Nu reden zij door de groene weiden van Poitou, en abbé Pierre, die
naar buiten zat te staren, zag de boomen voorbijvliegen, die hij
langzamerhand ophield te onderscheiden. Een kerktoren verdween reeds
weer voor men hem goed en wel gezien had: alle pelgrims maakten het
teeken des kruises. Ze zouden pas om vijf minuten over halfeen in
Poitiers zijn; zonder ophouden reed de trein voort in de toenemende
afmatting van den onweerzwangeren dag. De jonge priester, die in een
diep gepeins verzonken was, hoorde het zingen nog slechts als het in
slaap wiegende, langzame deinen van de zee.
Het was een vergeten van het tegenwoordige oogenblik, een ontwaken
van het verleden, dat zijn geheele wezen in beslag nam. Hij ging in
zijn herinneringen terug zoo ver als hij gaan kon. Hij zag het huis
in Neuilly terug, waarin hij geboren was, waarin hij nu nog woonde,
het huisje van vrede en arbeid met zijn mooien tuin, waarin enkele
boomen stonden; slechts een levende haag en een omheining van struiken
scheidden hem van den tuin van het huis ernaast, dat precies als het
zijne was. Hij was drie, vier jaar misschien, en hij zag hoe op een
zomermiddag zijn vader, zijn moeder en zijn oudere broer in de schaduw
van een grooten kastanjeboom zaten te ontbijten. Zijn vader, Michel
Froment, had geen bijzonder opvallend gezicht, hij zag hem slechts
vaag en onbestemd voor zich, den beroemden scheikundige, die lid
van het Instituut was en zich opsloot in zijn laboratorium, dat hij
hier in deze afgelegen streek had laten bouwen. Maar zijn broer, den
veertienjarigen Guillaume, die juist dien ochtend met vacantie thuis
gekomen was, zag hij heel duidelijk voor zich en vooral zijn moeder,
zoo zacht, zoo kalm met haar oogen vol ontroerenden deemoed. Later
had hij de zorgen en den kommer van deze godvruchtige ziel leeren
kennen, van deze vroom-geloovige, die uit achting en dankbaarheid
erin toegestemd had te trouwen met een ongeloovige, die vijftien
jaar ouder was dan zij en aan haar familie groote diensten bewezen
had. Hij, een "nakomertje", was geboren, toen zijn vader reeds
bijna vijftig was, en had zijn moeder niet anders gekend dan als een
deemoedige vrouw, onderworpen aan haar man, dien zij hartstochtelijk
had leeren liefhebben met de vreeselijke marteling te weten, dat hij
verdoemd was. En plotseling rees een andere herinnering in hem op,
de verschrikkelijke herinnering aan den dag, dat zijn vader gestorven
was, gedood door het ongelukkig springen van een retort. Hij was toen
vijf jaar, maar hij herinnerde zich nog de kleinste bijzonderheden,
den kreet van zijn moeder, toen zij te midden van de puinhoopen het
verminkte lichaam vond, haar schrik, haar jammeren, haar gebeden
bij de gedachte, dat God den voor eeuwig verdoemden goddelooze met
zijn bliksem vernietigd had. Daar zij zijn papieren en boeken niet
durfde verbranden, had zij eenvoudig de studeerkamer, welke daarna
door niemand meer betreden werd, gesloten. Van dat oogenblik af had
het beeld der hel haar niet meer losgelaten, had zij nog slechts één
gedachte gehad: zich geheel meester te maken van haar jongsten zoon,
hem streng geloovig op te voeden, hem tot het zoenoffer voor zijn
vader te maken. Haar oudste zoon Guillaume, die het lyceum bezocht
en reeds geheel onder den invloed van de denkbeelden der eeuw stond,
was haar reeds ontgroeid, maar hij, Pierre, de jongste, zou het huis
niet verlaten, zou onderwijs krijgen van een geestelijke; en haar
stille droom, haar vurige hoop was hem zelf eens priester te zien,
er getuige van te zijn, dat hij zijn eerste mis las.
Een ander levendig beeld tusschen groene, met zonnestralen doorplekte
takken rees voor zijn geestesoog op. Pierre zag plotseling Marie de
Guersaint, zooals hij haar op een morgen door een gat in de haag, die
de twee aan elkaar grenzende bezittingen scheidde, gezien had. Mijnheer
de Guersaint, van kleinen Normandischen adel, was een architect,
die zich graag voor uitvinder uitgaf en toen juist bezig was met het
bouwen van arbeiderssteden met kerk en school: een groote, slecht
overwogen onderneming, waarin hij met zijn gewone onstuimigheid en
zijn onberadenheid van mislukt kunstenaar zijn vermogen van driehonderd
duizend francs op het spel zette. Dezelfde vrome godsvrucht had madame
de Guersaint en madame Froment samengebracht; maar de eerste was
een vastberaden, flinke vrouw, die met ijzeren vuist het huishouden
bestuurde en verhinderde, dat de catastrophe te groot werd; zij
voedde haar twee dochters, Blanche en Marie streng godsdienstig
op, de oudste was reeds ernstig als zij zelf, terwijl de jongste,
ofschoon ook heel vroom, toch ook van spel en vroolijkheid hield in
haar uitgelaten levensvreugde, die zich ook in haar heerlijk, helder
lachen openbaarde. Van jongs af aan speelden Pierre en Marie samen,
onophoudelijk kropen zij door de haag, steeds waren de families bij
elkaar. Op dien mooien, zonnigen ochtend, waarop hij haar weer zag,
zooals zij de takken van de haag uit elkaar boog, was zij reeds
tien jaar. Hij was toen zestien en zou den volgenden Dinsdag naar
het seminarie gaan. Nooit nog had hij haar zoo mooi gevonden. Haar
goudblonde lokken waren zoo lang, dat zij, wanneer ze loshingen,
haar geheel bedekten. Hij zag ook haar gezichtje van toen tot in de
kleinste bijzonderheden terug: haar ronde wangen, haar blauwe oogen,
haar roode lippen, maar vooral haar als sneeuw glanzende huid. Zij
was vroolijk en stralend als de zon, een verblindende verschijning;
en zij had tranen in haar oogen, want zij wist maar al te goed,
dat hij gauw weg zou gaan. Samen waren zij achter in den tuin in de
schaduw van de haag gaan zitten. Hun vingers waren ineengestrengeld;
zij voelden zich zoo bedroefd. Toch hadden zij elkaar bij hun spelen
nooit iets plechtig beloofd, zoo volmaakt onschuldig waren hun zielen
nog. Maar op den avond voor zijn vertrek konden zij hun liefde niet
verzwijgen, spraken zij erover zonder het te begrijpen, zwoeren
zij altijd aan elkaar te zullen denken en elkander eenmaal terug te
zullen vinden, zooals men elkaar in den hemel terugvindt, en volmaakt
gelukkig te zijn. Dan hadden zij elkaar in hun armen gedrukt, elkaar,
onder het schreien van heete tranen, op de wangen gekust. Het was een
heerlijke herinnering, die Pierre steeds en overal met zich gedragen
had, die hij na zoo vele jaren en na zoovele smartelijke verzakingen
nog steeds in zich voelde leven.
