Toen in den rijdenden trein de pelgrims en de zieken, die op de
harde banken van den wagon 3de klasse opeengehoopt zaten, het
Ave Maris Stella, dat zij bij het verlaten van de Gare d'Orleans
aangeheven hadden, ten einde zongen, zag Marie, die zich, door een
koortsachtig ongeduld aangegrepen, half opgericht had van haar ziekbed,
de vestingwerken.
"Ha, de vestingwerken!" riep zij, ondanks haar pijn, op vroolijken
toon. "Nu zijn we tenminste Parijs uit!"
Haar vader, mijnheer de Guersaint, die tegenover haar zat, lachte
over haar blijdschap, terwijl abbé Pierre Froment, die haar met
broederlijke liefde aankeek, in zijn medelijdende bezorgdheid zeide:
"Ja, en nu zitten we tot morgenochtend in den trein, want we zijn
pas om 3.40 in Lourdes. Meer dan twee-en-twintig uur reizen!"
Het was half zes, de zon was stralend opgegaan over een
prachtig-helderen ochtend. Het was een Vrijdag, 19 Augustus. Doch reeds
kondigden aan den horizont kleine dikke wolkjes een verschrikkelijk
warmen, van onweer zwangeren dag aan. Schuin vielen de zonnestralen
door de compartimenten van den wagon en vulden die met een stof van
dansend goud.
Marie, die weer in haar angst teruggevallen was, fluisterde:
"Ja, twee-en-twintig. Lieve God, wat is dat nog lang!"
Haar vader legde haar weer wat makkelijker in haar nauwe kist, een
soort dakgoot, waarin zij sedert zeven jaar leefde. Bij uitzondering
had men toegestaan de twee paar wielen, die afgenomen en aangebracht
konden worden, in den bagagewagen te vervoeren. Ingesloten tusschen de
planken van die rollende kist, nam zij drie plaatsen in op de bank;
rustig bleef zij een oogenblik liggen met haar gesloten oogen, met
haar uitgeteerd, vaalbleek gezicht, dat ondanks haar drie-en-twintig
jaar nog een kinderlijke teerheid behouden had; ondanks alles zag
zij er nog bekoorlijk uit met haar prachtige blonde haren, haren
als van een koningin, die door de ziekte verschoond waren. Eenvoudig
gekleed in een zwartwollen japon, had zij om haar hals haar kaart met
haar naam en haar volgnummer. Zelf had zij dezen armelijken eenvoud
gewenscht, daar zij haar familie, die van lieverlede in moeilijke
omstandigheden gekomen was, niets kosten wilde. Zoo kwam het, dat
zij hier in die derde klasse van den witten trein lag, den trein voor
de ergste zieken, den droevigsten der veertien dien dag naar Lourdes
vertrekkende treinen, dien, waarin behalve de vijfhonderd pelgrims,
bijna driehonderd door zwakheid uitgeputte en door pijnen gekwelde
zieken samengedrongen waren, die in volle vaart van het eene eind
van Frankrijk naar het andere vervoerd werden.
Ontstemd haar bedroefd gemaakt te hebben, bleef Pierre haar met zijn
liefdevollen blik van een ouderen broer aankijken. Hij was even dertig
jaar, bleek, mager en had een breed voorhoofd. Nadat hij de reis tot in
de kleinste bijzonderheden geregeld had, hield hij het voor zijn plicht
mede te gaan en had zich daarom opgegeven als helper van de Hospitalité
de Notre-Dame de Salut; hij droeg onder zijn soutane het roode, met
oranje afgezette kruis der baardragers. Mijnheer de Guersaint had
op zijn grijslaken jas het scharlakenrood pelgrimskruis. Hij scheen
het reizen prettig te vinden, telkens en telkens weer keek hij naar
buiten en kon zijn vriendelijk en afgetrokken gezicht, dat er, hoewel
hij reeds een goede vijftig was, er nog jong uitzag, niet stil houden.
In de afdeeling ernaast was ondanks het hevige schudden, dat Marie
deed gillen van pijn, zuster Hyacinthe, die gezien had, dat het jonge
meisje in de volle zon lag, opgestaan.
"Ach, mijnheer de abbé, laat het gordijntje wat neer... Kom, kom! Wij
zullen het ons zoo makkelijk mogelijk maken en trachten het een beetje
gezellig in te richten!"
In haar zwart kleed van ordezuster, dat opgevroolijkt werd door het
witte kapje, den witten sluier en de groote witte schort, glimlachte
zuster Hyacinthe dapper en moedig. Haar jeugd sprak duidelijk uit
haar klein, frisch mondje, uit de diepte van haar mooie, blauwe,
altijd liefdevol blikkende oogen. Zij was misschien niet knap, maar
prettig om naar te kijken, teer, slank, met de borst van een jongen
onder de hooge schort, van een flinken jongen met een blanken tint,
overvloeiend van gezondheid, vroolijkheid en onschuld.
"Maar die lieve zon laat ons bijna smelten. Mevrouw, wees zoo goed
ook een gordijntje neer te halen!"
