééne sekse verkregen, gedeeltelijk op de andere zijn overgeplant. Ik

wil hier slechts eenige voorbeelden van dergelijke rudimentaire deelen

geven. Het is algemeen bekend, dat bij de mannetjes van alle

zoogdieren, de mensch niet uitgezonderd, rudimentaire tepels worden

gevonden; er bestaan verschillende voorbeelden, dat deze zich goed

ontwikkeld en overvloedig melk opgeleverd hebben. (27) Een wezenlijke

identiteit bij de twee seksen wordt ook daardoor aangetoond, dat zij

bij beide somtijds sympathetisch opzwellen gedurende een aanval van de

mazelen. Het is tegenwoordig algemeen erkend, dat de vesicula

prostatica (28), die bij vele mannelijke zoogdieren is opgemerkt,

homoloog is met de vrouwelijke baarmoeder en den daarmede verbonden

doorgang. Het is onmogelijk Leuckart’s uitnemende beschrijving van dit

orgaan en zijn redeneering te lezen, zonder te worden overtuigd van de

juistheid van zijn besluit. Dit is vooral duidelijk in het geval van

die zoogdieren, bij welke de ware vrouwelijke baarmoeder tweehoornig

is, want bij de mannetjes van deze is ook de vesicula vorksgewijze

verdeeld. [50] Nog enkele andere, tot het voortplantingsstelsel

behoorende rudimentaire deelen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.

[51]

De beteekenis van de drie bovenvermelde groote klassen van feiten is

onmiskenbaar. Het zou echter overtollig zijn den keten van bewijzen, in

het breede in mijn „Ontstaan der Soorten” gegeven, hier uitvoerig te

herhalen. De homologe bouw van het geheele geraamte der ledematen in de

zelfde dierklasse kan worden begrepen, als wij aannemen, dat zij

afstammen van een gemeenschappelijken stamvader, en daarna door

langzame verandering voor gewijzigde levensvoorwaarden geschikt zijn

geworden. Bij elke andere beschouwingswijze is de typische overeenkomst

tusschen de hand van een mensch en een aap, den poot van een paard, den

zwempoot van een zeehond, den vleugel van een vledermuis volkomen

onverklaarbaar. Het is geen wetenschappelijke verklaring te beweren,

dat zij allen volgens het zelfde ideale plan zijn gevormd. Ten opzichte

van de ontwikkeling kunnen wij duidelijk begrijpen, uitgaande van het

beginsel, dat verschillen in een vrij laat embryonaal tijdperk

ontstonden en in een overeenkomstig tijdperk werden overgeërfd, hoe het

komt, dat embryo’s van hoogst verschillende diervormen, toch meer of

minder volkomen het maaksel van hun gemeenschappelijken stamvader

hebben kunnen bewaren. Geen andere verklaring is ooit gegeven van het

verwonderlijke feit, dat de embryo’s van een mensch, een hond, een

zeehond, een vledermuis, een reptiel enz. in den beginne nauwelijks van

elkander kunnen worden onderscheiden. Om het bestaan van rudimentaire

organen te begrijpen, hebben wij slechts te onderstellen, dat een

vroegere voorvader die deelen in volkomen staat bezat, en dat zij onder

veranderde levensvoorwaarden zeer werden verkleind, hetzij alleen

doordat zij niet werden gebruikt, hetzij doordat de natuur die

individu’s voor de voortplanting uitkoos, welke het minst waren

overladen met een overtollig deel, geholpen door de overige boven

aangegeven middelen.

Op die wijze kunnen wij begrijpen, wat de reden is van het feit, dat de

mensch en al de overige gewervelde dieren volgens het zelfde algemeene

type zijn gevormd, waarom zij de zelfde vroege ontwikkelingstrappen

doorloopen en waarom sommige rudimentaire deelen bij hen allen

voorkomen. Bij gevolg moeten wij onbewimpeld hun gemeenschappelijke

afstamming aannemen; aan een andere beschouwingswijze de voorkeur

geven, is aannemen, dat ons eigen maaksel en dat van alle ons

omringende dieren slechts een valstrik is, gespannen om ons oordeel van

den goeden weg af te brengen. Dit besluit wordt zeer versterkt, als wij

de leden van de geheele dierlijke reeks beschouwen, en letten op de

bewijzen, afgeleid van hun verwantschappen of klassificatie, hun

geographische verspreiding en geologische opeenvolging. (29) Het zijn

alleen ons natuurlijk vooroordeel en die hoogmoed, die onze voorouders

deed verklaren, dat zij van halfgoden afstamden, die er ons toe leiden

dit besluit te betwijfelen. De tijd zal echter weldra aanbreken, dat

men het vreemd zal vinden, dat natuuronderzoekers, die goed bekend

waren met de vergelijkende ontleedkunde en met de

ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch en van andere zoogdieren,

hebben kunnen gelooven, dat elke soort door een afzonderlijke

scheppingshandeling was voortgebracht.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 47 / 111 题