Een hevige schok wekte hem uit zijn overpeinzingen. Hij keek den wagon
rond en zag in onduidelijke omtrekken de lijdende schepsels: madame
Maze, onbeweeglijk, door haar smart vernietigd; de kleine Rose zacht
kreunend op den schoot van hare moeder, la Grivotte benauwd door een
heesche hoestbui. Even trad de vroolijke gestalte van zuster Hyacinthe
met haar witte schort en haar wit kapje op den voorgrond. Het was nog
steeds de moeilijke reis met den straal van goddelijke hoop daar in de
verte als doel. Dan verdween langzamerhand alles weer in een nevel,
die uit het verre verleden oprees; bleef nog slechts over het in
slaap wiegende zingen van onduidelijke droomstemmen, die òpklonken
uit het onzienlijke.
Van dat oogenblik af was Pierre op het seminarie. Duidelijk stonden de
klassen, de speelplaats met haar boomen, hem nog voor den geest. Maar
plotseling zag hij, als in een spiegel, niets meer dan de gestalte
van den jongen man, die hij toenmaals was; en hij nam haar op,
ontleedde haar als de gestalte van een vreemde. Groot en slank,
had hij een lang gezicht met een sterk ontwikkeld voorhoofd, hoog en
recht als een toren, terwijl zijn dunne kaken uitliepen in een zeer
spitsen kin. Hij scheen één en al hersenen te zijn; alleen zijn ietwat
groote mond had iets teers behouden. Wanneer zijn ernstig gezicht zich
wat ontspande, dan verrieden zijn mond en zijn oogen een eindelooze
teederheid, een ongestilden honger om lief te hebben, zich te geven
en te leven. Onmiddellijk echter kwam de intellectueele hartstocht
terug, die, welke hem verteerde met een begeerte om te begrijpen en te
weten. Slechts met verwondering kon hij aan dien seminarietijd terug
denken. Hoe had hij toch zoo lang die strenge leer van blind geloof
kunnen aanvaarden, hoe had hij steeds zonder onderzoek alles maar in
goed vertrouwen kunnen aannemen? Men had een volledige prijsgeving
van zijn gezond verstand geëischt, en hij had er zich toe gedwongen,
was erin geslaagd het martelende verlangen naar waarheid in zich
te verstikken. Ongetwijfeld was hij verteederd door de tranen van
zijn moeder, voelde hij slechts in zich de begeerte om haar het
gedroomde geluk te geven. Thans echter kwam hem voor den geest, hoe
in dien tijd toch wel oproerige gedachten in hem opgerezen waren;
vond hij in zijn geheugen nachten terug, waarin hij meer geweend
dan geslapen had, zonder dat hij wist waarom, nachten, bevolkt met
onbestemde beelden, waarin het vrije en manlijke leven van buiten
doordrong, waarin onophoudelijk het beeld van Marie hem verscheen,
zooals hij haar een ochtend gezien had, stralend en badend in tranen,
hem kussend in volle overgave. Dat alleen was thans overgebleven,
de jaren van zijn religieuze studiën met hun eentonige lessen, met
hun onveranderlijk blijvende geestelijke oefeningen en ceremoniën
verdwenen alle in een nevel, in een onbestemd half-donker, dat vervuld
was met een doodsche stilte.
Dan gingen hem, toen ze in volle vaart een station voorbijgereden
waren, in het oorverdoovend lawaai van den rit, een menigte dingen
in bonte volgorde aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag een groote,
eenzame, afgesloten ruimte; hij meende er zich terug te zien
op twintigjarigen leeftijd. Zijn droom was echter niet duidelijk
meer. Een vrij ernstige ziekte, die hem in zijn studies een heel eind
achteruitzette, had hem genoodzaakt naar buiten te gaan. In langen
tijd had hij Marie niet gezien, tweemaal was hij met vacantie in
Neuilly geweest zonder haar te ontmoeten, want zij was bijna altijd
op reis. Hij wist, dat haar gezondheid slecht was tengevolge van een
val van haar paard op dertienjarigen leeftijd juist op het oogenblik,
dat zij vrouw worden zou; in haar wanhoop ging haar moeder, gehoor
gevend aan de tegenstrijdige raadgevingen der geneesheeren, ieder
jaar met haar naar een andere badplaats. Toen had hij den zwaren slag
vernomen, die haar getroffen had, den plotselingen dood van die zoo
strenge, maar voor de haren zoo onmisbare moeder: een longontsteking,
die zij op een avondwandeling in la Bourboule gekregen had, toen
zij haar mantel uitgetrokken had, om hem Marie, die daar voor een
kuur was, om te doen, had haar in vijf dagen weggerukt. Haar vader
had zijn van verdriet half waanzinnige dochter en het lijk moeten
komen halen. Het ergste was, dat na het overlijden van de moeder,
de zaken steeds slechter gingen in de handen van den architect, die,
zonder te rekenen, zijn vermogen in den afgrond van zijn ondernemingen
wierp. Marie kon niet meer van haar rustbed opstaan, zoodat slechts
Blanche overbleef om het huis te bestieren, doch deze werd zelf geheel
in beslag genomen door haar laatste examens, die zij wilde doen, om
diploma's te halen, daar zij heel goed inzag, dat er een tijd komen
zou, waarin zij zelf haar brood moest verdienen.
