De aard van het volgende werk zal het beste worden begrepen door een
korte mededeeling der redenen, die mij aanleiding gaven het te
schrijven. Gedurende vele jaren verzamelde ik aanteekeningen over den
oorsprong of afstamming van den mensch, zonder eenig voornemen om iets
over dat onderwerp in het licht te geven, of liever met het stellige
voornemen om niets daarover in het licht te geven, daar ik meende, dat
ik daardoor het vooroordeel tegen mijn beschouwingen slechts zou doen
toenemen. Het scheen mij voldoende, in de eerste uitgaaf van mijn
„Ontstaan der Soorten” aan te stippen, dat door dit werk „licht zou
worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis”,
en hierin ligt opgesloten, dat elk algemeen besluit omtrent de wijze,
waarop de organische wezens op aarde zijn verschenen, ook op den mensch
toepasselijk is. Op dit oogenblik echter verschijnt de zaak in een
geheel ander daglicht. Als een zoo beroemd natuuronderzoeker als Carl
Vogt niet schroomt om in zijn toespraak als President van het Nationale
Instituut van Genève (1869) te zeggen: „personne, en Europe au moins,
n’ose plus soutenir la création indépendante et de toutes pièces des
espèces”, dan is het duidelijk, dat ten minste een groot aantal
natuuronderzoekers moeten aannemen, dat de tegenwoordig levende soorten
de gewijzigde afstammelingen van andere soorten zijn; en dit is vooral
het geval met de jonge en opkomende natuuronderzoekers. Het grootste
gedeelte van hen nemen de werking der natuurlijke teeltkeus aan, schoon
sommigen beweren, of het met recht is, moet de toekomst beslissen, dat
ik de belangrijkheid er van veel te hoog heb geschat. Van de oudere en
geëerde hoofden in de natuurwetenschap zijn ongelukkig velen nog
tegenstanders van de ontwikkelingstheorie in welken vorm dan ook.
Ten gevolge van de beschouwingen, die tegenwoordig door de meeste
natuuronderzoekers worden aangenomen, en die ten laatste, evenals in
elk ander geval, door andere menschen zullen worden gedeeld, ben ik er
toe gekomen om mijn aanteekeningen bijeen te brengen, om daardoor te
zien in hoeverre de algemeene besluiten, waartoe ik in mijn vorige
werken kwam, op den mensch toepasselijk waren. Dit scheen mij des te
wenschelijker, daar ik met opzet deze beschouwingen nog nooit op ééne
enkele soort, afzonderlijk genomen, had toegepast. Als wij onze
aandacht tot een bepaalden vorm beperken, zijn wij beroofd van de
gewichtige bewijsgronden, welke worden afgeleid uit den aard der
verwantschappen, die geheele groepen van organismen onderling
verbinden—hun geographische verspreiding, zoowel in vroegere tijdvakken
als tegenwoordig, en hun geologische opeenvolging. De homologe
structuur(1), embryologische ontwikkeling en rudimentaire organen(2)
van een soort, hetzij het de mensch of eenig ander dier zij, waarop
onze aandacht is gevestigd, blijven ter overweging over; maar deze
groote klassen van feiten leveren, dunkt mij, overvloedige en afdoende
bewijsgronden op ten gunste van het beginsel van trapsgewijze
ontwikkeling. De sterke steun, dien de andere bewijsgronden daaraan nog
geven, moet echter steeds in acht worden genomen.
Het eenige doel van dit werk is om na te gaan, eerstens, of de mensch,
evenals elke andere diersoort, van dezen of genen vroeger bestaan
hebbenden vorm afstamt; ten tweede, de wijze, waarop hij zich heeft
ontwikkeld; ten derde de belangrijkheid van de verschillen tusschen de
zoogenaamde menschenrassen. Daar ik mij tot deze punten wil beperken,
zal het niet noodig zijn de verschilpunten tusschen de onderscheidene
rassen uitvoerig te beschrijven—een hoogst uitgebreid onderwerp, dat in
vele uitnemende werken grondig is besproken. De hooge oudheid van het
menschelijk geslacht is sedert korten tijd bewezen door de
onderzoekingen van een menigte uitstekende mannen, te beginnen met den
heer Boucher de Perthes(3); en dit is een onmisbare grondslag voor het
begrijpen van deszelfs oorsprong. Ik zal daarom dit feit voor bewezen
houden, en mijn lezers verwijzen naar de bewonderenswaardige
verhandelingen van Sir Charles Lyell(4), Sir John Lubbock en anderen.
