EEN INDISCHE HUISHOUDING.

»Mama, ik wil koek!«

»Ma, Wim knijpt me... Adoe! adoe!« [1]

»Maatje heef hort aan Jantje!«

»Mama, toetie minta boeboer.« [2]

Ziedaar de kreten, die, vergezeld van het geraas, dat lepels en vorken

in kinderhanden maken, worden geslaakt door het zevental dat om de

ontbijttafel der Bruinings gelegerd is in houdingen, welke slechts

darwinistische denkbeelden vermogen te wekken.

Die ontbijttafel is bedekt met tal van gerechten.

»Want, niet waar,«—aldus mevrouw De Bruining—»wanneer men zooveel

kinderen heeft, dan moet er van alles zijn? Daar hebt u Jantje, die wil

altijd gort hebben en voor Non moet er koek wezen; dan eet Toetie

boeboer en het kleintje«—er is altijd een kleintje!—»het kleintje kan

nog niet veel anders verdragen dan nassie tim, terwijl Bruining op zijn

kop chocolade gesteld is en juf graag kip of vleesch heeft bij de

boterham.«

»Stil toch, kinderen,« spreekt mevrouw, met een stem, veel te zwak om

het rumoer te overschreeuwen. »Ik zal je helpen, maar gil dan niet zoo!

Wou je koek, Non? Hier poesje. En jij Wim... jongens, vecht nu niet

langer... kom je boterham eten... Spen kassi roti... waar is Spen?«

Spen is aan het melk koken, bericht de baboe, die op den grond zit met

een schotel rijstepap en de vijfjarige Toetie volpropt met den boeboer,

alsof het een jonge kalkoen was die gepild moet worden.

Nu had Spen reeds een uur geleden de melk kunnen koken, maar met het

overleg den inlander eigen, waar het geldt eenig werk te ontloopen,

stelt hij dit altijd uit tot het oogenblik van aanval; de jeugdige

Bruinings te bedienen is geen gemakkelijke taak en hij laat die liefst

over aan hunne moeder.

Zij vliegt dan nu ook links en rechts, om de wenschen harer lievelingen

te vervullen; zoo gauw echter niet of jongeheer Jan vindt gelegenheid

om de »hort«, waar hij daareven zoo dringend om riep, overal te brengen

waar ze niet behoort.

Hij teekent zich met de stroop een paar snorren, die een sappeur hem

zou kunnen benijden; nu gaat hij over tot het aanbrengen van groote

dwarsstrepen op zijn voorhoofd, welke hem iets diepdenkends zouden

geven zonder de beide gortkorrels aan de punt van zijn neus.

Misschien zou Lavater een studie gemaakt hebben van de

tegenstrijdigheden in de uitdrukking op Jantje’s gelaat, maar mevrouw

De Bruining heeft daarvoor geen tijd. Nauwelijks ontdekt ze het snood

bedrijf, als ze een natten handdoek grijpt en daarmede op den

teekenmeester toeschiet...

Juist op dit oogenblik weerklinkt een hartverscheurende kreet. De

strijd tusschen Willem en Louis met ongewone hardnekkigheid voortgezet,

was weldra ontaard in een buiteling en de buiteling beëindigd met een

even treurig als verrassend voorval: Louis kwam met een weinig

beschermd lichaamsdeel terecht in de heete rijstepap.

Met pas gekrulde kuif en wijd uitgespreiden bakkebaard, met zijn das in

de hand en zijn jas op den arm, vliegt nu de heer De Bruining de

achtergalerij binnen: hij heeft door het hartverscheurend gegil van

Louis gemeend, dat er een vreeselijk ongeluk gebeurde, maar de houding

die het ventje aanneemt, nu hij uit de heete pap opkrabbelt, is zóó

dwaas, dat papa met de kinderen en bedienden instemt en het uitschatert

van lachen.