Plotseling kwam Pierre een duidelijk beeld voor den geest, dat zich uit
die massa verwarde, half vergeten feiten losmaakte. Het was gedurende
een vacantie, die hij voor zijn gezondheid had moeten nemen. Hij
was toen vier-en-twintig jaar, maar in zijn studie wat achter,
daar hij pas de vier laagste geestelijke ordeningen ontvangen had;
na zijn terugkeer zou hij onmiddellijk het sub-diaconaat krijgen,
wat hem voor altijd door een onverbreekbaren eed binden zou. Heel
duidelijk voor oogen stond hem het tooneel in den kleinen tuin van de
Guersaints te Neuilly, waarin hij vroeger zoo dikwijls gespeeld had. De
ruststoel van Marie was onder de hooge boomen dicht bij de haag gerold;
zij waren alleen te midden van den droefgeestig stemmenden vrede van
den herfstmiddag, hij zag Marie in zwaren rouw half uitgestrekt met
haar verlamde beenen liggen, terwijl hij, ook in het zwart, reeds
in soutane, op een leunstoel naast haar zat. Al vijf jaar lang was
zij nu reeds lijdende. Nu, op haar achttiende jaar, zag zij er bleek
en mager uit, zonder dat zij echter opgehouden had aanbiddelijk te
zijn met haar koninklijke lokkenpracht, die de ziekte spaarde. Hij
meende reeds te weten, dat zij altijd verlamd blijven zou, dat zij
veroordeeld was nooit vrouw te worden, daar haar geslachtsleven
door dien val gestoord was. De geneesheeren, die het onderling niet
eens waren, hadden haar opgegeven. In ieder geval vertelde zij hem
alles op dien droeven namiddag, toen de verdorde bladeren op hen
neervielen. Maar haar woorden herinnerde hij zich niet, wel echter
haar droevig glimlachje, haar jong, nog zoo bekoorlijk gezichtje, dat
echter reeds de bittere trekken had van hen, die het leven opgegeven
hebben. Toen had hij begrepen, dat zij dacht aan den reeds zoo ver
achter hen liggenden dag, dat zij op deze zelfde plaats achter de met
zonnestralen doorplekte haag afscheid genomen hadden, aan hun tranen,
aan hun kussen, aan hun belofte om elkaar eens in de zekerheid van hun
geluk terug te zullen vinden. Zij vonden elkaar terug, maar waartoe
diende dat nu? Zij toch was reeds als dood en hij zou straks afsterven
van het leven van deze wereld. Nu de geneesheeren verklaard hadden,
dat zij nooit vrouw zou zijn, nooit echtgenoote, nooit moeder, nu
kon hij er ook wel afstand van doen man te zijn, geheel opgaan in
God, aan wien zijn moeder hem gewijd had. En hij voelde nog de zoete
bitterheid van deze laatste ontmoeting, Marie pijnlijk glimlachend
over hun vroegere hinderpalen, hem sprekend over het geluk, dat hij
zeker vinden zou in den dienst van God, zoo ontroerd bij die gedachte,
dat zij hem had doen beloven haar uit te noodigen, om er getuige van
te zijn, als hij zijn eerste mis las.
Bij het station Sainte-Maure rukte een lawaai in den wagon Pierre
weer even uit zijn overpeinzingen. Hij dacht aan een ongeluk, aan
een nieuwe bezwijming. Maar de smartelijke gezichten, die hij zag,
waren nog dezelfde, toonden dezelfde pijnlijke uitdrukking, hetzelfde
angstige wachten op de goddelijke hulp, die zoo langzaam kwam. Mijnheer
Sabathier trachtte vergeefs zijn beenen in een makkelijke houding te
brengen, broeder Isidore kreunde aan één stuk door zachtjes als een
stervend kind, terwijl madame Vêtu, ten prooi aan een hevigen aanval,
ineenkromp van pijn en, haar lippen op elkaar geklemd en haar gezicht
vertrokken, zelfs geen adem meer haalde. Het lawaai was veroorzaakt
door madame de Jonquière, die bij het schoonmaken van een kom, de
waterkan had laten vallen. En ondanks haar martelende pijnen had dit
de zieken aan het lachen gemaakt evenals eenvoudige zielen, die door
het lijden kindsch worden. Onmiddellijk liet zuster Hyacinthe, die ze
met het grootste recht haar kinderen noemde, kinderen, die zij met
één enkel woord gehoorzamen deed, hen weer den Rozenkrans afbidden,
in afwachting van het Angelus, dat volgens het vastgestelde programma
te Châtellerault gebeden zou worden. De Ave's volgden elkaar op, het
was nog slechts een dof gemurmel, dat verloren ging in het knarsen
der koppelstangen en het lawaai der wielen.
Pierre was zes-en-twintig en priester. Enkele dagen vóór zijn
wijding waren nog laat bedenkingen bij hem opgekomen, het heimelijke
bewustzijn, dat hij zich verbond zonder nauwkeurig zelf-onderzoek. Maar
hij had het met opzet nagelaten, hij leefde in de verdooving van zijn
beslissing, daar hij meende met één bijlslag al wat in hem aan den
mensch herinnerde, gedood te hebben. Zijn vleesch was afgestorven
met zijn onschuldigen jeugdroman, dat blanke jonge meisje met haar
goudblonde haren, dat hij nog slechts voor zich zag op haar ziekbed,
het vleesch afgestorven als het zijne. Vervolgens had hij zijn gezond
verstand ten offer gebracht, wat hij toen voor heel makkelijk hield,
daar hij hoopte, dat het voldoende zou zijn te willen, om niet meer
te denken. Ook was het te laat, hij kon op het laatste oogenblik niet
terug; en ook al voelde hij zich in het uur, dat hij den laatsten
plechtigen eed uitsprak, bevangen door een geheime vrees, door een
onbestemde, smartelijke spijt, toch had hij alles vergeten, was hij
goddelijk beloond voor zijn offer, toen hij zijn moeder de zoo lang
verwachte groote vreugde gaf haar zijn eerste mis te hooren lezen. Hij
zag haar nog, zijn arme moeder in de kleine kerk te Neuilly, die
zij zelf gekozen had, de kerk, waarin de uitvaartdiensten voor zijn
vader gehouden waren, hij zag haar nog, zooals zij op dien kouden
Novemberochtend bijna alleen in de sombere kapel met haar gelaat
in haar handen geknield lag en lang weende, terwijl hij de hostie
ophief. Daar had zij haar laatste geluk gekend, want zij leefde eenzaam
en alleen: haar oudsten zoon, die, andere denkbeelden toegedaan,
alle betrekkingen met zijn familie had afgebroken, sedert zijn broer
besloten had priester te worden, zag zij niet meer. Men vertelde,
dat Guillaume, evenals zijn vader een talentvol scheikundige, maar
beneden zijn stand geraakt en opgaande in revolutionnaire droombeelden,
een klein huisje in de buitenwijken van Parijs bewoonde, waar hij zich
geheel wijdde aan gevaarlijke studiën van springmiddelen; terwijl men
er ook nog bij wist te vertellen, wat iederen band tusschen hem en
zijn zoo vrome moeder verbroken had, dat hij in vrije liefde leefde
met een vrouw, die hij ergens "opgeduikeld" had. In geen drie jaar had
Pierre, die in zijn jonge jaren van Guillaume als van een vaderlijken,
goeden en vroolijken vriend gehouden had, hem meer gezien.
