Ik lig in ’t bosch,
Op ’t zachte mos,
In ’t bosch van sparregeuren;
De zonne daalt al, goud en ros,
Ik voel me nu zoo vrij, zoo los,
Van ’t elkendaagsch gebeuren.
’t Is mij zoo blij,
’k Ben nu zoo vrij
Van kranten-fouten-schrijvers,
Van heel de drukke maatschappij,
Van heel de schetterende rij
Van schreeuwers en van drijvers.
Mijn vinnigheid
Die ben ik kwijt
In ’t blijde bosch hier buiten;
Ik zie den hemel, hoog en wijd,
Ik voel het mulle mostapijt,
Ik hoor de vogels fluiten.
Ik weet het wel:
De zon kan fel
En brandend zijn, en steken,
De kleuren zijn soms hard en hel,
Veel vogels zingen schril en schel,
De bloem zelfs heeft gebreken.
En voor ’t gezicht
Zijn scheef gericht
Veel stammen, die daar groeien,
En — ’t hoort wel niet in een gedicht —
Maar ’t weet, dat er iets leelijks ligt
Ook bij de mooiste koeien!
Maar wie het ziet —
Ik zie het niet!
’k Lig veel te zoet te droomen;
Critiek ligt buiten dit gebied,
Ik luister nu naar ’t vooglenlied,
En naar ’t geruisch der boomen......