In den hoek, naast de zuster zat madame de Jonquière nog steeds
met haar koffertje op haar schoot. Langzaam trok zij het gordijntje
naar beneden. Zij was een flinke brunette en zag er nog knap uit,
niettegenstaande zij reeds een dochter van vier-en-twintig had,
Raymonde, die zij met twee andere vrijwillige verpleegsters, madame
Désagneaux en madame Volmar, eerste klasse reizen liet. Zij zelf,
directrice van een zaal in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs te
Lourdes, verliet haar zieken niet; en buiten aan het deurtje van het
compartiment hing het voorgeschreven bordje, waarop onder haar eigen
naam die van de twee zusters van Maria Hemelvaart stonden, welke haar
waren toegevoegd. Als weduwe van een geruïneerd man leefde zij met
haar dochter bescheiden van vier à vijf duizend francs rente in de
rue Vaneau; zij gaf al haar tijd aan het werk van de Hospitalité de
Notre-Dame de Salut, waarvan zij het roode kruis op haar popelinen
Karmelietenkleed droeg en zij een der vurigste ijveraarsters
was. Eenigszins trotsch aangelegd en graag gevleid en gefêteerd,
verlangde zij steeds naar die jaarlijksche reis, welke zoowel haar
trots als haar hart bevredigde.
"U hebt gelijk, zuster, we zullen het ons wat makkelijk maken. Ik
weet zelf niet, waarom ik dat koffertje zoo op mijn schoot houd."
Zij zette het naast zich neer onder de bank.
"Wacht," zeide zuster Hyacinthe; "die waterkan staat precies tusschen
uw beenen. Die hindert u natuurlijk!"
"Wel neen, heusch niet! Laat maar. Hij moet toch ergens staan."
Toen voegde zij het woord bij de daad en richtte zich zoo makkelijk
mogelijk in voor een dag en een nacht met haar zieken. Het was jammer,
dat zij Marie niet in haar compartiment had kunnen nemen, daar deze
er beslist op gestaan had bij haar vader en Pierre te blijven, maar ze
konden tenminste over het lage beschot nu en dan eens een buurpraatje
met haar houden. Trouwens de geheele wagon met zijn vijf compartimenten
van tien plaatsen, vormde één rijdende, gemeenschappelijke kamer, die
men met één blik overzien kon. Met de kale, gele houten beschotten en
het wit geschilderde plafond deed het denken aan een echte ziekenzaal,
of in zijn wanorde en het door elkaar heen staan van alles eerder op
een geïmproviseerd veldlazaret. Half verborgen lagen onder de bank
kruiken, kommen, bezems, sponsen. Daar de trein geen bagagewagen
had, hoopten zich overal en nergens valiezen, witte houten kisten,
hoedendoozen, koffertjes op, een jammerlijke opeenstapeling van oude,
versleten met touw dichtgemaakte dingen; verder hingen allerlei
kleedingstukken, pakjes en manden aan koperen haken te slingeren. En
te midden van dien ouden rommel werden de zwaar-zieken, die op hun
kleine matrassen verscheidene plaatsen innamen, door het geschok der
wielen heen en weer geschud, terwijl zij, die zitten konden, met hun
bleeke gezichten tegen kussens leunden. Volgens het voorschrift moest
er voor ieder compartement een diakones zijn. Aan het andere einde
bevond zich een tweede zuster van Maria Hemelvaart, zuster Claire
des Anges. Gezonde pelgrims stonden reeds op en begonnen te eten
en te drinken. Achterin was een geheel compartiment voor vrouwen,
oude en jonge, dicht tegen elkaar gedrukt, allen even jammerlijk-
en droevig-leelijk. Daar men om de teringlijdsters, die er zich onder
bevonden, de raampjes niet durfde openzetten, begon er een drukkende
hitte en een benauwende stank te heerschen.
Te Juvisy hadden de pelgrims de rozenkrans afgebeden. Toen men om
zes uur in volle vaart het station Bretigny doorvloog, stond zuster
Hyacinthe op, die de geestelijke oefeningen leidde, welke de meeste
pelgrims in een klein boekje met blauwen omslag volgden.
"Het Angelus, kinderen," zeide zij met haar moederlijk glimlachje,
dat haar jeugd zoo bekoorlijk en zacht maakte.
Weer volgden de Ave's elkaar op. Toen het klaar was, keken Pierre en
Marie vol deelneming naar twee vrouwen, die de twee andere hoeken
van hun compartiment innamen. De eene, die aan het voeteneinde van
Marie's matras lag, was een tengere blondine, een ruim dertigjarige,
voor haar tijd verwelkte burgervrouw. Zij hield zich bescheiden op den
achtergrond en nam bijna geen plaats in. Zij had een donkere japon aan,
haar haar was verkleurd, haar gezicht lang en pijnlijk vertrokken en
drukte een grenzenlooze verlatenheid en eindelooze droefgeestigheid
uit. De andere, die op dezelfde bank als Pierre zat, een ongeveer
even oude arbeidersvrouw met een zwart mutsje en een door ellende
en zorgen verwoest gezicht, had een meisje van zeven jaar op haar
schoot, zoo bleek en zoo minnetjes, dat men het geen vier gegeven
zou hebben. Het kind met haar spits neusje, haar blauw-omkringde,
gesloten oogjes en haar wasbleek gezichtje, kon nog niet praten;
het kreunde en steunde slechts, wat telkens weer het hart van de over
haar kleine gebogen vrouw verscheurde.
"Zou ze misschien een paar druiven lusten?" vroeg bedeesd de
burgervrouw, die tot dat oogenblik gezwegen had. "Ik heb er in mijn
mandje."
"Dank u, madame," antwoordde de arbeidersvrouw. "Ze drinkt alleen
maar melk, en dan moet u nog niet vragen hoe... Ik heb een flesch
meegenomen."