Dan voelde hij zijn hart pijnlijk samenkrimpen: hij zag zijne moeder
dood terug. Ook hier een plotseling sterven, een ziekte van nauwlijks
drie dagen, een plotselinge dood, zooals bij madame de Guersaint. Op
een avond, toen hij als een krankzinnige rondgeloopen had, om een
dokter te vinden, had hij haar bij zijn terugkomst dood, onbeweeglijk,
bleek gevonden; op zijn lippen voelde hij nog steeds de ijskoude
aanraking van haar lippen. Van de rest herinnerde hij zich niets
meer, niets van het waken bij de doode, niets van de voorbereidselen,
niets van de begrafenis. Dat alles was verdwenen in het duister van
zijn wezenloosheid, een zoo woest verdriet, dat hij er bijna aan
gestorven was. Na den terugkeer van het kerkhof rilde hij van de
koorts, een slijmkoorts, die hem drie weken lang tusschen leven en
dood had doen zweven.
Zijn broeder was hem komen verplegen; daarna had Guillaume zich
bezig gehouden met de regeling van de erfenis, hem het huis en een
kleine rente overlatend, terwijl hij zelf zijn deel in contanten nam;
vervolgens was hij, toen hij zag, dat zijn broer buiten gevaar was,
weer weggegaan en naar zijn verborgen hoek teruggekeerd. Maar welk een
langzaam herstel in dat eenzame verlaten huis! Pierre had niets gedaan,
om Guillaume terug te houden, want hij begreep, dat er een afgrond
tusschen hen gaapte. In den beginne had hij onder die eenzaamheid
geleden. Doch later was zij hem lief geworden in de groote stilte der
kamer, die niet door geluiden van buiten gestoord werd, en onder de
vredige schaduw van den kleinen tuin, waarin hij geheele dagen zitten
kon, zonder een levende ziel te zien. Zijn geliefkoosd toevluchtsoord
was het oude laboratorium, de werkkamer van zijn vader, dat zijn
moeder twintig jaar lang zorgvuldig gesloten gehouden had, als om er
het verleden van ongeloof en verdoemenis in op te sluiten. Misschien
zou zij, ondanks haar zachtmoedigheid en haar eerbiedige vereering
voor den doode, er ten slotte toch toe zijn overgegaan, om de boeken
en de papieren te vernietigen, indien de dood haar niet was komen
overvallen. Pierre had de kamer goed laten luchten, het bureau en de
boekenkast laten afstoffen, had den grooten lederen fauteuil tot den
zijne gemaakt en bracht er heerlijke uren in door; door zijn ziekte
als wedergeboren en zich opnieuw in zijn jeugd teruggebracht voelend,
genoot hij van het lezen der boeken, die hem in handen kwamen, als
van een zeldzaam intellectueel genot.
Gedurende die twaalf maanden van langzaam herstel, had hij, voor
zoover hij zich herinneren kon, niemand ontvangen dan dr. Chassaigne,
een oud vriend van zijn vader, een werkelijk knap geneesheer, die
zich bescheiden hield bij zijn taak om te praktiseeren, wiens eenige
eerzucht was zijn patiënten te genezen. Madame Froment had hij niet
van den dood kunnen redden; maar hij beroemde er zich op den jongen
priester genezen te hebben van een ernstige ziekte; van tijd tot tijd
kwam hij, om hem wat afleiding te bezorgen, nog eens met hem praten en
sprak dan voornamelijk over Pierre's vader, den grooten scheikundige;
hij was onuitputtelijk in allerlei anecdoten over den doode, in
allerlei bijzonderheden, waarin nog altijd zijn warme vriendschap
doorstraalde. Op die wijze had gedurende zijn langzaam herstel de zoon
zich van zijn vader langzamerhand een beeld van beminlijken eenvoud,
van goedheid en gulle hartelijkheid gevormd. Dat was zijn vader, zooals
hij werkelijk was, en niet de man van strenge wetenschap, zooals hij
hem zich vroeger, naar wat zijn moeder altijd vertelde, voorgesteld
had. Zeker, zij had hem nooit iets anders geleerd dan een eerbiedig
opzien tegen den dierbaren doode; maar was hij niet de ongeloovige,
de godloochenaar, die de engelen deed weenen, de medewerker aan de
goddeloosheid, die zich tegen het werk van God richtte. Op die wijze
was hij een schrikbeeld der duisternis gebleven, de verdoemde, die als
een spook door het huis zwierf, terwijl hij er nu het vriendelijke,
glimlachende licht van werd, een door vurigen waarheidsdrang bezield
werker, die nooit iets anders nagejaagd had dan de liefde en het
geluk van allen. Dr. Chassaigne, een zoon der Pyrenaeën, geboren
in een dorp, waarin men nog aan tooverheksen geloofde, voelde zich
eerder aangetrokken tot den godsdienst, ook al had hij in de veertig
jaren, dat hij te Parijs woonde, geen voet in de kerk gezet. Maar
van één ding was hij volkomen zeker: als er ergens een hemel was,
dan zou Michel Froment daar zijn, en wel gezeten op een troon aan de
rechterhand van God.
