’t Is niet de krijg, die d’ aard verwoest,
met ongekende kracht,
Wijl ’t menschelijk geweten zwijgt,
en rede wijk voor macht,
’t Is niet het eindloos leed en kwaad,
door d’ oorlogspest gesticht,
Noch ’s werelds organisme door
des krijgsgod’s wig ontwricht,
’t Is niet de leugen-lasterpers,
die ’t menschdom voedt met haat,
Noch Wolff en Reuter, die elkaar
bevechten met den draad,
’t Zijn niet fabrieken stopgezet,
noch handel lamgekwakt,
Noch bloeiende bedrijven diep
in schuldenpoel verzakt,
’t Is niet mobilisatie-wee,
militie-plicht-ellend,
Noch werkloosheid, noch achterstand,
’t is niet faillissement,
’t Is niet der bladen jammertaal,
noch, Lijs! uw laffe geest,
Noch ’t meisje op ’t verkeerde pad,
noch d’ oudste zoon gesjeesd,
’t Is niet — al is ’t ook voor den braven
bierbuik bar beroerd —
Dat Pilsner Urquell’ niet geregeld
meer wordt ingevoerd,
’t Is, jongling! niet de blauwe scheen
niet, maagd! ’t gebroken hart,
Noch ook, mevrouw! dienstboden-plaag,
niet, knaap! examen-smart,
’t Is niet ’t verlies van maag of vriend,
noch van ons dierbaarst pand,
Noch ’t donker dreigende gevaar
voor ’t vrije vaderland......
Neen. ’t Is bij mijn gehoorig huis,
met dunne een-steens-muur,
Dat wicht, die duizendpoot, de trap-hit
van mijn naasten buur.
— Gott strafe ’t kind! — dat mij
tot wanhoop brengt en razernij,
Dat als-maar-door van „Santfoort” blèrt
van „Santfoort bai de sei”!