En toegevend aan de behoefte, die ongelukkigen steeds hebben om te
praten, vertelde zij haar geschiedenis. Zij heette madame Vincent
en had haar man, die vergulder van beroep geweest was, aan de tering
verloren. Alleen achtergebleven met haar kleine Rose, die zij aanbad,
had zij dag en nacht genaaid, om het kind op te voeden. Maar het kind
was ziek geworden. Nu al veertien maanden lang hield zij het kind,
dat steeds pijn had en altijd maar achteruitging en afviel, in haar
armen. Toen was zij, die anders nooit naar de mis ging, uit wanhoop
een kerk binnengeloopen, om de genezing van het kind af te smeeken:
daar had zij een stem gehoord, die haar zeide, dat zij met het kind
naar Lourdes gaan moest, waar de Heilige Maagd zich over de kleine
erbarmen zou. Daar zij niemand kende en niet wist, hoe die bedevaarten
werden ingericht, had zij maar één gedachte gehad: werken, reisgeld
sparen, een kaartje nemen, met de dertig sous, die zij nog over had,
de reis aanvaarden en slechts een flesch melk voor het kind meenemen,
zonder zelfs maar te denken voor zichzelf een stuk brood te koopen.
"Wat scheelt het lieve kind eigenlijk?"
"O, madame, het is een buikverharding. Maar de dokters hebben er hun
eigen naam voor... Eerst heeft ze gewoon buikpijn gehad. Maar toen
is de buik gaan opzetten en heeft ze een pijn gehad, dat je er gewoon
bij stond te huilen. Nu is die opzetting heelemaal weg; maar het kind
leeft nu, om zoo te zeggen niet meer, ze heeft geen beenen meer, zoo
mager is ze; en door dat eeuwige transpireeren neemt ze nog meer af..."
Maar Rose had even gekreund en haar oogleden opengeslagen; angstig
en bleek wordend boog de moeder zich over haar heen.
"Mijn schatje, mijn lieveling, wat is er?... Wil je wat drinken?"
Maar het kind had haar leege, mat-blauwe oogen al weer gesloten;
het antwoordde zelfs niet meer, was weer teruggezonken in haar
apathie, heelemaal wit in haar wit jurkje, een laatste coquetterie
der moeder, die deze onnoodige uitgave gedaan had in de hoop, dat de
Maagd genadiger zijn zou voor het zieke wichtje, als het netjes in
het wit gekleed was.
Na een kort stilzwijgen begon madame Vincent weer:
"En u, madame, u gaat zeker voor u zelf naar Lourdes?... Het is u
wel aan te zien, dat u ziek is."
Maar de burgervrouw trok zich angstig-verschrikt in haar hoekje terug
en prevelde:
"Neen, neen, ik ben niet ziek... Was ik het maar, dan zou ik minder
lijden!"
Zij heette madame Maze en had een ongeneeslijk verdriet in haar
hart. Na uit liefde getrouwd te zijn met een flinken, levenslustigen
jongen man, was zij na een jaar van wittebroodsweken door hem in
den steek gelaten. Haar man, die als handelsreiziger bijna altijd
van huis was en veel geld verdiende, bleef dikwijls maanden lang
weg, bedroog haar van het eene einde van Frankrijk tot het andere,
ja nam zelfs maîtressen mee. Zij aanbad hem en leed er zoo onder,
dat zij zich in de armen van den godsdienst geworpen had. Eindelijk
was zij besloten naar Lourdes te gaan, om de Heilige Maagd te smeeken
haar man te bekeeren en hem aan haar terug te geven.
Zonder het precies te begrijpen, voelde madame Vincent toch, dat
haar reisgenoote zedelijk veel leed. Ze bleven elkaar aankijken, de
verlaten vrouw, die door haar hartstochtelijke liefde verteerd werd,
en de moeder, die ten gronde ging, omdat zij haar kind sterven zag.
Nu mengde Pierre, die evenals Marie met groote deelneming geluisterd
had, zich in het gesprek, het verwonderde hem, dat de arbeidersvrouw
haar kind niet in het ziekenhuis had laten opnemen. De Association de
Notre-Dame de Salut was na den oorlog door de Augustijnen opgericht
met het doel, om door gemeenschappelijk gebed en door het uitoefenen
van weldadigheid werkzaam te zijn voor het heil van Frankrijk en
de verdediging der Kerk; ook hadden zij de bedevaarten in het leven
geroepen en met name de nationale bedevaart, die jaarlijks tegen het
einde van Augustus naar Lourdes ondernomen werd, georganiseerd en
steeds meer uitgebreid. Zoo had zich langzamerhand een uitstekende
organisatie ontwikkeld; uit de geheele wereld werden giften
gezonden, in iedere parochie zieken op de lijsten gebracht, met de
spoorwegmaatschappijen speciale regelingen getroffen, ongerekend
nog de krachtdadige hulp der zusters van Maria Hemelvaart en de
stichting van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut, een uitgebreide
vereeniging van alle liefdadigheidsgenootschappen, waarin mannen en
vrouwen, grootendeels tot de voornamere kringen behoorend, onder
toezicht van den leider der bedevaarten, de zieken verpleegden,
droegen en voor het handhaven der orde zorgden. De zieken moesten
een schriftelijk verzoek indienen, om in die Hospitalité opgenomen
te worden, waardoor zij alle reis- en verblijfkosten vrij hadden;
ze werden thuis gehaald en weer gebracht, ze behoefden dus slechts
eenige levensmiddelen voor de reis mede te nemen. Maar het grootste
gedeelte kwam van aanbevelingen van geestelijken of van liefdadige
personen, die bij de inschrijvingen zorg droegen voor de noodzakelijke
identiteitsbewijzen en de geneeskundige certificaten. Was dit geschied,
dan behoefden de zieken zich met niets meer te bemoeien, waren zij
in de zorgende handen der barmhartige broeders en zusters niets meer
dan het armzalige object voor lijden en wonderen.
