De Nieuwe Rotterdamsche krant
Weet ’t deftig deel van ’t vaderland
Met eerbied te vervullen
Door hare ach-tens-waar-dig-heid,
En door haar eigenaardigheid
Om zich met groote vaardigheid
In nevelen te hullen.
Geen enkel mensch van vleesch en bloed
Schrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed,
Dat wil ik graag erkennen:
„Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,”
En ’k heb geteld, in ’t city-blad
Daar schrijven bij mekaar zoowat
Een stuk of twintig Mennen!
Ook werkt geregeld, naar men weet,
’t Geslacht mee, dat _Van Zijde_, heet,
Geleerd, en toch bescheide’,
„Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,”
En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht —
(Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!)
„_Niet-onbevoegde Zijde!!!_”
Maar de — courant is g’excuseerd,
Een voorbeeld heeft het blad geleerd:
Het voorbeeld der regeering!
Want wat die laat of wat die doet,
’t Zal wel verstandig zijn en goed,
Maar ’t wordt zoo maar _gegist_, _vermoed_......
Die strekte ’t blad tot leering!
Een nevelachtig persbureau
Doet ons het nieuwste nieuws cadeau
In sfinxerige woorden.
„Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,”
Orakeltaalt tot ’t Vaderland,
Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand,
We schrokken, toen we ’t hoorden.
Er wordt gebrond, er wordt gemend,
Door een verluidt, dien niemand kent,
Die zelf niet voor den draad komt.
Dan krijgen w’ eindelijk een bericht,
Dat de gemoederen wat verlicht,
Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht,
Omdat het veel te laat komt.
Laat u verbidden in dit vers,
O, Hooge Oomes! en o, Pers,
Gij sluier-vage Dame!
Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,”
Noch „officieus,” zeer, half, of heel,
Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel —
En noemt uw bron, met name!
Maar wacht eens even — ik erken:
Ik zelf ben eiglijk ook een Men,
En ’k hoop ’t nog lang te blijven!
Dus, Nieuwe Rotterdammer krant,
Wij zijn elkander nauw verwant,
Zoo reik mij dan de broederhand —
Ik zal niet boos meer schrijven.