Ik zal ook geen gelegenheid hebben om meer te doen dan te zinspelen op
de hoegrootheid van het verschil tusschen den mensch en de
anthropomorphe apen; want Prof. Huxley heeft volgens de meening van
zeer bevoegde rechters overtuigend aangetoond, dat de mensch in elk
afzonderlijk zichtbaar kenmerk minder verschilt van de hoogere apen,
dan deze van de lagere leden der zelfde orde van de Primaten.
Dit werk bevat bijna geen enkel nieuw feit omtrent den mensch; maar
daar de besluiten, waartoe ik na een ruwe optelling kwam, mij
belangrijk voorkwamen, dacht ik, dat ook anderen er wellicht belang in
konden stellen. Men heeft dikwijls met het meeste zelfvertrouwen
verzekerd, dat de oorsprong van den mensch nimmer bekend kan worden;
maar onwetendheid leidt dikwijls meer tot zelfvertrouwen dan grondige
kennis; slechts zij die weinig weten, en geenszins zij die veel weten,
verzekeren zoo stellig, dat het eene of andere vraagstuk nimmer door de
wetenschap zal worden opgelost. Het besluit, dat de mensch gezamenlijk
met andere soorten van den eenen of anderen ouden, lageren en
uitgestorven vorm afstamt, is volstrekt niet nieuw. Lamarck kwam reeds
lang geleden tot dit besluit, dat onlangs door verscheidene beroemde
natuurkundigen en wijsgeeren is verdedigd; bij voorbeeld door Wallace,
Huxley, Lyell, Vogt, Lubbock, Büchner, Rolle enz. [4], en vooral door
Haeckel. Deze laatste natuuronderzoeker heeft, behalve zijn groot werk
„Generelle Morphologie” (1866) onlangs (1868, met een tweede uitgaaf in
1870) zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte” uitgegeven, waarin hij de
afstamming van den mensch uitvoerig bespreekt. (5) Ware dit werk in het
licht verschenen, voor mijn geschrift geheel was geschreven, dan zou ik
het waarschijnlijk nooit hebben voltooid. Bijna al de besluiten,
waartoe ik ben gekomen, vind ik door dezen natuuronderzoeker bevestigd,
wiens kennis op vele punten veel vollediger is dan de mijne. Overal
waar ik eenig feit of gevoelen uit Prof. Haeckel’s geschriften hieraan
heb toegevoegd, geef ik zulks in den tekst op; andere opgaven laat ik
zooals zij oorspronkelijk in mijn handschrift stonden, nu en dan in de
noten naar zijn werken verwijzende, als een bevestiging van de meer
twijfelachtige of belangrijke punten.
Sinds vele jaren scheen het mij zeer waarschijnlijk, dat de seksueele
teeltkeus een groote rol had gespeeld bij het differentieeren der
menschenrassen; maar in mijn „Ontstaan der Soorten” stelde ik mij
tevreden met slechts te zinspelen op dit geloof. Toen ik er toe kwam,
om dit gevoelen op den mensch toe te passen, vond ik het volstrekt
noodig dit geheele onderwerp zeer uitvoerig te behandelen. [5] Ten
gevolge daarvan is het tweede gedeelte van dit werk, dat over de
teeltkeus met betrekking tot de sekse handelt, tot een, in vergelijking
van het eerste gedeelte, zeer onevenredige lengte aangegroeid, maar dit
kon niet worden vermeden.
Ik was eerst voornemens bij deze deelen nog een verhandeling te voegen
over het uitdrukken der verschillende gemoedsaandoeningen bij den
mensch en de lagere dieren. Mijn aandacht werd reeds vele jaren geleden
op dit onderwerp gevestigd door het bewonderenswaardige werk van Sir
Charles Bell. Deze beroemde ontleedkundige beweert, dat de mensch
sommige spieren alleen bezit, ten einde daarmede zijn
gemoedsaandoeningen uit te drukken. Daar dit gevoelen klaarblijkelijk
in tegenspraak is met het geloof, dat de mensch van dezen of genen
lageren vorm afstamt, was het noodig, dat ik het behandelde. Ik
wenschte eveneens uit te maken, in hoeverre de gemoedsaandoeningen door
de verschillende menschenrassen op de zelfde wijze worden uitgedrukt.
Met het oog op de lengte van het onderhavige werk, heb ik echter
gemeend, dat het beter was mijn verhandeling, die gedeeltelijk is
voltooid, voor een afzonderlijke uitgave te bewaren.
Ch. DARWIN.