De woning, waarin de nieuwbenoemde zijn vrouw binnenleidde, was niet
zulk een bescheiden nestje als waarin jonge indische paartjes meestal
de eerste huwelijksjaren doorbrengen en och, zoo naamloos gelukkig zijn
kunnen dat ze later, in hun marmeren paleis, nog met zoet verlangen
terugdenken aan dat nederig stulpje. Het was een ruim huis, vol licht
en lucht, gelegen op den besten stand van Buitenzorg, met het uitzicht
in den Plantentuin.
»Nu kind, ben je tevreden?« vraagt hij, als hij haar heeft rondgeleid.
»Of ik tevreden ben?... Ik heb dikwerf gedroomd van zoo’n huis en zoo’n
uitzicht, maar dat het ooit werkelijkheid zou worden, neen, dat had ik
niet durven denken.«
»Je zult mettertijd in een nog veel mooier, nog veel grooter huis
wonen, dat beloof ik je!«
»Nog grooter? En ik vind dit al te groot voor twee menschen, voor twee
menschen die elkaar liefhebben, ten minste....«
»Dwaas kind! Een huis met vijf kamers!«
»En twee beneden. Dat maakt zeven.«
»Ja, maar die moet je niet meêrekenen. Die hebben we noodig voor de
logées.«
»Zouden we veel logées krijgen, denk je?«
»Natuurlijk. Als je op Buitenzorg woont, heb je altijd logées. In den
oostmousson komen de kennissen van Batavia, omdat ze het er niet kunnen
uithouden van de warmte; in den westmousson komen de kennissen uit de
Preanger, omdat ze het er niet kunnen uithouden van verveling.«
»Niet zoo heel prettig altijd vreemden over den vloer te hebben, vind
je wel?« vraagt mevrouw Verschuere.
»Och, daar merk je hier zoo weinig van, vooral als er een logeergebouw
is. Maar om op die vijf kamers terug te komen. Een daarvan—deze
rechts—is bestemd voor mijn bureau; deze had ik gekozen voor een
boudoirtje.«
»Een boudoir? Voor mij?«
»Ja, je begrijpt, je moet zoo’n vertrekje hebben, waarin je je
amuseeren kunt met je piano en je boeken, of je handwerkjes, terwijl ik
in mijn bureau zit.«
»Moet je veel in je bureau zitten?«
»Ja.«
»Maar zouden we niet in dezelfde kamer kunnen werken? Ik zou je niet
hinderen; ik kan zoo stil zijn als een muis, en het zou veel gezelliger
wezen.«
»Onmogelijk, kind. Jullie vrouwen hebt altijd een zeker frou frou, en
als ik werk kan ik niet het minste gerucht verdragen. Dan rest er een
voor slaapsalet en verder deze voor de kleedkamer van mevrouw, en dit
kleintje voor de kleedkamer van mijnheer.«
»Hoe deftig!«
»We moeten een beetje deftig zijn, dat behoort er zoo bij... Neen, lach
me nu niet uit, Nita! Ik meen het.«
Ze wandelen het huis nog eens samen door, tot eensklaps mevrouw
Verschuere stilstaat met de vraag: »Maar wat moeten we eigenlijk met
die groote galerijen beginnen?«
»Wel, ze zijn niets te groot. Integendeel, bij de eerste de beste
partij, die we geven, zul je zien dat de binnengalerij eigenlijk te
klein is. Voor een dineetje van twaalf personen is de achtergalerij
goed, maar meer zou je er ook niet kunnen plaatsen, terwijl vóór... ja,
dat gaat. Laat zien: een dertig menschen...«
»Dertig menschen? Waarom zoo veel? Zei je me laatst niet, dat je een
hekel hadt aan groote partijen?«
»O ja, wat dat betreft... maar men moet nu eenmaal soms iets doen
waaraan men een hekel heeft.«
»Je bent toch vrij?«
»Vrij? Op Buitenzorg vrij? Zie je daar het paleis en praat je dan nog