En nog eenmaal herleefde Pierre in enkele minuten de vreeselijke
crisis, die gedurende twee maanden hem gemarteld had. Niet zoozeer,
dat hij in de bibliotheek boeken van anti-religieuze strekking gevonden
had of dat zijn vader, wiens papieren hij ordende, zich ooit buiten
het gebied van zijn technische onderzoeking bewogen had, neen, er was
langzamerhand, ondanks zijn wil, in hem een wetenschappelijke klaarheid
gekomen, er had zich in hem een geheel van bewezen verschijnselen
gevormd, die de dogma's vernietigden en in hem niets overlieten van al
die dingen, waaraan hij moest gelooven. Het was, alsof zijn ziekte hem
een wedergeboorte had doen ondergaan, alsof hij opnieuw begon te leven
en te leeren in den weldadig-aandoenden terugkeer van zijn krachten,
die aan zijn verstand een zoo doordringende helderheid gaf. Op het
seminarie had hij, op raad van zijn leeraren, zijn wetensdrang,
zijn zucht tot onderzoek steeds beteugeld. Wat men hem leerde,
verbaasde hem wel, maar hij had toen het offer van zijn verstand,
dat men van zijn vroomheid eischte, gebracht. En nu stortte deze met
zooveel zorg en inspanning opgebouwde stelling van het dogma ineen door
een opstand van het souvereine verstand, dat zijn rechten opeischte,
dat hij niet meer tot zwijgen dwingen kon. De waarheid borrelde op,
brak zich met zoo'n onweerstaanbare kracht baan, dat hij begrepen had
nooit meer de dwaling te kunnen laten zegevieren. Het was de volkome,
de onherstelbare debacle van het geloof. Al had hij het vleesch in
zich kunnen dooden door afstand te doen van zijn jeugdroman, al voelde
hij zich zoozeer heer en meester over zijn zinnelijke lusten, dat hij
eigenlijk opgehouden had man te zijn, hij wist nu, dat het offer van
zijn verstand onmogelijk meer te brengen zou zijn. En hij vergiste
zich niet, het was zijn vader, die diep in zijn binnenste herleefde,
die in de overgeleverde twee-eenheid, waarin zijn moeder zoo lang
als heerscheresse getroond had, de overwinning behaalde. Zijn recht,
torenvormig voorhoofd scheen nog hooger geworden te zijn, terwijl
zijn spitse kin en zijn week-teedere mond nog meer naar achteren
sprongen. En toch leed hij er onder, was hij radeloos van smart niet
meer te kunnen gelooven, van verlangen om het nog te willen, wanneer
zijn goed hart, zijn behoefte aan liefde in de schemeruren weer in
hem ontwaakten; dan moest eerst de lamp komen, moest hij eerst weer
duidelijk om en in zich kunnen zien, om de energie en kalmte van zijn
verstand, de kracht voor het martelaarschap, den wil om alles voor
den vrede van zijn geweten op te offeren, terug te vinden.
Toen was de crisis uitgebroken. Hij was priester en geloofde niet
meer. Als een bodemlooze afgrond gaapte dit plotseling voor zijn
voeten. Wat was het einde van zijn leven, de ineenstorting van
alles. Wat moest hij doen? Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet
de soutane van zich te werpen en in de wereld terug te keeren? Maar hij
had reeds zulke afvallige priesters gezien en ze veracht. Een getrouwde
priester, dien hij kende, vervulde hem met walging. Ongetwijfeld was
dat nog slechts een overblijfsel van zijn lange religieuze opvoeding:
hij hield nog vast aan de gedachte van de onschendbaarheid van
het priesterschap, de gedachte, dat hij, die zich eenmaal aan God
gegeven had, zich niet meer vrij maken kon. Misschien ook voelde hij
zich reeds te zeer gebrandmerkt, te zeer verschillend van de anderen,
zoodat hij bang zijn moest onbeholpen en onwelkom te zullen wezen. En
na lange dagen vol kwelling en strijd, waarin zijn verlangen naar
geluk en de levenskracht van zijn teruggekeerde gezondheid worstelden,
nam hij het heldhaftige besluit priester, en een eerlijk priester te
blijven. Hij zou de kracht tot deze verzaking hebben. Nu hij, al was
het hem dan niet gelukt zijn verstand het zwijgen op te leggen, het
vleesch in zich gedood had, deed hij zichzelf de plechtige gelofte
zijn eed van kuischheid te houden; dat was het onwankelbare, dat
was het reine en rechtschapen leven, dat hij volkomen zeker was te
zullen leiden. Wat kwam het overige erop aan, indien hij alleen maar
behoefde te lijden, indien niemand ter wereld den uitgedoofden vulkaan
in zijn hart, de nietswaardigheid van zijn geloof, den afgrijselijken
leugen, waarin hij zich ten doode kwelde, vermoedde. Zijn krachtige
steun zou zijn rechtschapenheid zijn, hij zou zijn priesterambt
blijven vervullen als een eerlijk man, zonder een der geloften,
die hij uitgesproken had, te verbreken, door volgens de kerkelijke
voorschriften zijn plichten te blijven vervullen als dienaar van God,
dien hij zou prediken, dien hij zou dienen aan het altaar, dien hij
als brood des levens onder de geloovigen uitdeelen zou. Wie zou het
hem dan als een misdaad aanrekenen, dat hij zijn geloof verloren had,
gesteld dat dit groote ongeluk eens bekend worden zou? En wat kon men
nog meer van hem vragen? Had hij niet zijn geheele leven geofferd aan
zijn eed; had hij zijn priesterambt niet hoog gehouden; had hij niet
alle goede werken der Christelijke liefde gedaan zonder eenige hoop
op een toekomstige belooning? Zoo had hij langzamerhand de kalmte
in zich doen wederkeeren, het hoofd nog omhoog, in die troostelooze
verhevenheid van den priester, die zelf niet meer gelooft en blijft
waken over het geloof van anderen. Hij stond ongetwijfeld niet alleen,
hij voelde, dat hij broeders had, priesters, die, hoewel door twijfel
en ongeloof gemarteld, toch op het altaar bleven als soldaten zonder
vaderland, toch den moed hadden de goddelijke illusie te doen lichten
over de neergeknielde scharen.
Na zijn volkomen herstel had Pierre zijn dienst in de kleine kerk te
Neuilly weer hervat. Iederen ochtend las hij er de mis. Maar hij was
vastbesloten iedere plaats, iedere bevordering te weigeren. Maanden,
jaren verliepen: halsstarrig bleef hij bij zijn besluit een gewoon
priester te zijn, de meest onbekende, de nederigste der priesters,
die men in een parochie duldt, die komen en weer gaan, wanneer zij
zich van hun plicht gekweten hebben. Iedere waardigheid, die hij erbij
aanvaarden zou, zou hem een verergering van zijn leugen geschenen
zijn, een roof tegenover hen, die het meer verdienden. En hij moest
voor talrijke aanbiedingen bedanken, want zijn verdiensten konden niet
onopgemerkt blijven: men verwonderde zich in het aartsbisschoppelijk
paleis over die hardnekkige bescheidenheid, had van de kracht, die men
in hem vermoedde, gebruik willen maken. Slechts hoogst zelden voelde
hij een spijt in zich opkomen, dat hij niet nuttig kon zijn, dat hij
zich niet met hart en ziel geven kon aan een grootsch en verheven werk,
aan het weder brengen van vrede op aarde, aan het heil en het geluk der
menschheid. Gelukkig had hij zijn dagen vrij en kon hij troost zoeken
in een ware werkwoede; hij verslond alle boeken uit de bibliotheek
van zijn vader, vatte zijn vroegere studiën en onderzoekingen weer op,
hield zich vooral bezig met de geschiedenis der menschheid, verteerd
als hij werd door de begeerte om het maatschappelijke en religieuze
kwaad in zijn oorsprong na te gaan, om zich te vergewissen of er dan
werkelijk niets aan te verhelpen was.
