III. DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH EN DE SEKSUEELE TEELTKEUS.

VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK

DOOR Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.

Charles Darwin zegt in zijn autobiographie (voorkomende in het in 1888

verschenen werk van zijn zoon Francis Darwin „The Life and Letters of

Charles Darwin”) omtrent zijn werk over de afstamming van den mensch

het volgende:

„Mijn „Descent of Man” (Afstamming van den Mensch) verscheen in 1871.

Zoodra ik, in het jaar 1837 of 1838, overtuigd was geworden, dat de

soorten veranderlijke voortbrengselen der natuur zijn, kon ik mij niet

losmaken van het geloof, dat ook de mensch aan de zelfde wet

onderworpen moest zijn. Ik verzamelde daarom aanteekeningen over dat

onderwerp voor mijn eigen genoegen, en het duurde lang, eer ik het

voornemen opvatte ze uit te geven. Ofschoon in de „Origin of Species”

(Ontstaan der Soorten) nergens over de afstamming van een enkele

bepaalde soort wordt gesproken, achtte ik het toch het best, opdat geen

man van eer mij zou kunnen beschuldigen, dat ik mijn gevoelen verzweeg,

daarin te vermelden, dat door dit werk „licht zou worden geworpen op

den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis.” [1] Het zou

nutteloos en schadelijk voor het succes van het boek zijn geweest, zoo

ik, zonder eenige bewijzen te geven, met mijn overtuiging omtrent zijn

oorsprong had gepronkt.

„Toen ik echter bevond, dat vele natuuronderzoekers de leer van de

ontwikkeling der soorten volkomen aannamen, scheen het mij raadzaam al

de aanteekeningen, die ik bezat, uit te werken en een bijzondere

verhandeling omtrent den oorsprong van den mensch uit te geven. Ik was

des te meer belust zulks te doen, omdat het mij gelegenheid gaf tot

uitvoerige bespreking van de seksueele teeltkeus—een onderwerp, waarin

ik altijd zeer veel belang had gesteld. Dit onderwerp, en dat van het

varieeren der huisdieren en cultuurplanten [2], benevens de oorzaken en

wetten van het varieeren, de erfelijkheid en het kruisen der planten

met elkander, zijn de eenige onderwerpen, waarover ik in staat ben

geweest zoo uitvoerig te schrijven, dat ik alle bouwstoffen gebruikte,

die ik er over had verzameld. [3] Het schrijven van de „Descent of Man”

hield mij drie jaar bezig, maar gelijk gewoonlijk ging een gedeelte van

dien tijd verloren door mijn slechte gezondheid, en een ander gedeelte

daarvan werd verbruikt door het voor de pers gereed maken van nieuwe

uitgaven van vroegere werken en andere kleinere verhandelingen. Een

tweede en veel vermeerderde uitgaaf van de „Descent” verscheen in

1874.”

In het tweede deel van de „Life and Letters of Charles Darwin”, waarin

één hoofdstuk geheel en twee hoofdstukken gedeeltelijk aan de „Descent

of Man” zijn gewijd, deelt Francis Darwin o.a. nog mede, dat in

Februari 1867, toen het handschrift van het boek over „The Variation of

Animals and Plants under Domestication” (Het Varieeren der Huisdieren

en Cultuurplanten) naar den drukker was gezonden, zijn vader een

„Hoofdstuk over den Mensch” begon te schrijven, maar spoedig bevond,

dat het onder zijn handen zoo aangroeide, dat hij besloot het

afzonderlijk uit te geven als een „zeer klein boekje.” Die arbeid werd

echter afgebroken door de noodzakelijkheid om de proeven van de

„Variation of Animals and Plants” te verbeteren en door eenige

botanische onderzoekingen, en niet vóór het volgende jaar kon hij hem

weder opvatten en zich geheel daaraan wijden.