van vrij? Ah zoo, daar komen de meubeltjes te voorschijn! Ik dacht dat
ze die emballage nooit los zouden krijgen. Kijk eens, wat is dat keurig
overgekomen. In ’t geheel niet beschadigd. Nu, Nita...«
»Wat? Waarom zeg je »nu Nita?««
»Omdat ik weg moet.«
»Weg? Ga je weg? En moet ik hier alleen blijven? Met al die menschen?«
»Mingo is hier en je meid en je naaister. Wat kijk je me verwijtend
aan, kind? Dacht je dan dat ik tijd had om een geheelen dag te
verknoeien met meubels uitpakken?«
»Noem je dat verknoeien? Ik had er me juist zooveel van voorgesteld het
samen te doen; alles samen uit te pakken, te bewonderen, te schikken en
te plaatsen.«
»O, wat een idée! Ik heb er niet het minste verstand van en ook geen
geduld toe. Geloof me, al had ik niet zoo’n massa werk, dáár zou ik
toch niet toe te vinden zijn. Kom, Nita, je moet je eens aangrijpen. We
hebben hier nu eenmaal geen menschen die je huis voor je meubeleeren,
anders had ik ze je lang bezorgd. Je weet, wat een vrouw in Indië
noodig heeft, is flinkheid; ze moet ferm zijn, zelfstandig handelend
optreden. Nu lieve, ’t wordt mijn tijd.«
»Hoe laat kom je terug?«
»Tegen twaalf uur, denk ik. Ik krijg daareven bericht dat De Bruining
met zenuwhoofdpijn te bed ligt. Nu, dan is hij nog verwarder dan
gewoonlijk en dus zal het wel etenstijd worden vóór we klaar zijn. Tot
straks!« en hij kust haar hartelijk.
»Dag Gustaaf!«
Hij keert nog eens terug op zijn schreden en vraagt lachend: »Wat is
het eerste vereischte voor een vrouw in Indië?«
»Flinkheid,« antwoordt ze met een stemmetje dat alles behalve flink
klinkt.
Nog een vluchtige groet en mevrouw Verschuere is alleen; alleen, met
een veertigtal koelies, een dertigtal kisten en zulk een helsch leven
als het wezen kan in een ledig huis, gevuld met werkvolk.
Ze ziet rondom zich dien chaos van touwen, breekijzers, hooi, stroo,
pakpapier; ze ziet die halfnaakte mannen, de dierlijke bruine
gezichten, nog misvormd door den pruim tabak, dien ze vóór in den mond
houden; ze hoort de ruwe klanken, welke, vooral als men de taal niet
verstaat, meer aan beestengeluiden dan aan menschenstemmen doet denken
en—ze wordt bang!
»Mingo! Mingo!«
Maar Mingo is juist naar den trein om den nieuwen voorraad kisten,
daareven van Batavia aangekomen, in ontvangst te nemen. »Jeit!
Sarinah!«
Maar lijfmeid en naaister hadden een rustig oogenblikje aangegrepen om
koffie te drinken.
Ze voelt een onweerstaanbaren lust om in een der ledige kamers te
vluchten en zich daar op te sluiten, maar ze zegt tot zichzelf dat dit
kinderachtig zijn zou, en ze weet reeds bij ervaring, dat Verschuere
geen kinderachtigheid verdragen kan. Dus grijpt ze zich aan, loopt met
een fermen stap naar voren en... staat tegenover mevrouw De Bruining.
Zooals deze verrijst van achter een berg kisten, met haar hoekige
figuur gestoken in sarong en kabaia; met haar toch niet overdadige
lokkenpracht, nog vochtig van het bad, in dunne pijpestelen afhangend
op den rug; met haar bleek gezichtje haastig en daardoor niet zeer
gelijkmatig gepoederd, is ze geenszins een bekoorlijke verschijning.
Maar als mevrouw Verschuere haar aanziet, leest ze in de zachte oogen
iets dat haar aan »mama in Holland« herinnert en ze valt haar in de
armen met een kreet van vreugde, die in een snik eindigt.