"U hadt," legde Pierre haar uit, "u slechts behoeven te wenden
tot den pastoor van uw parochie. Dat arme kind verdient ons aller
medelijden. Het zou dadelijk opgenomen zijn."
"Ik wist het niet, mijnheer de abbé."
"Maar hoe hebt u het dan klaar gespeeld?"
"Ik heb een biljet gekocht op een plaats, die een buurvrouw, die de
courant leest, mij genoemd heeft."
Zij sprak over biljetten, welke tegen zeer verminderde prijzen onder
de pelgrims, die betalen konden, werden verdeeld. Onder het luisteren
werd Marie door een groot medelijden en ook door schaamte aangegrepen:
haar ontbrak het toch niet aan middelen, en zij was er met behulp van
Pierre in geslaagd, zich in de Hospitalité te laten opnemen, terwijl
die moeder en haar ongelukkig kind, na haar armzalige spaarduitje
gegeven te hebben, zonder een sou bleven.
Maar een heftige schok van den wagon ontrukte haar een gil van pijn.
"Licht me wat op, vader. Ik kan niet langer zoo op mijn rug blijven
liggen."
Toen haar vader haar in een zittende houding had opgericht, zuchtte zij
diep. Ze waren nauwelijks Etampes, anderhalf uur van Parijs voorbij,
en reeds begonnen in de gloeiende zon, het stof en het lawaai, de
vermoeidheid en de uitputting zich te doen gelden.
Madame de Jonquière sprak over het beschot het jonge meisje met
een paar vriendelijke woorden moed in. Ook zuster Hyacinthe was weer
opgestaan en klapte vroolijk in haar handen, om zich door den geheelen
wagon verstaanbaar te maken.
"Kom, kom! Laten we niet aan onze pijntjes denken! Laten we bidden
en zingen, de Heilige Maagd zal met ons zijn."
Zij hief den Rozenkrans aan volgens de woorden van Notre-Dame de
Lourdes, en alle zieken en pelgrims volgden haar voorbeeld. Het was
de eerste rozenkrans, de vijf blijde mysteriën, Maria Boodschap,
de Visitatie, de Geboorte, Maria Lichtmis, de wedergevonden
Jezus. Dan hieven allen het lied aan: "Aanschouwen wij den hemelschen
aartsengel..." De stemmen gingen verloren in het geratel der wielen,
men hoorde slechts het doffe gegons van den troep, die in den gesloten,
eindeloos voortrollenden wagen half stikte.
Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij zijn godsdienstige plichten
trouw vervulde, nooit een lied tot het einde toe mede zingen. Hij
stond telkens op, om dan dadelijk weer te gaan zitten. Eindelijk bleef
hij over het beschot heen leunen en ging hij praten met een zieke,
die in het compartiment ernaast tegen hetzelfde beschot zat. Mijnheer
Sabathier was een dikke, kale vijftiger met een groot, goedig hoofd. De
laatste vijftien jaren leed hij aan ataxie, pijn had hij slechts bij
tusschenpoozen, maar zijn beenen waren geheel verlamd; zijn vrouw,
die hem vergezelde, legde ze, als waren het doode beenen, van de eene
plaats op de andere, wanneer ze hem ten slotte zoo zwaar werden als
stukken lood.
"Ja, mijnheer, vroeger was ik leeraar in de vijfde klasse van het
lycée Charlemagne. In den beginne dacht ik, dat het gewone heupjicht
was. Doch daarna heb ik vreeselijke pijnen gekregen, zooiets alsof
er gloeiende degens in mijn spieren gestoken werden. De laatste tien
jaar echter is mijn heele lichaam er door aangetast, ik heb alle
mogelijke doktoren geraadpleegd, ik heb alle mogelijke en onmogelijke
badplaatsen bezocht; en nu heb ik tegenwoordig wel minder pijn, maar ik
kan niet meer van mijn stoel opstaan... Ik had mijn leven lang niets
aan godsdienst gedaan, maar nu ben ik weer tot God teruggebracht door
de gedachte, dat ik te ongelukkig was en dat onze Lieve Vrouwe van
Lourdes medelijden met mij hebben zou."
Pierre was ook over het beschot komen leunen en luisterde aandachtig.
"Lijden brengt de ziel weer terug tot God, niet waar, mijnheer de
abbé? Dit is nu al het zevende jaar, dat ik naar Lourdes ga, maar ik
twijfel geen oogenblik aan mijn genezing. Dit jaar zal de Heilige
Maagd mij genezen, dat weet ik zeker. Ja, ik reken er vast op weer
te kunnen loopen; ik leef nog slechts in die hoop."
Mijnheer Sabathier hield even op, om zijn vrouw zijn beenen wat
meer naar links te laten leggen. Pierre nam hem eens goed op;
het verwonderde hem een zoo hardnekkig geloof te vinden bij een
intellectueel, een van die geleerden, die gewoonlijk zoo Voltairiaansch
gezind zijn. Hoe had het vertrouwen in het wonder in dit brein wortel
kunnen schieten en opbloeien? Het was werkelijk zooals hij zelf zeide:
heftige smarten en pijnen alleen konden deze behoefte aan illusie,
den bloeitijd der eeuwige troosteresse verklaren.
"Zooals u ziet, zijn mijn vrouw en ik gekleed als armen, want ik
wilde dit jaar niet meer zijn dan een arme; uit deemoed heb ik mij in
de Hospitalité doen opnemen, opdat de Heilige Maagd mij zou rekenen
tot de arme ongelukkigen, haar kinderen... Maar, omdat ik niet de
plaats van een echten arme heb willen innemen, heb ik vijftig francs
bij de Hospitalité gestort, wat, zooals u natuurlijk weet, het recht
geeft een zieke op de bedevaart mede te nemen... Ik ken mijn zieke
zelfs. Zooeven heeft men hem mij op het station voorgesteld. Het
schijnt een teringlijder te zijn, die al ver, heel ver weg is..."