De kus, dien hij zijn vrouw op de lippen drukt, het goeden morgen dat

hij zijn jongens toeroept, zouden vriendelijker zijn, als hij niet zoo

gejaagd was; immers hij is reeds gekleed voor zijn dagelijksch bezoek

bij den gouverneur-generaal; binnen een half uur moeten hij en Zijne

Excellentie een zaak bespreken, die alleen met behulp van zeker

staatsblad te bespreken is. En nu werd hij in het bestudeeren van dat

staatsblad gestoord door den noodkreet van zijn zoon. Mevrouw is

neergeknield om de vuurroode plek, die Louis bij zijn evolutiën bloot

geeft, te betten met den natten handdoek voor Jantje bestemd; Jantje

vliegt paatje tegemoet, paatje geeft toe aan een opwelling van

vaderlijk gevoel en de lichtbruine vloeistof, waarin bij de tropische

hitte Jantje’s teekeningen zich hebben opgelost, kleeft tusschen het

ronde gezichtje en de mooie bakkebaarden.

Jantje vindt het aardig, maar papa laat zich een woord ontvallen, een

woord dat... in ’t kort, dat hij hoogst waarschijnlijk niet gebruiken

zal als hij straks in gezelschap is van Zijne Excellentie.

Doodelijk ontsteld rijst mevrouw De Bruining overeind en spant alle

krachten in om nog meer zulke woorden te voorkomen.

De drie eitjes, die de algemeene secretaris moet gebruiken om bij zijn

veelomvattende werkzaamheden staande te blijven, kunnen alleen door

zijn Wies naar den eisch gekookt worden, en daar de juffrouw nog steeds

niet verschijnt en de Spen volhardt bij het melk koken, terwijl Louis

kermt en Jantje snikt, heeft ze de handen vol.

Daar komt een inlandsch naaistertje, een naaistertje zoo jong en mooi

als slechts bij ongetrouwde dames een dienst vinden, binnentrippelen:

ze brengt een boodschap van »nonna jupprou«; nonna jupprou heeft erge

kiespijn; nonna jupprou kan onmogelijk opstaan en nonna jupprou vraagt

haar ontbijt.

Terwijl ze daarvoor zorgt, ontsnapt een diepe zucht aan mevrouw De

Bruining’s borst.

»’t Wordt toch wat erg,« meent Daniël, die den zucht hoort en met

bezorgdheid opmerkt hoe bleek zijn vrouw er weer uitziet vandaag, »’t

wordt toch wat erg! Jij hadt van morgen wel pijn in den rug...«

»Maar Daan! Alsof de meesteres zich zoo zou mogen toegeven als de juf!«

zegt mevrouw De Bruining niet zonder eenige bitterheid. »Trouwens, ’t

is al wat beter en straks, als ik mijn stortbad genomen heb, zal het

wel heelemaal over zijn. Nog een boterhammetje?«

»Neen, dank je! Begin nu eerst zelf eens wat te eten.« En na een pauze,

door de kinderen krachtig aangevuld:

»Wil ik je eens wat zeggen, Wies? Het gaat met deze juffrouw alweer net

als met de beide vorigen, je hebt er meer last dan pleizier van.«

»Och lieve, dat is nu eenmaal niet anders in Indië.«

»Maar het is toch niet bij iedereen zoo. Ik ken wel dames, die van haar

bonne heel wat meer gedaan krijgen dan jij.«

»Ik geloof dat het aan mij ligt,« zegt de arme Wies beschaamd; »als je

denkt dat dit de negende is. Ik ben te zwak.«

»Ja, dat is het, oudje. Je bent te goed!«

Ze glimlacht en legt een oogenblik haar hand in de zijne. Hij drukt die

hand, ziet haar in het gelaat, dat met dien glimlach niet vermoeid meer

schijnt, en de kinderen mogen leven maken zooveel ze willen, hij mag

het teeder woordje nog zoo zacht fluisteren—zij verstaat het.

’t Is een korte vreugd. In dezelfde zenuwachtige haast, waarmede hij

naar binnen kwam stormen, vliegt hij overeind. »Mijn hemel! ’t is half

negen. Ik moet weg! Wordt er ingespannen? Kinderen, houdt je stil...

Wies! zorg dat de rijsttafel precies half een op tafel staat, dan kan

ik... hou je mond, schreeuwleelijk—dan kan ik nog een oogenblik

rusten.«

Nauwelijks heeft papa zijn hielen gelicht of de wilde horde vliegt den

tuin in; mama bedenkt dat ze geen hoeden op hebben en geen schoenen

aan; maar in ’s hemelsnaam! De stilte is zoo verrukkelijk! En het is nu

juist een geschikt oogenblik voor haar om te ontbijten.