»Dacht ik het niet?« roept mevrouw de Bruining, terwijl ze vol
moederlijke teederheid het tengere figuurtje omsluit. »Dacht ik het
niet? Zei ik ’t niet dadelijk aan uw man, toen hij me vertelde, dat u
hier alleen in huis waart?« En dan, met de trotsche vreugde van een
vrouw die gelijk krijgt: »dat kon hij op zijn vingers natellen! Om u de
waarheid te zeggen, heb ik hem eens flink beknord.«
»O mevrouw! Verschuere had zooveel...«
»Zooveel werk. Och ja, kindlief, dat is ook zoo, daar kunnen ze nu
eenmaal niets aan veranderen. De stukken wachten niet. Ook is er me
tegenwoordig zoo iets af te doen... En waart u daar nu een beetje
zenuwachtig gaan worden? Wel, wel! Mijn lieve, wat ben ik blij dat ik
maar zoo dadelijk in den wagen gesprongen ben! Vooral wanneer ik
bedenk, dat ik, als ik er langer over had nagedacht, bepaald thuis zou
zijn gebleven. U moet weten dat de juffrouw een weekje verlof
heeft—naar Soekaboemie, daar woont haar zuster—dat kun je zoo’n mensch
ook al moeilijk weigeren, niet waar? en dat het kleintje juist een
hoektand doorkrijgt. Daarbij komt dat de min—maar daar hebt u nog zoo
geen verstand van. Toch, als ik u een raad mag geven, begin daar nooit
mee! Met minnen bedoel ik: hoektanden kunt u moeilijk buiten blijven...
Komaan, wat is er te doen? Koffers en kisten uitpakken? Wel, dat is het
prettigste werk van de wereld! Als er wat moois in zit ten minste. En
als je maar weet hoe je het moet aanpakken... Waar is uw jongen? Ah
zoo, ben jij dat? Hoe heet je? Mingo? Nu, Mingo, loop jij dan eens gauw
hiernaast en vraag aan mevrouw een paar wipstoelen en wat ijswater.«
»Maar,« brengt Nita in het midden, »ik ken die mevrouw hiernaast niet.«
»Dan is dit een uitmuntend middel om kennis te maken. Zie zoo, nu
beginnen we! Ajo koelies! Maakt open den boel! Gauw wat! Voorzichtig!
Gauw, zeg ik je! Nu, wat voorzichtig, asjeblieft!« En zonder te
bedenken dat het eene onmogelijkheid is die twee bevelen tegelijk uit
te voeren, herhaalt zij ze onophoudelijk, terwijl de koelies er zich
natuurlijk in het minst niet om bekommeren.
Nu komt Mingo terug met stoelen, glazen, een ijskan en de vriendelijke
boodschap, dat mevrouw verzocht wordt, alles wat ze mocht noodig hebben
gerust te laten halen. De eene kist na de andere wordt ontpakt; en als
tal van voorwerpen, met smaak gekozen in de beste magazijnen van
Parijs, te voorschijn komen, dan vergeet mevrouw Verschuere haar
teleurstelling, mevrouw De Bruining minnen, hoektanden en juffrouwen.
Mingo blijkt een echte bataviasche jongen, vlug, net, handig—misschien
brutaal en verliefd en diefachtig van natuur, maar een jongen waarmee
men vooruit kan komen.
Jeit en Sarinah, blijkbaar verfrischt door de koffie en het daarop
volgende sirihpruimpje, maken zich zeer verdienstelijk; mevrouw De
Bruining vliegt links en rechts; Nita doet wat ze kan—hetgeen zeer
weinig is, daar niemand haar verstaat—tafels, ledikanten, kasten en
divans komen op hun plaats; er verspreidt zich door het huis de
eigenaardige lucht, die bewijst dat er flink gewerkt wordt door
inlanders. De vriendelijke buurvrouw zendt tegen twaalf uur vruchten en
portwijn. De dames hebben een verfrissching zoowel als een opwekking
noodig, en met een zegenbede aan het adres van de geefster, zinken ze
naast elkander op de eerste canapé de beste neer.
»Wit u gelooven, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan?« hijgt
mevrouw De Bruining.
»O mevrouw, wat spijt me dat! U had u niet zoo moeten vermoeien... ik
hoor, dat het niet goed is in dit klimaat.«
»Gekheid, kind! Laat je dat nooit wijs maken. Flinke beweging is hier
even noodig als in Holland. Trouwens, uw bedienden zorgen wel dat—wáár
u gebrek aan moogt hebben—het niet aan beweging is. Doen de baboes haar
werk, dan moet men de naaisters weer narijden; is kokkie goed, dan laat
de waschman... hemelsche goedheid! de waschman! hij zou om tien uur
komen. Koetsier! Gauw! Vóór! Dag mevrouw! Neen, bedank me niet. Gauw,
koetsier! Naar huis! Ik heb den waschman vergeten! ik moet nog voor de
rijsttafel het goed ontvangen.«