Weer volgde een stilte.
"Moge de Heilige Maagd, die alles kan, ook hem redden. Ik zou gelukkig
zijn, als zij mij met haar weldaden overstroomde."
De drie mannen bleven nog wat doorpraten, eerst over geneeskunde, dan
over Romaansche bouwkunst, toen zij op een heuvel een klokketoren
zagen, waarvoor alle pelgrims het teeken des kruises gemaakt
hadden. Te midden van die arme zieken, te midden van die door
hun ellende stompzinnig geworden armen van geest, lieten de jonge
priester en zijn twee reisgenooten zich even door hun beschaving
medesleepen. Een uur verliep, er waren nog twee liederen gezongen,
zij hadden de stations van Toury en les Aubrais achter den rug, toen
zij eindelijk bij Beaugency hun gesprek staakten en zuster Hyacinthe
in haar handen klapte en met haar heldere, klankrijke stem begon:
"Parce, Domine, parce populo tuo..." [1]
En het zingen begon opnieuw, aller stemmen vereenigden zich, wederom
steeg een vloed van gebeden omhoog, die de pijn verminderde, de
hoop opnieuw deed opleven, langzamerhand zich meester maakte van het
geheele wezen, dat uitgeput was door het onophoudelijke denken aan
de genade en de genezingen, die men zoo ver zoeken ging.
Toen Pierre weer ging zitten, zag hij, dat Marie heel bleek was en
haar oogen dicht had; toch begreep hij uit het pijnlijk samentrekken
van haar gezicht, dat zij niet sliep.
"Heb je weer meer pijn?" vroeg hij.
"Ja, verschrikkelijk. Ik houd het nooit tot het einde uit. Dat
voortdurende schokken..."
Zij kreunde, deed haar oogen weer open. Bijna in zwijm vallend bleef
zij naar de andere zieken zitten kijken. In het compartiment ernaast
had tegenover mijnheer Sabathier la Grivotte, die tot dat oogenblik
roerloos als een doode op haar matras gelegen had, zich opgericht. Het
was een groot meisje van een goede dertig, lam en vreemd, met een rond,
door pijn vertrokken gezicht, dat echter door haar kroeshaar en haar
vurige oogen bijna mooi was. Zij was in hoogen mate teringachtig.
"Wat zou het heerlijk zijn, mademoiselle," zeide zij, zich met haar
heesche, nauwlijks verstaanbare stem tot Marie wendend; "als we eens
een klein dutje konden doen. Maar het is niet mogelijk met dat eeuwige
gedreun der wielen."
Niettegenstaande het spreken haar groote inspanning kostte, begon zij
het een en ander van zichzelf te vertellen. Zij was matrassenmaakster
geweest en had met haar tante te Bercy, van de eene boerenplaats naar
de andere trekkend, veel matrassen gemaakt; aan die vergiftige wol,
die zij in haar jeugd zelf gekaard had, schreef zij haar kwaal toe. De
laatste vijf jaar had zij in verschillende Parijsche ziekenhuizen
gelegen. Zij sprak dan ook heel familiaar over de meest bekende
doktoren. De zusters van Lariboisière, die gezien hadden, hoe zij
geheel in godsdienstige plechtigheden opging, hadden haar geheel
bekeerd en haar tot de overtuiging gebracht, dat de Heilige Maagd
van Lourdes slechts op haar wachtte, om haar te genezen.
"En dat mag ook wel, want de dokters zeggen, dat ik al één long
kwijt ben en dat het met de andere ook zoo heel lang niet meer duren
zal. Het zit hem in de holten van de longen, weet u... In den beginne
had ik alleen maar pijn tusschen mijn schouders en gaf ik bij het
hoesten slijm op. Thans ben ik zoo mager geworden, dat de tranen je
erbij in de oogen kwamen. Nou zweet ik maar altijd door en hoesten,
verschrikkelijk, maar opgeven gaat niet meer, daar is de slijm te
dik voor. En zooals u ziet, staan kan ik niet meer en eten ook niet."
Een hoestaanval belette haar verder te gaan; haar gezicht werd
lijkkleurig.
"Enfin," ging zij dan weer voort, "ik steek nog liever in mijn vel
dan in dat van den broer, die in het compartiment hiernaast zit. Hij
heeft precies hetzelfde als ik, maar hij is nog verder weg."
Zij vergiste zich. Wel lag in de afdeeling achter Marie op een matras
een jonge zendeling, broeder Isidore, dien men echter niet zag,
daar hij zich geen vinger breed oprichten kon, maar hij was geen
teringlijder, doch leed aan een leverontsteking, die hij in Senegal
gekregen had. Het was een lange, magere jonge man met een geel,
ingevallen, als perkament zoo gerimpeld gezicht. Het abces, dat zich
aan den lever gevormd had, was van buiten opengebroken, en de ettering,
die met een voortdurende koorts, brakingen en ijlen gepaard ging,
putte al zijn krachten uit. Alleen zijn oogen leefden nog, oogen vol
onuitbluschbare liefde, wier warme glans zijn gezicht, dat aan den
aan het kruis stervenden Christus denken deed, deed stralen, zijn
gewoon boerengezicht, dat door zijn hartstochtelijk geloof bij tijden
geadeld werd. Hij kwam uit Bretagne en was het laatste, ziekelijke
kind van een te talrijke familie; het kleine beetje land had hij
aan zijn oudere broers overgelaten. Een van zijn zusters begeleidde
hem, Marthe, twee jaar ouder dan hij, en die als dienstmeisje naar
Parijs gekomen was; zij hield zooveel van haar jongeren broer, dat
zij haar betrekking opgegeven had, om met hem mede te kunnen gaan,
ook al gingen daar al haar spaarduitjes mede heen.