Uit het bovenstaande volgt de nauwe samenhang van de „Afstamming van

den Mensch” met het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”,

waarvan het oorspronkelijk slechts een hoofdstuk zou zijn. Evenzoo

hangt het „Varieeren der Huisdieren enz.” weder ten nauwste zamen met

het „Ontstaan der Soorten”, welke het uitbreidt en met nadere bewijzen

versterkt. Zoo vormen deze drie werken een ondeelbaar geheel. De

seksueele teeltkeus, in de beide eerstverschenen werken slechts ter

loops vermeld, wordt in dit derde uitvoerig behandeld.

Ik had, toen de derde druk van mijn Nederlandsche bewerking van de

„Afstamming van den Mensch” verscheen, mij niet durven vleien, dat ze

reeds in 1889 geheel uitverkocht en een vierde druk noodzakelijk zou

zijn. Ik onderstel, dat bijna ieder, die dezen vierden druk leest,

eerst de drie eerste deelen dezer serie, bevattende het Ontstaan der

Soorten, het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten en eenige

kleinere biologische geschriften zal hebben gelezen, hetgeen hem het

recht begrip van het onderhavige werk veel gemakkelijker zal maken.

Voor hen die deze drie eerste deelen niet hebben gelezen, zullen

enkelen der aanteekeningen, welke ik achter de hoofdstukken van dit

werk heb bijgevoegd, waarschijnlijk veel verduidelijken. Die

aanteekeningen zijn grootendeels de zelfde als in den vorigen druk;

zeer enkele zijn naar het „Ontstaan der Soorten” en het „Varieeren der

Huisdieren en Cultuurplanten” overgebracht, een paar der minst

beduidende geschrapt, een paar andere verplaatst en bijgewerkt en

enkele nieuwe bijgevoegd. Al te uitvoerig kon dit echter niet

geschieden, om het boek niet al te lijvig te doen worden.

De van Darwin’s meening gedeeltelijk afwijkende gevoelens omtrent den

oorsprong der hoogste geestvermogens, welke Wallace in zijn

„Darwinism”, 1889, heeft publiek gemaakt, mochten hier wegens de groote

beteekenis die Wallace voor het Darwinisme heeft en wegens de

belangrijkheid van zijn boven aangehaald werk, waaraan wij in onze

aanteekeningen op „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” zoo

menige aanvulling en uitbreiding van Darwins leer en zoo menige

scherpzinnige opmerking hebben ontleend, hier niet worden doodgezwegen,

ofschoon wij in geenen deele met de door Wallace gegeven verklaring van

het ontstaan dier vermogens kunnen instemmen.

Ook Wallace’s, van die van Darwin afwijkende, in het zelfde werk

uiteengezette meening omtrent de seksueele teeltkeus, en in verband

daarmede omtrent de beteekenis der kleur in de organische wereld in het

algemeen, vereischten een nadere uiteenzetting.

Verder scheen het ons wenschelijk, een overzicht in dit werk in te

lasschen van Julius Lippert’s beschouwingen over den oorsprong der

spraak en taal.

Een paar kleine geschriften van Darwin, die totdusver nog niet in het

Nederlandsch waren verschenen, zijn ter behoorlijker plaatse

ingelascht.

Eindelijk heeft mijne verhandeling over het oorspronkelijk vaderland

van den mensch en de oudste volksverhuizingen eenige uitbreiding en

wijziging ondergaan, waardoor tevens gelegenheid ontstond over eenige

in nauw verband daarmede staande vraagstukken eenigszins uitvoeriger te

bespreken.

VOORREDE VAN DE 2de ENGELSCHE UITGAAF.

Gedurende de achtereenvolgende herdrukken van de eerste, in 1871

verschenen uitgaaf van dit werk, was ik in staat om onderscheidene

belangrijke verbeteringen aan te brengen; en thans, nu er meer tijd is

verloopen, heb ik mijn voordeel gedaan met de vuurproef, die het boek

had ondergaan en gebruik gemaakt van al de kritieken die mij gegrond

schenen te zijn. Ik ben ook aan een groot aantal correspondenten de

mededeeling verschuldigd van een verwonderlijk aantal nieuwe feiten en

opmerkingen. Deze zijn zoo talrijk geweest, dat ik alleen de meest

belangrijke heb kunnen gebruiken, en van deze, zoowel als van de

belangrijkste verbeteringen, zal ik een lijst hierachter laten volgen.