Gauw een kop thee, de beste is afgeschonken, maar ze kan nog wel eens

opgieten; een eitje, de eieren van eigen kippen zijn altijd voor Daan,

maar och, men kan het met koopeieren ook wel eens treffen...

Dat smaakt. Ze zal zich een tweede kopje inschenken, een tweede broodje

smeren... daar begint ze onrustig te worden, ze werpt schuchtere

blikken naar beneden, naar de trap; weldra durft zij de oogen niet meer

opheffen van haar bord. Immers, ze weet dat ze daar beneden aan de trap

wordt opgewacht; wel niet met kwade bedoelingen, maar ... met ongeduld,

met steeds klimmend ongeduld.

Reeds stijgt een verward rumoer tot haar op; reeds onderscheidt ze het

afschuwelijk neusgeluid, dat alleen een chineesche varkensslager kan

voortbrengen; in de verte bengelt het klokje van den klontong;

dichterbij kakelen kippen en kirren duiven die op voedsel wachten;

boven alles uit weerklinkt de weinig melodieuse stem van Spen, die

quasi de verkoopers van groenten vruchten, hout, klappers en wat ze

meer op hun krakende picolans komen aandragen, onderhoudt over hun

schandelijk overvragen.

Mevrouw De Bruining neemt zich voor, hen te laten wachten; ze zal haar

boterham rustig opeten, zich nergens aan storen ... haar oog ontmoet

den strakken blik van twee naaisters, die zich houden of het haar

bepaald onmogelijk zijn zou één steek te doen vóór zij ze werk geeft;

daar fluistert de waschmeid een dringende bede om zeep, de kokkin

bewaart, voor de gesloten deur der goedang gezeten, een stilzwijgen,

dat zegt: »mensch, maak die deur open of ik zal je op je rijsttafel

laten wachten zoolang als je er nog nooit op gewacht hebt.«

De moed begeeft haar; een laatste verlangende blik op den trekpot en ze

rijst langzaam overeind om aan de vervulling harer huishoudelijke

plichten te beginnen.

Mevrouw De Bruining is de goedheid zelve.

Voor ieder, met het karakter van den inlander bekend, zal het na deze

mededeeling duidelijk zijn, dat er op geheel Buitenzorg geen dame

gevonden wordt, die een grooter aantal bedienden heeft en slechter

bediend wordt, geene die meer passergeld gebruikt en minder eten op

tafel krijgt, geene die uit haar tuin vol vruchtboomen zoo zelden een

eetbare pisang of djamboe plukt als zij.

Door ervaring geleerd, bereidt ze er zich op voor om, als zij ’s

morgens haar oogen opent, allerlei onaangename tijdingen te hooren.

Zooals echter vandaag alles schijnt saam te spannen om haar tot wanhoop

te brengen, daar is zelfs zij niet op voorbereid.

Het begint met de mededeeling van kokkie, dat een zeker geheimzinnig

dier van nacht vier kippen heeft weggehaald; dan komt de tuinman

vertellen dat een van de groote bloempotten met de juist bloeiende

sering, in elkaar is gezakt; de huisjongen, haar steun en hulp, vraagt

veertig gulden voorschot en twee dagen verlof om te gaan trouwen—voor

de derde maal in den loop van dit jaar; onmiddellijk na hem nadert nog

grooter onheilsbode in den persoon van den koetsier: hij meldt dat een

der beide Sydneyers ziek is.

Dit is te veel! Moedeloos zinkt ze neer op haar stoel voor den goedang;

werkeloos laat ze het toe dat de kooplieden haar beetnemen; ze ziet

kokkie boter stelen in meer dan gewone mate, ze verzet er zich niet

tegen, ze merkt op hoe de lampenjongen met de petroleum omgaat of het

water ware: ze zwijgt. Daar wordt ze plotseling uit haar sombere

moedeloosheid gewekt; was dat niet een noodkreet, een gil in doodsangst

geslaakt, die daar het moederoor trof?

Reeds is ze den stoet kinderen tegemoet gevlogen, die onder akelig

gehuil uit den tuin komt aanloopen. Wat is er gebeurd? Een kleinigheid

maar, vinden de baboes, te oordeelen naar haar kalmte; de kinderen

hebben steentjes in hun ooren gestopt, anders niet!