Op een ochtend, dat hij in een der groote schuifladen onder in de
boekenkast zocht, had Pierre een dossier ontdekt over de verschijning
te Lourdes. Er bevonden zich zeer volledige en belangrijke documenten
in, afschriften van de verhooren van Bernadette, administratieve
processen-verbaal, politierapporten, geneeskundige verklaringen en
onderzoekingen, ongerekend nog particuliere en vertrouwelijke brieven,
die van het grootste belang waren. Verbaasd over deze vondst, had hij
er met dr. Chassaigne over gesproken, die zich herinnerde, dat zijn
vriend Michel Froment indertijd het geval van Bernadette bestudeerd
had; hij zelf, die in een dorpje dicht bij Lourdes geboren was,
had zijn tusschenkomst verleend om den scheikundige een gedeelte
van het dossier te bezorgen. Op zijn beurt had Pierre zich toen
een maand lang met niets anders dan met dat geval beziggehouden,
aangetrokken als hij zich gevoelde door de rechtschapen en reine
figuur der helderziende, maar tevens in opstand komend tegen wat eruit
voortgekomen was, tegen het fetichisme, het jammerlijk bijgeloof, de
triompheerende simonie. In zijn worsteling met het ongeloof was deze
geschiedenis uitermate geschikt om de ineenstorting van zijn geloof
te verhaasten. Maar tevens had zij zijn weetgierigheid geprikkeld;
hij zou een onderzoek hebben willen instellen, de onbetwistbare
wetenschappelijke waarheid aan het licht brengen, aan het reine,
zuivere Christendom den dienst bewijzen haar te bevrijden van die
slak, van dit zoo roerend en kinderlijk tooversprookje. Dan had hij
zijn studie moeten opgeven, daar hij te veel opzag tegen een reis
naar de Grot en de groote moeilijkheden, waarmede hij te kampen zou
hebben om de inlichtingen, die hem nog ontbraken, te verkrijgen; in
hem bleef nog slechts voortleven een teeder gevoel voor Bernadette,
aan wie hij niet denken kon zonder een wonder-mooi gevoel van bekoring
en een eindeloos medelijden.
De dagen verstreken en Pierre's leven werd hoe langer hoe eenzamer. In
een aanval van doodelijke ongerustheid was dr. Chassaigne plotseling
naar de Pyrenaeën vertrokken: hij had zijn praktijk in den steek
gelaten en zijn zieke vrouw, die hij en zijn dochter, een knap
jong meisje, dagelijks meer achteruit zagen gaan, naar Cauterets
gebracht. Van af dat oogenblik was het in het kleine huisje te
Neuilly akelig-stil geworden. Pierre's eenige afleiding bestond
in de bezoeken, welke hij nu en dan bij de Guersaints aflegde, die
intusschen verhuisd waren, maar die hij in een kleine woning achter
in een der armzaligste straten van de wijk teruggevonden had. En de
herinnering aan zijn eerste bezoek daar stond hem nog zoo levendig
voor den geest, dat hij nog een steek in zijn hart voelde, wanneer
hij zich zijn ontroering bij het zien van die arme Marie herinnerde.
Hij ontwaakte uit zijn gepeins, keek om zich heen en zag Marie op
de bank liggen, zooals hij haar toen teruggevonden had in die op een
dakgoot gelijkende kist, waaraan wielen aangebracht konden worden, om
haar voort te bewegen. Zij, vroeger zoo overvloeiend van levenslust,
altijd bereid om rond te springen en te lachen, leed diep onder dat
gedwongen niets doen, dat gedwongen stil liggen. Van vroeger had zij
nog slechts haar lokken, die haar als een gouden mantel omhulden,
zij was zoo mager, dat zij kleiner geworden scheen te zijn, weer
het figuurtje van een kind gekregen scheen te hebben. Wat echter in
dat bleeke gezicht het pijnlijkst was om aan te zien, dat waren die
levenlooze starende blikken, die niets zagen, die een uitdrukking van
wezenloosheid, van geheel opgaan in haar ziekte hadden. Toch merkte
zij, dat hij haar aankeek, en zij wilde tegen hem glimlachen. Maar
slechts een zucht ontsnapte haar lippen, en hoe pijnlijk was het
glimlachje van dit arme, verlamde wezentje, dat overtuigd was te zullen
sterven vóór het wonder! Hij werd er diep door ontroerd, hij hoorde
nog slechts haar, zag nog slechts haar te midden van al het lijden,
dat de wagon herbergde, ja alsof zij al dat lijden samengevat had
in den langen doodsstrijd van haar schoonheid, haar opgewektheid en
haar jeugd.
En langzamerhand keerde Pierre, zonder dat zijn oogen Marie loslieten,
terug naar het verleden, doorleefde hij nog eens de uren vol bittere
en droeve bekoring, die hij bij haar doorgemaakt had, wanneer hij haar
in het kleine, armelijke woninkje gezelschap houden ging. Mijnheer de
Guersaint had zich geheel en al geruïneerd door verbetering te willen
brengen in de kerkelijke platen, wier middelmatigheid hem een doorn in
het oog was. Zijn laatste sous waren verdwenen in het faillissement
van een kleurendrukkerij; in zijn verstrooidheid en in zijn gebrek
aan doorzicht had hij niets gemerkt van de verschrikkelijke armoede,
die hij steeds grooter maakte; in de voortdurende illusie van zijn
kinderlijke ziel verliet hij zich geheel op God en was al weer bezig
met het probleem van een bestuurbaren luchtballon, zonder zelfs te
zien, dat zijn oudste dochter Blanche zich bovenmenschelijk moest
inspannen om tenminste in het levensonderhoud te voorzien van het
kleine gezin, van haar twee kinderen, zooals zij haar vader en haar
zuster noemde. Blanche was het ook, die het geld, dat de verpleging van
Marie eischte, vond door van den vroegen ochtend tot den laten avond
in modder en stof geheel Parijs af te draven, om taal- en pianolessen
te geven. Marie was dikwijls de wanhoop nabij, barstte dan in tranen
uit en verweet zichzelf, dat zij de hoofdoorzaak van den ondergang was,
omdat men voor haar nu reeds zoovele jaren lang hooge doktersrekeningen
betalen moest, haar alle denkbare badplaatsen, la Bourboule, Aix,
Lamalou, Amélie-les-Bains had moeten laten bezoeken. Thans, na tien
jaar van tegenstrijdige diagnosen en behandelingen, hadden de doktoren
haar opgegeven; sommigen dachten, dat de groote ligamenten gebroken
waren, anderen geloofden aan de aanwezigheid van een tumor, nog anderen
weer aan een verlamming, die uit het ruggemerg voortkwam. En daar zij
in haar maagdelijk schaamtegevoel ieder nader onderzoek weigerde en
de doktoren zelf geen dieper op de kwestie ingaande vragen durfden
doen, hield ieder zich aan zijn eigen diagnose en verklaarde, dat zij
niet beter worden kon. Trouwens, streng vroom als zij na haar ziekte
geworden was, rekende zij nog slechts op Gods hulp. Haar grootste
verdriet was, dat zij niet meer naar de kerk kon gaan, en zij las
iederen ochtend de mis. Haar verlamde beenen schenen afgestorven te
zijn en bij tusschenpoozen was zij zoo zwak, dat haar zuster haar
helpen moest met eten.