"Ik stond op het perron, toen zij hem in den wagon droegen. Vier
mannen..."
Maar zij kon niet verder; weer kreeg zij een hoestbui, die haar
dwong te gaan liggen. Zij stikte bijna, de roode plekjes op haar
wangen werden blauw. Onmiddellijk steunde zuster Hyacinthe haar
hoofd en veegde haar lippen af met een doekje, dat zich dadelijk rood
kleurde. Op hetzelfde oogenblik wijdde madame Jonquière haar zorgen
aan de zieke, die tegenover haar zat. Zij heette madame Vêtu en was
de vrouw van een klein horlogemakertje in het quartier Mouffetard,
die zijn winkel niet had kunnen sluiten, om met haar mee naar Lourdes
te gaan. Om zeker te zijn, dat zij goed verzorgd zou worden, had zij
zich in de Hospitalité laten opnemen. Angst voor den dood bracht haar
terug naar de kerk, waarin zij sedert haar eerste communie geen voet
gezet had. Zij wist, dat zij onherroepelijk ten doode opgeschreven
was, weggeknaagd als zij werd door maagkanker; reeds had zij het
verwilderde en gele uiterlijk van kankerlijders en gaf zij zwarte
fluimen op, alsof zij roet spuwde. De geheele reis door had zij
nog geen woord gezegd, haar lippen waren vast op elkaar geklemd,
zij leed onuitstaanbare pijnen. Daarna had zij brakingen gekregen
en het bewustzijn verloren. Zoodra zij haar mond opende, ademde zij
een verschrikkelijken, verpestenden stank uit, die de omzittenden
misselijk maakte.
"Dat is niet uit te houden," mompelde madame de Jonquière, die zich
een onmacht nabij gevoelde; "er moet wat gelucht worden."
Intusschen had zuster Hyacinthe la Grivotte weer op haar kussen gelegd.
"Zeker, we kunnen best een raampje open zetten. Maar niet aan dezen
kant, anders krijgt zij daar dadelijk weer een hoestbui... Zet het
aan den anderen kant open."
De hitte werd steeds erger, men stikte bijna in die bedompte,
walgelijk-vieze atmosfeer; het was een opluchting, toen er een tochtje
binnenkwam. Er was nu weer voor wat anders te zorgen: de zuster maakte
de schalen en kommen, waarvan zij den inhoud uit het raampje wierp,
schoon, terwijl de diakones den vloer, die door het dreunen hevig
schokte, reinigde. Dan weer een andere zorg: de vierde zieke, die
zich nog niet verroerd had, een mager meisje, wier gezicht met een
zwarte doek omwikkeld was, zeide, dat zij honger had.
"Overhaast u maar niet, zuster," zeide madame de Jonquière, die
reeds naar de zieke toeging. "Ik zal haar brood wel in kleine stukjes
snijden."
In haar behoefte naar afleiding had Marie al een paar malen aandachtig
gekeken naar dat door dien zwarten sluier verborgen gelaat. Zij
vermoedde, dat zij een open wond in haar gezicht had. Men had haar
alleen gezegd, dat het een bonne was. De ongelukkige, Elise Rouquet
uit Picardië, had haar betrekking moeten verlaten en woonde te Parijs
bij een zuster, die haar slecht behandelde; daar zij verder niet ziek
was, had geen enkel ziekenhuis haar willen opnemen. Vroom van natuur
had zij reeds maanden lang de vurige begeerte gekoesterd naar Lourdes
te gaan. In angstige spanning wachtte Marie, dat de sluier weggenomen
zou worden.
"Zijn ze zoo klein genoeg," vroeg madame de Jonquière op moederlijken
toon. "Zou je ze zoo in je mond kunnen krijgen?"
"Ja zeker, madame!" bromde onder den zwarten sluier een heesche stem.
Eindelijk werd de sluier weggenomen; Marie rilde van afschuw. Het was
een lupus, die, langzamerhand steeds grooter geworden, den neus en
den mond aangetast had, een zweer die zich onder de korsten steeds
uitbreidde en de slijmvliezen wegvrat. Het hoofd, dat zich in den
vorm van een hondensnuit uitgerekt had, was met het borstelig haar
en de groote, ronde oogen verschrikkelijk om aan te zien. Reeds
was het kaakbeen van den neus bijna geheel weggevreten, de mond was
ingevallen en werd door de opgezwollen bovenlip naar links getrokken
als een schuine, vormlooze, onreine spleet. Een bloedig, met etter
vermengd slijm vloeide uit de groote, blauw-zwarte wonde.
"Kijk toch eens Pierre!" fluisterde Marie rillend.
Den priester doortrilde eveneens een huivering, toen hij Elise Rouquet
voorzichtig de kleine stukjes brood zag steken in de bloedige opening,
die als mond dienst deed. De geheele wagon was bij dien vreeselijken
aanblik bleek geworden. En dezelfde gedachte steeg op in die met hoop
vervulde zielen: O, Heilige Maagd, machtige Maagd, welk een wonder,
indien zulk een kwaal genas!
"Kinderen, laten we niet aan ons zelf denken, als we ons goed willen
voelen," zeide zuster Hyacinthe weer.