Een flauwe herinnering aan steentjes, die met een haarspeld uit hun

schuilplaats werden opgedolven, speelt de arme Wies door het hoofd.

Maar neen, beter dadelijk ingespannen! den dokter halen!

Onmogelijk! De vossen zijn met de coupé naar het paleis, een van de

Sydneyers is ziek.

Een haarspeld dàn!

Ha, hier komt er reeds een te voorschijn, een steentje namelijk! en

hier nog een... ’t blijkt nu, dat er ook enkelen in den neus

verdwaalden.

De Bruining rijdt het erf op.

»Man, laat niet uitspannen! De koetsier moet dadelijk naar den dokter.«

De gehoorzame echtgenoot brengt de orders aan den koetsier over, zonder

ook maar te vragen wat er gebeurd is; hij is er aan gewoon bij zijn

thuiskomst een gebroken arm, verstuikt been of plotseling opgekomen

koorts te vinden.

»Daan, verbeeld je!« roept Wies, als hij terugkeert in de

achtergalerij, meest het tooneel hunner huiselijke rampen; »Daan,

verbeeld je, daar hebben de kinderen zich volgepropt met steenen!«

»Kom, Wies!« roept hij ontsteld, maar niet verbaasd, daar van die

kinderen hem niets meer verbazen kan, »’t is waarachtig of het

casuarissen zijn. Geef ze castor-olie!«

»Neen lieve, dat is de kwestie niet. Ze zitten in hun neus, in hun

ooren.«

»Groote God! En de baboes dan? En de juffrouw!«

»Die ligt in haar kamer te lezen.«

De algemeene secretaris grijpt met beide handen naar zijn achterhoofd

en laat een zucht hooren, die veel op pijnlijk kermen gelijkt. Mevrouw

ziet die beweging met bekommerd gelaat en zegt: »Als je weer wat ijs op

je hoofd wilt leggen, ik heb reeds laten halen.«

»Straks graag. Dat moest er nog bij komen. De kinderen misschien voor

hun leven ongelukkig!«

»Waar bij?« herhaalt de heer De Bruining opgewonden. »Wel... maar, ’t

is waar! Je weet het nog niet. Daar is me Verschuere benoemd...«

»Benoemd? Tot... tot eersten gouvernements-secretaris?«

»Ja. En dat terwijl Van Heuvel er het volste recht op had, terwijl het

hem beloofd was; hij is resident van Krawang gemaakt, de arme drommel!«

»Mijn hemel, Daan! Verschuere...«

»Ja, je moogt wel schrikken.«

»Het verwondert me van den gouverneur.«

»Mij niet. Ik ben voor niets geen twintig jaar lang in Indië geweest.

Herinner je je nog dien tijd, toen de grootste ezels de mooiste

betrekkingen kregen, alleen omdat er schot moest komen, alleen omdat de

schoonzoon van den minister op moest klimmen?«

»Ja, ’t is erg. Dus van referendaris op eens eerste

gouvernements-secretaris? Maar trek het je niet aan. Wind je niet zoo

op, Daan, denk aan je hoofdpijn!«

»O Wies!« roept hij, terwijl hij haar handen grijpt en het pijnlijk

gloeiend voorhoofd daarop laat neerzinken. »O Wies! eisch niet van me,

dat ik me kalm houd...«

»Je vreesde het wel een weinig, niet waar? Het komt niet geheel

onverwacht?«

»Neen, ik heb het zien aankomen. Ik heb het verwacht. Ik weet wie

Verschuere is... hij werkt vlugger, beter, gemakkelijker... hij kan

meer dan iemand anders! Maar ik ken hem van vroeger, hij ontziet niets;

hij ontziet niemand... wat hem in den weg staat loopt hij omver... en

ik sta hem in den weg, Wies.«

»Komaan,« spreekt ze vertroostend, »je moet zoo gauw den moed niet

laten zinken. De gouverneur is je genegen.«

»Maar Verschuere is de neef van den minister.«

»Beste man! Denk om onze kinderen! We moeten den strijd volhouden

zoolang we kunnen—dat heb je tot nu toe altijd gedaan.«

»Ja, als ik die zenuwhoofdpijnen niet had! Als ik niet zoo vreeselijk

was afgebeuld, nu drie jaar lang... Goddank, daar is de dokter.«

V

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 11 / 85 题