Op dat oogenblik kwam weer een andere herinnering bij Pierre boven. Het
was op een avond, nog voor de lamp op was. Hij zat naast haar in
het donker en plotseling had Marie hem gezegd, dat zij naar Lourdes
wilde gaan, dat zij zeker was genezen terug te zullen komen. Hij had
zich bij die woorden alles behalve op zijn gemak gevoeld, en, zijn
gewone voorzichtigheid uit het oog verliezend, uitgeroepen, dat het
een dwaasheid was om aan dergelijke bakerpraatjes te gelooven. Nooit
had hij met haar over godsdienst gesproken, steeds had hij geweigerd
haar de biecht af te nemen, ja zelfs haar raad te geven bij de
kleine gewetensbezwaren, die zij als strenggeloovige had. Een zeker
schaamtegevoel en een zeker medelijden hadden hem daarvan afgehouden;
want zou het hem eenerzijds zwaar gevallen zijn haar voor te liegen,
anderzijds zou hij zich als een misdadiger beschouwd hebben, indien
hij ook maar met één ademtocht dat mooie reine geloof, dat haar sterk
maakte tegen het lijden, bezoedeld had. Hij nam het zich dan ook ten
zeerste kwalijk, dat hij dien kreet niet had kunnen inhouden, en zijn
verwarring werd nog grooter, toen hij gevoeld had, hoe de kleine,
klamme hand der zieke de zijne vastgreep; en in de duisternis haar
schroom overwinnend, had zij hem met stokkende stem durven zeggen,
dat zij zijn geheim wist, dat zij zijn ongeluk kende, die voor een
priester zoo afschuwelijke ellende, om niet meer te kunnen gelooven. In
hun gesprekken had hij, ondanks zichzelf, alles gezegd, was zij met
de fijne intuïtie van een zieke vriendin doorgedrongen tot in het
diepst van zijn geweten. Zij maakte zich vreeselijk bezorgd over hem,
beklaagde hem om zijn ongeneeslijke ziekte nog meer dan zichzelf. En
toen hij, diep ontroerd, geen antwoord wist te vinden en door zijn
zwijgen de waarheid bekende, was zij weer over Lourdes begonnen te
praten, voegde zij er op zachten toon aan toe, dat zij ook hem wilde
toevertrouwen aan de Heilige Maagd en haar smeeken, hem zijn geloof
terug te geven. En van dien avond af had zij niet opgehouden telkens
en telkens weer te herhalen, dat zij, als zij naar Lourdes ging,
beter worden zou. Maar de geldquaestie, waarover zij met haar zuster
zelfs niet had durven praten, was de groote hinderpaal. Twee maanden
verliepen; zij werd met den dag zwakker, zij putte haar krachten uit
in droomen, haar blikken steeds in de verte gericht op de stralende
schittering van de Wondergrot.
Pierre maakte toen zware dagen door. In den beginne had hij Marie
beslist geweigerd met haar mede te gaan. Doch later was dat vaste
besluit aan het wankelen gebracht door het denkbeeld, dat hij, wanneer
hij tot de reis besloot, die tevens dienstbaar maken kon aan zijn
onderzoek over Bernadette, wier bekoorlijke figuur geen oogenblik
uit zijn gedachten was. En eindelijk voelde hij een zacht gevoel,
een hoop, die hij zichzelf niet bekennen wilde, hem doortrillen bij
de gedachte, dat Marie misschien gelijk had, dat de Heilige Maagd
zich ook over hem zou kunnen erbarmen door hem het blinde geloof,
dat geloof van het kleine kind, dat lief heeft en niet redeneert,
terug te geven. O, met hart en ziel te kunnen gelooven, geheel en
al in het geloof te kunnen opgaan. Een ander geluk was ongetwijfeld
niet meer mogelijk. Hij snakte naar het geloof met al de vreugde van
zijn jeugd, wet al de liefde, die hij voor zijn moeder gehad had,
met geheel het brandende verlangen om te ontsnappen aan de marteling
om te willen weten en begrijpen, om voor altijd in te slapen in de
schoot der goddelijke onwetendheid. Het was heerlijk en laf tegelijk,
dat hoopvol verlangen om niets meer te zijn, niets meer te zijn dan een
ding in Gods handen. En zoo kwam ook in hem de begeerte het uiterste
middel te beproeven.