En zij liet den tweeden rozenkrans bidden, de vijf smartelijke
mysteriën: Jezus op den Olijfberg, de geeseling van Jezus, Jezus
met doornen gekroond, Jezus zijn kruis dragend, Jezus stervend aan
het kruis. Dan volgde het lied: "Ik stel mijn vertrouwen in uw hulp,
o Maagd..."
Na een reis van drie uur reden zij nu door Blois. Marie wendde haar
blikken af van Elise Rouquet en liet ze nu op een man rusten, die
in een hoek van het compartiment, waarin ook broeder Isidore lag,
zat. Reeds een paar maal had zij hem opgemerkt; hij was nog jong en
heel armoedig gekleed en had een dunne, reeds grijzende baard; klein
en mager, met een uitgeteerd en met zweet bedekt gezicht scheen hij
veel pijn te lijden. Toch bleef hij onbeweeglijk in zijn hoekje zitten;
hij sprak met niemand en staarde met zijn groote, wijd geopende oogen
strak voor zich uit. Plotseling zag zij dat zijn oogen dichtvielen
en hij bewusteloos werd.
Zij riep zuster Hyacinthe.
"Zuster, ik geloof, dat het met dien mijnheer heelemaal niet goed is."
"Welken heer, kindlief?"
"Die daar met zijn hoofd achterover."
Het gaf een heele opschudding, alle gezonde pelgrims stonden op om te
kijken. Madame de Jonquière kwam op het denkbeeld Marthe, de zuster
van Isidore, toe te roepen, dat zij den man op zijn hand moest slaan.
"Vraag hem, of hij pijn heeft!"
Marthe schudde hem zacht heen en weer en vroeg het hem. Maar de
man antwoordde niet; hij rochelde slechts en zijn oogen bleven vast
gesloten.
Een verschrikte stem riep:
"Ik geloof, dat hij sterven zal."
De angst werd grooter; men riep door elkaar, aan alle kanten van den
wagen weerklonken raadgevingen. Niemand kende den man. Hij had zich
in geen geval in de Hospitalité op laten nemen, want hij had niet de
kaart met de witte kleur van den trein om zijn hals. Een vertelde,
dat hij hem drie minuten voor het vertrek had zien aankomen; hij
sleepte zich toen met groote moeite voort en had zich dadelijk laten
neervallen in den hoek, waarin hij nu met een uitdrukking van oneindige
moeheid lag te sterven. Daarna had hij zich niet meer bewogen. Men zag
zijn plaatskaartje in het lint van zijn ouden hoed, die naast hem hing.
Doch zuster Hyacinthe uitte een kreet van vreugde.
"Hij haalt weer adem. Vraag hoe hij heet!"
Opnieuw door Marthe naar zijn naam gevraagd, liet de jonge man slechts
een gekreun hooren, een nauwlijks verstaanbaren zucht:
"Ik heb zoo'n pijn!"
En van dat oogenblik af gaf hij slechts dat antwoord. Op alles wat men
wilde weten, wie hij was, waar hij vandaan kwam, wat hij mankeerde,
waarmede men hem kon helpen, antwoordde hij niet, doch stiet steeds
weer denzelfden zucht uit:
"Ik heb zoo'n pijn! Ik heb zoo'n pijn!"
Zuster Hyacinthe werd eenigszins ongeduldig. Als zij maar in
hetzelfde compartement geweest was! Zij nam zich voor van plaats te
veranderen. Maar de trein zou pas in Poitiers stoppen. De toestand
werd steeds erger, te meer daar het hoofd van den man weer achterover
gevallen was.
"Hij sterft... hij sterft!" riep dezelfde stem weer.
Lieve God, wat moest men beginnen? De zuster wist, dat een pater
van Maria Hemelvaart, pater Massias, zich met het Heilige Oliesel in
den trein bevond en steeds gereed was om de stervenden te bedienen,
want jaarlijks stierven er op de reis pelgrims. Maar zij durfde
niet aan de noodrem te trekken. Ook was in den cantinewagen,
die door zuster Saint-François bestuurd werd, een dokter met een
kleine apotheek. Indien de zieke Poitiers, waar een half uur rust
gehouden zou worden, haalde, zou hem alle mogelijke hulp verleend
kunnen worden. Verschrikkelijk zou het zijn, als hij vóór Poitiers
stierf. Doch de kalmte keerde eenigszins terug. De man ademde wat
rustiger en hij scheen te slapen.
"Te sterven voor je er was," mompelde Marie rillend, "te sterven vóór
het beloofde land..."
En toen haar vader haar gerust stelde:
"Ik heb ook zoo'n pijn, ik heb ook zoo'n pijn!"
"Heb maar vertrouwen," zeide Pierre, "de Heilige Maagd waakt over je!"
Zij kon niet meer blijven zitten, men moest haar weer in haar nauwe
kist leggen. Haar vader en de priester moesten daarbij met de grootste
omzichtigheid te werk gaan, want de minste schok ontlokte haar een
kreet van pijn. Zij lag er nu zonder te ademen, als een doode, met haar
doodsbleek gezichtje, omgolfd door haar koninklijke lokkenpracht. Al
vier uur lang reden zij nu reeds. Dat de wagon zoo onbarmhartig heen
en weer geschud en geslingerd werd, was een gevolg van het feit,
dat deze zich achter in den trein bevond: de koppelstangen knarsten,
de wielen rammelden vreeselijk. Door de raampjes, die men genoodzaakt
was half open te laten staan, drong het stof scherp en gloeiend binnen;
vooral de hitte werd verschrikkelijk, een verstikkende onweershitte
onder een rosige lucht, die bedekt was met dikke, roerlooze wolken. Op
oververhitte ovens geleken de compartimenten, die rollende hutten,
waarin men at en dronk, waarin de zieken in de bedorven lucht, te
midden van het oorverdoovende lawaai van weeklachten, gebeden en
gezangen, al hun behoeften bevredigden.
