Onder dezen ironisch bedoelden titel citeert de _N. R. C._ Couperus,
die in de _H. P._ een liefelijk beeld gaf van den bokser. Het citaat is
een verwijt tot mij gericht: „Ik ben gewonnen. Het was ongeloofelijk.
Het was heel bijzonder. Het was een fenomeen. Daar komt aan een fijne,
gedistingeerde, jonge, blonde man, haar weggekamd naar achteren als de
mode is. Hij draagt een grijs zijden kimono. Hij rilt in die kimono een
beetje als een bedorven kind, en bromt: „Brrr! Brrrr! Froid! J’ai froid!
Qu’il fait froid à Alger!” Dan slaat hij zijn kimono af en staat als een
slank jong mensch van goede familie, die wel eens een beetje aan sport
doet. Een aardige, fijne kop met telkens ontluikend lachje om witte
tanden. De schouders wel vierkant en sterk maar geen zichtbare spier
aan die fijne armen. Slanke beenen en enkels waar om een vrouwenarmband
zou kunnen sluiten. En hij draagt een kleurig tricot en het driekleurig
nationale kampioenslint om zijn middel. Even een boudeerend gezichtje
over dat openluchtsche, koude stadion, enz.”
Ik ben door de _N. R. C._ bekeerd. Ik heb nu een andere voorstelling van
het boksen gekregen, en kan me niet weerhouden het type bokser aldus te
bezingen:
(Wijze: „_Klein, klein kleutertje,_
_Wat doe je in mijn hof?_”)
Beeldig boksertje,
En heb je ’t dan zoo koud?
Het is toch ook voor jou geen weer!
Je bent zoo tenger en zoo teer,
En zoo fragiel gebouwd.
Snoezig boksertje,
Wat zijn je armpjes fijn!
Wat zijn je bloote beentjes slank,
Je lokjes blond, je tandjes blank,
Wat zijn je voetjes klein!
Schattig boksertje,
Mijn oogen vieren feest!
Want je kimono is van zij,
Je tricot kleurt er prachtig bij,
En ’t lintje om je leest.
Boutig boksertje,
Wel word ik zwaar bezocht!
Ach, dat de zede ’t niet verbood,
En ’k van je lipjes rozenrood
Een zoentje stelen mocht!
Poetig boksertje,
Waarom boudeer je nou?
Stil maar. Ik heb wat meegebracht,
Kijk hier: pralines, zalig zacht;
Mondj’ open! Da’s voor jou!
Zielig boksertje,
Ik ril terwijl ik rijm,
Want als je strakjes heel misschien
Een enkel drupje bloed mocht zien,
Dan val je vast in zwijm!
Doddig boksertje,
Mijn loflied loopt ten eind.
Ziehier den zondaar dan bekeerd,
Het boksen — ’k heb het nu geleerd —
Verweeklijkt, en verfijnt.
Honnig boksertje,
Reik mij je poez’le hand;
Ik heb je onrecht aangedaan,
En mijn bekeering dank ik aan......
De Rotterdammer krant!