3. BOSCH-RIJM.

Ik lig in ’t bosch,

Op ’t zachte mos,

In ’t bosch van sparregeuren;

De zonne daalt al, goud en ros,

Ik voel me nu zoo vrij, zoo los,

Van ’t elkendaagsch gebeuren.

’t Is mij zoo blij,

’k Ben nu zoo vrij

Van kranten-fouten-schrijvers,

Van heel de drukke maatschappij,

Van heel de schetterende rij

Van schreeuwers en van drijvers.

Mijn vinnigheid

Die ben ik kwijt

In ’t blijde bosch hier buiten;

Ik zie den hemel, hoog en wijd,

Ik voel het mulle mostapijt,

Ik hoor de vogels fluiten.

Ik weet het wel:

De zon kan fel

En brandend zijn, en steken,

De kleuren zijn soms hard en hel,

Veel vogels zingen schril en schel,

De bloem zelfs heeft gebreken.

En voor ’t gezicht

Zijn scheef gericht

Veel stammen, die daar groeien,

En — ’t hoort wel niet in een gedicht —

Maar ’t weet, dat er iets leelijks ligt

Ook bij de mooiste koeien!

Maar wie het ziet —

Ik zie het niet!

’k Lig veel te zoet te droomen;

Critiek ligt buiten dit gebied,

Ik luister nu naar ’t vooglenlied,

En naar ’t geruisch der boomen......

Ruize-rijmen · 第 237 / 248 题