Marie was niet de eenige, die zich zieker voelde; ook de anderen leden
door de reis. Op den schoot van haar wanhopige moeder, die met haar
groote, door tranen verduisterde oogen naar haar keek, lag de kleine
Rose roerloos en met zoo'n bleek gezicht, dat madame Maze zich tweemaal
over haar heen gebogen had, om haar handjes te voelen, met de vrees
die koud te zullen vinden. Ieder oogenblik moest madame Sabathier de
beenen van haar man verleggen, zij waren zoo zwaar, zeide hij, dat zijn
heupen er pijn van deden. Broeder Isidore had in zijn bewusteloosheid
kreten van pijn uitgestooten; zijn zuster had hem alleen verlichting
kunnen geven door hem iets op te richten en in haar armen te houden. La
Grivotte scheen te slapen, maar een hardnekkige hik liet haar niet met
rust, een dun straaltje bloed sijpelde uit haar mond. Madame Vêtu had
weer een zwarte, de lucht verpestende fluim opgegeven. Elise Rouquet
dacht er niet meer aan de afschuwelijke open wond in haar gezicht te
verbergen. De man in het andere compartiment bleef rochelen, alsof
hij iedere seconde zou sterven. Tevergeefs spanden madame Jonquière
en zuster Hyacinthe al haar krachten in, zooveel kwalen tegelijk
konden zij niet verlichten en verzachten. Het was een hel, die wagon
van ellende en pijn, die in volle vaart voortsnelde en geschokt werd
door het slingeren, dat de bagage, de oude opgehangen kleeren, de
versleten, met touwen vastgebonden manden heen en weer deed schudden,
terwijl in de achterste afdeeling de tien vrouwelijke pelgrims, de
oude en de jonge, allen even leelijk, zonder ophouden in scherpe,
jammerende en valsche tonen zongen.
Toen dacht Pierre aan de andere wagons van den trein, van dezen witten
trein, die de ernstigste zieken vervoerde: alle rolden zij voort
vol van hetzelfde lijden, met hun driehonderd zieken en vijfhonderd
bedevaartgangers. Toen dacht hij aan de andere treinen, welke eveneens
dien ochtend uit Parijs vertrokken, aan den grijzen en den blauwen
trein, die eerder gegaan waren, aan den groenen, den gelen, den rosen,
den oranjekleurigen trein, die alle nog volgen moesten. Van het een
einde der lijn naar het andere raasden de treinen ieder uur weg. En
hij dacht aan de andere treinen nog, die denzelfden dag uit Orleans,
uit Le Mans, uit Poitiers, uit Bordeaux, uit Marseille, uit Carcassonne
vertrokken. Frankrijk werd op datzelfde uur in alle richtingen door
dergelijke treinen doorploegd, die zich alle spoedden naar de Heilige
Grot en dertig duizend zieken en pelgrims aan de voeten der Heilige
Maagd brachten. En hij bedacht, dat een zelfde menschenstroom ook
andere dagen van het jaar naar die plek golfde, dat er geen week
voorbijging, waarin Lourdes geen bedevaart zag aankomen, dat niet
Frankrijk alleen zich daarheen op weg begaf, maar geheel Europa,
ja de geheele wereld, dat in sommige jaren van bijzonder groote
godsvrucht, driehonderd duizend, ja zelfs wel vijfhonderd duizend
zieken en bedevaartgangers samengekomen waren.
Pierre meende die rollende treinen te hooren, die treinen, welke
van overal alle samenkwamen bij dezelfde rotsgrot, waarin kaarsen
brandden. Alle rolden zij ratelend voort te midden van smartkreten en
het opstijgen van vrome liederen. Het waren de rijdende hospitalen vol
wanhopige zieken, het was de wilde jacht van menschelijke ellende naar
hoop op genezing, een brandend verlangen naar verlichting en troost
bij het toenemend lijden en onder de bedreiging van den snel naderenden
dood. Zij rolden, zij rolden steeds door, zij rolden zonder ophouden,
de ellende van deze wereld met zich voerend, op weg naar een goddelijke
illusie, de gezondheid der zieken en de troosteresse der bedroefden.
En Pierre's hart vloeide over van een groot medelijden, de menschelijke
religie bij zoovele kwalen, bij zoovele tranen, die den zwakken en
hulpeloozen mensch verteren.
Hij voelde zich tot stervens toe droef; een oplaaiende barmhartigheid
brandde in hem als het onuitbluschbaar vuur van een broederlijke
liefde voor alle dingen en voor alle schepselen.
Toen zij om half elf het station Saint-Pierre-des-Corps verlieten, gaf
zuster Hyacinthe opnieuw een teeken; en men bad den derden Rozenkrans,
de vijf glorierijke mysteriën: de Opstanding van Onzen Heer, de
Hemelvaart van Onzen Heer, de Uitstorting des Heiligen Geestes, de
Hemelvaart van de Zeer Heilige Maagd, de Kroning der Zeer Heilige
Maagd. Dan hieven zij het lied van Bernadette aan, de eindelooze
weeklacht van zestig coupletten, waarin steeds het "wees gegroet"
als refrein terugkeerde, een zacht wiegen, een langzame obsessie, die
zich langzamerhand van het geheele wezen meester maakt en ten slotte
in een extatischen slaap doet wegzinken in de heerlijke verwachting
van het wonder.