Eenige nieuwe houtsneden zijn in het werk opgenomen, en vier der oude

zijn vervangen door betere, naar het leven geteekend door den heer T.

W. Wood. Ik moet vooral de aandacht vestigen op eenige opmerkingen, die

ik aan de vriendelijkheid van Prof. Huxley verschuldigd ben (gegeven

als een Supplement op het einde van het Eerste Gedeelte) over den aard

der verschillen tusschen de hersenen van den mensch en die der hoogere

apen. Ik ben bijzonder blijde geweest, dat ik die opmerkingen kon

mededeelen, omdat over dat onderwerp op het vasteland in de

allerlaatste jaren onderscheidene verhandelingen zijn verschenen, en

dat de belangrijkheid daarvan in sommige gevallen door populaire

schrijvers erg is overdreven.

Ik veroorloof mij bij deze gelegenheid op te merken, dat mijn critici

dikwijls verzekeren, dat ik alle veranderingen in het lichamelijk

maaksel en de geestvermogens uitsluitend daaraan toeschrijf, dat de

natuur bepaalde zoogenaamd spontane verscheidenheden voor de

voortplanting uitkiest; terwijl ik toch, zelfs in de eerste uitgaaf van

het „Ontstaan der Soorten”, duidelijk uitsprak, dat men groot gewicht

moet hechten aan de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik, zoowel

ten opzichte van het lichaam als van den geest. Ik schreef ook een

zekere hoeveelheid wijzigingen toe aan de rechtstreeksche en

voortdurende werking van gewijzigde levensvoorwaarden. Ook moeten wij

eenigen invloed toeschrijven aan nu en dan voorkomende atavismen, en

moeten ook datgene niet vergeten, wat ik correlatie van groei heb

genoemd, waarmede ik bedoelde, dat verschillende deelen van het

organisme op de eene of andere onbekende wijze zoodanig met elkander in

verband staan, dat als één daarvan verandert, ook de anderen het doen;

en indien veranderingen in het eene door natuurlijke teeltkeus worden

opgehoopt (en dus grooter gemaakt), ook andere deelen wijzigingen

zullen ondergaan. Ook is door verscheidene critici gezegd, dat ik,

bevonden hebbende dat vele bijzonderheden in het maaksel van den mensch

niet door natuurlijke teeltkeus konden worden verklaard, de seksueele

teeltkeus had uitgevonden; ik gaf echter een vrij duidelijke schets van

dit beginsel in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, en

verklaarde toen reeds, dat het op den mensch kon worden toegepast. Dit

onderwerp (de seksueele teeltkeus) wordt in het onderhavige werk

uitvoerig behandeld, eenvoudig omdat mij daarin voor het eerst

gelegenheid daartoe werd gegeven. Ik ben getroffen geweest door de

gelijkenis van velen der halfgunstige critieken omtrent de seksueele

teeltkeus met die, welke in het eerst omtrent de natuurlijke teeltkeus

verschenen; zooals, dat zij wellicht eenige weinige bijzonderheden kon

verklaren, maar zeker niet in zoo uitgebreiden zin toepasselijk was,

als ik meende. Mijn overtuiging omtrent het vermogen der seksueele

teeltkeus blijft ongeschokt, doch het is waarschijnlijk, of nagenoeg

zeker, dat onderscheidenen mijner besluiten later onjuist zullen worden

bevonden; dit kan moeilijk anders, wanneer men een onderwerp voor de

eerste maal behandelt. Als de natuuronderzoekers gemeenzaam zijn

geworden met het denkbeeld van seksueele teeltkeus, zal deze, naar ik

vermeen, veel meer algemeen worden aangenomen; en zij heeft reeds een

volkomen gunstig onthaal gevonden bij verscheidene bevoegde

beoordeelaars.

Down, Beckenham, Kent,

September 1874.

DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH;

EN OVER

TEELTKEUS MET BETREKKING TOT DE SEKSE.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 42 / 111 题