De _Revue der Sporten_ bevat een sportief gesteld artikel van „Bob”
over mijn Rijm „Lof der Zotheid, I”, waarin Bob toont het niet in alle
opzichten met mij eens te zijn. Belangrijk is alleen wat hij van Querido
aanhaalt: „Natuurlijk zullen nathalzige of koelecynische spotters, op hun
duim kluivend, wat zure scherts verbrassen, als ze lezen, dat biljartspel
_lyrische aandoeningen_ kan suggereeren.”
=Voorheen=
Mijn Annie, dat beeldig bekoorlijke kind,
De roos in de gaarde mijns levens,
Die ’k jaren lang vurig en trouw heb bemind,
Is zacht en gewillig, vergevensgezind,
En, iets dat men zelden bij vrouwen meer vindt,
Z’ is tamelijk degelijk tevens.
Ze poedert en verft zich een beetje, da’s waar,
Maar zoo, dat je ’t haast niet kunt merken;
Ze draagt ook wat vulling (niet veel) in het haar,
En eenige tandjes, niet meer dan een paar,
Die zijn van den tandarts — volstrekt geen bezwaar!
Dat kan slechts haar schoonheid versterken.
Dus is ze naar geest en naar lichaam volmaakt?
Neen. Aarzelend zeg ’k het, en schuchter,
Haar ontbreekt — z’ is als ’t vuur dat wel smeult maar niet blaakt —
Een gemoed, tot het lyrische leven ontwaakt,
Ze is nog haast nooit eens in geestdrift geraakt,
Ze is zoo prozaïsch, zóó nuchter!
Ik tracht haar te leiden zooveel als ik kan,
Ik heb al van alles verzonnen,
Maar mooie natuur, daar geniet ze niet van,
En kunst? „Jazzus”, zegt ze, „wat heb je d’r an?”
Ze denkt, tot verdriet van haar lyrischen man,
Slechts aan smullen en mooie japonnen.
=Thans=
Thans is ze gekeerd als een blad van een boom.
’t Staat vast nu. Ik weet het empirisch.
Z’ is lyrisch ontwaakt uit een lierloozen droom,
Ze drijft op lyriek als een schuit op een stroom,
Met moeite houdt Annie haar lierzucht in toom,
„Hou me vast”, zegt ze, „of ik doe lyrisch!”
Hoe is er mijn liefste dat licht opgegaan,
Dat zij zingt van haar vreugden en smarten
Met kwijnend gekweel? Dat zij dweept met de maan?
Van waar deze ommekeer in haar bestaan...?
Dat heeft het systeem (zie hiernevens) gedaan:
Ik heb Anneke leeren biljarten.