34. DE NIET-ONBEVOEGDE ZIJDE.

De Nieuwe Rotterdamsche krant

Weet ’t deftig deel van ’t vaderland

Met eerbied te vervullen

Door hare ach-tens-waar-dig-heid,

En door haar eigenaardigheid

Om zich met groote vaardigheid

In nevelen te hullen.

Geen enkel mensch van vleesch en bloed

Schrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed,

Dat wil ik graag erkennen:

„Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,”

En ’k heb geteld, in ’t city-blad

Daar schrijven bij mekaar zoowat

Een stuk of twintig Mennen!

Ook werkt geregeld, naar men weet,

’t Geslacht mee, dat _Van Zijde_, heet,

Geleerd, en toch bescheide’,

„Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,”

En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht —

(Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!)

„_Niet-onbevoegde Zijde!!!_”

Maar de — courant is g’excuseerd,

Een voorbeeld heeft het blad geleerd:

Het voorbeeld der regeering!

Want wat die laat of wat die doet,

’t Zal wel verstandig zijn en goed,

Maar ’t wordt zoo maar _gegist_, _vermoed_......

Die strekte ’t blad tot leering!

Een nevelachtig persbureau

Doet ons het nieuwste nieuws cadeau

In sfinxerige woorden.

„Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,”

Orakeltaalt tot ’t Vaderland,

Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand,

We schrokken, toen we ’t hoorden.

Er wordt gebrond, er wordt gemend,

Door een verluidt, dien niemand kent,

Die zelf niet voor den draad komt.

Dan krijgen w’ eindelijk een bericht,

Dat de gemoederen wat verlicht,

Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht,

Omdat het veel te laat komt.

Laat u verbidden in dit vers,

O, Hooge Oomes! en o, Pers,

Gij sluier-vage Dame!

Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,”

Noch „officieus,” zeer, half, of heel,

Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel —

En noemt uw bron, met name!

Maar wacht eens even — ik erken:

Ik zelf ben eiglijk ook een Men,

En ’k hoop ’t nog lang te blijven!

Dus, Nieuwe Rotterdammer krant,

Wij zijn elkander nauw verwant,

Zoo reik mij dan de broederhand —

Ik zal niet boos meer schrijven.

Ruize-rijmen · 第 214 / 248 题