Een week later was tot de reis naar Lourdes besloten. Doch Pierre had
een laatste consult van geneesheeren geëischt, om te weten of Marie
werkelijk nog vervoerd kon worden; en dat was ook weer een tooneel,
dat hem steeds levendig voor den geest stond, en waarvan hij sommige
bijzonderheden duidelijk voor zich zag, terwijl andere daarentegen
reeds uit zijn geheugen waren verdreven. Twee doktoren, die vroeger
de zieke behandeld hadden en waarvan de een aan een breuk der groote
ligamenten geloofde en de ander de ziekte weet aan een verlamming
tengevolge van een beleediging van het ruggemerg, waren het ten slotte
eens geworden over die verlamming in verband met verwondingen aan de
groote ligamenten: alle symptomen wezen er op, het geval scheen hun
zoo duidelijk, dat zij niet geaarzeld hadden een bijna gelijkluidend
certificaat af te geven. Verder geloofden zij, dat de reis mogelijk,
maar zeer pijnlijk zou zijn. Dat deed Pierre besluiten, want hij vond,
dat de heeren zeer voorzichtig waren en zooveel mogelijk getracht
hadden de waarheid te vinden. Hij had nog slechts een vage herinnering
aan den derden geneesheer, Beauclair, een achterneef van hem, een nog
jongen man met een helder inzicht, die nog weinig bekend was, en naar
men beweerde, een zonderling. Nadat hij Marie langen tijd aangekeken
en opgenomen had, had hij sterk geïnformeerd naar haar voorouders en
met zeer veel belangstelling geluisterd naar wat men hem vertelde
over mijnheer de Guersaint, den architect, die zich verbeeldde een
uitvinder te zijn, met zijn zwak karakter en overdreven phantasie;
daarna had hij het gezichtsveld van Marie willen weten en zich, door
haar op bescheiden wijze te bekloppen, vergewist, dat de pijn zich
ten slotte gelocaliseerd had in den linker eierstok, en dat de pijn,
wanneer men op die plek drukte, als een dikke massa, die haar dreigde
te doen stikken, naar haar keel scheen op te stijgen. De verlamming der
beenen achtte hij blijkbaar van weinig of geen beteekenis. En op een
hem op den man af gedane vraag had hij uitgeroepen, dat men haar naar
Lourdes moest brengen, dat zij er ongetwijfeld zou genezen, als zij de
vaste overtuiging bezat daar beter te zullen worden. Hij sprak ernstig
over Lourdes; het geloof was voldoende, twee van zijn patiënten,
zeer vrome dames, die hij er het vorige jaar heen gezonden had, waren
stralend van gezondheid teruggekomen. Zelfs voorspelde hij, hoe het
wonder geschieden zou: als bij tooverslag, bij een ontwaken, in een
exaltatie van het geheele wezen, waarin de kwaal, die verschrikkelijke,
duivelsche drukking, waaronder het jonge meisje bijna stikte, nog
voor een laatste maal opstijgen en dan verdwijnen zou, alsof hij
door haar mond ontsnapte. Maar hij weigerde beslist een certificaat
af te geven. Hij was het niet eens met zijn twee collega's, die hem
zoo'n beetje uit de hoogte als een kwakzalver behandelden. Pierre
had, al was het vaag, enkele gedeelten der discussie, die in zijn
tegenwoordigheid gehouden was, en enkele brokstukken van de door
Beauclair opgestelde diagnose onthouden: een ontwrichting van het
orgaan met een lichte scheuring der ligamenten tengevolge van den
val van het paard, vervolgens een langzaam herstel, waarbij alles
weer op zijn juiste plaats gekomen was, waarop verschillende nerveuze
aanvallen kort op elkaar gevolgd waren, zoodat de zieke verder slechts
geleefd zou hebben onder de obsessie van haar eersten angst, al haar
denken was thans geconcentreerd op het beleedigde punt, onbeweeglijk
lag zij neer in toenemende pijnen, terwijl zij niet in staat was
nieuwe voorstellingen in zich op te nemen, tenzij onder de krachtige
inwerking van een hevige gemoedsaandoening. Overigens gaf hij toe,
dat er bijkomende voedingsstoornissen konden zijn, doch deze waren
nog te weinig onderzocht om het belang en den loop ervan te kunnen
aangeven. Maar het denkbeeld, dat Marie's kwaal ingebeeld kon zijn, dat
de hevige pijnen, die haar martelden, afkomstig zouden kunnen zijn van
een reeds lang geleden herstelde kwetsuur, was Pierre, toen hij haar
daar zoo zag liggen met haar reeds afgestorven beenen, zoo paradoxaal
voorgekomen, dat hij er niet verder bij was blijven stil staan, blij
bovendien als hij was, dat de drie dokters eenstemmig de reis naar
Lourdes toestonden. Het was voor hem voldoende, dat zij genezen kon;
daarvoor zou hij met haar naar het eind der wereld gegaan zijn.
O, die laatste dagen te Parijs, in welk een drukte en opwinding had hij
ze doorleefd! De nationale bedevaart stond op het punt te vertrekken,
hij was op het denkbeeld gekomen Marie in de Hospitalité te laten
opnemen, ten einde groote kosten te vermijden. Verder had hij zich
allerlei bezoeken moeten getroosten, om zelf bij de Hospitalité
de Notre-Dame de Salut geplaatst te worden. Mijnheer de Guersaint
was in den zevenden hemel, want hij hield van de natuur en brandde
van verlangen, om de Pyrenaeën te leeren kennen; hij bekommerde zich
natuurlijk om niets, beschouwde het als een van zelf sprekend feit, dat
de jonge priester de reis voor hem betaalde en in het hotel daarginds
voor hem zorgde als voor een kind; en toen zijn dochter Blanche hem
op het allerlaatste oogenblik een louis in zijn hand stopte, vond hij
zich den koning te rijk. Die arme en heldhaftige Blanche bezat een
geheimen schat, een spaarduitje van vijftig francs, die ze, om haar
niet boos te maken, wel hadden moeten aannemen, want zij wilde ook
medehelpen aan de genezing van haar zuster, al kon zij de reis niet
medemaken, teruggehouden als zij werd door haar lessen te Parijs,
dat zij in alle richtingen door bleef trekken, terwijl de haren daar
ver weg neerknielden tusschen de verrukkingen der Grot. En zoo waren
zij dan vertrokken en reden zij nu voort, reden zij steeds verder door.
Bij het station Châtellerault deed een plotseling geroezemoes van
stemmen Pierre uit zijn overpeinzingen opschrikken. Wat! Waren
zij reeds te Poitiers? Maar het was nauwlijks twaalf uur. Neen,
zuster Hyacinthe liet het Angelus bidden, de drie driemaal herhaalde
Ave's. De stemmen stierven weg, een nieuw gezang, dat langzamerhand
in een klaaglied veranderde, werd aangeheven. Nog vijf-en-dertig
lange minuten voor ze te Poitiers waren, waar, zooals het scheen,
het oponthoud van een half uur aller lijden zou verzachten. Allen
voelden zich zoo onbehaaglijk, werden zoo onbarmhartig heen en weer
geschud in dien verpesten, gloeiend-heeten wagon. De ellende was te
groot, dikke tranen rolden over de wangen van madame Vincent, een
gesmoorde vloek was ontsnapt aan de lippen van Mijnheer Sabathier,
die anders zoo lijdzaam en geduldig was, terwijl broeder Isidore,
la Grivotte en madame Vêtu niet meer schenen te leven en op wrakhout
geleken, dat door den stroom werd medegevoerd. Marie had haar oogen
gesloten en antwoordde niet meer; zij wilde ze niet meer open doen,
vervolgd als zij werd door den vreeselijken aanblik van het gezicht
van Elise Rouquet, dat half weggevreten, open hoofd, dat voor haar
het beeld van den dood was. En terwijl de trein, die deze menschelijke
troostelooze ellende met zich voerde onder den onweerzwangeren hemel,
zijn vaart door de gloeiende velden versnelde, werden allen door een
nieuwe schrik aangegrepen. De man ademde niet meer, een stem riep,
dat hij gestorven was.